De Wonderen van den Antichrist
Part 10
De oude Assunta behoefde niet meer te zeggen. Donna Micaela barstte in klachten uit. Het gansche vertrek was vervuld van het geweeklaag der jammerende vrouwen.
Want er bestaat geen smart zoo groot als het verlies van een echtgenoot. Zij, die weduwe waren, dachten aan hetgeen zij verloren hadden en zij die het nog niet waren, dachten aan den tijd, dat zij niet meer op straat zouden gaan, omdat geen man haar vergezelde, en ze tot eenzaamheid, armoede en vergetelheid gedoemd zouden zijn, en dat zij niets zouden beteekenen, niets zouden zijn, dat zij behooren zouden tot de verworpelingen dezer aarde, omdat zij geen man meer hadden, omdat niemand haar meer het recht tot leven gaf.
Het was in het eind van December, de dagen tusschen Kerstfeest en Nieuwjaar.
Er bestond nog steeds hetzelfde gevaar voor oproer en nog steeds hoorde men dezelfde beangstigende berichten. Er werd verteld dat Falco Falcone een groote rooversbende in de steengroeve verzameld had en dat hij slechts wachtte op den dag, die bepaald was voor het oproer, om Diamante binnen te stormen en te plunderen.
Er werd ook verteld, dat de menschen in verscheidene kleine bergsteden opgestaan waren, de tolkantoren bij de stadspoorten in brand hadden gestoken en de tolkommiezen weggejaagd hadden.
Men wist ook te vertellen, dat de troepen van stad tot stad trokken en allen arresteerden, die slechts verdacht werden, en de menschen bij honderden tegelijk doodschoten.
Elk zei dat men zich wapenen moest voor den strijd. Men kon zich toch niet door deze Italianen laten vermoorden zonder zich te verzetten.
Gedurende dezen tijd zat donna Micaela gevangen bij haar vaders ziekbed evenals zij vroeger bij don Ferrante gezeten had. Zij kon Diamante niet ontvluchten en de angst groeide en groeide in haar zoodat zij niets anders was dan trillende vrees.
Het laatste en het vreeselijkste van alle onheilsberichten betrof Gaetano; ongeveer een week na don Ferrante's dood was Gaetano thuis gekomen.
En dit had haar volstrekt niet beangstigd, maar integendeel verheugd. Zij had gejubeld eindelijk iemand in haar nabijheid te hebben, die haar beschermen kon.
Terzelfder tijd besloot zij, dat zij Gaetano niet zou ontvangen indien hij bij haar kwam. Zij voelde dat zij den doode nog toebehoorde. Zij wilde liefst Gaetano niet zien vóórdat een jaar verstreken was.
Maar toen Gaetano acht dagen thuis was zonder dat hij naar het zomerpaleis kwam, vroeg zij Giannita naar hem.
"Waar is Gaetano, is hij misschien reeds weer vertrokken daar niemand over hem spreekt?"
"Ach, Micaela," antwoordde Giannita, "hoe minder men spreekt over Gaetano, hoe beter het is voor hem."
Zij vertelde donna Micaela nu, gelijk zij een groote schande zou verhalen, dat Gaetano socialist was geworden.
"Hij is daarginds in Engeland geheel veranderd," zei zij. "Hij gelooft niet meer aan God of aan de heiligen. Hij kust den pastoor niet meer de hand, wanneer hij hem ontmoet. Hij zegt tot alle menschen, dat zij geen tol meer moeten geven bij de stadspoort. Hij spoort de boeren aan hun pacht niet meer te betalen. Hij heeft wapens meegebracht en hij is slechts thuis gekomen om oproer te verwekken en de bandieten te helpen."
Zij behoefde niets meer te zeggen, opdat donna Micaela aangegrepen zou worden door een grooter ontzetting dan zij nog ooit gevoeld had.
Dit was het dus, dat de onheilspellende herfstdagen geprofeteerd hadden. Juist hij moest het zijn, die den bliksem uit de wolken slingerde. Dat zij dit niet reeds lang geleden vermoed had!
Dit was de straf en wraak. Juist hij moest het zijn die het ongeluk opriep.
