De Wonderen van den Antichrist

Part 15

Chapter 154,010 wordsPublic domain

Maar dat was een groote dwaasheid geweest. Want als de menschen den lust verliezen om naar een theater te gaan, is het niet het rechte oogenblik de slepen der prinsessen te verkorten of zuinig te zijn op het verguldsel der kronen.

Misschien is het niet zoo gevaarlijk bij een anderen schouwburg, maar in een marionetten-theater is het meer dan moeilijk veranderingen te brengen. Dat komt omdat het meest halfvolwassen knapen zijn, die naar een marionetten-theater gaan. Volwassen menschen kunnen begrijpen, dat men nu en dan zuinig moet zijn, maar kinderen willen het altijd op dezelfde wijze hebben.

Al minder en minder toeschouwers kwamen bij don Antonio en hij ging steeds door met bezuinigen. Toen viel het hem in, dat hij best de twee blinde vioolspelers kon ontberen, vader Elia en broeder Tommaso, die gewoonlijk in de tusschenbedrijven en bij krijgstooneelen speelden.

Deze blinden, die veel geld verdienden met het zingen in sterfhuizen, en die groote sommen wonnen gedurende de feestdagen, verlangden een zeer hooge betaling.

Don Antonio ontsloeg hen uit zijn dienst en schafte zich een orgel aan.

Maar dit werd zijn ongeluk. De leerjongens en winkelbedienden van geheel Diamante bleven weg van het theater.

Zij wilden geen orgel dulden in hun theater, en ze beloofden elkaar, niet naar het theater te gaan, vóórdat don Antonio de blinde muzikanten weer in zijn dienst genomen had. En zij hielden hun belofte. Don Antonio's poppen moesten voor leege banken optreden.

En de jonge knapen, die anders liever afstand deden van hun avondbrood dan van hun theater, lieten avond op avond voorbijgaan, zonder er heen te gaan.

Ze waren overtuigd, dat zij don Antonio ten slotte konden dwingen, alles weer zooals vroeger in te richten.

Maar don Antonio stamde van een kunstenaarsgeslacht. Zijn vader en broeder bezaten een marionetten-theater, zijn zwager en al zijn familieleden waren menschen van het vak. En don Antonio verstond zijn kunst. Hij kon zijn stem tot in het oneindige veranderen, hij kon gelijktijdig manoeuvreeren met een heel leger van poppen, en hij kende den tekst uit het hoofd van den geheelen cyclus tooneelspelen, die getrokken zijn uit de kroniek van Carolus Magnus.

En nu was don Antonio's kunstenaarsgevoel beleedigd. Hij wilde niet gedwongen worden de blinden weer in zijn dienst te nemen. Hij wilde dat men naar zijn theater zou gaan om zijnentwille en niet om de muzikanten.

Hij veranderde zijn repertoire en begon groote stukken te spelen met prachtige monteering.

Maar ook dat hielp niets.

Er is een tooneelspel, dat "de dood van den paladijn" genoemd wordt en Rolands strijd bij Ronceval behandelt. Daarvoor zijn zoovele machinerieën noodig dat een poppentheater gedurende twee dagen gesloten moet zijn, voordat het gespeeld kan worden.

Maar het publiek is er zoo op verzot, dat men het gewoonlijk gedurende een geheele maand speelt voor dubbele prijzen en een uitverkocht huis.

Nu maakte don Antonio alles gereed voor dit tooneelstuk, maar hij behoefde het niet te spelen, hij had geen toeschouwers.

Toen was don Antonio gebroken. Hij beproefde vader Elia en broeder Tommaso weer terug te krijgen, maar dezen wisten nu wat zij waard waren. En zij verlangden zulk een hooge betaling dat het don Antonio een onmogelijkheid was, hun dat te betalen. Zij konden niet tot een vergelijk komen.

In de kleine woning achter het marionetten-theater leefde men als in een belegerde vesting. Men kon niets anders doen dan verhongeren.

