De Wonderen van den Antichrist

Part 2

Chapter 24,186 wordsPublic domain

"Dit is een nagemaakt beeld," zei ze, "het is zoo gelijk aan het echte als het slechts zijn kan, maar het is nagemaakt."

Nu had zij een klein Italiaansch meisje in haar dienst. Op een dag toen deze door het vertrek ging, bleef ze voor het beeld staan en sprak:

"Gij, arm Christuskind, dat eigenlijk geen Christuskind zijt, indien gij wist hoe het ware kind in al zijn heerlijkheid in de grot te Aracoeli ligt, en hoe Maria en San Giuseppe en de herders voor hem geknield liggen! En indien ge slechts wist hoe de kinderen op een kleinen preekstoel tegenover hem staan, en hoe ze buigen, en hem kushandjes toewerpen en hoe ze prediken voor hem, zoo schoon als zij slechts kunnen!"

Eenige dagen later kwam het kleine dienstmeisje weer en sprak tot het beeld:

"Arm Christuskind, gij, die geen Christus zijt, weet gij, dat ik vandaag in Aracoeli geweest ben en gezien heb hoe het ware kind in processie rondgedragen werd? Ze hielden een troonhemel boven hem, en alle menschen zonken voor hem op de knieën, en zongen en speelden voor hem.

"Nooit zult gij zoo iets heerlijks beleven!"

En hoor nu, wat het dienstmeisje voor de derde maal tot het beeld sprak:

"Weet gij, Christuskind, dat geen echt Christuskind zijt, dat het beter voor u is te staan, waar gij staat? Want het ware kind wordt bij de zieken geroepen, en het rijdt in zijn gouden wagen daar heen, maar het kan hen niet helpen, en ze sterven in vertwijfeling. En men begint te zeggen, dat het heilige kind van Aracoeli de kracht om goed te doen verloren heeft, en dat gebeden en tranen hem niet meer roeren. Het is beter voor u, dat ge staat waar ge staat, dan dat ge aangeroepen wordt en niet kunt helpen."

Maar den volgenden nacht geschiedde er een wonder. Tegen middernacht werd er hevig aan de kloosterpoort te Aracoeli geluid. En toen de poortwachter zich niet genoeg haastte om te openen, werd er op de poort geklopt. Dat kloppen klonk zoo luid alsof het met klinkend metaal geschiedde, en het werd door het gansche klooster gehoord. Alle monniken rezen tegelijk op van hun bedden. Allen die gepijnigd werden door vreeselijke droomen, vlogen plotseling op en dachten, dat de Antichrist gekomen was.

Maar toen men de poort opende--toen men de poort opende!

Het was het kleine Christusbeeld, dat op den drempel stond. 't Was zijn kleine hand die aan het klokketouw getrokken had, het was zijn kleine goudgeschoeide voet, die tegen de poort geschopt had.

De poortwachter nam het heilige kind haastig in zijn armen. Toen zag hij, dat het tranen in de oogen had.

Ach, het arme heilige kind had in den nacht door de stad geloopen! Wat had het niet moeten zien!

Zoo veel armoede en zoo veel ellende en zoo veel ondeugd en zoo veel misdaden! Het was verschrikkelijk te denken wat het al niet had moeten ondervinden!

De poortwachter ging naar den prior en toonde hem het beeld. En zij waren verbaasd dat het 's nachts buiten was gekomen.

Maar de prior liet de kerkklok luiden en den monniken tot een godsdienstoefening bijeenroepen. En al de monniken van Aracoeli trokken naar de groote schemerachtige basiliek om in alle plechtigheid het beeld weer op zijn plaats te zetten.

Uitgeput en lijdend liepen ze te rillen in hun zware duffel monnikspijen. Velen van hen weenden alsof ze aan een levensgevaar ontsnapt waren.

"Hoe zou het ons gegaan zijn," zeiden ze, "indien onze eenige troost van ons was genomen? Is het niet de Antichrist, die Rome's heilig kind uit het beschermende heiligdom gelokt heeft?"

Maar toen ze het Christusbeeld in de altaarkast wilden plaatsen, vonden ze daarin het valsche kind, dat op zijn kroon het inschrift droeg: "Mijn rijk is slechts van deze wereld."

En nu ze het beeld nader onderzochten, vonden ze het inschrift.

Toen wendde de prior zich tot de monniken en sprak tot hen:

"Broeders, we zullen een Te-Deum zingen, de zuilen onzer kerk met zijde omwinden en alle waskaarsen en lampen aansteken en we zullen een groot feest vieren.

