De Wonderen van den Antichrist

Part 19

Chapter 194,210 wordsPublic domain

De karabinier vroeg en vroeg of men hem wilde laten gaan.

"Neen, neen. Niet voordat hij het kind losliet!"

't Kind was van Piero en zijn vrouw Marcia, maar zij waren niet de werkelijke ouders van het kind, daardoor was de twist ontstaan.

De karabinier trachtte door overreding het volk aan zijn zijde te krijgen. Niet Piero of Marcia, maar de anderen wilde hij overtuigen.

"Ninetta is de moeder van het kind," zei hij, "dat weet ge immers wel. Zij kon het kind niet bij zich hebben, toen zij ongetrouwd was, maar nu is zij getrouwd en wil haar kind terughebben. En nu weigert Marcia Ninetta's zoontje af te staan. 't Is zoo hard voor Ninetta, die in acht jaar haar kind niet bij zich gehad heeft. Marcia wil het niet afstaan; zij jaagt Ninetta weg, als zij om haar kind vraagt. Ten slotte moest Ninetta bij den sindaco om hulp vragen. En de sindaco heeft ons bevolen, haar het kind terug te bezorgen.

"'t Is toch ook Ninetta's kind," zei hij overredend.

Maar zijn woorden hadden niet veel uitwerking op de mannen van Corvaja.

"Ninetta is een Geraci," riep Piero en de kring bleef rondom den karabinier gesloten.

"Toen we hier kwamen om het kind te halen," zei deze, "konden we het niet vinden. Marcia was in den rouw, haar kamer was met zwart doek bekleed, en vele vrouwen zaten bij haar te treuren. Zij toonden ons het doodattest van het kind. Wij gingen naar Ninetta om haar te zeggen dat haar kind op het kerkhof lag.

"Nu goed! Een uur later moest ik hier op de markt op wacht staan. Ik keek naar de spelende kinderen. Wie was het sterkste en wie riep het luidst? Was dat niet een der meisjes? "Hoe heet je?" vroeg ik haar.

"Francesco," antwoordde zij dadelijk.

"'t Viel mij in dat dit meisje Francesco Ninetta's knaap kon zijn, en ik wachtte stil, tot ik Francesco in Marcia's huis zag gaan. Ik trad binnen en zag het meisje Francesco avondbrood eten bij Marcia. Zij en al de treurende vrouwen begonnen te schreeuwen, toen zij mij zagen. Toen greep ik signorina Francesco en vluchtte met haar, want het kind is niet van Marcia. Begrijp het toch, signori! Het is van Ninetta. Marcia heeft er geen recht op."

Toen begon Marcia eindelijk te spreken. Zij sprak met een diepe stem, die de omstanders dwong naar haar te luisteren, en zij maakte slechts weinige maar edele gebaren.

"Had zij geen recht op het kind? Maar wie had het dan voedsel en kleeren gegeven? Het was duizend malen gestorven, indien zij het niet genomen had.

"En bovendien, recht! recht! Wat wilde dat zeggen? Degene, die het kind liefhad, had recht op het kind. Piero en zij hadden den jongen lief als hun eigen zoon. Zij konden niet van hem scheiden."

De vrouw was wanhopig, maar misschien de man nog meer. Hij dreigde den karabinier, zoodra deze zich slechts bewoog. Toch scheen de karabinier te merken, dat hem de zege zou geworden.

Men had gelachen toen hij sprak van signorina Francesco.

"Dood mij, als ge wilt," zei hij tot Piero. "Maar helpt je dat? Zal je het kind daardoor mogen behouden? Het is niet van jou maar van Ninetta."

Piero wendde zich tot donna Micaela.

"Bid hem, dat hij mij helpt!" Hij wees op het beeld.

Donna Micaela ging dadelijk naar Marcia. Zij was vol vrees en beefde voor hetgeen zij waagde, maar nu was het geen tijd zich te onthouden van inmenging.

"Marcia," fluisterde zij, "beken! Beken het als je durft."

De vrouw zag haar ontsteld aan.

