De Wonderen van den Antichrist
Part 11
"Dat is slechts een twist bij de stadspoort," zei hij. "Dat beteekent niets. Indien ik slechts den geheelen Etna had kunnen aansteken, den geheelen stedenkrans rondom den berg. Dan zou men ons begrepen hebben, dan zou men naar ons geluisterd hebben. Nu schiet men slechts enkele boeren dood om eenige honderden hongerige monden minder te hebben. Men scheldt ons niets kwijt."
Hij rukte aan zijn spinneweb. Kon hij het wagen tot haar te gaan, haar te zeggen, dat dit alles hem onverschillig was? Hij behoefde immers niet aan politiek te denken, hij was toch kunstenaar, hij was vrij en hij wilde haar bezitten.
Op dit oogenblik was het alsof de lucht beefde.
Een schot dreunde door den nacht, toen nog één en nog één.
Zij naderde hem en greep hem bij den pols.
"Is dit het oproer?" vroeg zij.
Schot op schot dreunde door de lucht. Toen hoorde men geschreeuw en geroep van menschen, die door de straten stormden.
"Het is het oproer! het moet het oproer zijn!"
"Leve het socialisme!"
Jubelend kwam het geloof aan zijn zaak weer terug. Haar zou hij ook daarvoor winnen. Vrouwen hadden nog nooit geweigerd den overwinnaar te behooren.
Ze haastten zich beiden zonder een woord te spreken naar de tuinpoort. Daar begon Gaetano te vloeken en te roepen, hij kon er niet uitkomen. Er was geen sleutel in het slot. Hij was opgesloten.
Hij keek rond. Aan drie zijden waren er hooge muren en aan de vierde gaapte de afgrond. Er bestond geen uitweg voor hem. Maar van de straat klonk een vreeselijk tumult; menschen, die schreeuwden en riepen, en schoten die dreunden. En men hoorde hen brullen: Leve de vrijheid, leve het socialisme!
Gaetano wierp zich tegen de poort, en ook hij brulde bijna, hij was gevangen, hij kon er niet bij zijn.
Donna Micaela volgde hem zoo vlug zij slechts kon. Nu zij hem had hooren spreken, dacht zij er niet meer aan, hem terug te houden.
"Wacht slechts, wacht slechts," riep zij. "Ik ben het, die den sleutel uit het slot heb genomen."
"Gij, gij?" zei hij.
"Ja, ik nam hem er uit, toen ik kwam. Het viel mij in, dat ik u hier opgesloten kon houden, indien gij oproer wildet maken. Ik wilde u redden."
"Welk een dwaasheid!" zei hij en rukte haar den sleutel uit de hand.
Terwijl hij naar het sleutelgat zocht, had hij nog tijd iets te zeggen.
"Waarom wilt gij mij nu niet meer redden?"
Zij gaf geen antwoord.
"Misschien opdat uw God gelegenheid zal hebben mij in het verderf te storten?"
Zij zweeg nog steeds.
"Waagt gij het niet mij voor Zijn toorn te beschutten?"
"Neen, dat waag ik niet," zei ze zacht.
"Gij geloovigen zijt vreeselijk," zei hij.
Hij voelde dat zij hem losliet. Het trof hem diep en het ontnam hem den moed, dat zij geen enkele poging deed om hem tegen te houden.
Hij draaide den sleutel heen en weer zonder het slot te kunnen openen, verlamd doordat zij daar zoo bleek en koud achter hem stond.
Toen voelde hij plotseling haar armen om zijn hals en haar lippen, die de zijne zochten.
In hetzelfde oogenblik vloog de poort open en ijlde hij weg. Hij wilde haar kussen niet, die hem slechts aan den dood wijdden. In haar oud geloof scheen zij hem huiveringwekkend als een lijk. Als een vluchteling snelde hij heen.
XI.
HET FEEST VAN SAN SEBASTIAAN.