"Zoo lang het klooster bestaan heeft, is het een huis van vervloeking geweest, maar om den wille van al het lijden dergenen, die hier geleefd hebben, heeft God genade geschonken. En nu is alle gevaar geweken.

"God heeft den strijd met zege bekroond en wat gij gezien hebt, is het teeken, dat de Antichrist niet op het Kapitool zal worden aangebeden.

"Want opdat de woorden der sibylle niet onvervuld zouden blijven, heeft God dit valsche beeld van Christus gezonden, dat de woorden van den Antichrist in zijn kroon voert, en Hij heeft het ons laten aanbidden en vereeren, alsof hij de groote Zaligmaker ware.

"Maar nu kunnen wij vol vreugde en blijdschap rusten, want de duistere profetie der sibylle is vervuld, en de Antichrist is hier aangebeden.

"Groot is God, de Almachtige, die den verterenden angst van ons nam en Zijn wil geschieden liet, zonder dat de wereld het valsche beeld van Gods Zoon behoefde te aanschouwen.

"Gelukkig is Aracoeli's klooster, dat in Gods genade staat, Zijn wil volvoert en gezegend is door Zijn oneindige genade."

Toen de prior dit gezegd had, nam hij het valsche beeld in zijn handen, schreed de kerk door en opende de groote hoofddeur. Daar trad hij op het terras. Beneden hem lag de hooge, breede trap met honderd negentien marmeren treden, die van het Kapitool als naar een afgrond leidt. En hij hief het beeld boven zijn hoofd en riep luid: "Anatema Antichristo" en slingerde het beeld van de hoogte van 't Kapitool naar beneden in de wereld.

III.

OP DE BARRICADE.

Toen de rijke Engelsche 's morgens ontwaakte, miste zij het beeld en wist niet waar zij het moest zoeken. Zij geloofde dat niemand anders dan Aracoeli's monniken het weggenomen konden hebben. En haastig ging ze naar het Kapitool om het daar te zoeken. Zoo kwam ze bij de groote marmeren trap, die naar Aracoeli's basiliek voert. En haar hart klopte onstuimig van vreugde, want op de onderste trede lag hetgeen zij zocht.

Zij greep het beeld, verborg het onder haar mantel en spoedde zich huiswaarts. En weer plaatste zij het in haar feestzaal.

Maar toen zij zich nu verdiepte in zijn schoonheid, zag ze, dat er een deuk in de kroon gekomen was.

Zij nam die in haar hand om te zien zien hoe groot de schade was en in hetzelfde oogenblik vielen haar oogen op het inschrift dat ze zelf gegrift had:

"Mijn rijk is slechts van deze wereld."

Toen wist zij, dat dit het valsche Christusbeeld was en dat het echte weer in Aracoeli's kapel stond.

Zij wanhoopte dit ooit weer in haar bezit te krijgen en zij besloot den volgenden dag uit Rome te vertrekken, want ze wilde daar niet langer blijven, nu zij het beeld niet meer bezat. Maar toen zij vertrok, nam zij het valsche beeld mede, omdat het haar herinnerde aan het andere, dat zij beminde; en het vergezelde haar later op al haar reizen.

Zij vond nergens rust, maar reisde voortdurend, en op deze wijze werd het beeld over de gansche wereld gevoerd. En overal waar het beeld kwam, was het alsof Christus' macht verminderde, zonder dat iemand recht begreep wat de oorzaak daarvan was. Want niets zag er machteloozer uit dan dit armzalige beeld van olmhout, dat versierd was met koperen ringen en glazen kralen.

Toen de rijke Engelsche, die eerst het beeld bezeten had, dood was, kwam het in het bezit van een andere rijke Engelsche, die ook voortdurend reisde, en na deze in handen van een derde.

Eens, het was nog in den tijd der eerste Engelsche, kwam het beeld in Parijs.

Toen het de groote stad binnenreed, was daar oproer. Volksmenigten trokken luid schreeuwend door de straten en riepen om brood. Ze plunderden de winkels en wierpen steenen naar de paleizen der rijken. Gewapende macht trok tegen hen op, toen rukten ze de straatsteenen uit, stapelden wagens en huisraad opeen en versperden de straten met barricades.

Toen nu de rijke Engelsche de stad binnenreed in haar grooten reiswagen, stormde het volk daarop los, dwong haar uit te stappen en sleepte den wagen naar één der barricades.

