De Wonderen van den Antichrist

Part 12

Chapter 124,066 wordsPublic domain

Zieken, bedelaars en blinde zangers waren in grooten getale opgekomen. En er waren heele pelgrimstochten van arme ongelukkige menschen, die nu na de ongelukken iemand hadden om voor te bidden.

Er waren zooveel menschen bijeen, dat men verbaasd was, hoe allen plaats konden vinden binnen de stadsmuren. Er waren menschen op straat, menschen voor de ramen, menschen op de balkons.

Op de hooge steenen trappen zaten menschen, en de winkels waren vol, de groote huisdeuren stonden wijd open en in de vestibule waren de stoelen in een halven cirkel geplaatst zooals in een theater. Daar zaten de eigenaars met hun gasten en keken naar de voorbijtrekkende menschenmenigte.

De heele stad was vervuld van een feestelijk geruisch. Niet alleen lachten en spraken alle menschen, maar er waren ook nog positiefspelers, die op een positief, zoo groot als een orgel, speelden. Er waren straatzangers en er waren mannen en vrouwen, die Tasso declameerden met heesche, schreeuwende stemmen. Allerlei marktventers waren er en uit alle kerken stroomden orgeltonen. Op de Markt boven op den bergtop speelden stadsmuzikanten zoo luid dat men de muziek in geheel Diamante kon hooren.

Dit vroolijk rumoer en deze bloemengeur, al dit vlaggen-gewapper in de lucht voor donna Micaela's venster had de macht haar op te wekken uit haar verdooving.

Zij rees op, alsof het leven zelf om haar gezonden had.

"Ik wil niet sterven," zei ze tot zich zelf. "Ik wil trachten te leven."

Zij leunde op haar vaders arm, en ging op straat. Zij hoopte dat het leven daarbuiten haar zou bedwelmen, zoodat zij haar smart vergeten zou. "Gelukt dit mij niet," dacht zij, "kan ik geen verstrooiing vinden, dan moet ik sterven."

Maar nu woonde er in Diamante een arme, oude beeldhouwer, die gaarne een paar soldi met het feest wilde verdienen. Daarom had hij een paar kleine lavabustes gemaakt van San Sebastiaan en van Paus Leo XIII. En daar hij wist dat velen in Diamante Gaetano liefhadden en treurden om zijn lot, maakte hij ook een paar beelden van hem.

En dadelijk toen donna Micaela op straat kwam, ontmoette zij dezen man die haar een van zijn kleine, ellendige beeldjes te koop aanbood.

"Koop don Gaetano, donna Micaela," zei de man.

"Koop don Gaetano, dien de regeering gevangengenomen heeft, omdat hij Sicilië wilde redden."

Donna Micaela drukte haar vaders arm heftig en spoedde zich verder.

Maar in het café Europa stond de zoon van den waard canzones te zingen. Ter eere van het feest had hij eenige nieuwe liederen gedicht en onder andere ook een paar over Gaetano. Hij kon immers niet weten of de menschen niet juist van Gaetano wilden hooren.

Donna Micaela ging voorbij het café, toen zij echter hoorde, dat er gezongen werd, bleef zij staan om te luisteren.

"Ach, Gaetano Alagona," zong de jonge man. "Zangers zijn machtig. Met mijn liederen zal ik u vrij zingen. Eerst zend ik u de lieflijke canzone. Die zal glijden door de traliën van uw gevangenis en deze verbreken. Dan zend ik u het sonnet, dat schoon is als een vrouw en dat uw bewakers zal omkoopen. Daarna dicht ik de heerlijke ode, die de hooge gevangenismuren door haar trotschen rhythmus zal doen schudden! Maar als niets u helpt, treed ik te voorschijn met het machtige epos, dat een leger van woorden bezit. O, Gaetano, sterk als een krijgsschaar, schrijdt het epos voorwaarts. Al de legioenen van het oude Rome bezaten niet de macht het tegen te houden."

