De Wonderen van den Antichrist

Part 14

Chapter 144,123 wordsPublic domain

Toen spoorde iemand de Engelsche signorina aan om ook op te treden. Al deze vereering gold immers haar. Zij moest eens oog in oog met haar gasten staan. En zij zeiden haar hoe bijval bedwelmt, hoe die vervoert en bezielt.

Dit voorstel behaagde haar, en zij volgde dezen raad onmiddellijk.

Zij had in haar jeugd dikwijls gezongen en de Engelschen zijn nooit afkeerig om te zingen. Anders zou zij het zeker niet gedaan hebben, maar nu was zij goed geluimd, en nu wilde zij zingen voor hen, die haar liefhadden.

Zij trad het laatst van allen op.

Stel u nu eens voor wat het is op zulk een oud tooneel op te treden! Daar was het dat Antigone levend begraven was en Iphegenie geofferd had. Maar de Engelsche signorina trad slechts op om gehuldigd te worden.

Een storm van bijval barstte los, zoodra zij zich vertoonde. Men wilde den grond verpletteren om haar te huldigen.

Het was een trotsch oogenblik. Zij stond daar met den Etna tot achtergrond en de Middellandsche zee tot zijcoulisse. Voor haar op de met mos begroeide banken strekte zich de overwonnen armoede uit en zij voelde, dat geheel Diamante aan haar voeten lag.

Ze koos Bellini, hun eigen Bellini. Zij ook wilde beminnelijk zijn en daarom zong zij een lied van Bellini, die geboren is aan den voet van den Etna, Bellini, dien zij vanbuiten kenden, noot voor noot.

Natuurlijk, o signora, natuurlijk kon zij niet zingen. Zij was alleen op het tooneel gekomen om zich te laten huldigen. Zij was opgetreden, opdat de volksliefde zich uiten kon. Maar nu zong zij valsch en zwak. En de menschen kenden elken toon.

Het was de mandolinista van Napels, die het eerst met zijn geheele gezicht lachte en een toon nazong even valsch als de Engelsche signorina. Later was het de man met kanker in 't gezicht, die zoo lachte, dat zijn verband afviel. Daarna begon een ezeldrijver in de handen te klappen, en volgden de anderen zijn voorbeeld. Het was een krankzinnige daad maar dat begrepen zij niet.

Men kon toch op den grond der oude Grieken geen barbaren dulden, die valsch zingen.

Donna Pepa en donna Tura lachten, zooals zij nog nooit in haar leven gedaan hadden.

Geen enkele zuivere toon! Bij de Madonna en San Pasquale, geen enkele zuivere toon!

Ééns in hun leven waren zij verzadigd. Het stond nu eenmaal geschreven, dat er waanzin en razernij over hen zou zijn dien avond. En waarom zouden zij niet lachen? Men had hun toch zeker geen eten gegeven om hun ooren te pijnigen met vijl en zaag?

Mochten zij zich niet verdedigen door te lachen, moesten zij haar niet nadoen, sissen en fluiten? Mochten zij zich niet achteroverwerpen om in een daverend gelach uit te barsten?

Ze waren toch zeker geen slaven der Engelsche signorina!

Het kwam overweldigend voor haar. 't Kwam al te overweldigend onverwacht, dan dat zij het zou kunnen begrijpen.

Floten zij haar uit? Het was zeker om iets daar beneden, om iets dat zij niet zien kon.

Zij zong de aria ten einde. Zij was overtuigd, dat dit lachen iets was, dat haar niet aanging.

Toen zij eindigde, stortte er een stroom van twijfelachtigen bijval op haar neer. Die was zóó, dat zij eindelijk alles begreep. Fakkels en maneschijn verlichtten den nacht, zoodat zij de menschenmassa kon zien schudden van 't lachen.

Zij hoorde den hoon en spot, nu zij niet meer zong. Die gold haar. Toen vluchtte zij van het tooneel, en het was alsof de groote Etna schudde van 't lachen en de zee glinsterde van pret.

Maar het werd al erger en erger. Ze hadden zoo gelachen, de armen, zoo gelachen als nooit tevoren, en zij wilden haar nog éénmaal hooren. Zij riepen haar terug. "Bravo! Bis! Da capo!" Zulk een genoegen konden zij zich niet laten ontgaan.

En zij, de Engelsche signorina, zij was bijna bewusteloos.

