De Wonderen van den Antichrist
Part 16
Daar was b. v. de Jezuïetenkerk, Santa Lucia in Gesu. Het klooster dat er bij behoorde was reeds veranderd in een kazerne en de kerk was zoo goed als verlaten. Deze kerk zou een uitstekend theater kunnen worden.
Dit had de sindaco voorgesteld en de gemeenteraad had het voorstel aangenomen.
Toen donna Elisa hoorde, wat er plaats greep, wierp zij een mantille en een sluier om en spoedde zich naar de Santa Lucia met even groote haast als waarmee men ijlt naar het huis, waar een stervende ligt.
Hoe zou het nu met de blinden gaan? dacht donna Elisa. Hoe zouden dezen kunnen leven zonder hun kerk Santa Lucia in Gesu?
Toen donna Elisa op de kleine stille markt kwam waar omheen de lange, leelijke gebouwen der Jezuïeten zijn opgetrokken, zag zij op de breede steenen trappen, die langs den ganschen gevel der kerk loopen, een schaar in lompen gehulde kinderen en vele langharige honden. Dat waren de geleiders der blinden, en allen schreiden en klaagden zoo hard zij slechts konden.
"Wat is er te doen?" vroeg donna Elisa.
"Ze willen ons onze kerk ontnemen," jammerden de kinderen en tegelijkertijd blaften de honden nog klaaglijker dan te voren, want de honden der blinden zijn bijna menschen gelijk.
In de kerkdeur ontmoette donna Elisa meester Pamphilio's echtgenoote, donna Concetta.
"Ach, donna Elisa," zei ze, "nooit in uw leven hebt ge zoo iets vreeselijks gezien. Ge doet beter niet in de kerk te gaan."
Maar donna Elisa ging verder.
In de kerk zag zij eerst niets anders dan een wolk van stof. Maar in dien nevel dreunden hamerslagen, eenige arbeiders waren bezig een grooten steenen ridder los te breken, die in een der vensternissen lag.
"Mijn God," zei donna Elisa en vouwde haar handen, "ze breken Sor Arrigo los."
En zij dacht er aan, hoe veilig hij altijd in zijn nis gelegen had. Iederen keer, als zij hem gezien had, wenschte zij, zoo verlost te zijn van alle onrust en smart als de oude Sor Arrigo. En nu werd ook zijn rust verstoord. In de Luciakerk was nog een groot grafmonument. Dat stelde een ouden Jezuïet voor, die op een zwart marmeren sarcophaag lag met een geesel in de hand en zijn hoed diep over het voorhoofd getrokken. Hij werd pater Succi genoemd en men placht de kinderen in Diamante bang te maken met hem.
"Zouden zij het wagen pater Succi aan te raken?" dacht donna Elisa. En door de kalkwolk heen, trachtte zij den weg te vinden naar het koor waar de sarcophaag stond, om te zien of ze den moed hadden den ouden Jezuïet aan te raken.
Maar pater Succi lag nog op zijn steenen bed. Hij lag daar, duister en hard, zooals hij bij zijn leven geweest was, en men kon bijna gelooven, dat hij nog leefde. Was er een dokter en een tafel met medicijnflesschen benevens een brandende kaars voor het bed geweest, dan zou men gedacht hebben dat pater Succi ziek lag in het koor van zijn kerk en op zijn laatste stonde wachtte.
De blinden zaten om hem heen, gelijk bloedverwanten, die zich verzamelen om een stervende, en wiegden hun lichamen van smart heen en weer. Daar waren de beide vrouwen van de hotelpoort, donna Pepa en donna Tura, dan was er oude moeder Saraedda, die genadebrood at bij den sindaco Voltaro. Er waren blinde bedelaars, blinde zangers, blinden van elken leeftijd en stand. Alle blinden van Diamante waren er en in Diamante zijn er ongelooflijk velen, die nooit meer het zonnelicht zien.