Donna Emilia en don Antonio waren beiden jonge vroolijke menschen, maar nu lachten zij nooit meer. 't Was niet zoozeer de nood, die hen drukte, maar don Antonio was een trotsche man, en hij kon de gedachte niet verdragen, dat zijn kunst geen toeschouwers meer vermocht te trekken.

Toen ging donna Emilia naar de kerk van San Pasquale ten einde den heilige te smeeken om een goeden raad. Zij wilde negen gebeden doen voor het groote steenen beeld, dat in het portaal der kerk stond. Maar toen zij begon te bidden, bemerkte zij, dat de kerkdeuren openstonden.

"Waarom staan San Pasquale's kerkdeuren open?" zei donna Emilia. "Dat heb ik van mijn levensdagen nog nooit gezien." En zij trad de kerk binnen.

Het eenige, dat daarbinnen te zien was, was fra Felice's geliefd beeld en de groote collectebus.

En het beeld straalde zoo schoon met zijn kroon en zijn ringen, dat donna Emilia zich tot hem aangetrokken gevoelde. Maar toen zij hem in de oogen zag, vond zij hem zoo liefelijk en schoon, dat zij op haar knieën zonk om te bidden.

En zij beloofde, dat indien hij haar en don Antonio wilde helpen uit hun nood, zij de opbrengst van een geheelen avond zou leggen in de groote bus, die naast hem hing.

Nadat zij gebeden had, verborg donna Emilia zich achter de kerkdeuren en beproefde te verstaan, wat de voorbijgangers zeiden. Want indien het beeld haar wilde helpen, zou hij haar een woord laten hooren, dat haar zeide, wat zij doen moest.

Zij had daar nauwelijks twee minuten gestaan, toen Assunta van de domkerktrap er aankwam in gezelschap van donna Pepa en donna Tura.

En zij hoorde Assunta met haar plechtige stem zeggen:

"Het was in het jaar, dat ik voor de eerste maal het oude Passiespel hoorde."

Donna Emilia verstond het volkomen duidelijk. Assunta zei werkelijk: "het Passiespel."

Het was donna Emilia alsof zij nooit zou thuis komen. Haar beenen konden haar niet vlug genoeg dragen, het was alsof de weg tienvoudig verlengd was.

Toen zij eindelijk den gevel van het theater zag, met de roode lantaarns en de groote kleurrijke affiches, scheen het haar dat zij vele mijlen afgelegd had.

Toen zij binnentrad, zat don Antonio met zijn groot hoofd tusschen zijn beide handen en staarde naar den grond. 't Was droevig don Antonio aan te zien. Gedurende deze laatste weken was zijn haar begonnen uit te vallen. Boven op den schedel was het zoo dun, dat de huid er door scheen.

Was dat te verwonderen, nu hij verteerd werd door zulk een verdriet? Terwijl zij weg was, had hij al zijn poppen te voorschijn gehaald om ze te beschouwen. Dat deed hij nu elken dag. Vooral placht hij lang te staren naar de pop, die voor Aminda speelde. Was zij dan niet schoon en verleidelijk meer? kon hij vragen. En dan trachtte hij het zwaard van Roland of de kroon van Karel den Grooten te verbeteren.

Donna Emilia zag, dat hij de keizerskroon opnieuw verguld had, het was nu zeker wel voor de vijfde maal, dat hij dit deed. Plotseling had hij echter zijn werk neergelegd en was in gedachten verzonken. Hij had het zelf wel gevoeld, dat het hem niet aan verguldsel, maar aan een idee ontbrak.

Toen donna Emilia binnentrad, strekte zij de handen naar haar man uit:

"Zie mij aan, don Antonio Greco," zei ze. "Ik breng u gouden schalen vol koningsvijgen!"

En zij vertelde hem hoe zij tot het Christuskind gebeden had. Ook zei ze hem, wat zij beloofd en wat het beeld haar geraden had.

