De Wonderen van den Antichrist

Part 20

Chapter 204,105 wordsPublic domain

"Nino," zei hij. "De pastoor is mijn vriend en hij meent nu dat ik hem had willen plunderen. Je hebt zeer slecht gehandeld." En hij legde zijn geweer aan en schoot Nino dood.

Toen hij dit gedaan had, wendde hij zich tot don Giovanni, die van schrik bijna van zijn ezel viel.

"Ziet ge nu, uw Hoogeerwaarde, dat ik geen aandeel had in Nino's aanslag tegen u?"

En dit geschiedde twintig jaar geleden, toen Falco nog slechts gedurende vijf jaar roover was geweest.

"Zal Falco den spoorweg sparen?" vraagt men als men deze geschiedenis hoort; hij, die niet eens zijn eigen broer spaarde?

Men herinnert zich nog een ander voorval.

Na Nino's dood dreigde Falco een vendetta. Nino's vrouw was zoo verschrikt toen zij haar man dood vond, dat zij aan één zijde verlamd werd en nooit meer kon loopen. Maar ze nam plaats voor het venster in de oude hut. Daar heeft ze twintig jaar gezeten met een geweer naast zich om op Falco te wachten.

En voor haar is de groote roover bang geweest. In twintig jaar is hij niet voorbij zijn ouderlijk huis gegaan.

De vrouw heeft nooit haar post aan het raam verlaten. Nooit ging iemand naar de kerk van San Pasquale, of hij zag haar wraakzuchtige oogen achter de ruiten schitteren.

Heeft iemand haar ooit slapend gezien, heeft iemand haar ooit zien werken? Zij kon niets anders doen dan wachten op den moordenaar van haar man.

Als men dit hoort, groeit de vrees.

Falco heeft geluk, denkt men. De vrouw, die hem wil dooden, kan zich niet van haar plaats bewegen. Hij is een gelukskind. 't Zal hem stellig gelukken den spoorweg te vernielen. Het geluk had Falco nooit verlaten. De karabiniers hadden hem vervolgd, maar hem nooit kunnen pakken. Zij hadden Falco meer gevreesd dan hij hen.

Men herinnert zich ook een geschiedenis van een jongen officier der karabiniers, die Falco eens vervolgde. Hij had een drijfjacht georganiseerd en Falco van de eene schuilplaats naar de andere gejaagd. Eindelijk wist de jonge officier zeker, dat Falco in een kreupelboschje gevangen was. Het boschje werd omsingeld door zijn manschappen en de officier liep heen en weer met een geladen geweer in de hand. Maar hoe hij ook zocht, hij vond Falco niet.

Toen ontmoette hij een boer.

"Heb je Falco Falcone ook gezien?"

"Ja signor, hij ging mij zoo juist voorbij en verzocht me u te groeten."

"Diavolo!"

"Hij zag u heen en weer loopen in het boschje, en hij stond op het punt u dood te schieten, maar hij heeft dat niet gedaan omdat hij dacht, dat het misschien uw plicht was hem te vervolgen."

"Diavolo! Diavolo!"

"Maar indien ge nog eenmaal tracht...."

"Diavolo! Diavolo! Diavolo!"

Denkt ge dat die officier terugkwam? Gelooft ge niet, dat hij naar een plaats vertrok, waar hij geen roovers behoefde te vervolgen?

En de arbeiders, die op den Etna werken, vragen:

Wie zal ons bijstaan tegen Falco? Hij is oppermachtig, zelfs de soldaten vreezen hem.

Ze denken er aan, dat Falco Falcone nu een oude man is. Nu plundert hij geen postwagens, nu berooft hij geen grondbezitters meer. Meesttijds zit hij rustig in de steengroeve bij Diamante en in plaats van geld en bezittingen te rooven, neemt hij nu geld en eigendommen in bescherming.

Hij laat de rijke grondbezitters schatting betalen, opdat hij hun goederen zal beschermen tegen andere roovers en er heerscht nu veiligheid en vrede op den Etna, want hij staat niemand toe hen te schaden, die hem schatting betalen.