Al deze blinden zaten meest zwijgend, maar nu en dan barstte een van hen in jammerklachten uit. Nu en dan trachtte een van hen den weg te vinden naar pater Succi en wierp zich luid jammerend over hem heen.
En wat het nog meer op een sterfbed deed gelijken, was dat de pastoor, don Matteo, en pater Rossi van het Franciscanerklooster rondgingen om de bedroefden te troosten.
Donna Elisa was diep getroffen. Ach, hoe vele malen had zij deze menschen gelukkig gezien in haar winkel, en nu moest zij hen in zulk een ellende treffen?
Zij hadden haar oogen milde tranen ontlokt toen zij treurzangen hadden gezongen over haar man, signor Antonelli, en over haar broer, don Ferrante. Het bedroefde haar hen nu in zulk een nood te zien.
Oud moedertje Saraedda begon te spreken tegen donna Elisa.
"Ik wist niets, toen ik hier kwam, donna Elisa," zei het oude vrouwtje. "Ik liet mijn hond buiten op de trap en trad binnen door de kerkdeuren. Toen strekte ik mijn armen uit, om mij te steunen aan den deurpost, maar er was geen deurpost. Ik zette mijn voeten neer, alsof er een drempel voor de deur was, maar er was geen drempel. Ik strekte mijn hand uit om wijwater te nemen, ik boog mijn knieën, toen ik voorbij het hoogaltaar ging en ik luisterde naar het klokje, dat geluid wordt, als pater Rossi ter misse gaat.
"Donna Elisa, er was geen wijwater, geen altaar, geen klokgelui, niets, niets was er."
"Och, arme!" zei donna Elisa.
"Toen hoorde ik gehamer en geklop in een venster. "Wat doet ge met Sor Arrigo?" riep ik, want ik hoorde dadelijk, dat het geluid uit de nis van Sor Arrigo kwam.
"Wij moeten hem wegvoeren," antwoordde men mij.
"Tegelijkertijd komt don Matteo naar mij toe, neemt mij bij de hand en verklaart mij alles. En ik word bijna boos op den pastoor, als hij mij vertelt, dat men onze kerk voor een theater wil gebruiken. Onze kerk voor een theater!
"Waar is pater Succi?" vraag ik eindelijk. "Is pater Succi nog hier?" En hij brengt mij bij pater Succi. Hij moet mij er wel heen geleiden, want ik kan den weg niet vinden. Sedert ze alle stoelen en bidbankjes, matten en losse treden weggenomen hebben, weet ik niet meer waar ik ben. Vroeger kon ik hier zoo goed den weg vinden als gij."
"De pastoor zal jelui een andere kerk geven," zei donna Elisa.
"Donna Elisa, wat wilt ge daarmee zeggen? Ge kunt evengoed zeggen, dat de pastoor ons het gezicht terug zal geven. Kan don Matteo ons een kerk geven, waar wij zien kunnen, zooals wij hier zagen? Geen van ons behoefde hier zijn geleider mee te nemen.
"Daarginds, donna Elisa, stond een altaar, de bloemen daarop waren even rood als de Etna bij zonsondergang en dat konden we zien. Des Zondags telden we zestien kaarsvlammen boven het hoofdaltaar en op feestdagen dertig. Wij konden zien dat pater Rossi hier de mis bediende.
"Wat moeten wij in een andere kerk doen, donna Elisa? Daar kunnen we niets zien. Ze hebben ons het licht onzer oogen opnieuw ontnomen."
Donna Elisa's hart werd zoo warm, alsof er gesmolten lava over stroomde. Het was stellig een groot onrecht, dat men dezen ongelukkigen aandeed.
Toen ging donna Elisa naar don Matteo.
"Uw Hoogeerwaarde," zei ze, "heeft u gesproken met den sindaco?"
"Ach, ach, donna Elisa," zei don Matteo. "'t Is beter, dat gij beproeft met hem te spreken, dan dat ik het doe."
"Don Matteo, de sindaco is een vreemdeling, misschien heeft hij nooit hooren spreken over de blinden."