"Ik zie het immers," fluisterde donna Micaela. "Gij zijt zoo gelijk als twee appels van denzelfden boom.--Maar ik zal niets zeggen, als je het niet wilt."

"Hij zal mij dooden," zei Marcia.

"Ik weet, dat er één is, die niet zal toestaan dat hij u doodt," zei donna Micaela. "Anders ontneemt men u het kind," vervolgde zij.

Allen zwegen en keken naar de beide vrouwen. Men zag hoe Marcia met zich zelf streed. Haar gelaatstrekken vertrokken zich in hevige ontroering. Toen bewoog zij de lippen. "Het is mijn kind," zei zij, maar haar stem was zoo diep, dat niemand het hoorde. Zij zei het nog eens, nu klonk het als een doordringende kreet.

"Het kind is van mij."

"Wat zal je mij doen, nu ik het beken?" zei ze tot haar man. "Het kind is van mij, maar niet van jou. Het werd geboren in het jaar, dat jij in Messina werkte. Ik bracht het bij La Felucca en daar was ook het zoontje van Ninetta. Een dag toen ik bij La Felucca kwam, zei ze: Ninetta's zoontje is dood. Eerst dacht ik slechts: God, indien het mijn kind was geweest!

"Maar toen zei ik tot La Felucca: Laat mijn jongen dood zijn, en laat Ninetta's zoontje leven. Ik gaf La Felucca mijn zilveren kam en zij deed, gelijk ik wilde.

"Toen jij thuis kwam van Messina, zei ik tot je:

"Laten we een kind aannemen. 't Is nooit goed tusschen ons beiden geweest. Laten we het eens probeeren met een kind." Jij vondt het goed, en ik nam mijn eigen kind tot mij. En jij kreeg het kind lief en wij leefden als in een paradijs."

Reeds vóórdat zij uitgesproken had, zette de karabinier het kind op den grond. De donkere mannen openden zwijgend hun gelederen voor hem en hij vervolgde stil zijn weg.

Maar een rilling voer donna Micaela door de leden, toen ze den karabinier zag weggaan. Juist nu moest hij gebleven zijn om de ongelukkige vrouw te beschermen.

Het was als wilde hij door zijn heengaan zeggen:

Die vrouw staat buiten de wet.

De een na den ander ging weg.

Piero stond roerloos en keek niet op. Maar de beklemming van iets geweldigs en ontzettends lag op hem; toorn en wanhoop wies in hem tot toomloozen hartstocht. Zoodra hij en Marcia alleen zouden zijn, zou er iets ontzettends gebeuren.

En het vreeselijkste was, dat de vrouw geen enkele poging deed om haar noodlot te ontgaan. Zij stond onbeweeglijk, verlamd door de zekerheid, dat haar vonnis geveld was en dat niets dit kon doen veranderen. Zij smeekte noch vluchtte. Zij kromp ineen als een hond voor zijn toornigen meester.

De Siciliaansche vrouwen weten wat haar wacht, wanneer zij de eer van haar man beleedigd hebben.

De eenige, die haar trachtte te verdedigen, was donna Micaela.--Nooit zou zij Marcia gevraagd hebben het te bekennen, zei zij tot Piero, indien zij geweten had, hoe hij was. Zij had geloofd dat hij een edele man was. Een edel mensch zou gezegd hebben: "Ge hebt slecht gehandeld, maar omdat gij uw misdaad bekend hebt voor allen en ge u aan mijn toorn blootgesteld hebt om uw kind te redden, schenk ik u vergiffenis. Ge hebt straf genoeg gehad." Een edele man zou het kind op den eenen arm genomen hebben, en den anderen om zijns vrouws middel geslagen hebben, en stil naar huis gegaan zijn. Een signor zou zoo gehandeld hebben. Maar hij was geen signor, hij was een bloedhond.

Zij kon spreken zoo veel zij wilde, de man hoorde haar niet, de vrouw hoorde haar niet. Het was alsof haar woorden teruggekaatst werden door een ondoordringbaren muur.