Een storm verhief zich rondom haar. Het volk schreeuwde, brulde om haar te dwingen weer op het tooneel te verschijnen. Zij zag hoe zij de armen ophieven om haar te dreigen; opeens was het tooneel veranderd in een oud circus, zij werd naar binnen gesleurd om door wilde dieren verslonden te worden.

En de razernij steeg en steeg. De anderen, die opgetreden waren, werden bevreesd en smeekten haar toe te geven. En zij zelf werd ook bang, het was alsof men haar wilde vermoorden, indien zij niet toegaf.

Zij sleepte zich naar het tooneel en stond oog in oog met de tierende volksmassa. Voor haar was er geen verschooning. Zij moest zingen, omdat allen lachen wilden. Dat was het ergste. Zij zong, omdat zij bang was voor hen en niet den moed had het hun te weigeren. Zij was een weerlooze vreemdelinge en zij had niemand, die haar beschermde en zij was bang.

En zij lachten en lachten!

Gedurende de geheele aria hoorde men niets anders dan geschreeuw, gesis, gelach en gefluit. Niemand had medelijden met haar. Het was misschien de eerste maal in haar leven, dat zij voelde, dat zij behoefte had aan iemand, die barmhartig jegens haar was....

Den volgenden dag wilde zij vertrekken. Zij kon het niet langer uithouden in Diamante. Maar toen zij dit zeide tegen advocaat Favara, bezwoer hij haar om zijnentwille te blijven en hij vroeg haar zijn vrouw te worden.

Hij had het rechte oogenblik gekozen. Zij nam zijn aanzoek aan en trouwde met hem.

Maar na dien tijd bouwde zij niet meer aan haar paleizen, zij streed niet meer tegen de armoede, zij wilde niet meer koningin van Diamante zijn.

Zoudt gij het willen gelooven? Zij vertoonde zich nooit meer op straat, maar leefde binnenshuis als een Siciliaansche.

Haar klein huis lag verborgen achter een hooge schutting en van haar zelf merkte men niets.

Men wist slechts, dat zij geheel was veranderd; maar men wist niet of zij gelukkig of ongelukkig was, en of zij zich opsloot omdat zij de menschen haatte, dan of zij wilde zijn zooals een Siciliaansche huisvrouw behoort te zijn.

Maar eindigt het op deze wijze niet altijd met vrouwen? Als zij paleizen bouwen, komen zij nooit klaar. Vrouwen kunnen niets tot stand brengen, dat duurzaamheid bezit.

III.

DE VERWORPELING.

Toen donna Micaela hoorde hoe de armen miss Tottenham uitgelachen hadden, haastte zij zich naar het hotel om haar leedwezen daarover te betuigen.

Zij wilde miss Tottenham smeeken deze stakkers niet te beoordeelen naar hetgeen zij gedaan hadden, toen zij opgewonden waren van vreugde en wijn. Zij wilde haar smeeken toch niet haar hand af te trekken van Diamante. Zelf hield zij niet veel van miss Tottenham, maar terwille van de armen----Zij wilde al het mogelijke doen om haar over te halen te blijven.

Toen zij naar het hotel Etna ging, zag zij dat de geheele straat vol reiswagens stond. Er was dus geen hoop meer. De groote weldoenster zou vertrekken.

In het hotel heerschte veel droefheid en berouw. De twee blinden, donna Pepa en donna Tura, die vroeger altijd op de binnenplaats van het hotel zaten, waren nu buitengesloten en lagen op haar knieën voor de poort. En de jonge ezeldrijver, die verliefd was op alle Engelsche signorina's, stond met zijn gezicht tegen den muur te weenen.

Maar in het hotel liep de waard op en neer in de lange gang en hij was vertoornd op de Voorzienigheid, die hem dit ongeluk toevoegde.

"Signor Dio," mompelde hij, "ik ben geruïneerd. Als gij dit laat geschieden, neem ik mijn vrouw bij de hand en mijn kinderen op den arm en werp mij in den Etna."

De waardin was zeer bleek en ootmoedig. Zij waagde het nauwelijks haar oogen van den grond op te heffen. Zij had wel op haar knieën willen kruipen om de rijke signorina te bewegen toch te blijven.

"Wilt ge met haar spreken, donna Micaela?" zei ze. "Moge God u kracht schenken om met haar te spreken! Ach, zeg haar, dat die knaap van Napels, die de schuld is van het geheele ongeluk, reeds uit de stad verbannen is. Zeg haar, dat allen boete willen doen. O, spreek met haar, signora!"

Zij voerde donna Micaela naar de ontvangkamer der Engelsche en ging met haar kaartje naar het salon. Zij kwam dadelijk terug en verzocht donna Micaela een paar minuten te willen wachten. Signorina Tottenham sprak met signor Favara over zaken.