"Signor Voltara is bij hem geweest, pater Rossi is bij hem geweest en ook ik, ook ik was bij hem. Hij antwoordde niets anders dan dat hij niet kan veranderen wat in den gemeenteraad besloten is.
"Dat weet ge immers wel, donna Elisa, een besluit van den gemeenteraad kan nooit herroepen worden. Als deze besloten heeft, dat uw kat de mis zal lezen in de domkerk, kan er niets aan dit besluit veranderd worden."
Er ontstond plotseling een opschudding in de kerk. Een groote blinde man kwam binnen.
"Vader Elisa," fluisterde men. "Vader Elisa."
Vader Elisa was de deken van het gilde der blinde zangers, die zich in deze kerk plachten te verzamelen. Wit was zijn haar en hij droeg een langen witten baard; hij was schoon als een der heilige patriarchen.
Hij ging gelijk alle anderen naar pater Succi, nam naast hem plaats en drukte zijn voorhoofd tegen het marmer. Donna Elisa ging naar vader Elisa om met hem te spreken.
"Vader Elisa," zei ze, "ge moest naar den sindaco gaan." De grijsaard herkende donna Elisa's stem en hij antwoordde met zijn grove oudemannenstem:
"Gelooft ge dat ik gewacht heb tot gij mij dat zoudt zeggen? Denkt ge dan niet, dat het mijn eerste gedachte was naar den sindaco te gaan?"
Hij sprak zoo luid en duidelijk, dat de arbeiders ophielden met hameren, omdat ze meenden, dat iemand begon te preeken. "Ik heb hem verteld, dat wij blinde zangers een gilde vormen en dat de Jezuïeten reeds drie eeuwen geleden hun kerk voor ons openden en ons het recht gaven hier te vergaderen om nieuwe leden te kiezen en zangen te beoordeelen.
"En ik vertelde hem, dat ons gilde uit dertig zangers bestaat, en dat de heilige Lucia onze schutspatrones is en wij nooit op straat zingen, maar slechts op binnenplaatsen en in de huizen. Ik zei hem, dat we legenden van heiligen zingen en treurzangen, maar nooit een wereldsch lied en dat de Jezuïet pater Succi zijn kerk voor ons opende, omdat wij blinden de zangers zijn van Onzen Lieven Heer.
"Ik vertelde hem, dat sommigen van ons recitatores zijn, die de oude gedichten voordragen, en dat anderen trovatores zijn, die nieuwe dichten.
"Ik zei hem dat wij tot vreugde waren van vele menschen op het edele eiland, en vroeg hem, waarom hij ons niet het leven wilde laten behouden; een daklooze kan niet leven. Ook vertelde ik hem dat wij van stad tot stad plegen te trekken op den Etna, maar dat de Luciakerk ons thuis is en dat hier iederen morgen de mis voor ons wordt gelezen. Waarom wilde hij ons den troost van Gods woord weigeren?
"Ook verhaalde ik hem, dat de Jezuïeten eens van gevoelens jegens ons veranderden en ons uit hun kerk wilden verdrijven, maar dat dit hun niet gelukt was. Wij kregen een gezegeld document van den vice-koning, dat wij ten eeuwigen dage onze vergaderingen in de Santa Lucia in Gesu mogen houden. En ik toonde den sindaco het document."
"Wat antwoordde hij toen?"
"Hij lachte mij uit."
"Kan geen der andere raadsleden u helpen?"
"Ik ben bij hen allen geweest, donna Elisa. Ik ben den ganschen morgen van Pontius naar Pilatus gezonden."
"Vader Elisa," zei donna Elisa, en ze liet haar stem dalen, "hebt ge vergeten de heiligen aan te roepen?"
"Ik heb de zwarte Madonna aangeroepen, zoowel als San Sebastiaan en Santa Lucia. Ik heb gebeden tot zoo vele heiligen, als ik slechts bij naam kende."
"Gelooft gij, vader Elisa," zei donna Elisa en zij liet haar stem nog meer dalen, "dat don Antonio Greco geholpen werd, omdat hij beloofde geld te geven voor donna Micaela's spoorweg?"