Terwijl men trachtte deze te stapelen op de duizenden voorwerpen, die de barricade vormden, viel één der grootste koffers op den grond. Het slot sprong open en onder het vele dat uit den koffer rolde, was ook het verworpen Christusbeeld.

't Volk stortte zich daarop, om het plunderen, maar men ontdekte spoedig dat al zijn sieraden valsch en geheel waardeloos waren, en men begon het beeld te bespotten en te hoonen. Het ging van hand tot hand onder de oproerlingen, totdat één van hen zich bukte om de kroon te bekijken. Zijn blik viel op de woorden, die daarin gegrift waren: "Mijn rijk is slechts van deze wereld."

De man riep dit luide en allen schreeuwden, dat het kleine beeld hun veldteeken zou zijn. Ze plaatsten het op den top der barricade en plantten het daar als een banier.

Onder degenen, die de barricade verdedigden, was een man, die geen arme arbeider, maar een geleerde was, die zijn gansche leven in de studeerkamer had doorgebracht. Hij kende al de ellende, waaronder de menschen gebukt gaan, en zijn hart was vervuld van medelijden; voortdurend zocht hij naar een middel om hun lot te verbeteren.

Gedurende dertig jaar had hij geschreven en gepeinsd, zonder hulp te vinden. Toen hij nu de stormklok hoorde luiden, volgde hij deze roepstem en snelde de straat op. Hij had een wapen gegrepen en was de oproerlingen gevolgd in de meening, dat het raadsel, hetwelk hij niet vermocht op te helderen, opgelost kon worden door geweld en macht en dat de armen zich door strijd een beter lot konden verwerven. Daar stond hij nu den ganschen dag te strijden, de menschen sneuvelden rondom hem, bloed spatte hem in het gelaat, en de ellende van het leven scheen hem grooter en jammerlijker dan ooit.

Maar zoo dikwijls de kruitdamp optrok, schitterde in zijn oogen het kleine beeld dat gedurende al het krijgstumult onbeweeglijk hoog boven op de barricade stond. En iederen keer, dat hij het beeld zag, werd hij getroffen door de woorden: "Mijn rijk is slechts van deze wereld."

Ten slotte kwam het hem voor, dat deze woorden zich zelf in de lucht schreven, en voor zijn oogen begonnen te zweven, nu in vuur, dan in rook of in bloed.

Hij werd stil, hij stond daar met het geweer in de hand, en staakte den strijd. Plotseling wist hij, dat dit de woorden waren, waarnaar hij zijn leven lang gezocht had. Nu wist hij wat hij den menschen moest zeggen, en dit armzalige beeld was het, dat hem de oplossing gegeven had.

Hij zou de gansche wereld doortrekken om te verkondigen "Uw rijk is slechts van deze wereld." Daarom moet gij trachten dit leven gelukkig te maken en als broeders leven. En ge zult uw rijkdommen deelen opdat niemand rijk en niemand arm zij. Ge zult allen arbeiden, en de aarde zal het eigendom van allen zijn en ge zult allen gelijk worden. Niemand zal honger lijden, niemand zal in overdaad leven en niemand zal op zijn ouden dag gebrek lijden. En ge zult streven naar het geluk van allen, want er is geen hiernamaals, dat u wacht.

Dit alles voer hem door het hoofd, terwijl hij daar op de barricade stond, en toen de gedachte hem helder was, legde hij de wapens neder en hief die niet weder op tot strijd en bloedvergieting.

Spoedig daarop werd de barricade opnieuw bestormd en genomen. De troepen trokken zegevierend voorwaarts en dempten het oproer; en vóórdat de avond viel, heerschte er vrede en orde in de groote stad.

Toen zond de Engelsche eenige dienaren uit om haar verloren eigendommen te zoeken, en ze vonden verschillende zaken, zoo niet alles. 't Eerst zagen ze op de bestormde barricade den verworpeling van Aracoeli.

Maar de man, die gedurende den strijd van het beeld geleerd had, begon der wereld een nieuwe leer te verkondigen, die socialisme genoemd wordt, maar het Antichristendom is.

En die leer bemint, verzaakt, leert en strijdt als het Christendom, zoodat die volkomen op deze gelijkt, evenals het valsche beeld van Aracoeli volkomen gelijkt op het echte Christusbeeld. En evenals het valsche beeld zegt zij: "Mijn rijk is slechts van deze wereld."