Toen Gaetano weg was, stond donna Micaela nog langen tijd in donna Elisa's tuin. Zij stond daar als versteend en kon voelen noch denken.
Toen ontwaakte de gedachte plotseling in haar, dat zij en Gaetano niet alleen op de wereld bestonden. Zij dacht aan haar zieken vader, dien zij gedurende zoo vele uren geheel vergeten had.
Ze ging door de poort naar de corso, die eenzaam en verlaten lag. De schoten en het geschreeuw klonken zeer ver weg en zij zei tot zichzelf, dat er zeker bij de Porta Etnea gestreden werd.
Heldere maneschijn gleed over den gevel van het zomerpaleis en het verbaasde haar, dat op dezen tijd en in dezen nacht de balkondeuren wijd openstonden en dat de vensterluiken niet gesloten waren. En nog meer was zij verbaasd dat de poort openstond en de winkeldeur ook niet gesloten was.
Toen zij door het poortgewelf ging, zag zij daar den ouden poortwachter Piero niet. De lantaarn was niet opgestoken en geen mensch was er te zien op den binnenhof.
Ze ging de trap op naar de galerij, haar voet stiet tegen iets hards. Het was een kleine bronzen vaas, die anders in de muziekzaal stond. Een paar schreden verder vond zij een mes.
Het was een scherp geslepen mes gelijk een dolk. Toen zij het opnam, vielen een paar donkere druppels van de punt. Zij begreep dat het bloed moest zijn.
En eveneens begreep zij, dat hetgeen zij den ganschen herfst gevreesd had, nu geschied was. Bandieten waren in het zomerpaleis gedrongen om het te plunderen.
En allen, die vluchten konden, waren gevlucht, maar haar vader, die zijn bed niet kon verlaten, zou nu zeker vermoord zijn.
Ze kon onmogelijk weten of de roovers nog in haar huis waren. Maar nu zij midden in het grootste gevaar was, verdween haar angst en zij haastte zich verder zonder er aan te denken, dat zij alleen en weerloos was.
Zij ging door de galerij en kwam in de muziekzaal. Daar vielen breede strepen maanlicht over den vloer en midden in een dezer strepen lag een mensch onbeweeglijk uitgestrekt.
Donna Micaela boog zich over dit onbeweeglijke lichaam.
Het was Giannita. Zij was vermoord, zij had een diepe gapende wonde aan den hals.
Donna Micaela legde het lichaam terecht, kruiste haar de handen over de borst en sloot haar de oogen.
Zij kreeg bloed aan haar handen en toen zij dit lauwe kleverige bloed voelde, begon zij te schreien.
"Ach mijn goede, beminde zuster," zei zij luide, "het is uw jong leven dat weggevloeid is met dit bloed. Gedurende uw gansche leven hebt ge mij liefgehad en nu hebt ge uw bloed geofferd, om mijn huis te beschermen. Is het tot straf voor mijn hardheid, dat God u van mij heeft genomen?
"Is het omdat ik u niet gunde dengene te beminnen, dien ik liefhad? Zijt gij daarom van mij gegaan?
"Ach zuster, zuster, kondt gij mij niet minder hard straffen?"
Zij boog zich voorover en kuste de doode op het voorhoofd. "Ge gelooft het niet," zei zij. "Ge weet dat ik u altijd trouw ben geweest. Ge weet dat ik u heb liefgehad."
Toen herinnerde zij zich dat de doode nu niet meer op de aarde vertoefde en zij niet meer behoefte had aan betuigingen van vriendschap en berouw.
En zij deed een paar gebeden bij het lijk, omdat het eenige, dat zij voor haar zuster doen kon, was met vrome gedachten den vluchtenden geest op zijn tocht naar God te steunen.
Daarna ging zij verder, niet meer bevreesd voor iets, dat haar zelf kon treffen, maar in een onbeschrijflijken angst voor hetgeen haar vader wedervaren was.