"Ik heb geen geld te geven," zei de grijsaard moedeloos.
"Gij moest er toch eens over denken, vader Elisa," zei donna Elisa, "nu gij in zulk een grooten nood verkeert. Gij moest het Christusbeeld beloven, dat gij zelf en allen, die tot uw gilde behooren, zullen zingen en spreken over den spoorweg, om den menschen te overreden bijdragen daarvoor af te staan, indien gij uw kerk moogt behouden. Wij weten niet of het helpt, maar we moeten al het mogelijke beproeven, vader Elisa. Een belofte kost niets."
"Ik wil beloven wat gij slechts wilt," zei de grijsaard.
Hij legde weer zijn hoofd op het zwarte marmer, en donna Elisa begreep dat hij de belofte slechts gegeven had om met zijn smart alleengelaten te worden.
"Zal ik uw belofte tot het Christuskind brengen?" zei ze.
"Doe gelijk gij wilt, donna Elisa," zei de grijsaard.
Denzelfden dag was fra Felice om vijf uur 's morgens opgestaan en zijn kerk begonnen te vegen. Hij voelde zich vroolijk te moede, maar toen hij daar zoo bezig was, meende hij opeens dat San Pasquale met den zak vol steenen, die in het kerkportaal stond, hem iets te zeggen had.
Hij ging nu naar hem toe, maar San Pasquale stond even onbeweeglijk als altijd. Op hetzelfde oogenblik steeg de zon boven den Etna en zond veelkleurige stralen, harpsnaren gelijk, over den bergketen. Toen de stralen fra Felice's oude kerk bereikt hadden, tintten ze deze rozerood, rozerood werden ook de oude, verweerde zuilen, die den baldakijn boven het beeld droegen, en San Pasquale met den zak, evenals fra Felice zelf.
"Wij zien er uit als jonge knapen," dacht de grijsaard. "We hebben nog vele jaren te leven."
Maar toen hij de kerk weer wilde binnengaan, voelde hij een beklemmenden druk boven het hart en het viel hem in, dat San Pasquale hem geroepen had om hem vaarwel te zeggen. Op hetzelfde oogenblik werden zijn beenen zoo zwaar, dat hij ze nauwelijks kon verzetten. Hij gevoelde geen pijn, maar een loodzware moeheid, die niets anders dan den dood kon beteekenen. Hij had nauwelijks de kracht om den bezem weg te zetten achter de deur van de sacristie; toen sleepte hij zich naar het koor en ging voor het hoogaltaar liggen, terwijl hij zich in zijn pij wikkelde.
't Was alsof het Christuskind tegen hem knikte en zei: "Nu heb ik je noodig, fra Felice."
Hij knikte terug. "Ik ben gereed, ik zal je niet ontrouw worden."
Hij lag daar slechts te wachten, en dat was heerlijk, vond fra Felice. Gedurende zijn gansche leven had hij geen tijd gehad om te voelen hoe moede hij was. Nu kon hij eindelijk eens uitrusten. Het beeld zou de kerk en het klooster wel zonder hem in stand houden.
Hij glimlachte omdat de oude San Pasquale hem naar buiten geroepen had om hem vaarwel te zeggen.
Zoo lag fra Felice een groot gedeelte van den dag, meestal sluimerde hij. Niemand was bij hem, en er kwam een gevoel over hem, dat het niet aanging zoo uit het leven te glijden.
't Was alsof hij iemand daarmee te kort deed. Die gedachte wekte hem keer op keer. Hij behoorde de priesters bij zich te hebben, maar hij had immers niemand om hen te halen.
Terwijl hij daar zoo lag, scheen het hem dat zijn lichaam al meer en meer inkromp, dat hij steeds kleiner werd. 't Was alsof hij geheel verdwijnen zou. Nu kon hij zich zeker wel viermaal in zijn pij wikkelen.