Toen zij don Antonio dit verhaalde, sprong hij op. Zijn armen vielen slap langs het lichaam, zijn haren rezen te berge. Een onbeschrijfelijke ontroering maakte zich van hem meester. "Het oude Passiespel," schreeuwde hij. "Het oude Passiespel." Want het oude passiespel is een mysterie, dat vroeger op gansch Sicilië gespeeld werd. Het verdrong alle andere oratoria en mysteriën en werd gedurende een paar eeuwen elk jaar in iedere stad gespeeld.

Het was de gewichtigste dag van het jaar wanneer het oude passiespel vertoond werd. Maar nu speelde men het niet meer, nu leefde het nog slechts als een sage in de herinnering van het volk.

In vroeger dagen werd het ook wel in marionetten-theaters gespeeld. Maar nu vond men het te oud en te afgezaagd. Misschien was het sedert dertig jaar niet meer opgevoerd.

Don Antonio begon uit te varen tegen donna Emilia, omdat zij hem kwelde met dergelijke dwaasheden. Hij streed tegen haar als tegen een demon, die zich van hem meester wilde maken. Zij wekte slechts ijdele hoop in hem, die niets dan teleurstelling zou baren, zei hij. Hoe kon zij met zoo iets bij hem aankomen? Maar donna Emilia liet hem kalm uitrazen. Zij zeide slechts, dan hetgeen zij gehoord had, Gods wil was.

Don Antonio begon spoedig te twijfelen. De grootsche gedachte maakte zich langzamerhand van hem meester. Er was niets ter wereld dat op gansch Sicilië zoo geliefd was als het oude passiespel. En woonde er niet nog steeds hetzelfde volk op het edele eiland? Beminden zij niet denzelfden hemel dien hun voorvaderen bemind hadden? Waarom zouden zij het oude passiespel ook niet liefhebben?

Hij verzette zich zoolang hij kon. Hij zei tot donna Emilia dat het te kostbaar zou worden. Waar zou hij de apostelen met lang haar en witten baard vandaan krijgen? Hij bezat geen tafel voor het avondmaal, en hij had de machinerieën ook niet, die noodig waren voor den intocht en de kruisiging.

Maar donna Emilia zag wel, dat hij toe zou geven, en vóórdat de avond viel, ging hij werkelijk naar fra Felice en hernieuwde zijn vrouws belofte om de opbrengst van een avond in de collectebus te leggen, als het beeld hen wilde bijstaan.

Fra Felice vertelde dit aan donna Micaela en zij was verheugd en tegelijkertijd angstig hoe dit zou afloopen.

In de geheele stad werd het bekend, dat don Antonio bezig was het oude passiespel op te zetten en men lachte hem uit. Don Antonio had zijn verstand verloren. Men zou het oude passiespel wel willen zien, indien het gespeeld werd zooals in vroeger dagen.

Men had het willen zien opvoeren zooals in Aci, waar de edellieden der stad voor koningen speelden en huurlingen en handwerkslieden de rollen der Joden en der apostelen vertolkten en waar zoovele scènes uit het oude testament waren opgevoerd, dat het schouwspel een ganschen dag duurde.

Ook zou men de heerlijke dagen van Castelbucco willen doen herleven, toen de gansche stad veranderd was in Jeruzalem. Daar werd het passiespel zoo opgevoerd, dat Jezus door een met palmen omgeven poort de stad binnenreed. De kerk stelde den tempel van Jeruzalem voor en het raadhuis was het paleis van Pilatus. En Petrus warmde zich bij een vuur op den hof van den pastoor; de kruisiging geschiedde op een berg bij de stad en Maria zocht het lijk van haar zoon in de grotten van des sindaco's tuin.