Toen zij eindelijk door de lange zalen in de praalwoning kwam, en vóór de deur stond van de ziekenkamer, zochten haar handen lang naar het slot en toen zij het gevonden had, ontbrak haar de kracht om den sleutel om te draaien.
Toen riep haar vader van uit zijn kamer wie daar was.
Nu zij zijn stem hoorde en begreep dat hij leefde, had zij het gevoel alsof alles in haar trilde en brak, en het vermogen verloor haar te dienen. Haar hart en verstand hielden tegelijk op te werken en haar spieren konden haar niet langer staande houden. Zij dacht nog, dat dit het gevolg was van de vreeselijke spanning waarin zij verkeerd had. En met een eigenaardig gevoel van verlichting zonk zij in een langdurige bezwijming.
Donna Micaela ontwaakte tegen den volgenden morgen uit haar onmacht. Toen was er veel voorgevallen.
De bedienden waren te voorschijn gekomen uit hun schuilplaatsen en hadden donna Elisa gewaarschuwd. Zij had het beheer over het verlaten paleis genomen, en om de politie gezonden, zij had de witte broeders laten komen. En dezen hadden het lijk van Giannita gedragen naar haar moeders huis.
Toen donna Micaela ontwaakte, lag ze op een sofa in een vertrek naast haar vaders kamer. Niemand was bij haar, maar daarbinnen hoorde zij donna Elisa spreken.
"Mijn zoon en mijn dochter," zei donna Elisa snikkend. "Ik heb mijn zoon zoowel als mijn dochter verloren."
Donna Micaela trachtte zich op te richten, maar zij kon niet. Haar lichaam lag nog in een verstijving, hoewel haar ziel reeds ontwaakt was.
"Cavaliere, cavaliere," zei donna Elisa "kunt gij het begrijpen? Bandieten van den Etna sluipen in de stad, zij schieten op het tolkantoor en roepen: "Leve het socialisme!" En dat doen zij slechts om de menschen van de straat te jagen en de karabiniers te lokken bij de Porta Etnea. Geen enkele man van Diamante was er bij. Het zijn bandieten, die dit plan slechts beraamd hebben om te plunderen bij miss Tottenham en bij donna Micaela, bij twee vrouwen, cavaliere!
"Wat moeten die heeren officieren, die in den krijgsraad zitten, toch gedacht hebben? Geloofden zij dat Gaetano samenspande met de bandieten? Zagen zij dan niet dat hij een edelman was, een echte Alagona, een kunstenaar? Hoe hebben ze hem kunnen veroordeelen?"
Donna Micaela luisterde met ontzetting, maar zij trachtte zich in te spreken, dat zij nog droomde.
Ze hoorde opnieuw hoe Gaetano haar vroeg of zij hem aan God offerde. En weer meende zij te antwoorden, dat zij dat deed. Nu droomde zij hoe het zou zijn, indien hij werkelijk gevangen was genomen.
"Wat is dit toch voor een ongeluksnacht?" zei donna Elisa. "Wat is het toch, dat in de lucht zweeft en de menschen verward en waanzinnig maakt?
"Ge kent Gaetano, cavaliere. Hij is immers altijd heftig en vurig geweest, maar hij was toch niet zonder verstand, hij kon zich toch altijd wel beheerschen. Maar hedennacht werpt hij zich den vijand in de armen.
"Gij weet, dat hij oproer wilde maken, ge weet dat hij thuis was gekomen om oproer te verwekken. Toen hij nu hoort dat er geschoten wordt en dat men roept "Leve het socialisme" wordt hij wild en woest. Hij zegt tot zich zelf, dat dit het oproer is, en hij ijlt de straat op om er bij te zijn. En hij roept den ganschen tijd: "Leve het socialisme", zoo hard hij slechts kan.