Maar terwijl het beeld, dat deze leer verspreid heeft, onopgemerkt is en onbekend, is de leer bekend en gaat over de gansche wereld om die te verlossen en te herscheppen.

Van dag tot dag wint zij veld. Zij gaat door alle landen en draagt velerlei namen en ze is zoo verleidelijk, omdat ze allen aardsch geluk en genot belooft, en ze lokt meer aanhangers dan welke leer ook, die over de wereld is gegaan sedert Christus' tijd.

EERSTE DEEL.

"Daar zal groote nood heerschen."

I.

DE MONGIBELLO.

Omstreeks 1870 woonde er in Palermo een arme knaap, die Gaetano Alagona heette. Dat was een geluk voor hem! Ware hij niet een der oude Alagona's geweest, dan zou men hem misschien hebben laten verhongeren. Hij was immers slechts een kind, en had geld noch ouders. Maar nu hadden de jezuïeten van Santa Maria in Gesu hem uit barmhartigheid in de kloosterschool opgenomen.

Op een dag, terwijl hij in zijn lessen verdiept was, kwam een pater hem uit de school roepen, omdat een bloedverwante hem wilde spreken.

Wat, een bloedverwante! Hij had altijd gehoord, dat zijn geheele familie overleden was. Maar pater Jozef beweerde, dat er familie van hem, een signora in levenden lijve was, die hem uit het klooster wilde nemen.

Het werd al erger en erger. Wilde zij hem uit het klooster nemen? Daar zou ze toch zeker de macht niet toe hebben!

Hij zou immers monnik worden.

Hij wilde de signora in het geheel niet zien. Kon pater Jozef haar niet zeggen, dat Gaetano het klooster nooit zou verlaten, en dat het haar niets baatte hem dat te vragen?

Neen, pater Jozef zei, dat het niet ging haar te laten vertrekken, zonder dat zij hem gezien had, en hij sleepte Gaetano half naar de ontvangkamer.

Daar stond ze bij een der vensters. Heur haar was grauw, haar gelaatstint bruin en haar oogen waren zwart en rond als paarlen. Zij droeg een kanten sluier op het hoofd, en haar zwarte kleederen waren glad van het dragen, en een weinig vaal, zooals pater Jozefs alleroudste kaftan.

Ze maakte het teeken des kruises, toen zij Gaetano zag.

"God zij geloofd, hij is een echte Alagona!" riep zij en kuste hem de hand.

Zij zei, dat het haar leed deed, dat hij twaalf jaar oud was geworden, zonder dat één zijner familieleden naar hem gevraagd had. Maar zij had niet geweten, dat er nog iemand van den anderen tak in leven was. Hoe zij dat nu opeens was te weten gekomen? Ja, Luca had zijn naam in de courant gelezen. Die had gestaan bij degenen, die een prijs gekregen hadden. Dat was nu een half jaar geleden, maar het was een verre reis naar Palermo. Zij had moeten sparen en sparen om het reisgeld bijeen te krijgen. Ze had niet eerder kunnen komen. Maar hierheen gaan om hem te zien, dat moest ze. Santissima Madre, zij was zoo blij geweest!

Zij was het, donna Elisa, die Alagona heette. Haar overleden man was een Antonelli geweest. Er bestond nog één Alagona, dat was haar broeder. Hij woonde ook in Diamante. Maar Gaetano wist zeker niet waar Diamante lag?

De knaap schudde met het hoofd. Neen dat kon ze wel denken, ze lachte.

"Diamante ligt op den Monte Chiaro. Weet je waar de Monte Chiaro ligt?"

"Neen."

Zij trok haar wenkbrauwen op en zag er heel schalks uit. "De Monte Chiaro ligt op den Etna, indien je weet waar de Etna ligt?"

Dat klonk zoo aarzelend alsof het al te veel verlangd was, dat Gaetano iets van den Etna zou weten. En zij lachten alle drie, zij, zoowel als pater Jozef en Gaetano. Ze werd een heel ander mensch, nadat zij hen aan het lachen gebracht had.

"Wil je met mij meegaan om Diamante, den Etna en den Monte Chiaro te zien?" vroeg ze vlug.

"Den Etna moet je zien. Dat is de grootste berg op de geheele wereld. De Etna is een koning en de bergen rondom hem liggen op hun knieën en wagen het niet hun blikken te verheffen naar zijn aangezicht." Toen begon zij al het mogelijke van den Etna te vertellen.

Ze dacht zeker, dat dit hem zou kunnen lokken.