Maar toch groeit de angst. Nu Falco een vriend is geworden der grooten, kan hij des te gemakkelijker den spoorweg vernielen.

En ze moeten aan de geschiedenis denken van Nicola Galli, die opzichter is op het landgoed van den markies de San Stefano. Eens staakten zijn arbeiders het werk midden in den oogsttijd. Nicola Galli was wanhopig. Het koren was rijp en hij kon niemand vinden die het wilde maaien.

Zijn arbeiders wilden niet werken, ze lagen te slapen in het gras. Nicola trok naar Catania om zijn heer te raadplegen. Onderweg ontmoette hij twee mannen met een geweer op den schouder.

"Waar rijdt ge heen, Nicola?"

Voordat Nicola nog veel woorden had kunnen zeggen, namen ze zijn ezel bij de teugels en keerden om.

"Ge zult niet naar den markies rijden, Nicola, ge gaat weer naar huis."

Samen keerden zij nu huiswaarts. Nicola zat te beven op zijn ezel. Toen zij nu op het landgoed gekomen waren, zeiden de mannen:

"Wijs ons nu de akkers!" En ze gingen naar de arbeiders. "Werken, jelui lummels! De markies heeft zijn schatting betaald aan Falco Falcone. Je kunt ergens anders het werk staken, maar hier niet."

De akker werd gemaaid zooals geen andere. Falcone stond aan den eenen kant en Biagio aan den anderen.

En de oogst gaat wonderlijk vlug, als men zulke opzichters heeft. Als men denkt aan dit voorval, vermindert de angst niet.

"Falco houdt woord," zegt men. "Hij zal doen, wat hij gedreigd heeft."

Niemand is gedurende zoo langen tijd rooverhoofdman geweest als Falco. Al de andere beroemde helden zijn gevallen of gevangen genomen. Hij alleen is met ongelooflijke behendigheid aan alle gevaren ontsnapt.

Langzamerhand heeft Falco zijn geheele familie tot zich getrokken. Zijn zwagers en neven, allen volgen hem. De meesten van hen zijn naar de galeien gezonden; toch bekommert geen van hen zich om gevangenisstraf, ze vragen er slechts naar of Falco tevreden is over hen.

In de couranten staan Falco's heldendaden dikwijls vermeld. 't Is bekend dat Engelsche toeristen hun gidsen een biljet van tien lire in de hand stoppen, als zij hun Falco's steengroeve willen wijzen. Ook weet men, dat de karabiniers niet meer op hem schieten, omdat hij de laatste groote roover is.

Falco is zoo weinig bevreesd dat men hem gevangen zal nemen, dat hij dikwijls naar Messina en Palermo gaat. Hij is zelfs wel over de straat van Messina getrokken en in Italië geweest.

Hij reisde naar Napels, toen Guglielmo en Umberto daar waren om het pantserschip te doopen.

Hij trok naar Rome, toen Umberto en Margherita hun zilveren bruiloft vierden.

Men denkt er aan en beeft. "Falco is bemind en machtig," zeggen de arbeiders. "Men aanbidt Falco, hij kan doen wat hij wil."

Zij weten ook, dat toen Falco de zilveren bruiloft van koningin Margherita zag, dit feest hem zóó behaagde dat hij zei:

"Als ik vijf en twintig jaar op den Etna gewoond heb, wil ik mijn zilveren bruiloft met den Mongibello vieren."

De menschen hadden daarover gelachen en gezegd dat dit een goede gedachte was. Want hij had nooit een liefste bezeten, maar de Mongibello met zijn grotten, wouden, kraters en ijsvelden, had hem beschermd en gediend als een echtgenoote.

Aan niemand is Falco zooveel dankbaarheid verschuldigd als aan den Mongibello.

En men vraagt, wanneer Falco en de Mongibello hun zilveren bruiloft zullen vieren, en men rekent na, dat dit in deze lente moet zijn.