"En toen ontmoet hij een groote menige soldaten, een gansch leger. Want zij waren op weg naar Paterno maar hoorden het schieten in Diamante en trokken hier binnen om te zien wat er gaande was. En Gaetano kan geen soldatenmuts meer herkennen, hij gelooft dat het de oproerlingen zijn, hij meent in hen gezanten des hemels te zien, en hij stort zich in hun midden en laat zich zoo gevangennemen. En de soldaten, die even tevoren alle bandieten hadden opgevangen, terwijl zij met hun buit wegslopen, leggen nu ook de hand op Gaetano. En zij gaan verder door de stad en vinden alles rustig. Maar vóórdat zij wegtrekken, houden zij krijgsraad over hun gevangenen. En zij veroordeelen Gaetano tegelijk met de anderen, veroordeelen hem evenals hen, die inbraak gepleegd en vrouwen vermoord hebben.
"Hadden zij hun verstand niet verloren, cavaliere?"
Donna Micaela kon niet hooren wat haar vader antwoordde. Zij zelf wilde duizend vragen stellen, maar zij was nog verstijfd en kon zich niet verroeren. Zij zou willen weten of Gaetano doodgeschoten was.
"Wat bedoelden zij met hem te veroordeelen tot negen en twintig jaar gevangenisstraf?" vroeg donna Elisa.
"Gelooven zij dat hij of iemand, die hem liefheeft zoo lang kan leven?
"Hij is dood, cavaliere, dood voor mij, evenals Giannita."
Donna Micaela had een gevoel alsof zij gebonden was met sterke ketenen, opdat zij niet zou kunnen ontvluchten. Dit was erger, vond zij, dan aan een schandpaal gebonden te zijn en gegeeseld te worden.
"'t Is al de vreugde van mijn ouderdom, die nu van mij is genomen," klaagde donna Elisa.
"Giannita en Gaetano! Ik had altijd gedacht, dat deze twee nog eens een paar zouden worden. Zij zouden zoo goed bij elkaar gepast hebben, omdat beiden mijn kinderen waren en mij liefhadden. Waarvoor zal ik nu leven, nu ik niet langer jeugd om mij heen heb?
"Ik had het dikwijls zeer arm, toen Gaetano bij mij kwam en men zeide mij, dat ik minder zorg zou hebben, indien ik alleen was. Maar ik antwoordde: "Daar geef ik niets om, indien ik slechts jeugd om mij heen heb." En ik hoopte, dat hij, als hij volwassen zou zijn, een jonge vrouw zou nemen en zij zouden kleine kinderen krijgen en ik zou nooit eenzaam behoeven te zitten als een onnut oud mensch."
Donna Micaela moest er aan denken, dat zij Gaetano had kunnen redden, maar niet had gewild. Maar waarom had zij toch niet gewild? Dat scheen haar nu onbegrijpelijk. Zij begon bij zich zelf al de redenen op te sommen, die zij gehad had om hem zich in het verderf te laten storten. Hij was een godloochenaar en socialist en hij wilde oproer maken. En dit had opgewogen tegen al het andere, toen zij de tuinpoort voor hem opende. Deze redenen hadden ook opgewogen tegen haar liefde. Nu begreep zij dat niet. Het was alsof een schaal vol veeren had kunnen opwegen tegen een schaal vol goud.
"Mijn mooie jongen," klaagde donna Elisa, "mijn mooie jongen. Hij was reeds een groot man daarginds in Engeland, en hij kwam thuis om ons arme Sicilianen te helpen. En nu hebben zij hem veroordeeld als een bandiet. Men zegt dat zij op het punt stonden hem dood te schieten, evenals zij dat de anderen gedaan hebben.
"Misschien was het beter geweest, cavaliere. 't Ware beter hem op het kerkhof te weten, dan dat hij in de gevangenis versmacht. Hoe zal hij dat lijden kunnen dragen? Hij zal het niet kunnen uithouden, hij zal ziek worden, en spoedig sterven."
Toen zij dit zei, rukte donna Micaela zich los uit haar verdooving en richtte zich op van de sofa. Zij wankelde door de kamer en kwam bij haar vader en donna Elisa, even doodsbleek als de vermoorde Giannita.