Het kind ging naar den vader en trachtte zijn hand te grijpen. Hij keek den knaap toornig aan; nu deze gekleed was in meisjeskleeren en zijn haar gladgekamd en achter de ooren weggestreken was, zag hij dadelijk de gelijkenis met Marcia, die hem vroeger nooit getroffen had. Hij schopte Marcia's zoon van zich weg.

Een drukkende stemming heerschte er op de markt. De menschen trokken zich langzaam en stil terug. Velen gingen onwillig en aarzelend, maar zij gingen toch. Piero scheen slechts te wachten tot de laatste heengegaan was.

Donna Micaela had opgehouden te spreken, ze nam stil het Christusbeeld en legde het in Marcia's armen.

"Neem hem, zuster Marcia, moge hij u beschermen," zei ze.

De man zag dit en het scheen zijn toorn te vermeerderen. 't Was alsof hij niet meer op het oogenblik kon wachten, dat zij alleen zouden zijn. Hij kromde zijn lichaam gelijk een roofdier, dat zich gereedmaakt tot een sprong.

Maar het beeld rustte niet tevergeefs in Marcia's armen.

De verworpeling bewoog haar tot een handeling van de hoogste liefde.

Wat zal Christus in het paradijs zeggen tot mij, die eerst mijn man bedrogen en hem later tot een moordenaar gemaakt heb? dacht zij. En zij herinnerde zich hoe lief ze dien grooten Piero gehad had in de gelukkige dagen van haar jeugd. Nooit had zij gedacht zulk een ellende over hem te brengen.

"Neen, Piero, neen, dood mij niet!" schreeuwde zij. "Zij zullen je naar de galeien zenden. Je behoeft mij nooit meer te zien." Zij ijlde naar de andere zijde van de markt, waar een diepe afgrond gaapte. Men begreep wat zij wilde doen. Haar gezicht sprak voor haar.

Verscheidene menschen liepen haar na, maar zij was hun een goed eind vooruit. Toen gleed het beeld dat zij op de armen droeg op den grond, juist voor haar voeten. Zij struikelde er over en viel. Daardoor haalden de anderen haar in. Zij worstelde om los te komen, maar een paar mannen hielden haar vast.

"Och, laat mij los! 't Is beter voor hem!"

Maar nu kwam ook haar man bij haar. Hij droeg haar kind op den arm. Hij was diep ontroerd.

"Neen, Marcia, blijf!" zei hij. Hij was verlegen, maar zijn donkere oogen schitterden van vreugde en spraken duidelijker dan woorden.

"Misschien moest het zoo zijn naar oud gebruik! Maar daaraan stoor ik mij niet. Kom! 't Zou zonde zijn van zulk een vrouw, als jij, Marcia."

Hij legde den arm om Marcia's middel en ging met haar naar zijn huis in de ruïnen van 't palazzo Corvaja. 't Was alsof een der vroegere baronnen daar zijn intocht hield. De menschen van Corvaja stonden aan beide zijden van den weg en bogen voor hem en Marcia.

Toen ze voorbij donna Micaela gingen, stonden ze stil, bogen diep voor haar en kusten het beeld, dat ze haar teruggaven. Maar donna Micaela kuste Marcia.

"Bid voor mij in je geluk, zuster Marcia," zei ze.

X.

FALCO FALCONE.

Nu hadden de blinde zangers week na week gezongen van Diamante's spoorweg, en de groote collectebus in San Pasquale's kerk was iederen avond vol gaven.

Signor Alfredo mat en bakende den weg af op den Etna en de spinnende vrouwtjes in de donkere stegen vertelden van de heerlijke wonderen, die het kleine Christusbeeld in de verachte kerk verrichtte.

Van de rijke en machtige mannen, die grond bezaten op den Etna, kwam brief na brief, dat zij land wilden afstaan voor het gezegende plan.

In de laatste weken waren geschenken van alle kanten toegestroomd. Eenige menschen gaven steenen voor de stations, anderen schonken kruit om de lavablokken te doen springen, terwijl weer anderen eten gaven aan de arbeiders.