Dan denken de arbeiders:

Hij zal den spoorweg vernielen op den dag van den Mongibello. En er heerscht schrik en angst onder hen. Ze wagen het niet verder te werken aan den spoorweg. Hoe meer de tijd nadert, dat Falco zijn verbond met den Mongibello zal vieren, hoe meer arbeiders signor Alfredo verlaten. Spoedig gaat deze zoo goed als alleen aan den arbeid.

Er zijn niet veel menschen in Diamante, die de groote steengroeve op den Etna ooit gezien hebben. Ze hebben geleerd die te ontvluchten, omdat Falco Falcone daar woont; ze wachten zich om binnen het bereik van zijn geweer te komen.

Ze hebben nooit de groote groeve in den Mongibello gezien, waaruit hun voorvaderen, de Grieken, in langvervlogen tijden steenen groeven. Zij hebben nooit de heerlijk van kleuren tintelende wanden aanschouwd en de machtige rotsblokken, die gelijken op gebroken zuilen.

Zij weten misschien niet eens, dat op den bodem der steengroeve schooner bloemen bloeien dan in eenige broeikas.

Daar is niet Sicilië, daar is Indië.

In de steengroeve staan mandarijneboomen, zoo geel van vruchten, dat ze gelijken op reusachtige zonnebloemen. Daar worden de camelia's zoo groot als tamboerijnen. En tusschen de boomen op den grond liggen hoopen kostbare koningsvijgen en fluweelen perziken vallen op een bed van rozeblâren.

Een avond zit Falco eenzaam in de steengroeve. Hij is bezig een krans te vlechten en heel veel bloemen liggen voor hem. Hij houdt den voet op het kluwen touw opdat dit niet weg zal rollen; hij heeft een bril op, maar die glijdt onophoudelijk van zijn krommen neus.

Falco vloekt geweldig, want zijn handen zijn stijf en vol eelt door het voortdurend afschieten van het geweer, en het valt hem moeilijk de bloemen vast te houden.

Zijn vingers sluiten met een ijzeren greep om haar teere stengels.

Falco zegt vloekend, dat de leliën en anemonen verwelken, zoodra hij er slechts naar kijkt.

Falco is in zijn lederen broek en in zijn langen, toegeknoopten mantel zoo omgeven van bloemen als een heilige op een feestdag. Biagio en zijn neef Passafiore hebben die voor hem geplukt. Zij hebben een geheelen Etna van de mooiste bloemen der steengroeve voor hem opgestapeld. Falco kan kiezen tusschen leliën en cactusbloemen, rozen en pelargonea's. En hij dreigt de bloemen, dat hij ze tot stof zal vertrappen onder zijn sandalen, indien zij zich niet naar zijn wil willen voegen.

Nooit tevoren heeft Falco Falcone zich bekommerd om bloemen. Zoolang hij leeft, heeft hij nog nooit een bouquet voor een meisje gebonden of een roos geplukt om in zijn knoopsgat te steken. Hij heeft niet eens een krans gelegd op het graf van zijn moeder.

Daarom komen de teere bloemen in opstand tegen hem. In zijn haar en op zijn hoed hechten zich bloemranken vast, en een bloemblad hangt in zijn ruigen baard. Hij schudt heftig het hoofd en het litteeken op zijn wang gloeit, zooals in vroeger dagen, toen hij tegen de karabiniers streed. Toch wordt de krans steeds grooter, en kronkelt als een slang om Falco's voeten en beenen.

Falco vloekt alsof het de ijzeren boeien waren, die eens vastgeklonken werden aan zijn voeten.

En hij klaagt luider als hij zich prikt aan een doorn, of brandt aan een netel, dan hij gedaan heeft, toen de zweep van den opzichter der galeien zijn rug geeselde.

Biagio en Passafiore, zijn neef, wagen het niet zich te vertoonen. Ze liggen verborgen in een grot, tot alles gereed is. Ze lachen luidkeels, want zooveel jammerklachten als Falco nu uit, hebben niet in de steengroeve weerklonken, sedert ongelukkige krijgsgevangenen daar aan den arbeid waren.