De laatste dagen was zij kalmer geweest. Zij had gehoord, dat alle socialisten op het gansche eiland gevangen waren genomen. En al de kleine oproervuren, die in de bergsteden ontstoken waren, werden uitgedoofd. Het had bijna geschenen, dat het oproer op niets zou uitloopen.
Maar nu was de laatste Alagona gekomen en hem zou het volk volgen. Er zou beweging komen in de zwarte groepen op de markt. De mannen in de linnen mantels zouden over den Simeto trekken. Falco Falcone's rooverbende zou uit de steengroeve te voorschijn komen.
Den volgenden avond sprak Gaetano op de markt. Hij had bij de marktbron gezeten en gezien hoe de menschen kwamen om water te halen. Twee jaar had hij de vreugde moeten ontberen, te zien hoe de slanke meisjes de zware waterkruiken op haar hoofd hieven en hoe zij met vaste, statige schreden haar weg vervolgden.
Maar het waren niet alleen jonge meisjes die bij de bron kwamen, maar menschen van elken leeftijd. En toen hij nu zag hoe arm en ongelukkig de meesten waren, begon hij met hen over de toekomst te spreken.
Hij beloofde hun dat er spoedig betere tijden zouden aanbreken. Hij zei tot de oude Assunta, dat zij voortaan haar dagelijksch brood zou hebben, zonder dat zij eenig mensch om een aalmoes zou behoeven te vragen. En toen zij zeide, dat zij niet begreep, hoe dat moest geschieden, vroeg hij haar bijna toornig, of zij dan niet wist, dat de tijd nu gekomen was, dat geen oud mensch of jong kind meer zonder steun en beschutting zou zijn.
Hij wees op den ouden stoelenmatter, die even arm als de oude Assunta en daarenboven nog zeer ziek was, en hij vroeg of zij geloofde, dat men het nog langer zou dulden, dat er geen ziekenhuis of armenzorg was. Kon zij niet begrijpen, dat er in de toekomst voor de ouden en zieken gezorgd zou worden?
Hij zag ook eenige kinderen, van wie hij wist, dat zij voornamelijk leefden van planten en wortelen, die zij aan de oevers der rivier en aan den weg verzamelden, en hij beloofde dat voortaan niemand meer honger zou behoeven te lijden. Hij legde de hand op het hoofd der kinderen en verzekerde zoo trotsch als ware hij de vorst van Diamante, dat zij nooit meer brood zouden derven.
Zij wisten niets in Diamante, zei hij; zij waren onwetend en wisten niet, dat een nieuwe gezegende tijd aangebroken was. Zij geloofden, dat deze ellende steeds zou blijven voortduren. Terwijl hij zoo de armen troostte, hadden al meer en meer menschen zich om hem verzameld. Hij sprong plotseling op den rand der bron en begon te spreken.
"Hoe konden zij zoo onnoozel zijn," zei hij, "om te gelooven, dat er geen betere tijd zou komen? Zouden de menschen, die de heele aarde bezaten, het dulden dat de ouden verhongerden en de kinderen tot ellendelingen en misdadigers opgroeiden?
"Wisten ze dan niet, dat er schatten verborgen waren in den berg en in de zee en in den grond? Hadden zij nooit gehoord, dat de aarde rijk was? Geloofden ze, dat ze haar kinderen niet voeden kon?
"Ze moesten niet tot elkaar zeggen, dat het onmogelijk was de zaken anders te regelen. Zij moesten niet denken, dat er steeds rijken en armen moesten zijn.
"Ach, zij wisten niets. Zij kenden hun moederaarde niet. Geloofden zij, dat zij een van hen haatte? Hadden zij dan op het veld gelegen en de aarde hooren spreken? Hadden zij gezien hoe de aarde wetten voorschreef? Hadden zij gehoord, hoe zij een vonnis velde? Had de aarde dan bevolen, dat sommigen honger zouden lijden, terwijl anderen aan een overdadig leven zouden sterven? Waarom richtten zij zich niet op om te luisteren naar de nieuwe leer, die over de wereld ging? Verlangden zij het niet beter te hebben? Zij gingen dus gaarne gekleed in lompen? Ze waren dus tevreden met planten en wortelen tot voedsel? Wilden ze dan geen dak boven het hoofd hebben?"