Maar dit was juist het oogenblik dat advocaat Favara aanzoek deed om de hand van miss Tottenham, en terwijl donna Micaela wachtte, hoorde zij hem duidelijk zeggen: "Gij moogt niet vertrekken, signorina! Wat zal er van mij worden, indien gij vertrekt! Ik heb u lief, ik kan u niet laten vertrekken. Ik zou het niet gewaagd hebben te spreken, indien ge niet gedreigd hadt te vertrekken. Maar nu------" Hier daalde zijn stem, maar donna Micaela wilde niets meer hooren, zij verwijderde zich snel. Zij begreep dat zij hier overbodig was. Indien het signor Favara niet gelukte de groote weldoenster in Diamante te doen blijven, zou niemand dat kunnen.

Toen zij weer door de poort ging, stond de waard te twisten met den ouden Franciscaner, fra Felice. En hij was zoo opgewonden, dat hij niet slechts twistte met fra Felice, maar hem ook uit zijn huis joeg.

"Fra Felice," riep hij, "gij komt hier om ruzie te maken met de groote weldoenster. Gij wilt haar nog meer opwinden.

"Ga weg, zeg ik u. Gij wolf, gij menscheneter, ga weg!"

Fra Felice was even vertoornd als de waard, en wilde hem op zij duwen. Maar toen nam deze hem bij den arm en zette hem de deur uit.

Fra Felice was een man, die een groote gave van zijn Schepper had ontvangen. Op Sicilië, waar iedereen in de loterij speelt, worden menschen gevonden, die de gave bezitten te voorspellen welke nummers bij de volgende trekking uit zullen komen. Degene, die de gave der helderziendheid ontvangen heeft, wordt polacco genoemd, en men vindt hen het meest onder de oude bedelmonniken. En zulk een monnik was fra Felice. Hij was de grootste polacco van den Etna. En daar een ieder gaarne wilde, dat hij hem zou zeggen op welk lot een prijs zou vallen, werd fra Felice met veel eerbied behandeld. Hij was niet gewoon, dat men hem bij den arm nam en op straat zette; neen, dat was fra Felice zeker niet gewoon.

Hij was ongeveer tachtig jaar en geheel verdroogd en verschrompeld. Toen hij tusschen de wagens wankelde, struikelde hij, trapte op zijn pij en stond op het punt te vallen. Maar geen van de ezeldrijvers of koetsiers, die bij de poort stonden te klagen, hadden heden tijd om aan fra Felice te denken.

De grijsaard waggelde heen en weer in zijn wijde duffel pij. Hij was zoo klein en mager, dat er meer kracht in de pij dan in den monnik scheen te zijn. Het leek alsof de pij den ouden fra Felice staande hield.

Donna Micaela ging naar hem toe en schoof zacht den arm van den grijsaard in den hare. Zij kon het niet aanzien, dat hij stiet tegen een lantaarn en struikelde over een drempel. Maar fra Felice merkte niet eens dat zij hem steunde. Hij liep daar in zich zelf te mompelen en te vloeken en meende dat hij even eenzaam was, alsof hij in zijn cel zat. Donna Micaela vond het vreemd dat fra Felice zoo vertoornd was op miss Tottenham. Was zij in zijn klooster geweest en had zij fresco's van de wanden gehaald, of wat had zij anders gedaan?

Want fra Felice had gedurende zestig jaar gewoond in het groote Franciscanerklooster, dat buiten de porta Etnea ligt, vlak naast de kerk van San Pasquale.

Daar had fra Felice reeds dertig jaar gewoond, toen het klooster opgeheven en aan een koopman verkocht werd.

De andere monniken vertrokken, maar fra Felice bleef, omdat hij niet kon begrijpen, wat het wil zeggen het huis van San Franciscus te verkoopen.

Indien de anderen vertrokken, scheen het fra Felice nog des te noodzakelijker, dat ten minste één monnik in het klooster bleef.

Wie zou anders zorgen voor het luiden der klokken of het bereiden der geneesmiddelen voor de boerenvrouwen, of wie zou brood geven aan de armen van het klooster? En fra Felice koos zich een cel in een verborgen hoekje en bleef in het klooster wonen, zooals hij altijd gedaan had.

De koopman, die het klooster gekocht had, kwam er nooit. Hij bekommerde zich niet om het oude klooster, hij had het slechts gekocht om de groote wijngaarden, die er bij behoorden.