Zij was zoo zwak, dat zij het niet waagde te loopen, maar bij de deur bleef staan en tegen den deurpost leunde.
"Hier ben ik," zei zij, "donna Elisa, hier ben ik-- -- --"
De woorden wilden niet over haar lippen komen. Zij wrong de handen in vertwijfeling, omdat zij niet kon spreken.
Donna Elisa was oogenblikkelijk bij haar. Zij legde haar arm om donna Micaela's middel om haar te steunen, zonder zich er om te bekommeren dat donna Micaela haar trachtte af te weren.
"Gij moet mij vergeven, donna Elisa," zei zij met nauwelijks hoorbare stem. "Ik heb het gedaan."
Donna Elisa lette niet veel op hetgeen zij zeide. Zij zag dat donna Micaela koorts had en geloofde dat zij ijlde.
Haar lippen bewogen zich, en men zag dat zij iets wilde zeggen, maar men hoorde slechts enkele woorden. 't Was onmogelijk te begrijpen wat zij meende.
"Tegen hem, zooals tegen mijn vader," zei zij herhaaldelijk. En toen riep zij, dat zij allen, die haar liefhadden, in het verderf stortte.
Donna Elisa had haar naar een stoel geleid en daar zat donna Micaela en kuste donna Elisa's oude rimpelige handen, en vroeg haar om vergeving voor hetgeen zij gedaan had.
"Ja, zeker! Ja, zeker! donna Elisa vergaf het haar." Donna Micaela zag haar scherp aan met groote koortsachtige oogen en vroeg of het waar was.
"Ja, zeker is het waar."
Toen legde zij haar hoofd op donna Elisa's schouder en snikte. Zij dankte haar en zei dat zij niet had kunnen leven, indien zij donna Elisa's vergiffenis niet ontving. Tegen niemand had zij zoo gezondigd als tegen haar. Kon zij haar vergeven?
"Ja, ja," zei donna Elisa keer op keer en zij geloofde dat donna Micaela ijlde, tengevolge van schrik en koorts.
"Er is iets dat ik u moet zeggen," zei donna Micaela. "Ik weet het, maar gij weet het niet. Gij vergeeft mij nooit, indien ge het weet."
"Ja zeker vergeef ik het u," zei donna Elisa.
Op deze wijze spraken zij lang, zonder elkaar te begrijpen, maar het was goed voor de oude donna Elisa, dat ze dien nacht iemand kon koesteren en troosten en versterkende kruiden en droppels kon geven. Het was goed voor haar, dat er nog iemand was, die het hoofd tegen haar schouder legde en weende over haar verdriet.
Donna Micaela, die gedurende drie jaar Gaetano had liefgehad, zonder ooit te denken, dat zij elkaar eens zouden toebehooren, had zich aan een eigenaardige soort liefde gewend. 't Was haar genoeg te weten, dat Gaetano haar liefhad. Als zij daaraan dacht, doorstroomde haar een heerlijk gevoel van veiligheid en geluk.
"Wat doet het er toe?" zei zij als zij tegenspoed ondervond. "Gaetano heeft mij lief!" Hij was haar altijd nabij om haar op te beuren. Hij was een deel van al haar gedachten en plannen. Hij was de ziel van het leven zelve voor haar.
Zoo spoedig donna Micaela zijn adres wist, schreef zij hem. Ze bekende hem, dat zij de vaste overtuiging had gehad, dat hij zijn ongeluk tegemoet ging. Maar zij was zoo bevreesd geweest voor hetgeen hij nog in de toekomst zou verrichten, dat zij het niet gewaagd had hem te redden. Zij schreef ook hoezeer zij zijn leer verafschuwde. Zij verborg niets voor hem. Zij zeide, dat zelfs indien hij vrij was, zij nooit de zijne kon worden.