Hij zou heel eenzaam gestorven zijn, indien donna Elisa niet gekomen was om het kleine beeld aan te roepen om hulp voor de blinden.
Zij was wonderlijk te moede, want zij wilde gaarne, dat de blinden geholpen werden, maar zij wenschte niet, dat donna Micaela's zaak bevorderd zou worden.
Toen zij in de kerk kwam, zag zij fra Felice voor het altaar liggen en zij ging naar hem toe en knielde bij hem neer.
Fra Felice wendde zijn oogen naar haar en glimlachte stil. "Ik moet sterven," zei hij heesch, maar toen verbeterde hij zich en zei: "Ik ga sterven."
Donna Elisa vroeg wat hem scheelde en zei, dat zij hulp wilde halen.
"Ga hier zitten," zei hij en deed een matte poging om met zijn mouw het stof van den grond te wisschen.
Donna Elisa zei, dat zij den pastoor en de liefdezusters wilde halen. Hij greep haar bij haar mantel en hield haar terug.
"Eerst moet ik u iets zeggen, donna Elisa."
't Spreken viel hem moeielijk, tusschen ieder woord haalde hij zwaar adem. Donna Elisa ging naast hem zitten om te wachten.
Een tijd lang hijgde hij naar adem, toen steeg een vlammend rood op in zijn gelaat, zijn oogen begonnen te glinsteren, en hij sprak vol vuur en zonder eenige moeite.
"Donna Elisa," zei fra Felice, "ik heb een erfenis weg te schenken. 't Heeft mij den ganschen dag zorg gebaard, want ik wist niet aan wien ik die zou nalaten."
"Fra Felice," zei donna Elisa, "wees daarover niet bezorgd. Er is geen mensch, die een goede gave niet gebruiken kan."
Maar daar fra Felice zich nu beter gevoelde, wilde hij, vóórdat hij over zijn erfenis beschikte, donna Elisa vertellen hoe goed God voor hem was geweest.
"Heeft God mij geen groote genade bewezen, door mij tot een polacca te maken?" zei hij.
"Ja, dat is een groote gave," zei donna Elisa.
"Reeds een kleine, zeer kleine polacca te zijn is een groote gave," zei fra Felice. "Vooral was het nuttig, toen het klooster opgeheven werd en de kameraden weggetrokken of dood waren. 't Is alsof men een zak vol brood heeft, voordat men de hand uitsteekt om te bedelen, het maakt, dat men altijd vriendelijke gezichten om zich heen ziet en begroet wordt met diepe buigingen. Ik ken geen grooter gave voor een armen monnik, donna Elisa."
Donna Elisa dacht er aan hoe geliefd en geëerd fra Felice altijd geweest was, omdat hij kon voorspellen op welke nummers prijzen zouden vallen. En zij kon niet nalaten hem gelijk te geven.
"Als ik langs den weg kwam in zonnehitte," zei fra Felice, "kwam de herder naar mij toe en vergezelde mij een eindweegs, terwijl hij zijn parapluie boven mijn hoofd hield om mij te beschutten tegen de zonnestralen. En als ik bij de arbeiders kwam in de koele steengroeve, deelden zij hun brood en boonensoep met mij. Ik ben nooit bang geweest voor roovers, noch voor karabiniers. De man in het tolkantoor sluimerde, toen ik voorbij ging met mijn zak. 't Is een goede gave geweest, donna Elisa."
"Ja, dat is waar," zei donna Elisa.
"En 't is geen harde arbeid geweest," zei fra Felice.
"Zij spraken tot mij en ik antwoordde hun, dat was alles. Zij wisten dat elk woord zijn nummer had, en zij luisterden naar hetgeen ik zei en speelden daarnaar. Ik wist niet, hoe het toeging, donna Elisa, het was een Godsgave."
"Het arme volk zal u zeer missen, fra Felice," zei donna Elisa.
Fra Felice glimlachte: "Ze geven niets om mij op Zondag of Maandag, als de trekking pas geweest is," zei hij. "Maar Donderdags en Vrijdags en Zaterdagsmorgens komen zij tot mij, omdat iederen Zaterdag de loting is."