Zoo kwam het dat fra Felice nog steeds regeerde in het oude klooster en hij was het die de gebroken vensterkozijnen herstelde en de muren witte. Even vele armen als vroeger die brood van het klooster kregen, ontvingen dat nog steeds. Voor zijn voorspellingsgave kreeg fra Felice zulke groote aalmoezen, als hij zwierf door de Etnasteden, dat hij een rijke man had kunnen zijn; maar hij besteedde alles voor het klooster.

Nog grooter zorg had fra Felice voor de kloosterkerk. Die was in oorlogstijd ontheiligd geworden door bloedigen strijd en andere wandaden, zoodat de mis niet meer daarin gelezen mocht worden.

Maar ook dat kon fra Felice niet begrijpen. De kerk waar hij zijn gelofte had afgelegd, was altijd even heilig voor den ouden monnik.

Het was zijn grootste verdriet, dat de kerk in verval geraakte. Hij had moeten aanzien dat Engelschen het preekgestoelte, de koorstoelen en het pulpitum kochten en wegvoerden. En hij had niet kunnen verhinderen, dat de heeren van het museum te Palermo de kronen, schilderijen en hostiekelken wegnamen. Hoezeer hij het ook gewenscht had, hij had niets kunnen doen om zijn kerk te redden. Maar hij haatte deze kerkplunderaars, en toen donna Micaela hem nu zoo toornig zag, geloofde zij dat miss Tottenham eenige van zijn schatten had willen wegnemen.

Maar de waarheid was, dat nu fra Felice's kerk zoo leeg was, dat niemand meer kon komen om te plunderen, hij begonnen was er over te denken, die opnieuw te versieren en zijn oog was gevallen op de verzameling heiligenbeelden die de rijke Engelsche dame bezat.

Op haar feest, toen zij goed en mild jegens allen was, had hij gewaagd haar te verzoeken om haar schoone Madonna, die een kleed van satijn droeg en oogen had, die straalden gelijk de zon. En zij had zijn verzoek toegestaan.

Dezen morgen had fra Felice zijn kerk geveegd en gestoft en bloemen op het altaar gezet vóórdat hij het beeld ging halen.

Maar toen hij in het hotel kwam, was de Engelsche van gedachten veranderd en zij had hem het kostbare Madonnabeeld niet willen geven. Daarvoor in plaats had zij hem een klein vuil, in lompen gehuld beeld van het Christuskind geschonken, waar zij zonder spijt van scheiden kon.

Ach! de oude fra Felice was zoo vol vreugde en verwachting geweest en nu was hij zoo teleurgesteld. Hij kon niet berusten in haar besluit, maar was keer op keer teruggekomen om te bedelen om het andere beeld.

Het was zoo kostbaar, dat hij het niet zou kunnen koopen voor alles wat hij gedurende een geheel jaar bijeen bedelde.

Ten slotte had de groote weldoenster hem laten wegjagen; het was op dit oogenblik dat donna Micaela hem gevonden had.

Terwijl zij door de straat liepen, begon zij met den grijsaard te spreken en hem over te halen haar zijn verdriet te vertellen.

Hij droeg het beeld en midden op de straat bleef hij staan om het haar te toonen en haar te vragen of zij ooit iets erbarmelijkers had gezien.

Donna Micaela zag een oogenblik ontsteld naar het beeld. Toen glimlachte zij en zei: "Leen mij het beeld een paar dagen, fra Felice."

"Gij moogt het gaarne behouden," zei de grijsaard. "Moge het mij nooit weer onder de oogen komen."

Donna Micaela nam het beeld met zich mede naar huis en werkte er aan, gedurende twee dagen. Toen zij het daarna zond naar fra Felice, glinsterden de gepoetste sieraden, het droeg een nieuw, helder kleedje, het was opnieuw geschilderd en in zijn kroon schitterden veelkleurige steenen.

Hij was zoo schoon, de verworpeling, dat fra Felice hem op het leege hoogaltaar van zijn kerk plaatste.

Het was zeer vroeg in den morgen. De zon was nog niet opgegaan en de zee was nauwelijks zichtbaar. Het was werkelijk nog zeer vroeg. De katten slopen nog over de daken, geen rook steeg op uit de schoorsteenen en de nevels schoven op elkaar en stapelden zich opeen boven den bodem van het dal, rondom den steilen Monte Chiaro. In dezen vroegen ochtend ijlde de oude fra Felice naar de stad.