Maar de arme menschen in Corvaja, die niets hadden om te geven, kwamen 's nachts, als zij hun werk gedaan hadden, met spaden en kruiwagens en bestegen den Etna, om grond uit te graven en den weg te leggen.

Zoodat als signor Alfredo en zijn arbeiders 's morgens opkwamen, zij moesten gelooven, dat de toovenaar van den Etna zich losgerukt had uit zijn lavastroomen om hen bij hun arbeid te helpen.

Maar zoolang men aan den spoorweg werkte, had men gevraagd:

Waar blijft toch de koning van den Etna, Falco Falcone?

Waar is de machtige Falco, die gedurende vijf en twintig jaar over den Etna geregeerd heeft?

Hij schreef aan de weduwe van don Ferrante, dat zij dezen spoorweg niet moest aanleggen. Wat meende hij met zijn bedreiging?

Waarom houdt hij zich stil, nu men zijn gebod trotseert?

Waarom schiet hij de mannen van Corvaja niet neer als ze 's nachts met spaden en houweelen komen aangeslopen?

Waarom sleept hij de blinde zangers niet in de steengroeve om hen te geeselen? Waarom laat hij donna Micaela niet schaken uit het zomerpaleis om haar op deze wijze te dwingen den aanleg te staken van dezen spoorweg, die het doel haars levens is geworden? Donna Micaela zei tot zichzelf: "Heeft Falco Falcone zijn woord vergeten of wacht hij, tot hij ons het zekerst kan treffen?"

Terwijl men angstig wachtte, dat Falco den spoorweg zou verwoesten, sprak men over niets anders dan over hem.

Vooral de arbeiders, die signor Alfredo volgden. Juist tegenover den ingang van de kerk San Pasquale staat een klein huis tegen den naakten rotswand.

't Huis is smal en hoog, zoodat het gelijkt op een schoorsteen, die is blijven staan, nadat het huis is afgebrand. 't Is zoo klein, dat er geen plaats voor de trappen binnenshuis is, maar die zich buiten tegen den muur moeten opslingeren.

Hier en daar hangen balkons en andere uitbouwsels die met niet meer symmetrie geordend zijn dan de vogelnestjes in een boom.

In dit huis werd Falco Falcone geboren, zijn ouders waren slechts arme arbeidslieden. Maar in deze armoedige woning had de hoogmoed zich ontwikkeld bij Falco.

Zijn moeder was een ongelukkige vrouw, die in de eerste jaren van haar huwelijk slechts dochters ter wereld bracht. Haar man en haar buren verachtten haar.

Deze vrouw smachtte naar een zoon. Toen zij haar vijfde kind verwachtte, strooide zij iederen dag zout op den drempel, en wachtte wie dien het eerst zou betreden.

Zou er eerst een man of een vrouw komen? Zou zij een zoon of een dochter baren?

Iederen dag zat zij te tellen. Ze telde de letters van de maand, waarin het kind geboren zou worden. Ze telde de letters van den naam van haar man en van haar zelf. Ze telde de cijfers op en trok ze af, het bleef een even getal.

Zij zou dus een zoon baren.

Den volgenden dag telde zij weer opnieuw.

"Misschien heb ik mij gisteren vergist," zei ze.

Toen Falco geboren werd, genoot zijn moeder zooveel eer, dat ze hem om die reden meer beminde dan haar andere kinderen. Als de vader binnenkwam om naar het kind te zien, nam hij zijn muts af en boog diep. Boven de poort van het huis zette hij een hoed tot eereteeken en men wierp het badwater van het kind over den drempel en liet het over de straat vloeien.

Falco lag op den rechterarm van zijn peetmoeder, toen hij naar de kerk gedragen werd, en als de buurvrouwen naar zijn moeder kwamen kijken, bogen zij voor het kind, dat in de wieg sluimerde.