Donna Micaela klemde zich krampachtig vast aan haar vaders arm, maar zij zei niets, ze ging slechts verder. Toen begon cavaliere Palmeri te spreken over Gaetano.

"Ik wist niet dat hij zoo bemind was," zei hij.

"Ik ook niet," fluisterde donna Micaela.

"Maar heden zag ik hoe vreemde menschen in donna Elisa's winkel kwamen en haar smeekten iets te mogen koopen, dat hij gesneden had. Ze had nog slechts een paar oude rozenkransen, die trok zij stuk en daarvan deelde zij de koralen uit."

Donna Micaela zag haar vader smeekend aan. Maar hij wist niet of zij wilde, dat hij zou zwijgen of doorgaan met vertellen.

"Donna Elisa's oude vrienden loopen in den tuin met Luca," zei hij. "Luca wijst hun Gaetano's lievelingsplekjes en den grond, dien hij gewoonlijk bewerkte. En Pacifica zit in de werkplaats naast de schaafbank en vertelt al het mogelijke van hem van af den tijd dat hij niet grooter was dan zóó."

Meer kon hij niet vertellen, het gedrang en het rumoer werd zoo hevig dat hij moest afbreken.

Zij gingen naar den dom. Op de domtrap zat de oude Assunta. Zij had een rozenkrans in de hand en mompelde hetzelfde gebed, den geheelen rozenkrans langs. Zij smeekte den heilige dat Gaetano, die beloofd had de armen te helpen, weer in Diamante zou terugkomen.

Toen donna Micaela haar voorbijging, hoorde zij haar zeggen: "San Sebastiaan, geef ons Gaetano. Ach, uit barmhartigheid, ach, om onze ellende, geef ons Gaetano terug, San Sebastiaan."

Donna Micaela was van plan geweest naar de kerk te gaan, maar nu wendde zij zich om.

"Er is zulk een gedrang," zei zij. "Ik durf er niet ingaan."

Zij ging weer naar huis. Maar terwijl ze weg was, had donna Elisa van de gelegenheid gebruik gemaakt. Zij had een vlag op het dak van het zomerpaleis geheschen en doeken over de balkons gespreid en toen donna Micaela thuis kwam, was zij bezig een guirlande vast te maken. Donna Elisa kon het niet verdragen, dat het zomerpaleis niet versierd was. Zij wilde, dat dezen keer niets aan San Sebastiaans feest zou ontbreken. En zij vreesde, dat de heilige Diamante en Gaetano niet zou helpen, indien het oude paleis der Alagona's hem niet vierde.

Donna Micaela kwam terug, bleek als een ter dood veroordeelde en gebogen alsof zij een tachtigjarig besje was.

Zij mompelde in zich zelf: "Ik maak geen bustes van hem, ik zing geen liederen over hem, ik waag het niet God voor hem te bidden, ik koop geen zijner koralen. Hoe zal hij dan kunnen gelooven, dat ik hem liefheb? Hij moet al die anderen, die hem aanbidden, liefhebben, maar niet mij. Ik behoor niet tot zijn wereld, mij kan hij niet meer liefhebben."

En toen zij zag dat men haar huis met bloemen wilde versieren, scheen haar dat zoo stuitend leelijk, dat zij den krans rukte uit donna Elisa's hand en haar dien voor de voeten wierp, terwijl zij vroeg of donna Elisa haar wilde vermoorden. Daarna ging zij haar voorbij. Zij wierp zich in haar kamer op de sofa en verborg haar gelaat in de kussens.

Nooit vroeger had zij begrepen hoe al deze uiterlijke omstandigheden hem van haar scheidden. De volksman kon haar niet liefhebben. Daarenboven had zij het gevoel, dat zij hem verhinderd had, al deze armen te helpen.

Hoe moest hij haar verafschuwen! hoe moest hij haar haten! Haar booze geest kwam weer over haar. Dit booze dat bestond in het niet bemind zijn! Dat zou haar vermoorden. Zij dacht dat nu alles voorbij, dat alles geëindigd was.