Zij vreesde hem. Hij had zulk een macht over haar dat indien zij vereenigd waren, hij haar tot een godloochenaarster en socialiste zou maken. Zij moest altijd van hem gescheiden leven, om haar ziel te kunnen redden.
Maar zij bad en smeekte hem, dat hij trots alles niet zou ophouden haar lief te hebben.
Hij mocht niet doen gelijk haar vader. 't Was waarschijnlijk, dat ook hij haar nu uit zijn hart bande, maar dat mocht hij niet doen. Hij moest barmhartig zijn. Indien hij wist hoe lief zij hem had, indien hij wist hoe zij van hem droomde!
En zij bekende hem, dat hij het leven zelf voor haar was. "Moet ik sterven, Gaetano?" vroeg zij.
"Is het dan niet reeds ongelukkig genoeg, dat deze leer ons scheidt? Is mijn ongeluk niet reeds groot genoeg, nu men u in de gevangenis gevoerd heeft? Zult gij nu ook nog ophouden mij lief te hebben, omdat wij niet gelijk denken? Och, Gaetano, heb mij toch lief. Onze liefde leidt tot niets, er is geen hoop voor ons, maar heb mij lief, ik sterf als ge mij niet lief hebt."
Donna Micaela had nauwelijks dezen brief verzonden, of zij begon reeds op het antwoord te wachten. Zij geloofde, dat zij een brief vol toorn terug zou krijgen, maar zij hoopte, dat zij een enkel woord daarin zou vinden, dat haar bewees, dat hij haar nog liefhad.
Maar zij wachtte verscheidene weken zonder een brief van Gaetano te ontvangen.
't Baatte haar niets, dat zij iederen dag buiten op de galerij den postbode opwachtte, en hem bijna bedroefd maakte, omdat hij altijd genoodzaakt was te zeggen, dat hij niets voor haar had.
Een dag ging zij zelf naar het postkantoor en verzocht met smeekende oogen, dat men haar toch den brief zou geven, dien zij verwachtte. "Die moest er toch zijn," zei zij. Misschien hadden zij het adres niet kunnen lezen, misschien was hij in een verkeerd vak gekomen.
En haar mooie smeekende oogen bewogen den postmeester, zoodat zij mocht zoeken tusschen hoopen oude, onafgehaalde brieven en alle laden van het postkantoor mocht nazien. Maar dat alles baatte niets.
Toen schreef zij een tweeden brief aan Gaetano, maar er kwam geen antwoord.
Nu trachtte zij te gelooven, wat haar onmogelijk scheen. Zij beproefde zich zelf te overtuigen, dat Gaetano haar niet meer liefhad.
En naarmate deze overtuiging vaster vorm aannam, begon zij zich op te sluiten in haar kamer. Zij werd bang voor de menschen en was het liefst alleen.
Dag aan dag werd zij zwakker. Zij liep gebogen en zelfs haar schoone oogen schenen allen glans en leven verloren te hebben.
Na eenige weken was zij zoo verzwakt, dat zij niet meer kon staan, maar den geheelen dag op de sofa moest liggen. Ze was een gemakkelijke prooi voor een ziekte, die haar al haar levenskracht ontnam. Zij voelde, dat zij den dood nabij was en zij was bevreesd te sterven. Maar zij kon niets doen. Een enkel geneesmiddel bestond er voor haar, maar dat kwam niet.
Terwijl donna Micaela op deze wijze zacht uit het leven scheen te glijden, maakte men in Diamante toebereidselen om het feest van San Sebastiaan te vieren dat in het eind van Januari valt.
Het was het grootste feest dat in Diamante gehouden werd, maar in de laatste jaren was het niet met de gewone pracht gevierd, omdat nood en kommer de gemoederen te veel drukten.
Maar dit jaar nadat het oproer mislukt was, terwijl Sicilië nog vol vreemde troepen was en de geliefde helden van het volk in de gevangenis smachtten, stelde men voor, het feest met ouderwetschen luister te vieren. Want nu was het geen tijd de heiligen te verwaarloozen, zei men.