Hoe kon men zich vergenoegen met het groote mysterie te zien spelen in don Antonio's theater, wanneer men zulke herinneringen bezat? Maar trots dit alles werkte don Antonio met onvermoeiden ijver om de tooneelspelers te vervaardigen en de machinerieën in orde te brengen.

En zie, na eenige dagen kwam meester Battesta, die uithangborden schilderde, bij hem en schonk hem een affiche. 't Had hem zoo verheugd te hooren, dat don Antonio het oude passiespel wilde vertoonen. Zelf had hij het in zijn jeugd zien spelen en het had hem zooveel vreugde gegeven. Nu stond er dus met groote letters op het theater te lezen: "Het oude passiespel of de wedergeborene Adam, tragedie in drie bedrijven door cavaliere Filippo Orioles."

Don Antonio was zeer verlangend te weten, hoe de volksstemming was. Maar de ezeldrijvers en leerjongens, die voorbij zijn theater gingen en het aanplakbiljet lazen, lachten hoonend. Het zag er heel duister uit voor don Antonio, maar hij werkte onvermoeid door.

Toen de avond aanbrak, dat het passiespel gespeeld zou worden, was niemand ongeruster dan donna Micaela.

"Zal het kleine beeld mij helpen?" vroeg zij onophoudelijk. Zij zond haar kamenier Lucia naar het theater om te spionneeren. Stonden er reeds groepen jongens? Scheen het of er veel menschen zouden komen? Lucia kon ook wel eens naar donna Emilia gaan, die bij het loket zat, om te vragen hoe de zaken stonden.

Maar toen Lucia terugkwam, kon zij donna Micaela volstrekt geen hoop geven. Voor het theater stonden in het geheel geen menschen. De knapen hadden besloten don Antonio te ruïneeren.

Tegen acht uur kon donna Micaela het niet langer in huis uithouden. Zij overreedde haar vader met haar naar het theater te gaan. Zij wist wel dat nog nooit een signora een voet gezet had in don Antonio's theater, maar zij moest zien hoe het afliep. Het zou zulk een verbazend groote vooruitgang voor haar spoorweg zijn, indien don Antonio nu slaagde.

Toen donna Micaela in het theater kwam, was het nog eenige minuten voor achten, en donna Emilia had nog geen enkel biljet verkocht.

Maar toch was zij niet terneergeslagen. "Treed binnen, donna Micaela," zei ze. "We zullen in elk geval spelen. Het is zoo schoon! Don Antonio zal het spelen voor u, uw vader en voor mij. Het is het schoonste treurspel dat hij nog ooit opgevoerd heeft."

Donna Micaela kwam in een kleinen schouwburg, die met rouwdoek bekleed was, zooals de groote theaters altijd geweest waren, wanneer het oude passiespel opgevoerd werd. Voor het tooneel hingen zwarte gordijnen, met zilveren franjes omzoomd. En de banken waren met zwart doek bekleed.

Dadelijk nadat donna Micaela binnengetreden was, vertoonde don Antonio's borstelige wenkbrauw zich voor een kleine opening in de coulisse.

"Donna Micaela," riep hij, evenals donna Emilia eenige oogenblikken geleden, "we spelen toch, het is zoo schoon, we hebben geen toeschouwers noodig."

Op hetzelfde oogenblik kwam donna Emilia binnen en hield diep buigend de deur wijd open om den geestelijken herder, don Matteo, binnen te laten.

"Wat zegt ge van mij, donna Micaela?" zei hij lachend. "Maar gij begrijpt, dat is het oude passiespel. Ik zag het eens in mijn jeugd in de groote opera te Palermo en ik geloof, dat het dit stuk was, dat mij tot priester gemaakt heeft."

Den volgenden keer, dat de deur openging, waren het vader Elia en broeder Tommaso, die met hun violen onder den arm hunne oude plaatsen opzochten, zoo kalm, alsof zij nooit in twist waren geweest met don Antonio.