En 't was werkelijk waar, dat Gaetano er nooit over nagedacht had, wat de Etna eigenlijk voor een berg was. Hij had niet geweten, dat hij sneeuw op zijn kruin had, eikenloof in den baard, en wijnranken om het middel en dat hij tot over de knieën in oranjebosschen trapte. En langs den berg stroomden groote, breede zwarte rivieren. Die waren heel merkwaardig, ze vloeiden zonder te murmelen, zij golfden zonder wind, de slechtste zwemmer kon er zonder een brug over komen.

Gaetano raadde, dat zij lavastroomen bedoelde. En zij was zoo blij, dat hij dit had kunnen raden. Hij had dus verstand. Hij was een echte Alagona.

En dat de Etna zoo groot was! Denk eens aan, dat men drie dagen noodig heeft om er omheen, en drie dagen om naar den top en weer naar beneden te rijden.

En dat er behalve Diamante nog vijftig steden en veertien groote bosschen en twee honderd kleine bergen op den Etna gevonden werden, die toch ook nog zoo klein niet waren, ofschoon de berg zoo groot was, dat deze niet meer in het oog vielen dan een zwerm vliegen op een kerkdak. En dat er grotten waren, die een geheel krijgsheer konden bevatten; en holle oude boomen, waaronder een groote kudde schapen beschutting kon vinden bij onweer.

Alles wat merkwaardig was scheen op den Etna gevonden te worden. Daar waren rivieren, waarvoor men zich in acht moest nemen, 't water daarin was zoo koud, dat men zou sterven, indien men daarvan dronk. Andere stroomen waren er, die alleen overdag vloeiden en weer andere, die alleen gedurende den winter stroomden, sommige verborgen zich bijna voortdurend diep onder den grond. En er waren warme bronnen, leemvulkanen en zwavelgroeven.--En 't zou jammer voor Gaetano zijn, indien hij den Etna nooit zag want de berg was zoo grootsch.

Hij verhief zich ten hemel als een praaltent. Hij was veelkleurig als een caroussel. Gaetano zou hem 's morgens en 's avonds willen zien, als hij rood was, en hij zou hem 's nachts willen zien als hij wit getint was. En dan zou Gaetano zeker ook willen weten of het waar was, dat hij alle kleuren kon aannemen, of hij blauw, zwart, bruin en violet kon worden? En of hij een schoonheidssluier droeg als een signora? Of hij gelijk een tafel was, bedekt met pluche kleeden? Of hij een tunica van gouddraad en een mantel van pauweveeren droeg? Hij zou zeker ook gaarne willen weten of het waar was, dat de oude koning Arthur daar in een grot zat? Donna Elisa zei, dat het zeer zeker was, dat hij nog op den Etna woonde, want eens, toen de bisschop van Catania over den berg reed, sprongen drie zijner muilezels weg, en de jongen die ze zocht vond ze in de grot bij koning Arthur. De koning verzocht den knaap, den bisschop te willen zeggen, dat zoodra zijn wonden geheeld waren, hij met zijn ridders van de ronde tafel zou komen, om het onrecht dat op Sicilië was tot recht te maken.

En degene die oogen bezat om te zien, die wist wel, dat koning Arthur nog niet uit zijn grot was gekomen.

Gaetano wilde zich niet door haar laten lokken, maar hij dacht, dat hij toch wel een weinig vriendelijk tegen haar kon zijn. Zij stond nog, maar nu zette hij een stoel voor haar neer. Zij moest echter niet denken, dat dit was, omdat hij met haar mee wilde gaan. Hij vond het werkelijk heerlijk haar van heur berg te hooren vertellen. 't Was zoo grappig, dat die zooveel kunsten kende. Hij geleek in het geheel niet op den Monte Pellegrino bij Palermo die slechts stond waar hij stond.

De Etna kon rooken als een schoorsteen, en licht verspreiden als een gaslantaarn. Hij kon rollen en rommelen, lava spuwen, met steenen werpen, asch zaaien, weer voorspellen en regen verzamelen.

Wanneer de Mongibello zich slechts verroerde, viel stad na stad omver alsof de huizen kaarten waren, die op den rand opgesteld waren.

Mongibello, dat was ook een naam van den Etna. Hij werd Mongibello genoemd, omdat dit beteekende: berg der bergen. Hij verdiende nog eens, zoo te heeten.

Gaetano zag, dat donna Elisa bepaald geloofde, dat hij haar niet zou kunnen weerstaan. Zij had zooveel rimpels in haar gezicht, en toen zij lachte, liepen die gelijk een net in elkaar.