Terwijl zij zoo lag, kwam haar plotseling het kleine Christusbeeld in de gedachten. Het was alsof hij in al zijn armoedige pracht de kamer binnentrad. Zij zag hem duidelijk.

Donna Micaela begon het Christuskind om hulp aan te roepen. En zij was verbaasd, dat zij zich niet vroeger tot dezen wonderdoener gewend had. Maar dat kwam zeker, omdat het beeld niet in een kerk stond, maar rondgevoerd werd als een der rariteiten van miss Tottenham, zoodat zij slechts in den hoogsten nood aan hem dacht.

Het was laat op den avond van denzelfden dag. Donna Micaela had al haar bedienden verlof gegeven naar het feest te gaan, zoodat zij en haar oude vader alleen in het groote huis waren.

Maar tegen tien uur stond haar vader op en zei dat hij den wedstrijd der zangers op de markt wilde gaan hooren. En toen hij ging, wilde donna Micaela niet alleen achterblijven, en moest zij wel besluiten hem te volgen.

Toen zij op de markt kwamen, zagen zij dat het plein veranderd was in een theater met rijen stoelen naast elkaar. Elk plekje was bezet met menschen en ternauwernood konden zij een plaats vinden.

"Vanavond is Diamante heerlijk, Micaela," zei cavaliere Palmeri. 't Was alsof de lieflijkheid van den nacht hem zachter stemde. Hij sprak meer en teederder tot haar, dan hij sedert langen tijd gedaan had.

Donna Micaela scheen het, dat haar vader de waarheid sprak. Zij had een gevoel, zooals zij gehad had, toen zij voor de eerste maal in Diamante kwam.

Het was de stad der wonderen, de stad van schoonheid, een klein heiligdom van God.

Tegenover haar verrees een hoog, statig gebouw, opgetrokken van stralende diamanten. Zij moest een tijdlang nadenken, vóórdat zij begrijpen kon, wat het was.

Toch was het niets anders dan de gevel der domkerk, die bedekt was met bloemen van stijf zilver- en goudpapier, waarin duizenden kleine stukken spiegelglas waren gestoken. En in elke bloem hing een klein olieglas met een vlammetje zoo groot als een vuurvlieg. Het was van een zeldzame bekoring, de mooiste illuminatie, die donna Micaela ooit gezien had.

Er was geen andere verlichting op de markt, en dat was ook niet noodig. Deze groote muur van diamanten verlichtte voldoende.

Het zwarte palazzo Geraci stond gloeiend rood als werd het verlicht door een vuurwolk.

Men zag niets van de wereld behalve de markt; daarbuiten heerschte diepe duisternis en dit maakte dat donna Micaela opnieuw het oude betooverde Diamante meende te herkennen, dat niet op de aarde lag, maar een heilige burcht was op een der hemelsche bergen. Het raadhuis met de zware balkons en de hooge trap, het groote nonnenklooster en de Romeinsche poort waren opnieuw heerlijk en wonderbaarlijk. En zij kon nauwelijks gelooven, dat zulk een vreeselijk lijden haar hier getroffen had.

Te midden van deze menschenmassa voelde men geen koude. De winteravond was zwoel als een nacht in 't voorjaar. Een lentestemming kwam op in donna Micaela. Het begon in haar te beven en te trillen op een wijze, die tegelijkertijd heerlijk en vreeselijk was.

Zoo moest de sneeuwmassa op den Etna zich gevoelen als de zon haar oploste in bruisende bergstroomen.

Zij zag naar de menschen, die de markt vulden en zij was verbaasd dat hun aanblik haar des voormiddags zoo gepijnigd had. Nu vond zij het heerlijk dat zij Gaetano liefhadden. Ach, indien hij haar slechts bleef liefhebben, zou zij zoo onuitsprekelijk trotsch op hun liefde zijn, gelukkig over hun vereering. Dan zou zij deze oude bevende handen willen kussen, die beelden van hem maakten en voor hem in gebed gevouwen waren.