Donna Elisa begon onrustig te worden omdat de stervende aan niets anders dacht dan aan dit. Plotseling kwamen haar verschillende menschen in de gedachte, die in de loterij verloren hadden, en zij herinnerde zich velen die hun geheele vermogen daarmee verspeeld hadden. Zij wilde zijn gedachten leiden van dit zondige loterijspel.
"Gij zeidet, dat gij over uw testament wildet spreken, fra Felice."
"Maar juist omdat ik zoo vele vrienden bezit, valt het mij zoo moeilijk te weten aan wien ik mijn erfenis moet schenken. Zal ik haar geven aan hen, die de zoete koekjes voor mij bakten of aan hen, die artisjokken voor mij roosterden in versche olie? Of zal ik het geven aan de liefdezusters, die mij verpleegden, toen ik ziek was?"
"Hebt gij veel weg te schenken, fra Felice?"
"Dat gaat wel, donna Elisa. Dat gaat wel."
Fra Felice scheen weer benauwd te worden, zijn borst rees en daalde heftig.
"Ik zou het ook willen geven aan de arme monniken, die hun klooster verloren hebben," fluisterde hij.
En na een tijdje vervolgde fra Felice: "Ik zou het ook wel gaarne willen schenken aan den goeden man in Rome. Aan hem die over ons allen waakt."
"Zijt gij zoo rijk, fra Felice?" vroeg donna Elisa.
"Dat gaat wel, donna Elisa, dat gaat wel."
Hij sloot de oogen een wijle, toen vervolgde hij:
"Ik wil het aan alle menschen schenken, donna Elisa."
Hij kreeg nieuwe kracht door deze gedachte, weer kleurde een zwak rood zijn wangen en hij richtte zich op zijn ellebogen op.
"Ziehier, donna Elisa," zei hij, terwijl hij zijn hand in zijn pij stak en een verzegelden brief te voorschijn haalde dien hij haar overreikte. "Dezen moet gij aan den sindaco geven, den sindaco van Diamante."
"Hier, donna Elisa," zei fra Felice, "hier zijn de vijf cijfers, die den volgenden Zaterdag zullen winnen. Zij zijn mij geopenbaard geworden en ik heb ze opgeteekend. En de sindaco moet deze cijfers aan de Romeinsche poort laten aanplakken, waar al het gewichtige nieuws aangekondigd wordt. En hij moet het volk doen weten dat dit mijn testament is. Dit schenk ik aan alle menschen Vijf winnende cijfers, een heele quinterne, donna Elisa."
Donna Elisa nam den brief en beloofde dien aan den sindaco te geven. Zij kon niets anders doen, want de arme fra Felice had niet vele oogenblikken meer te leven.
"Als het nu Zaterdag is," zei fra Felice, "zullen er velen aan fra Felice denken.
"Zou oude fra Felice ons bedrogen hebben?" zullen zij vragen. "Kan het mogelijk zijn dat we een heele quinterne winnen?"
"Zaterdagavond is er trekking op het balkon van het raadhuis te Catania, donna Elisa. Dan brengt men het loterijrad en de tafel naar buiten en de heeren van de loterij verschijnen, met het kleine, aanvallige kind uit het weeshuis. En het eene na het andere nummer wordt gelegd in het rad van het avontuur, tot ze er alle in zijn, alle honderd.
"Maar de menschen staan beneden op het marktplein te beven van verwachting, gelijk de zee trilt bij storm.
"En alle menschen van Diamante zullen daar zijn, bleek en vol spanning. Ze wagen het nauwelijks elkaar aan te zien. Vóór dien tijd hebben zij geloofd maar nu niet meer. Geen van hen waagt het de minste hoop te koesteren.