Maar Biagio ziet op naar den grooten Etna, die gloeit in den zonsondergang.

"Zie eens naar den Mongibello," zegt hij tegen Passafiore, "zie eens hoe hij bloost, zeker begrijpt hij, waarmee Falco bezig is in de steengroeve."

En Passafiore antwoordt: "De Mongibello heeft zeker nooit anders gedacht dan sneeuw en asch op zijn kruin te krijgen." Maar plotseling houdt Biagio op met lachen.

"Dat gaat nooit goed, Passafiore," zegt hij, "Falco wordt al te hoogmoedig. Ik vrees dat de groote Mongibello den spot met hem zal drijven."

De twee bandieten zien elkaar uitvorschend aan.

"Ware het slechts hoogmoed," zegt Passafiore.

Maar nu wenden zij gelijktijdig hun oogen af en wagen het niet iets meer te zeggen. Dezelfde gedachte, dezelfde vrees heeft zich van hen meester gemaakt. Falco staat op het punt krankzinnig te worden, soms is hij reeds uren lang waanzinnig.

Zoo gaat het met de groote rooverhelden, ze kunnen hun eer en grootheid niet dragen, ze worden allen waanzinnig.

Passafiore en Biagio hadden het reeds lang gezien, maar ze hadden beiden gezwegen en elk had gehoopt, dat de andere niets zou merken. Nu begrijpen ze, dat ze beiden het weten. Ze drukken elkaar de hand zonder een woord te spreken. Nog heeft Falco zooveel groots.

Zij beiden, Passafiore en Biagio, zullen waken dat niemand merkt, dat Falco niet meer dezelfde is, die hij was.

Eindelijk is Falco's krans klaar, hij hangt dien aan zijn geweer en gaat naar de beide anderen. Alle drie treden nu uit de steengroeve en nemen in de naastbijzijnde boerderij paarden, om zoo vlug mogelijk op den top van den Mongibello te komen.

Zij rijden in gestrekten draf, zoodat ze geen gelegenheid hebben met elkaar te spreken, maar als ze voorbij de landhoeve rijden, kunnen ze zien, hoe het volk danst op de platte daken. En uit de grotten waar de landarbeiders hun nachtkwartier hebben opgeslagen, hooren ze gepraat en gelach. Daar zitten vroolijke, vreedzame menschen raadsels op te lossen en spotversjes te dichten. Maar Falco vliegt verder, zoo iets is niet voor hem. Falco is een groot man.

Ze stijgen al hooger. Eerst rijden ze onder amandelboomen en cactussen, dan onder platanen en beuken, en later onder eiken en kastanjes.

Maar de nacht is donker. Zij zien niets van Mongibello's heerlijkheid. Zij zien niet den met wijnloof omkransten Monte Rossoze, zien niet de tweehonderd kraters, die in een kring rondom de kruin van den Etna staan als torens rondom een stad, ze zien niet de heerlijke dichte wouden.

In Casa del Bosca, waar de weg ophoudt, stijgen ze van hun paarden. Biagio en Passafiore nemen den krans tusschen hen beiden. Terwijl zij verder gaan, begint Falco te spreken. Sedert hij oud is, spreekt hij gaarne.

Falco zegt dat de berg gelijk is aan de vijf en twintig jaren, die hij daarop doorgebracht heeft. Heldendaden waren rondom hem opgebloeid gedurende de eerste jaren van zijn grootheid: met hem te leven in dien tijd was gelijk te wandelen onder een eindelooze pergola, waarboven citroenen en druiven hangen. Toen waren zijn heldendaden overvloedig geweest als oranjes, die rondom den voet van den Etna groeien. Hij was hooger gestegen en zijn daden waren minder in aantal geworden, maar die hij verricht had, waren machtig als de eike- en kastanjeboomen op den stijgenden berg. Nu hij op het hoogste punt van zijn grootheid stond, verachtte hij de daad. Zijn leven was kaal als de bergtop, hij vergenoegde zich met de wereld aan zijn voeten te zien. Maar men moest weten, dat indien hij iets ondernam, niets hem weerstaan kon.