Toen zij dit dacht, werden de kerkdeuren wijd opengeslagen en een groote, platte wagen rolde uit de kerk. Boven op den met rood doek bekleeden wagen stond San Sebastiaan bij een paal, en onder het beeld zaten de vier zangers, die deelnamen aan den wedstrijd.

Het was een oude blinde zanger van Nicolosi, een kuiper van Catania, die beschouwd werd als de beste improvisatore van geheel Sicilië, een smid van Termine en de kleine Gandolfo, zoon van den poortwachter van het raadhuis. Alle menschen waren verbaasd, dat Gandolfo het waagde deel te nemen aan zulk een gevaarlijken wedstrijd. Deed hij dat misschien om zijn bruid, de kleine Rosalie, te behagen? Niemand had ooit geweten, dat hij kon improviseeren. Hij had zijn gansche leven niets anders gedaan dan mandarijnen eten en naar den Etna staren.

Het eerste dat gedaan werd, was de deelnemers te laten loten, en het lot viel zoo, dat de kuiper het eerst aan de beurt kwam en Gandolfo het laatst. Toen de loting zoo uitviel, verbleekte Gandolfo. 't Was immers vreeselijk het laatst te komen, daar allen over hetzelfde onderwerp zouden spreken.

De kuiper sprak over San Sebastiaan, toen hij legionair in het oude Rome was en terwille van zijn geloof aan een paal werd vastgebonden om als mikpunt voor zijn kameraden te dienen. Na hem kwam de blinde zanger, die verhaalde hoe een vrome Romeinsche den martelaar vond, bloedend en doorboord met pijlen en hoe het haar gelukte hem opnieuw tot het leven te roepen. Toen kwam de smid, die al de wonderen vertelde die San Sebastiaan verricht had op Sicilië gedurende de pest van het jaar vijftienhonderd.

Zij werden alle drie geprezen. Zij gebruikten sterke woorden van bloed en dood en het volk juichte hen toe. Maar zij, die van Diamante waren, werden bang voor den kleinen Gandolfo.

"De smid heeft hem alle woorden ontnomen," zei men, "het zal hem niet gelukken."

"O," zeiden anderen, "de kleine Rosalie neemt om die reden den verlovingsband niet uit haar vlechten."

Maar Gandolfo kroop ineen in zijn hoek van den wagen. Hij werd al kleiner en kleiner. Zij, die in zijn nabijheid zaten, konden hooren hoe zijn tanden klapperden van vrees.

Toen eindelijk zijn beurt kwam, stond hij op en begon te improviseeren, maar hij sprak zeer slecht, nog veel slechter dan iemand verwacht had. Hij stamelde een paar verzen, maar het was slechts een herhaling van hetgeen de anderen gezegd hadden.

Toen zweeg hij plotseling en haalde heftig adem. In dit oogenblik kwam de kracht der wanhoop over hem. Hij richtte zich op en een zacht rood kleurde zijn wangen.

"O, signori," zei de kleine Gandolfo. "Laat mij spreken over hetgeen mij altijd vervult. Laat mij spreken over hetgeen ik altijd vóór mij zie!"

En hij begon met wegsleepende welsprekendheid te vertellen wat hij zelf gezien had.

Hij verhaalde hoe hij, de zoon van den poortwachter van het raadhuis, over donkere zolders geslopen was en verborgen had gelegen onder een der galerijen van de gerechtszaal in den nacht dat de krijgsraad verzameld was om de oproerlingen van Diamante te vonnissen.

Toen had hij don Gaetano Alagona zien zitten op de bank der aangeklaagden in een gezelschap van een menigte woeste gezellen, die erger waren dan dieren.

Hij vertelde hoe schoon Gaetano geweest was. Den kleinen Gandolfo had hij een god toegeschenen naast de vreeselijke menschen, die hem omringden. En hij beschreef deze bandieten met hun wilde roofdiergezichten, hun ruig haar en plompe ledematen. Hij zei, dat ze er zoo woest uitzagen, dat iemand die hen in de oogen keek, het hart beefde.