Hij moest daarnaar kijken. Het zag er zoo merkwaardig uit, maar nog was hij niet in dat net gevangen.

Ze was verlangend te weten of Gaetano werkelijk den moed zou hebben om op den Etna te komen. Want diep in den berg lagen veel geboeide reuzen en er was een zwart slot, dat bewaakt werd door een hond met vele koppen. Er werd ook een groote smidse in gevonden en een kreupelen smid met slechts één oog, dat hem midden in het voorhoofd zat.

En 't ergst van alles was, dat diep in den berg een zwavelzee was die kookte als een olieketel, en daarin lag Lucifer en alle verdoemden.

Neen, hij zou wel geen moed hebben daar te komen, zei ze. Anders bestond er geen gevaar om er te wonen, omdat de berg God vreesde. Donna Elisa zei, dat de Mongibello vele heiligen bezat, maar bovenal Santa Agatha van Catania.

En indien de Cataniënsers altijd tegen hem waren, zooals ze moesten, dan kon geen aardbeving of lavastroom hen deren.

Gaetano stond heel dicht bij haar en lachte om alles wat zij zeide. Hoe was hij daar gekomen en waarom kon hij niet nalaten te lachen? Het was een merkwaardige signora!

Plotseling zei hij om haar niet te bedriegen:

"Donna Elisa, ik wil monnik worden."--"Zoo, werkelijk?" zei ze. Toen vervolgde zij, zonder verder acht te slaan op zijn gezegde, haar verhaal van den berg. Zij zei, dat hij nu goed moest luisteren, nu kwam ze aan het allergewichtigste. Hij moest haar volgen naar de Zuidzijde van den berg, zoo ver naar beneden, dat ze dicht bij de groote vlakte van Catania waren en daar zou hij een dal zien, een heel groot, breed en cirkelvormig dal. Maar het was volkomen zwart, lavastroomen vloeiden van alle kanten daarin. En er waren slechts steenen, geen enkele grashalm!

Wat had Gaetano nu wel van de lava gedacht? Donna Elisa vermoedde, dat hij meende, dat de lava zoo vlak en glad langs den Etna stroomde, als die op straat ligt. Maar in den Etna was zooveel tooverij. Kon hij begrijpen, dat alle slangen en draken en heksen, die in de kokende lava lagen, er mee uitstroomden, wanneer er een uitbarsting was? Daar lagen ze en krioelden en slingerden om elkaar heen en trachtten op den kouden grond te komen maar hielden elkaar terug in de ellende, totdat de lava rondom hen stolde. En los konden ze niet meer komen!

Neen, nooit!

De lava was ook niet zoo onvruchtbaar, als hij dacht.

Ofschoon geen gras daarop groeide, was daar nog wel iets anders op te vinden. Maar hij zou nooit kunnen raden, wat het was. Dat strompelde en stortte, dat viel en kroop, dat liep op de knieën en op het hoofd en op de ellebogen. Het was binnen en buiten het dal, het had slechts stekels en knobbels, en het had een mantel van spinnewebben, en poeder op zijn pruik en leden zoo vele als een worm.

Kon dat iets anders zijn dan de cactus?

Wist hij dat de cactus op de lava groeide en den grond bewerkte gelijk een boer? Wist hij, dat alleen de fichidenda de lava kon beteugelen?

Nu keek zij naar pater Jozef en trok een vroolijk gezicht. De cactus was de beste toovenaar, die op den Etna woonde; maar toovenaar blijft toovenaar.

De cactus was een Saraceen, want hij hield het met slavinnen.

Het was werkelijk waar, want zoodra de cactus ergens wortel geschoten had, wilde hij den amandelboom bij zich hebben.

De amandelboom is een schoone, stralende signorina. Ze waagt zich nauwelijks op den zwarten bodem, maar dat helpt haar niet. Er op zal en moet ze!

O, Gaetano zou het zien als hij daar kwam.

Als in de lente de amandelboomen wit van bloemen staan op het zwarte veld te midden van de grauwe cactussen, zijn ze zoo onschuldig en schoon, dat men over hen kon weenen als over geroofde prinsessen.

Nu zou hij eindelijk hooren, waar de Monte Chiaro lag. Die schoot op uit den bodem van dat zwarte dal. Ze beproefde haar parapluie op den grond te laten staan. Zóó stond de Monte Chiaro, hij stond rechtop. En nooit had hij aan zitten of liggen gedacht.