Hij was vreeselijk als de vuurspuwende berg.

Falco gaat sprekend vooruit, Passafiore en Biagio volgen hem in stille ontzetting. Heel vaag zien ze den machtigen Mongibello met zijn steden, velden en wouden zich uitbreiden onder hun voeten.

En Falco meent even ontzagwekkend te zijn als deze reus.

Hoe hooger zij stijgen, hoe meer ze bevangen worden door een stijgende ontzetting.

De gapende kloven, de zwaveldamp uit de kraters, te zwaar om dadelijk in de lucht op te stijgen, het onderaardsche gerommel in den berg, de voortdurend opstijgende aschwolken, de gladde, hobbelige ijsvelden, doorsneden van bruisende beken, de bijtende koude, de verstijvende wind, dit alles maakt den tocht huiveringwekkend.

--En Falco zegt dat deze berg gelijkt op zijn leven. Hoe ziet het er dan uit in zijn ziel? Heerscht daarin een kilheid en grauwen gelijk aan die van den Etna?

Ze struikelen over stukken ijs, ze worstelen zich door sneeuwhoopen, die hier en daar een meter hoog liggen. De bergwind tracht hen omver te blazen. Ze moeten door moerassen en beken waden, want den vorigen dag heeft de zon veel sneeuw gesmolten. En ter zelfder tijd, dat ze verstijven van koude, trilt de bodem onder hen van het eeuwige vuur. Ze herinneren zich, dat Luciferno en alle verdoemden daar beneden liggen. Zij rillen omdat Falco hen naar de poort der hel gevoerd heeft.

Maar toch laten ze de ijsvelden achter zich en bereiken den steilen aschkegel op den top van den berg, en ze kruipen door glijdende asch en puimsteen. Als zij halverwegen gekomen zijn, neemt Falco den krans en wenkt de anderen te wachten. Hij wil alleen de hoogte bestijgen.

Het begint op hetzelfde oogenblik te lichten, en als Falco de hoogte bereikt heeft, breekt de zon door.

De Mongibello en de oude Etnaroover op zijn top worden omstraald door het heerlijke morgenlicht.

Maar de schaduw van den Etna valt over geheel Sicilië, en het is alsof Falco, die daar boven op de bergkruin staat, van zee tot zee reikt, dwars over het gansche eiland.

Falco ziet om zich heen. Hij ziet de kusten van Italië, hij meent Napels en Rome te onderscheiden. Hij laat zijn blikken over zee dwalen naar het land der Turken in het Oosten en naar het land der Saracenen in het Zuiden.

Hij heeft een gevoel alsof de geheele wereld aan zijn voeten ligt en zijne grootheid erkent.

Falco legt den krans op Mongibello's top.

Als hij terugkomt bij zijn kameraden, drukt hij hun zwijgend de hand, en als hij van den aschkegel daalt, zien ze dat hij een puimsteen opneemt en in zijn zak doet.

Falco neemt een herinnering mee aan de schoonste ure van zijn leven. Zoo groot als daar op Mongibello's top heeft hij zich nooit tevoren gevoeld.

Maar op dezen feestdag wil Falco niet werken.

Den volgenden dag, zegt hij, zal hij aan den arbeid beginnen om den Mongibello te bevrijden van den spoorweg.

Er ligt een eenzame landhoeve op den weg van Paterno naar Aderno. Die is vrij groot, de eigenares daarvan is een weduwe, donna Silvia, die vele sterke zonen heeft. Dat zijn moedige menschen, die het wagen eenzaam te wonen.

't Is de dag, nadat Falco den Etna bekranst heeft. Donna Silvia zit voor haar huis te spinnen. Zij is alleen, niemand anders is op de hoeve. Een bedelaar sluipt zacht door de tuinpoort.