Toch was in al zijn schoonheid don Gaetano angstwekkender dan deze menschen.

Gandolfo wist niet hoe zij het waagden naast hem te zitten op de bank. Onder zijn saamgetrokken wenkbrauwen schoten vlammende blikken op zijn medegevangenen, die hun zielen vermoord zouden hebben, als zij gelijk andere menschen zielen bezeten hadden.

"Wie zijt gij," scheen hij te vragen, "dat ge het waagt op plundering en moord uit te trekken, terwijl gij de heilige vrijheid aanroept? Weet gij, wat gij gedaan hebt?

"Weet gij, dat ik nu ter wille van uw list gevangen zit? En dat ik het ben, die Sicilië gered zou hebben?" En iedere blik, dien hij op hen wierp, was een terdoodveroordeeling. Zijn blikken vielen op al die zaken, die de bandieten gestolen hadden en nu op de gerechtstafel lagen. Hij herkende deze voorwerpen. Zou hij de pendules en zilveren schalen van het zomerpaleis niet kennen, zou hij de heiligenbeelden en munten niet kennen, die zij geroofd hadden van zijn Engelsche beschermster? Maar toen hij deze zaken herkend had, zond hij zijn medegevangenen een vreeselijken lach toe.

"Gij helden, gij hebt geplunderd bij twee vrouwen," zei deze lach.

Zijn edel gelaat wisselde voortdurend van uitdrukking.

Eens had Gandolfo het plotseling zien samentrekken van schrik. Het was toen de man, die naast hem zat, een hand had uitgestrekt, die rood was van bloed.

Had hij toen misschien plotseling een vermoeden van de waarheid gekregen? Dacht hij er aan, dat deze menschen ingebroken hadden in het huis, waar zijn geliefden woonden?

Gandolfo vertelde hoe de officieren, die rechters zouden zijn, nu zwijgend en ernstig binnen waren gekomen en plaats hadden genomen. Toen hij deze hooge heeren gezien had, was zijn onrust verminderd.

Hij had tot zich zelf gezegd, dat zij wisten, dat Gaetano een voorname man was en dat zij hem niet zouden veroordeelen. Zij zouden hem niet verwarren met de bandieten. Niemand kon toch gelooven, dat hij had willen plunderen bij twee vrouwen.

En zie, toen de rechter Gaetano Alagona opriep, was er geen strengheid in zijn stem. Hij sprak tot hem als tot een gelijke.

"Maar," zei Gandolfo, "toen nu don Gaetano zich verhief, stond hij zóó, dat hij op de markt kon zien. En op de markt, op deze zelfde markt, waar nu zoo vele menschen zitten in vreugde en genot, naderde toen een lijkstoet. Het waren de witte broeders, die het lijk van de vermoorde Giannita droegen naar haar moeders huis. Ze liepen met fakkels en men kon duidelijk de baar zien, die zij op hun schouders droegen.

"Terwijl de stoet langzaam over de markt schreed, kon men het lijkkleed herkennen dat gespreid was over de doode. Het was het kleed der Alagona's, versierd met het groote wapen en de rijke zilverfranjes. Maar toen Gaetano dit zag, begreep hij dat de vermoorde uit het huis der Alagona's zijn moest.

"Zijn gelaat werd aschgrauw en hij wankelde, alsof hij op het punt stond te vallen.

"In dit oogenblik vroeg de rechter hem:

"Kent ge de vermoorde?"

En hij antwoordde: "Ja."

Toen vervolgde de rechter, die een barmhartig mensch was: "Stond ze u na?"

En don Gaetano antwoordde:

"Ik heb haar lief."

Toen Gandolfo zoo ver met zijn verhaal was gekomen zag men dat donna Micaela haastig oprees, alsof zij hem wilde tegenspreken, maar cavaliere Palmeri trok haar vlug naast zich.

"Stil, stil," zei hij tot haar.