De deur gleed opnieuw open. Het was een oud vrouwtje uit de steeg tegenover het huis van den kleinen Moor. Zij was in het zwart gekleed en maakte het teeken des kruises toen zij binnentrad.

Na haar kwamen vier, vijf andere oude vrouwtjes.

Donna Micaela keek verdrietig naar hen, terwijl zij zoo langzamerhand het theater vulden.

Zij wist, dat don Antonio niet tevreden zou zijn, vóórdat hij weer zijn eigen publiek had, vóórdat hij weer kon spelen voor zijn geliefde, eigenzinnige knapen.

Plotseling hoorde zij een vreeselijk geraas. Was het een storm of een donderslag? De deuren vlogen wijd open, en tegelijk stormden allen binnen. Dat waren de jongens. Ze vielen met een zekerheid op hun oude plaatsen neer, alsof ze hun eigen huis binnentrokken.

Ze zagen elkaar aan, een weinig beschaamd. Maar zij hadden het niet kunnen verdragen, dat het eene oude vrouwtje na het andere in hun theater ging om te zien wat voor hen gespeeld werd. 't Was hun onmogelijk geweest te zien, hoe de gansche straat vol oude spinsters was, die naar hun theater trokken. En toen waren zij naar binnen gestormd.

Maar nauwelijks waren de jonge menschen op hun plaatsen gezeten, of zij merkten, dat zij bij een tuchtmeester gekomen waren. O, het oude passiespel! 't Werd niet opgevoerd zooals in Aci of in Castelbucco. Het werd niet zoo gespeeld als in de opera te Palermo, het werd slechts vertoond door armzalige marionetten met onbeweeglijke gezichten en stijve lichamen. Maar het oude mysterie had zijn macht nog niet verloren.

Donna Micaela bemerkte dit reeds in het tweede bedrijf bij het avondmaal. De knapen begonnen Judas te haten.

Ze slingerden hem bedreigingen en scheldwoorden naar het hoofd.

Toen de lijdensgeschiedenis verder gespeeld werd, namen ze hun hoeden af en vouwden hun handen. Zij zaten roerloos met hun mooie bruine oogen naar het tooneel gewend. Nu en dan sprongen hun de tranen in de oogen, nu en dan werd een vuist in toorn opgeheven.

Don Antonio sprak met tranen in zijn stem, donna Emilia lag geknield op den drempel. Don Matteo zag met een milden glimlach naar de kleine poppen en dacht aan het heerlijke schouwspel te Palermo, dat hem tot priester gemaakt had.

Maar toen Jezus gevangengenomen en gepijnigd werd, schaamden de knapen zich over zich zelf. Zij ook hadden kunnen haten en vervolgen. Zij waren gelijk deze Farizeërs, gelijk deze Romeinen. Ze schaamden zich nu zij er aan dachten. Mocht don Antonio het hun vergeven!

V.

DE DAME MET DEN IJZEREN RING.

Donna Micaela dacht dikwijls aan een arme, kleine naaister, die zij in haar jeugd in Catania gekend had. Zij woonde in een huis naast het paleis Palmeri en zij zat altijd in haar deur te werken, zoodat donna Micaela haar wel duizend malen gezien had. Zij zong altijd, maar zij had zeker slechts een enkel lied gekend. Altijd, altijd had zij dezelfde wijs gezongen.

"Ik heb een lok geknipt van mijn haren," zoo zong ze. "Ik heb mijn glanzende, zwarte vlechten losgemaakt, en een lok geknipt van mijn haar. Ik heb dat gedaan om mijn vriend te verheugen, die bedroefd is. Ach, mijn geliefde zit in de gevangenis, mijn geliefde zal nooit meer mijn haar streelen. Ik heb hem een lok van mijn haar gezonden om hem te herinneren aan de zijden lokken, die hem nooit meer zullen omstrengelen."

Donna Micaela moest voortdurend denken aan dit lied. Het was alsof het door haar geheele jeugd geklonken had om haar het lijden te voorspellen, dat haar wachtte.