Hij is een oude man met een langen, krommen neus, die over de bovenlip hangt, een borsteligen baard en doffe roodgerande oogen. Hij heeft de leelijkste oogen, die men zich voorstellen kan, het wit daarin gaat over in geel, en hij ziet daarenboven scheel. De bedelaar is lang en zeer mager, en wanneer hij loopt, beweegt hij zijn lichaam zoo, dat men meent dat hij heen en weert slingert.

Hij loopt zoo zacht, dat donna Silvia hem niet hoort. Ze bemerkt hem eerst, wanneer zijn schaduw zich als een slang voor haar uit kronkelt.

Ze ziet op van haar werk, als zij die schaduw bemerkt. De bedelaar buigt voor haar en verzoekt om een maal macaroni.

"De macaroni staat op het vuur," zegt donna Silvia. "Ga zitten en wacht een oogenblik, dan zult ge uw lievelingsgerecht hebben."

De bedelaar neemt plaats naast donna Silvia en ze beginnen te spreken. Spoedig is Falco Falcone het onderwerp van hun gesprek.

"Is het waar, dat ge uwe zonen laat werken aan donna Micaela's spoorweg?" vraagt de bedelaar.

Donna Silvia klemt de lippen op elkaar en knikt toestemmend.

"Gij zijt een moedige vrouw, donna Silvia. Falco zou zich op u kunnen wreken."

"Laat hij zich dan wreken," zegt donna Silvia. "Maar ik wil den man niet gehoorzamen, die mijn vader gedood heeft. Falco heeft hem gedwongen te vluchten uit de gevangenis in Augusta, toen werd mijn vader door de karabiniers gegrepen en doodgeschoten."

Nadat ze dit gezegd heeft, staat ze op om de macaroni te halen. Terwijl zij in de keuken bezig is, ziet ze door het raam naar den bedelaar, die op de bank zit heen en weer te wiegelen. Hij zit geen oogenblik stil. En voor hem uit slingert zijn schaduw, lenig en beweeglijk als een slang.

Donna Silvia herinnert zich plotseling, wat zij Catherina, die getrouwd is geweest met Nino, eens heeft hooren zeggen. Men vroeg haar, hoe zij Falco na twintig jaar zou herkennen.

"Zou ik den man met de slangeschaduw niet herkennen?" had zij geantwoord. "Die verliest hij niet, zoolang hij leeft."

Donna Silvia drukt de hand tegen het hart. Daar buiten voor haar huis zit Falco Falcone. Hij is gekomen om zich te wreken, omdat haar zonen aan den spoorweg werken. Zal hij haar huis in brand steken of zal hij haar vermoorden? Donna Silvia trilt over haar geheele lichaam, als zij de macaroni op den schotel doet.

Maar Falco begint de tijd lang te vallen, terwijl hij zit te wachten. Een kleine hond komt naar hem toe en drukt zich tegen hem aan. Falco zoekt in zijn zak naar brood, maar hij vindt slechts een steen, dien hij den hond toewerpt.

De hond haalt den steen en brengt dien naar Falco terug. Falco werpt dien nog eens weg. De hond haalt dien opnieuw, maar nu springt hij er mee weg.

Falco herinnert zich plotseling, dat dit de steen is, dien hij van den tocht op den Mongibello meenam, en hij loopt den hond na om den steen terug te halen. Hij fluit den hond en deze komt dadelijk.

"Geef hier den steen."

De hond houdt zijn kop op zij en wil den steen niet teruggeven. "Geef hier den steen, canaille!"

De hond sluit den bek, hij heeft immers geen steen.

"Laat eens zien, laat eens zien!" roept Falco. Hij buigt den kop van den hond achterover en dwingt hem den bek te openen. De steen ligt achter zijn kiezen en Falco tracht hem er uit te halen. De hond bijt hem zoo, dat het bloed uit de wonde stroomt.

Falco wordt bang, hij gaat naar binnen en zegt tot donna Silvia: "Uw hond is toch wel gezond?"

"Mijn hond, ik heb geen hond, die is dood."

"Maar die hond dan, die daarbuiten loopt?"