En ze zat stil met het gelaat tusschen haar handen verborgen. Nu en dan schokte haar lichaam en jammerde zij zacht.

Maar Gandolfo verhaalde hoe de rechter, toen don Gaetano dit bekend had, op zijn medegevangenen gewezen en hem gevraagd had:

"Indien ge deze vrouw lief hebt, hoe kunt ge dan in eenige gemeenschap staan met deze menschen, die haar vermoord hebben?"

Toen had Gaetano zich plotseling tot de bandieten gewend. Hij had zijn vuist gebald en naar hen opgeheven. En hij had er uitgezien, alsof hij zich een dolk wenschte om hen één voor één te kunnen neerstooten.

"Met dezen!" had hij uitgeroepen. "Zou ik in eenige gemeenschap staan met deze menschen?"

Zeker had hij willen zeggen, dat hij niets had te maken met roovers en moordenaars.

De rechter had mild gelachen en er uitgezien alsof hij slechts op dit antwoord gewacht had om don Gaetano vrij te spreken.

Maar toen was er een Godswonder geschied.

Gandolfo verhaalde hoe tusschen al de gestolen zaken, die op de tafel lagen, ook een klein Christusbeeld geweest was. Dat was een el hoog en rijk versierd met ringen en getooid met een gouden kroon en gouden schoentjes. Juist op dit oogenblik boog een der officieren zich voorover en trok het beeld naar zich toe. Terwijl hij dit deed, viel de kroon op den grond en rolde naar don Gaetano.

Deze nam de Christuskroon, hield die een oogenblik in zijn handen en beschouwde ze nauwkeurig. Het scheen alsof hij daarop iets gelezen had.

Hij hield de kroon slechts even in zijn handen, op hetzelfde oogenblik ontnam de soldaat van de wacht hem die.

Donna Micaela zag bijna verschrikt op. Het Christusbeeld! Daar was het dus reeds. Zou zij spoedig antwoord krijgen op haar bede?

Gandolfo vervolgde: "Maar toen Gaetano nu opkeek, beefden allen als voor een wonder, want hij was geheel veranderd.

"O, signori, hij was zoo bleek, dat zijn gelaat scheen te lichten en zijn oogen waren mild en straalden zacht.

"En er was geen toorn meer in hem.

"En hij begon te smeeken voor zijn medegevangenen, hij begon te bidden voor hun leven.

"Hij smeekte dat zij deze arme menschen niet zouden dooden. Hij bad, dat de hooge rechters iets voor hen doen zouden, opdat zij eens konden leven als andere menschen. "Wij hebben slechts dit leven te leven," zei hij. "Ons rijk is slechts van deze wereld."

"Hij begon te verhalen hoe deze menschen geleefd hadden. Hij sprak alsof hij had kunnen lezen in hun ziel. Hij beschreef hun levensgeschiedenis zoo somber en ongelukkig, als die werkelijk was. Hij sprak zoo dat enkelen der hooge heeren weenden.

"Zijn woorden klonken sterk en machtig, zoodat het was alsof don Gaetano rechter was en de rechters misdadigers waren.

"Zie," zei hij tot hen, "wiens schuld is het, dat deze ongelukkige menschen te gronde gaan? Zijt gij het niet, die de macht bezit, en hen in uw bescherming moest nemen?" En men zag hoe allen ontstelden over de verantwoordelijkheid, die hij hun oplegde.

"Maar plotseling viel de rechter hem in de rede.

"Spreek tot uw eigen verdediging, Gaetano Alagona," zei hij. "Spreek niet voor anderen."

Toen had Gaetano gelachen. "Signor," zei hij, "ik heb niet veel meer dan gij om mij te verdedigen. Maar ik heb toch iets. Ik heb mijn werkkring in Engeland verlaten om oproer te maken op Sicilië. Ik heb wapens meegebracht. Ik heb oproerige taal gesproken. Ik heb iets ofschoon niet veel."