Het was ook grooter en sterker dan kinderen van zijn leeftijd gewoonlijk zijn. Falco had reeds bij zijn geboorte dik, ruig haar, en toen hij acht dagen oud was, bezat hij reeds een tand. Maar toen zijn moeder hem aan de borst legde, was hij zoo wild, dat zij lachend zei:

"Ik geloof dat ik een held het leven geschonken heb."

Zij verwachtte altijd iets groots van hem, en daardoor wekte zij den hoogmoed in hem. Maar wie anders verwachtte iets van hem? Falco kon niet eens leeren lezen. Zijn moeder trachtte hem de letters te leeren.

Ze wees op de groote A, dat was een hooge hoed, ze zei dat B een bril was, en C een slang. Dat kon hij leeren.

Toen zei zijn moeder: als je den bril en den grooten hoed bij elkaar legt, zeggen ze Ba. Dat kon hij niet leeren. Hij werd boos en sloeg haar, en zij liet hem met rust.

"Uit jou wordt toch nooit iets anders dan een held," zei ze.

In zijn jeugd was Falco lui en slecht. Als kind wilde hij niet spelen, als volwassene wilde hij niet dansen, ook had hij geen liefste, maar hij ging gaarne daarheen, waar hij strijd kon verwachten.

Falco had twee broers, die waren als andere menschen en veel meer aanzien genoten dan hij. Falco voelde zich gegriefd, omdat hij achteruitgezet werd bij zijn broeders, maar hij was te trotsch om dat te toonen.

En zijn moeder was altijd aan zijn zijde; toen zijn vader overleden was, liet zij hem aan het hoofdeind van de tafel zitten en zij stond niet toe, dat men hem bespotte.

"Mijn oudste zoon is de voornaamste van u allen," zei ze.

Toen men aan dit alles dacht, zei men: "Falco is hoogmoedig. Hij zal het zich tot een eer rekenen om den spoorweg te verwoesten." En toen men bevreesd was geworden door deze herinnering, moest men denken aan een andere geschiedenis van hem.

Gedurende dertig jaar, zegt men, leefde Falco gelijk alle andere arme menschen op den Etna. 's Maandags ging hij met zijn broeders naar het land. Hij had brood in den zak, voldoende voor een geheele week, en gelijk ieder ander kookte hij soep van boonen en rijst. En hij was blijde als hij 's Zaterdagsavonds huiswaarts keerde. Hij verheugde zich de tafel met wijn en macaroni gedekt, en zijn bed met zachte kussens gespreid te vinden.

Het was op zulk een Zaterdagavond. Falco en zijn broeders gingen naar huis, Falco zooals gewoonlijk een weinig achter de anderen, met een zwaren, langzamen gang. Maar zie, toen zijn broeders thuis kwamen, wachtte hen geen avondmaal, hun bed was niet gespreid en de stof lag nog op den deurdrempel.

Hoe, waren allen in huis overleden?

Toen zagen ze hun moeder in een donkeren hoek van de kamer zitten. Heur haren hingen wanordelijk over haar gelaat en zij teekende met haar vinger figuren op den grond.

"Wat is er gebeurd?" vroegen de broers. Zij keek op, zij sprak alsof zij tot den grond sprak.

"Wij zijn tot den bedelstaf gebracht, tot den bedelstaf gebracht."

"Wil men ons het huis ontnemen?" riepen de broeders.

"Zij willen ons eer en brood ontnemen."

Toen vertelde zij: "Je oudste zuster was in dienst bij bakker Gasparo, en dat was een goede dienst. Signor Gasparo gaf Pepa al het brood, dat overbleef in den winkel, en dat gaf zij mij. Het was zoo veel, dat het voor ons allen genoeg was. Ik ben gelukkig geweest, sedert Pepa dezen dienst had. Nu heb ik een onbezorgden ouden dag, dacht ik.

"Maar den vorigen Maandag kwam Pepa weenend thuis.

"Signora Gasparo had haar weggejaagd."

"Wat had Pepa gedaan?" vroeg Nino, die na Falco de oudste was.