Hij sprong zoo, dat hij meende te voelen, hoe de berg onder hem schudde. Hij liep zoo haastig, dat de grashalmen aan den weg niet eens dauw konden sprenkelen op zijn pij, zóó vlug, dat de schorpioenen niet eens hun giftangel uit konden steken om hem te wonden. Terwijl de grijsaard zoo sprong, woei zijn pij los om hem heen en hing het koord ongebonden op zijn rug.

De wijde mouwen fladderden gelijk vleugels en de zware capuchon danste op en neer op zijn rug, als wilde die hem tot nog grooter haast aansporen.

De man in het tolkantoor, die nog zat te slapen, ontwaakte en wreef zich de oogen uit, toen fra Felice voorbijsnelde, maar hij herkende hem niet.

De straatsteenen waren glibberig van den dauw, bedelaars lagen bij de hooge steenen trappen te slapen met hun beenen onachtzaam op straat uitgestrekt; late domino-spelers keerden van het café huiswaarts, waggelend van slaap. Maar fra Felice ijlde verder, hij ontweek alle hinderpalen. En huizen en portalen, markt en straten verdwenen achter den ouden fra Felice. Hij snelde door de halve corso, vóórdat hij bleef stilstaan.

Hij stond voor een groot huis met zware balkons. Hij greep een poortklopper en klopte, totdat een dienaar ontwaakte. Daarna rustte hij niet vóórdat de knaap een dienstmeisje wekte, en dit dienstmeisje riep de signora.

"Donna Micaela, fra Felice is beneden. Hij beweert, dat hij u moet spreken."

Toen donna Micaela eindelijk bij fra Felice kwam, hijgde hij nog naar adem, maar zijn oogen schitterden en kleine bleeke rozen bloeiden op zijn wangen.

Het was het beeld, het beeld! Toen fra Felice dien morgen om vier uur de klokken geluid had, was hij in de kerk gegaan om het te beschouwen.

Toen had hij gezien dat groote steenen losgelaten hadden juist boven het beeld. Die waren op het altaar gevallen en hadden het verbrijzeld, maar het beeld was onbeschadigd gebleven.

En van alle steenen en stof, die naar beneden gevallen waren, had niets het beeld getroffen, maar het stond er nog volkomen ongedeerd.

Fra Felice nam donna Micaela bij de hand en zei tot haar, dat zij hem naar het klooster moest volgen om het wonder te aanschouwen. Zij moest het 't eerst van allen zien, omdat zij het beeld in haar bescherming genomen had.

En donna Micaela volgde hem door den grauwen koelen morgen naar zijn klooster, terwijl haar hart van spanning en verwachting klopte.

Toen zij daar kwam en zag, dat fra Felice de waarheid had gesproken, vertelde zij hem dat zij het beeld herkend had, zoodra zij het weerzag, en dat het een wonderdoener was.

"Hij is de grootste en mildste wonderdoener," zei zij.

Fra Felice ging nu naar het beeld en keek het in de oogen. Want er bestaat een groot verschil tusschen beeld en beeld, maar de ervaring van een ouden monnik is er toe noodig om te zien welk beeld macht heeft en welk niet.

Nu zag fra Felice, dat de oogen van dit beeld diep en stralend waren, alsof het leven bezat, en dat om zijn lippen een geheimzinnig lachje speelde.

Toen oude fra Felice dit zag, viel hij op de knieën en strekte zijn gevouwen handen naar het beeld uit. En zijn oud rimpelig gelaat werd verhelderd door een groote vreugde. Het scheen fra Felice plotseling, dat de wanden zijner kerk bedekt waren met schilderijen en purperen kleeden, licht straalde boven het altaar, gezang klonk van het koor, en over den geheelen vloer lagen knielende, biddende menschen. Alle heerlijkheid, die men slechts kon droomen, zou zijn arme oude kerk ten deel vallen, nu zij een der machtige wonderdoende beelden bezat.

IV.

HET OUDE PASSIESPEL.

Van het zomerpaleis in Diamante werden gedurende dezen tijd vele brieven verzonden naar Gaetano Alagona, die gevangen zat te Como. Maar de postbode had in zijn tasch nooit een brief van Gaetano, die geadresseerd was aan het zomerpaleis. Want Gaetano was in zijn levenslange gevangenis gegaan, alsof het een graf was. Het eenige dat hij begeerde en wenschte was, dat het hem de vergetelheid en de rust van het graf zou schenken.