Donna Micaela zat gedurende dezen tijd vaak op de steenen trap van de kerk San Pasquale. Zij zag de wonderbaarlijkste dingen geschieden op den sagenrijken Etna. Over het zwarte lavaveld kwam een trein aanglijden op nieuwe glinsterende rails. 't Was een feesttrein. Er wapperden vlaggen langs den weg, de wagens waren bekranst, de zitplaatsen bedekt met purperen kussens. Bij de stations stonden jubelende menschen. "Leve de koning! leve de koningin! leve de nieuwe spoorweg!" riepen ze.

Zij verstond het duidelijk, want zij zelf zat in den trein.

En hoe gevierd en hoe geëerd was zij! Zij werd geroepen voor den koning en de koningin, die haar dankten voor den nieuwen spoorweg.

"Verlang een gunst van ons, vorstinne!" zei de koning, haar aansprekend met den titel, dien de dames van het geslacht der Alagona's vroeger gevoerd hadden.

"Sire," antwoordde zij, gelijk men in de sage antwoordt, "schenk de vrijheid aan den laatsten Alagona!"

En dat verzoek werd haar toegestaan. De koning kon niet neen zeggen op een bede van haar, die dezen heilrijken spoorweg aangelegd had, die rijkdom zou schenken aan den ganschen Etna.

Toen donna Micaela den arm ophief, zoodat haar mouw naar boven gleed, zag men, dat zij als armband een ring van verroest ijzer droeg. Dien had zij op straat gevonden en hem over de hand gewrongen en nu droeg zij dien altijd. En wanneer zij dien zag of aanraakte, verbleekte zij, en haar oogen zagen niets meer van de wereld rondom haar. Maar zij zag een gevangenis zooals Foscaris in het paleis der dogen te Venetië. Het was een donkere, nauwe kelderruimte, het licht drong zwak door een tralievenster, en uit den muur kwam een groote bundel ketenen, die zich gelijk slangen kronkelden om de beenen, de armen en den hals van den gevangene.

O, mocht de heilige een wonder verrichten! Mochten de menschen werken! Mocht zij zelf spoedig zoo beroemd zijn, dat zij kon smeeken om de vrijheid van haar gevangene. Hij zal sterven indien zij zich niet haast. Mocht de ijzeren ring haar arm voortdurend wonden, opdat zij hem geen oogenblik vergete!

VI.

FRA FELICE'S TESTAMENT.

Toen donna Emilia het loket opende om de biljetten te verkoopen voor de tweede voorstelling van het oude passiespel, maakten de menschen queue voor den ingang om plaats te krijgen; den avond daarop was het theater zoo overvol, dat er menschen bezwijmden in het gedrang, en den derden avond kwamen er menschen van Aderno en Paterno om het geliefde treurspel te zien.

Don Antonio voorzag, dat hij het gedurende een gansche maand voor dubbelen prijs zou kunnen spelen met twee voorstellingen iederen avond.

Hoe gelukkig waren zij, hij en donna Emilia, en met welk een vreugde en dankbaarheid legden zij vijf en twintig lire in de collectebus van het kleine beeld.

In Diamante wekte deze gebeurtenis zeer veel verbazing en vele menschen gingen naar donna Elisa om te hooren of zij geloofde, dat de heilige wilde, dat men donna Micaela zou bijstaan.

"Hebt ge gehoord, donna Elisa," zei men, "dat don Antonio Greco geholpen is door het kleine Christuskind in San Pasquale, omdat hij beloofd had de opbrengst van een avond te geven voor donna Micaela's spoorweg?"

Maar als men dit aan donna Elisa vroeg, kneep zij den mond dicht alsof zij aan niets anders denken kon dan aan haar borduurwerk.

Fra Felice kwam in haar winkel om haar de twee wonderen te verhalen, die het beeld reeds verricht had.