De rechter had hem bijna gesmeekt:

"Spreek zoo niet, don Gaetano. Denk aan hetgeen gij zegt."

Maar hij had bekentenissen gedaan, die de rechters gedwongen hadden hem te veroordeelen. Toen men hem zei, dat hij veroordeeld was tot negen en twintig jaar gevangenisstraf, had hij uitgeroepen: "Nu geschiedt de wil van haar, wier baar hier zoo juist voorbij gedragen werd. Moge het mij gaan, zooals zij wilde."

"En meer zag ik niet van hem," zei de kleine Gandolfo, "want de soldaten van de wacht namen hem in hun midden en voerden hem weg.

"Maar ik, die hem hoorde smeeken voor degenen, die zijn liefste vermoord hadden, deed mij zelf de gelofte, dat ik iets voor hem doen zou.

"Ik beloofde een schoone improvisatie over San Sebastiaan te houden, opdat deze hem zou helpen. Maar dit is mij niet gelukt. Ik ben geen improvisator, ik kon niet!"

Hij zweeg en wierp zich luid weenend voor het beeld. "Vergeef mij, dat ik niet kon," riep hij, "en help hem toch. Ge weet, dat ik deze gelofte deed toen hij veroordeeld werd. Maar nu heb ik niet kunnen spreken over u en nu zult ge hem niet helpen."

Donna Micaela wist nauwelijks hoe het gegaan was, maar zij en de kleine Rosalie, die Gandolfo liefhad, waren bijna gelijktijdig bij hem. Ze trokken hem naar zich toe en kusten hem en zeiden, dat niemand gesproken had als hij, neen niemand.

Zag hij niet, dat allen weenden? San Sebastiaan was tevreden over hem. Donna Micaela schoof een ring aan Gandolfo's vinger, rondom hem wuifde men met veelkleurige zijden doeken, die glinsterden als de golven der zee in het sterke licht van de domkerk.

"Viva Gaetano, viva Gandolfo!" riep het volk.

En het regende bloemen, vruchten, zijden doeken en sieraden op den kleinen Gandolfo.

Donna Micaela werd bijna met geweld van hem gerukt. Maar zij dacht er niet aan bevreesd te zijn.

Zij stond midden in de golvende menschenmassa te weenen. Tranen stroomden over haar gelaat en zij weende van vreugde, omdat zij weende.

Dat was de hoogste zegening.

Zij wilde weer naar Gandolfo, zij kon hem niet genoeg danken. Hij had haar immers verteld, dat Gaetano haar liefhad.

Toen hij deze woorden aanhaalde:

"De wil geschiede van haar wier baar hier werd voorbijgedragen," had zij plotseling begrepen, dat Gaetano meende, dat zij het was, die onder het lijkkleed der Alagona's lag.

En van de doode had hij gezegd: "Ik heb haar lief."

Het bloed stroomde opnieuw door haar aderen, haar hart klopte, haar tranen vloeiden.

"Dit is het leven, het leven," zei ze tot zich zelf, terwijl zij zich willoos door de volksmassa meevoeren liet.

"Het leven is weer tot mij gekomen, ik zal niet sterven."

Allen wilden naar den kleinen Gandolfo om hem te danken, omdat hij hun iemand geschonken had om op te hopen, om naar te verlangen, om lief te hebben in deze dagen van tegenspoed, nu alles verloren scheen.

TWEEDE DEEL.

"De Antichrist zal van land tot land gaan en den armen brood geven."

I.

DE VROUW VAN EEN GROOT MAN.

Het was in Februari en de amandelboomen begonnen op het zwarte lavaveld rondom Diamante te bloeien.

Cavaliere Palmeri had een tocht op den Etna gemaakt en een grooten amandeltak vol knoppen en bloemen meegebracht; dezen had hij in een vaas in de muziekzaal gezet.

Donna Micaela beschouwde den bloeienden tak. De amandelbloemen waren dus reeds gekomen! Gedurende een gansche maand, gedurende zes volle weken zou men ze nu overal vinden.