En het vrome volk van Diamante besloot, dat het feest drie dagen zou duren en dat San Sebastiaan gevierd zou worden door het uitsteken der vlaggen, het versieren der huizen, hardrijderijen en bijbelsche optochten, illuminaties en een wedstrijd van zangers. En met grooten lust en ijver toog men aan het werk. In ieder huis werd er geboend en gewreven. Men haalde de oude processiekleederen te voorschijn en men bereidde zich tot de ontvangst van vreemden van den geheelen Etna.
Het eenige huis in Diamante, waar geen toebereidselen gemaakt werden, was het zomerpaleis. Donna Elisa was daarover diep bedroefd, maar ze kon donna Micaela niet bewegen het zomerpaleis te versieren.
"Hoe kunt gij verlangen, dat ik een huis van rouw met bloemen en groen zal versieren?" zei zij. "De rozen zullen haar bladeren laten vallen, indien ik ze wilde gebruiken om de rampen te bedekken, die dit huis vervullen."
Maar donna Elisa dacht aan niets anders dan aan het feest en verwachtte veel goeds van het vieren der heiligen, gelijk in vroegere dagen. Zij sprak over niets anders dan hoe de priesters den gevel der domkerk op oud-Siciliaansche wijze lieten versieren met zilveren bloemen en spiegels. En zij beschreef den feestrit. Zooveel ruiters zouden daaraan meedoen, en zulke hooge pluimen zouden zij op den hoed dragen, en zij zouden lange, met bloemslingers omwonden stokken, waarop een waskaars prijkte, in de hand houden.
Toen de feestdag aanbrak, was donna Elisa's huis het mooist van alle versierd, Italië's groen-rood-witte vlag wapperde van het dak, en roode kleeden met gouden franje en het naamcijfer van den heilige waren over de vensterkozijnen en balkonhekken gespreid.
Maar langs den muur slingerden zich guirlandes van steeneik, gevormd tot bogen en sterren, en rondom de ramen waren kransen gevlochten van de kleine witte rozen uit donna Elisa's tuin.
Boven den ingang stond het beeld van San Sebastiaan, omlijst door leliën, en op den drempel lagen cypressetakken. En ware men het huis binnengetreden, dan zou men gezien hebben, dat het van binnen even heerlijk versierd was als van buiten. Van den kelder tot den zolder was het schoongemaakt en met bloemen getooid en op de planken in den winkel stond nog niet zoo'n klein en nietig heiligenbeeldje of het had een immortel of een bellis in de hand.
En evenals bij donna Elisa, had men in het arme Diamante straat aan straat versierd. Er was zoo'n gewapper van vlaggen, dat men moest denken aan het waschgoed, dat van den grond tot den hemel in de steeg hing, waar het huis van den kleinen Moor stond. Alle huizen en eerepoorten droegen vlaggen en dwars over de straat waren touwen gespannen, waaraan wimpel naast wimpel waaide. En bij elke tien schreden had men eerepoorten opgericht. En boven op iedere eerepoort stond het beeld van den heilige, omlijst door kransen van gele immortellen. De balkons waren bekleed met roode doeken en bonte tafelkleeden, en langs de muren slingerden zich stijve guirlandes.
Er was zooveel groen en bloemen, dat niemand begrijpen kon hoe men die bijeen had kunnen krijgen in Januari. Alles was met bloemen versierd. De bezemsteel droeg een krans van krokusjes en de poortklopper was versierd met een bouquet hyacinthen.
Maar voor de ramen stonden borden met naamcijfers en inscripties van blauw-roode anemonen.
En tusschen deze versierde huizen bruiste de menschenstroom, machtig als een stijgende vloed.
Het waren niet alleen de inwoners van Diamante, die San Sebastiaan vierden. Van den ganschen Etna kwamen gele, prachtig beslagen en geverfde karretjes vol menschen aanrollen, getrokken door paarden met versierde leidsels.