"Signorina Tottenham was zeer dom, dat zij het beeld wegschonk, als het zulk een groote wonderdoener is," zei donna Elisa.

Datzelfde vonden allen. Signorina Tottenham had het immers gedurende zoo vele jaren bezeten en zij had nooit iets gemerkt. Het beeld kon zeker geen wonderen doen. Het was slechts een toeval.

Het was een ongeluk dat donna Elisa niet wilde gelooven. Ze was de eenige der oude Alagona's die nog in Diamante woonde. De menschen richtten zich meer naar haar dan zij zelf wisten. Indien donna Elisa het wonder geloofd had, zou de gansche stad donna Micaela hebben willen helpen.

Maar donna Elisa kon niet gelooven, dat God en de heiligen haar schoonzuster wilden bijstaan.

Zij had haar reeds sinds het feest van San Sebastiaan gadegeslagen. Zoodra iemand sprak van Gaetano verbleekte donna Micaela en zag er ontsteld uit. Haar gelaatstrekken werden als die van een zondaar, gekweld door gewetenswroeging.

Op een morgen dacht donna Elisa hieraan en zij was zoo verdiept in deze gedachten, dat zij haar naald liet rusten.

"Donna Micaela is geen vrouw van den Etna," zei zij tot zich zelf. "Ze houdt het met de regeering en ze is blijde, dat Gaetano gevangen zit."

Op hetzelfde oogenblik droeg men op straat een groote baar voorbij. Daarop waren een menigte kerksieraden gestapeld. Het waren lichtkronen, een altaarhemel en reliquieënkastjes.

Donna Elisa keek een oogenblik op, toen keerde zij weer tot haar gedachten terug.

"Zij wilde mij niet toestaan het huis der Alagona's te versieren op San Sebastiaans feest," dacht zij. "Zij wilde zeker niet dat de heilige Gaetano zou helpen."

Twee mannen kwamen er nu aansleepen met een krakende kar. Daarop lag een heele berg van roode wandbekleedingen, rijk geborduurde antependiën en altaarstukken in breede vergulde lijsten.

Donna Elisa wuifde met haar hand als om allen twijfel te verjagen. Het kon geen echt wonder geweest zijn, dat geschied was. De heilige moest toch weten dat Diamante geen geld had om een spoorweg aan te leggen. Maar nu reed er een gele wagen voorbij, hoog beladen met muzieklessenaars, misboeken, bidbankjes en biechtstoelen.

Donna Elisa ontwaakte uit haar gepeins. Ze keek tusschen de rozenkransen door, die in trossen voor haar winkelraam hingen, naar de straat. Dat was immers al de derde vracht kerksieraden, die voorbijging. Werd Diamante geplunderd? Waren de Saracenen in de stad gekomen?

Ze ging nu voor haar deur staan om beter te kunnen zien. En weer kwam er een baar voorbij en daarop lagen rouwkransen van ijzer, stukken zerk met lange inscripties en wapenschilden, zooals men in de kerk hangt tot nagedachtenis der dooden.

Donna Elisa vroeg een der dragers, wat dit beteekende en hoorde nu wat er gaande was. Men was bezig de kerk Santa Lucia in Gesu te ontruimen.

De sindaco en de gemeenteraad hadden bevolen, dat men de kerk in een theater zou veranderen.

Na het oproer had men een nieuwen sindaco in Diamante gekregen. 't Was een jonge man uit Rome, hij kende de stad niet, maar hij wilde toch gaarne iets voor haar doen. Nu had hij in den gemeenteraad voorgesteld, dat Diamante zich op dezelfde wijze een schouwburg zou verschaffen als men in Taormina en in andere steden gedaan had. Men zou eenvoudig een der kerken tot schouwburg inrichten. Men had toch zeker meer dan voldoende aan vijf stadskerken en zeven kloosterkerken; men zou zeker heel goed een daarvan kunnen missen.