"Dan wordt het eerste nummer getrokken en het komt uit. O, donna Elisa, zij zullen zoo ontroerd zijn dat ze nauwelijks kunnen jubelen. Want zij allen hadden gedacht dat zij bedrogen waren. Als het tweede cijfer uitkomt, blijft het doodstil. Dan komt het derde. De heeren van de loterij zullen verbaasd zijn, dat alles zoo stil blijft. "Heden winnen zij niets," zullen zij zeggen, "heden maakt de staat een goede winst." Dan komt het vierde cijfer. Het weesje neemt de rol uit het rad en de markeur opent de rol en toont het cijfer.
"Het volk zwijgt in angstige spanning, men kan geen woord spreken bij zooveel geluk. Dan komt het laatste cijfer. Donna Elisa, men schreeuwt, men jubelt, men valt elkaar in de armen, en snikt van vreugde. Men is rijk. Geheel Diamante is rijk..."
Donna Elisa had fra Felice's hoofd met haar arm gesteund, terwijl hij dit hijgend stamelde. Nu viel zijn hoofd plotseling zwaar achterover. De oude fra Felice was dood.
Terwijl donna Elisa in de kerk was bij fra Felice, hadden vele menschen gehoord van het lot der blinden en waren daardoor diep getroffen. Niet juist mannen, de meeste mannen werkten op het land, maar de vrouwen. Ze waren in groote scharen opgetrokken naar Santa Lucia om de blinden te troosten, en toen er ten slotte ongeveer vier honderd vrouwen verzameld waren, was het haar tegenvallen, dat zij naar den sindaco moesten gaan om met hem te spreken.
Ze waren naar de markt gegaan en hadden om den sindaco geroepen. Toen was hij op het balkon van het raadhuis verschenen en zij hadden gesmeekt, dat de blinden hun kerk mochten behouden. De sindaco was een mooie, vriendelijke man. Hij had haar welwillend te woord gestaan, maar niet toegegeven.
Hij kon niet herroepen, wat de gemeenteraad besloten had. Maar de vrouwen hadden zich stellig voorgenomen, dat het besluit herroepen zou worden, en zij bleven wachten op de markt. De sindaco trok zich terug in het raadhuis, maar zij bleven staan om te roepen. Zij wilden niet naar huis gaan voordat hij toegegeven had.
Terwijl dit plaats vond, kwam donna Elisa er aan om den sindaco het testament te brengen van fra Felice. Zij was zielsbedroefd over al de ellende, maar tegelijkertijd gevoelde zij een bittere voldoening in het feit dat zij geen hulp gevonden had bij het Christuskind. Zij had immers altijd gedacht, dat de heiligen donna Micaela niet wilden bijstaan.
Het was een mooi geschenk dat zij ontvangen had in San Pasquale. Niet alleen dat het de blinden niet kon helpen, maar het was in staat de gansche stad in het verderf te storten. Nu zou het weinige dat het volk nog bezat in de loterij verspeeld worden. Alles wat ze bezaten, zouden ze verpanden en verkoopen.
De sindaco ontving donna Elisa dadelijk en was even beleefd en vriendelijk als altijd, ofschoon de vrouwen nog op de markt stonden te smeeken, blinden in de wachtkamer jammerden en hij den ganschen dag lastig gevallen was door allerlei menschen.
"Waarmee kan ik u van dienst zijn, signora Antonelli?" zei hij. Donna Elisa wist eerst niet tot wie hij sprak.
Toen vertelde zij hem van het testament.
De sindaco was noch bevreesd, noch verwonderd.
"Dat is zeer interessant," zei hij en strekte de hand uit naar het papier.
Maar donna Elisa hield den brief vast, en vroeg:
"Signor sindaco, wat zijt ge van plan er mee te doen, is het uw voornemen het aan de Romeinsche poort te laten aanplakken?"
"Ja, wat kan ik anders doen, signora? Het is de laatste wil van een stervende."
Donna Elisa zou hem hebben willen zeggen, welk een noodlottig testament het was. Maar zij zweeg om de zaak der blinden te kunnen bepleiten.
"Pater Succi, die verordende, dat de blinden in zijn kerk mochten bijeenkomen, behoort ook tot de dooden," sprak zij nu.