"Ik weet niet welken hond ge meent," zegt ze.

Falco zegt niets meer; ook doet hij donna Silvia geen kwaad. Hij gaat stil weg, hij is bang. Hij gelooft, dat de hond dol is en dat hij nu zelf watervrees zal krijgen.

Op een avond zit donna Micaela alleen in de muziekzaal. Ze heeft het licht uitgedaan en de balkondeuren geopend. Zij houdt er van 's avonds en 's nachts naar het straatrumoer te luisteren. Dan zwijgt het gehamer der timmerlieden en 't geschreeuw der uitroepers, dan klinkt er slechts gezang, gelach, gefluister en het neuriën der mandolines.

Plotseling ziet ze een donkere hand op het balkonhek. Na de hand komt er een arm en een hoofd te voorschijn en een oogenblik later springt een geheel mensch op het balkon.

Zij kan hem duidelijk onderscheiden, want de straatlantaarns branden nog.

't Is een kleine breedgeschouderde man met forschen baard. Hij is als herder gekleed, met leeren sandalen, slappen hoed en een parapluie, op zijn rug vastgebonden.

Zoodra hij op zijn voeten staat, neemt hij een geweer uit zijn gordel, en treedt daarmee de kamer binnen.

Ze zit doodstil zonder eenig teeken van leven te geven, ze heeft geen tijd om om hulp te roepen, noch om te vluchten.

Zij hoopt, dat de man zal nemen, wat hij begeert en dan weg zal gaan, zonder haar op te merken, die achter in de donkere kamer zit.

De man zet zijn geweer op den grond en zij hoort hoe hij een lucifer aansteekt. Zij sluit de oogen, dan zal hij gelooven, dat zij slaapt.

Zoodra de roover licht gemaakt heeft, ontdekt hij haar. Hij hoest om haar te wekken. Daar zij onbeweeglijk blijft zitten, sluipt hij naar haar toe en raakt voorzichtig haar arm aan.

"Raak mij niet aan, raak mij niet aan!" gilt zij doodelijk beangst.

De man trekt zich haastig terug.

"Lieve donna Micaela, ik wilde u slechts wekken."

Zij zit te rillen van angst en hij hoort hoe zij snikt.

"Lieve signora, lieve signora!" zegt hij.

"Steek licht op, dat ik kan zien wie ge zijt!" roept zij.

Hij steekt een nieuwen lucifer aan en neemt behendig als een kamerdienaar het glas en den ballon van de lamp. Daarna keert hij terug naar de deur, zoover mogelijk van haar verwijderd, maar als hij merkt, dat haar angst niet vermindert, gaat hij met zijn geweer op het balkon.

"Nu kan de signora toch niet meer bang zijn."

Maar daar zij niet ophoudt met schreien, zegt hij:

"Signora, ik ben Passafiore. Ik breng u een boodschap van Falco. Hij wil uw spoorweg niet meer vernielen."

"Zijt gij gekomen om mij te bespotten?" zegt zij.

Somber antwoordt de man haar:

"Ware het slechts scherts. Mijn God, indien Falco slechts was, die hij geweest is."

Hij verhaalt haar nu hoe Falco den Mongibello bestegen en een krans gelegd heeft op diens top. Maar dit scheen den berg mishaagd te hebben, want nu had hij Falco ter aarde geworpen. Een klein puimsteentje was voldoende geweest om den gevreesden rooverhoofdman te vellen.

"Nu is het gedaan met Falco," zegt Passafiore. "Hij loopt rusteloos op en neer in de steengroeve en wacht slechts op zijn ziekte. Sinds acht dagen heeft hij noch geslapen, noch gegeten. Hij is niet ziek, maar de wonde aan zijn hand geneest niet. Hij gelooft, dat hij vergiftigd is."

"Spoedig zal ik een dolle hond zijn," zegt hij. Geen wijn of spijs ter wereld kan hem verlokken iets te gebruiken. Hij verheugt zich niet eens, wanneer ik zijn heldendaden prijs.