Hij gevoelde zich als dood en hij zei tot zich zelf, dat hij het geklaag en gejammer der overlevenden niet wilde hooren. Ook wilde hij niet verleid worden tot hoop, of door teedere woorden verlokt worden te verlangen naar bloedverwanten en vrienden. Hij wilde ook niet hooren wat er geschiedde in de wereld, nu hij geen macht bezat in te grijpen en te leiden.

Hij verschafte zich werk in de gevangenis en sneed schoone kunstwerken zooals hij altijd gedaan had.

Maar hij ontving nooit een brief, nooit een bezoek. Hij meende dat hij op deze wijze niet meer de geheele bitterheid van zijn ongeluk zou voelen. Hij geloofde, dat hij kon leeren een heel leven te leven binnen vier muren.

Dit was de reden, dat donna Micaela nooit een brief tot antwoord van hem ontving.

Eindelijk schreef zij naar den directeur der gevangenis en vroeg of Gaetano nog leefde. En deze antwoordde, dat de gevangene naar wien zij vroeg nooit een brief las. Hij wilde geen enkel bericht van de buitenwereld hooren.

Toen schreef zij hem niet meer, maar werkte des te harder aan haar spoorweg. Ze waagde het nauwlijks daarover te spreken in Diamante, maar toch dacht ze aan niets anders. Zij zelf borduurde en naaide, en ze liet door haar dienaren allerlei goedkoope zaken vervaardigen, die zij op haar bazaar wilde verkoopen.

Uit den winkel nam zij oude artikelen voor de tombola. Zij liet Piero, den poortwachter, gekleurde lampions maken. Zij overreedde haar vader schilden en aanplakbiljetten te schilderen, en zij liet haar kamenier, Lucia, die van Capri was, kettingen van koraal en doosjes van schelpen maken.

Zij was evenwel volstrekt niet zeker, dat er een enkel mensch zou komen op haar feest. Allen waren tegen haar, niemand wilde haar helpen. Ze vonden het niet eens goed, dat zij zich op straat vertoonde en over zaken sprak. Zoo iets paste niet voor een voorname dame.

Toen was het, dat de oude fra Felice haar trachtte te helpen, want hij had haar lief omdat zij hem geholpen had met het beeld.

Eens, toen donna Micaela klaagde, dat zij niemand kon overtuigen, dat men den spoorweg moest aanleggen, nam hij het kalotje van zijn hoofd en wees op zijn kalen schedel.

"Zie naar mij, donna Micaela," zei hij. "Zoo kaal zal deze spoorweg uw hoofd maken, indien gij voortgaat, zooals gij begonnen zijt."

"Wát meent gij, fra Felice?"

"Donna Micaela," zei de grijsaard, "is het geen dwaasheid, een groot plan te ondernemen zonder een vriend of helper te bezitten?"

"Ik heb dikwijls beproefd vrienden te winnen, fra Felice."

"Ja, menschen," zei de grijsaard. "Maar wat helpen menschen? Als iemand uit visschen gaat, donna Micaela, weet hij, dat hij San Pietro moet aanroepen, wanneer iemand een paard wil koopen, kan hij bijstand begeeren van San Antonio Albate. Maar indien ik wil bidden voor uw spoorweg, weet ik niet tot wien ik mij zal wenden."

't Was fra Felice's bedoeling te zeggen, dat de fout was dat zij geen schutspatroon gekozen had voor haar spoorweg. Hij wilde, dat zij het gekroonde kind, dat in zijn oude kerk stond, zou kiezen tot vriend en beschermer. Hij zeide haar, dat zij zeer zeker geholpen zou worden, indien zij dit slechts deed.

Zij was zoo getroffen, dat iemand haar wilde bijstaan, dat zij dadelijk beloofde te bidden voor haar spoorweg tot het kind in San Pasquale.

Maar fra Felice ging heen en schafte zich een groote collectebus aan en liet daarop met groote duidelijke letters schilderen: "Gaven voor den Etnaspoorweg." Deze hing hij op in zijn kerk naast het altaar.

't Was niet meer dan een dag later, dat donna Emilia, de echtgenoote van don Antonio Greco, naar de oude, verlaten kerk ging om San Pasquale te raadplegen, omdat hij de verstandigste van alle heiligen is.

In den herfst was namelijk don Antonio's theater begonnen achteruit te gaan, zooals wel te verwachten was in een tijd, dat allen gebrek aan geld hadden.

Don Antonio was toen op de gedachte gekomen te trachten het theater met minder groote kosten dan vroeger te exploiteeren. Hij had op de lampen bezuinigd en de groote, prachtig geschilderde affiches afgeschaft.