"Signora Gasparo beschuldigde Pepa brood gestolen te hebben.

"Ik ging naar signora Gasparo om haar te smeeken Pepa weer in haar dienst te nemen.

"Neen," zei ze, "het meisje is niet eerlijk."

"Pepa heeft het brood gekregen van signor Gasparo," zei ik. "Vraag het hem slechts."

"Ik kan het hem niet vragen," zei de signora. "Hij is weg en komt niet vóór de volgende maand thuis."

"Signora," zei ik, "we zijn zoo arm! Laat Pepa weer bij u in dienst komen."

"Neen," zei ze "ik zelf verlaat signor Gasparo, indien hij Pepa weer in huis neemt."

"Neem u in acht," zei ik toen, "ontneemt gij mij het brood, dan ontneem ik u 't leven."

"Toen werd ze bang en riep om hulp, zoodat ik moest gaan."

"Wat is er aan te doen?" zei Nino. "Pepa moet een anderen dienst zoeken."

"Nino," zei moeder Zia, "je weet niet wat die vrouw zei van Pepa en signor Gasparo."

"Wie kan een vrouw verhinderen te spreken?" zei Nino.

"Indien Pepa niets anders te doen heeft, dan kon zij ten minste het avondmaal voor ons bereid hebben," zei Toruddo.

"Signora Gasparo heeft gezegd, dat haar man Pepa brood liet stelen, omdat zij hem...."

"Moeder," viel Nino haar met vuurroode kleur in de rede, "ik ben niet voornemens mij op de galeien te laten zetten, ter wille van Pepa."

"De galeien verslinden geen Christenen," zei moeder Zia.

"Nino," zei toen Pietro, "we gaan naar de stad om ons eten te verschaffen."

Toen zij dit zeiden, hoorden zij iemand achter zich lachen. 't Was Falco.

Eenige oogenblikken later trad Falco den winkel binnen van signora Gasparo en verzocht om een brood. De arme vrouw werd bang toen zij Pepa's broer zag, maar zij dacht:

"Hij komt pas van het veld, hij is nog niet thuis geweest, hij weet nog van niets."

"Bebbo," zei ze, want Falco heette toen nog niet Falco, "gaat het goed met den wijnbouw?"

Zij geloofde, dat hij haar geen antwoord zou geven.

Maar Falco was spraakzamer dan hij gewoonlijk was, en hij vertelde haar, hoeveel druiven ze onder de pers hadden gedaan.

"Weet ge," zei hij, "dat onze pachter vermoord is?"

"Ach ja, de arme signor Riego, ja, dat weet ik."

En zij vroeg hem hoe het gebeurd was.

"Salvatore heeft hem vermoord. Maar is het niet te naar voor een signora om te hooren?"

"O neen, wat gebeurd is, kan ook verteld worden."

"Salvatore heeft het zóó gedaan, signora," en Falco nam zijn mes en legde zijn hand op het hoofd der vrouw.

"Zóó heeft hij hem de keel doorgesneden van oor tot oor." En terwijl Falco dit zei, deed hij het. De vrouw had niet eens kunnen schreeuwen! 't Was meesterlijk gedaan. Falco werd naar de galeien gezonden, hij bleef daar vijf jaar.

Toen men dit vertelde wies de angst.

"Falco is moedig," zei men. "Niets ter wereld kan hem van zijn voornemen afbrengen."

Toen herinnerde men zich nog een voorval.

Falco werd naar de galeien in Augusta gezonden en daar leerde hij Biagio kennen, die hem later zijn gansche leven volgde. Op een dag kregen hij, Biagio en nog een der gevangenen het bevel om op het land te werken. Een der opzichters wilde een tuin rondom zijn huis aanleggen. Terwijl ze in den grond groeven, zwierven hun blikken over hun omgeving. Ze waren buiten de gevangenismuren en zagen het dal en den berg, ze konden zelfs den Etna onderscheiden.

"Nu is onze tijd gekomen," zei Falco tot Biagio.

"Ik sterf liever dan dat ik terugga naar de gevangenis," zei Biagio.

Daarna zeiden ze den derden gevangene dat hij hen moest bijstaan.

Hij wilde niet, omdat zijn straftijd bijna om was.

"Dan dooden we je!" dreigden ze hem, toen gaf hij toe.

Maar de soldaat van de wacht stond met een geladen geweer tegenover hen. Falco en Biagio sprongen, geboeid als ze waren met de ketenen aan hun voeten, op hem toe, en zij sloegen hem met hun spade. Voordat hij er aan had kunnen denken te schieten, was hij gebonden; een prop in den mond belette hem te schreeuwen. Daarna stieten ze hun ketenen stuk met hun spade, en vluchtten in de bergen.

's Nachts lieten Falco en Biagio den gevangene dien zij meegenomen hadden, in den steek. Hij was oud en zwak en hinderde hen in hun vlucht. Den volgenden dag werd hij door de karabiniers gegrepen en doodgeschoten.

En men beeft, als men daaraan denkt. Falco is onbarmhartig, zegt men. Men begrijpt, dat hij den spoorweg niet zal sparen.

En geschiedenis na geschiedenis doet de ronde om de arme menschen bang te maken, die aan den spoorweg op den Etna werken.

Men denkt aan de zestien moorden die Falco Falcone begaan heeft, en men verhaalt van zijn plunderingen en rooftochten.

Er is een verhaal, dat de menschen meer dan alle andere verschrikt.

Toen Falco van de galeien kwam, woonde hij in de bosschen en grotten op den Etna of in de steengroeve bij Diamante. Spoedig had hij een groote bende om zich verzameld. Hij werd een groote rooverheld.

Zijn familie genoot een heel ander aanzien dan vroeger. Zij werden als machtigen geëerd, zij behoefden nauwelijks te werken, want Falco had zijn bloedverwanten lief en was zeer mild jegens hen. Maar hij was niet toegevend, hij was zeer streng.

Moeder Zia was overleden. Nino was getrouwd en woonde nu in zijn vaders hut. Toen gebeurde het op een dag, dat Nino geld noodig en hij wist geen beter middel dan naar den pastoor te gaan, niet naar don Matteo, maar naar zijn voorganger, den ouden don Giovanni.

"Uw Hoogeerwaarde," zei Nino tot hem, "mijn broer verzoekt u om vijf honderd lire."

"Waar moet ik vijf honderd lire vandaan halen?" zei don Giovanni.

"Mijn broer heeft ze noodig, dringend noodig," zei Nino.

Toen beloofde de oude don Giovanni het geld te geven, indien hij slechts tijd kreeg om het bijeen te brengen.

Nino wilde hem nauwelijks die voorwaarde inwilligen.

"Ge kunt toch niet verlangen dat ik vijf honderd lire uit mijn snuifdoos zal halen," zei don Giovanni.

En Nino stond hem drie dagen uitstel toe.

"Maar neem u in dezen tijd voor mijn broer in acht," zei hij.

Den volgenden dag reed don Giovanni naar Nicolosi om te trachten het geld te krijgen.

Wien ontmoette hij onderweg? Was dat niet Falco met zijn bende?

Don Giovanni wierp zich op de knieën voor Falco.

"Wat beduidt dit, don Giovanni?"

"Ik heb nog geen geld voor u, Falco, maar ik zal trachten het te krijgen. Wees barmhartig jegens mij."

Falco vroeg wat dit beteekende en don Giovanni vertelde dat Nino bij hem geweest was.

"Uw Hoogeerwaarde," zei Falco, "men heeft u willen bedriegen."

Hij verzocht don Giovanni met hem terug te gaan naar Diamante.

Toen ze bij het oude huis op de rots kwamen, riep Falco zijn broer Nino. Deze verscheen op een der balkons.

"Wel Nino!" zei Falco lachend. "Je hebt den pastoor geld willen afzetten!"

"Weet je dat al?" vroeg Nino. "Ik wilde het je juist gaan vertellen."

Nu werd Falco strenger.