En hij zeide hun, dat het er niets toe deed, niets, in het geheel niets, of zij weigerden te gelooven aan den nieuwen tijd, die in aantocht was. Die zou in ieder geval toch komen.
Ze behoefden immers ook niet 's morgens de zon uit de zee op te heffen. De nieuwe tijd zou tot hen komen, gelijk de zon kwam, maar waarom wilden zij haar niet tegemoet gaan? Waarom sloten zij zich op en vreesden het nieuwe licht?
Hij sprak lang op deze wijze en steeds verzamelden zich meer menschen om hem heen.
Maar hoe langer hij sprak, hoe schooner zijn taal werd, en hoe helderder zijn stem.
Er kwam gloed in zijn fonkelende oogen en het arme volk, dat naar hem opzag, vond hem schoon als een jongen vorst.
Hij was als een der oude, machtige heeren van zijn stam, die het vermogen bezeten hadden geluk en goud te schenken aan alle menschen in hun rijk.
Zij geloofden hem toen hij zei, dat hij hun geluk kon geven. Ze waren reeds gelukkig en blijde, omdat hun jonge heer hen liefhad.
Toen hij ophield met spreken, begonnen zij te jubelen en riepen dat zij hem wilden volgen, en doen wat hij hun beval. In een oogenblik was hij hun heer geworden. Hij was zoo schoon en zoo heerlijk dat zij hem niet konden weerstaan. En zijn geloof was zoo overtuigend, dat het vervoerde en meesleepte.
Dien nacht was er niet één arm mensch in Diamante, die niet geloofde, dat Gaetano hem onbezorgde en gelukkige dagen zou schenken. Dien nacht zegenden allen hem, allen, die in schuren en hutten woonden. Dien nacht begaven de hongerigen zich ter ruste in de vaste overtuiging, dat ze den volgenden dag bij hun ontwaken een tafel volgeladen met allerlei gerechten voor hun bed zouden vinden.
Want toen Gaetano sprak, was zijn macht zoo groot dat hij den grijsaard kon overtuigen dat hij jong, en den verkleumde, dat hij warm was. Men voelde dat hetgeen Gaetano beloofde, moest komen.
Hij was de vorst van den nieuwen tijd. Zijn handen waren zoo mild, wonderen en zegeningen zouden neerdalen op Diamante, nu hij weer terug was gekomen.
Den volgenden dag toen de zon onderging, kwam Giannita in de ziekenkamer en fluisterde:
"Er is oproer in Paterno, sedert verscheidene uren zijn ze daar aan het schieten, men kan het hier hooren. Er is reeds naar Catania gezonden om troepen. En Gaetano zegt, dat het oproer hedenavond hier zal uitbreken. Hij zegt, dat het tegelijkertijd in al de Etnasteden zal uitbreken."
Donna Micaela beduidde Giannita, dat zij bij cavaliere Palmeri zou blijven, zelf ging zij over de straat naar donna Elisa's winkel.
Donna Elisa zat achter haar toonbank voor haar borduurraam, maar zij werkte niet. De tranen druppelden haar zwaar en onophoudelijk langs de wangen zoodat zij moest ophouden met borduren.
"Waar is Gaetano?" zei donna Micaela zonder omwegen. "Ik moet hem spreken."
"God schenke je kracht om met hem te spreken," antwoordde donna Elisa. "Hij is in den tuin."
Donna Micaela ging over den binnenhof naar den door hooge muren omgeven tuin.
In den tuin waren vele kleine paadjes, die zich van terras tot terras slingerden. Er waren ook vele priëelen, grotten en rustbanken. En de tuin was zoo dicht begroeid met stijve agaven, dichte dwergpalmen en stijfbladige ficussen en rhododendrons dat men geen twee schreden voor zich uit kon zien.
Donna Micaela liep langen tijd door deze ontelbare kronkelpaadjes, vóórdat zij Gaetano kon vinden. En hoe langer zij zocht, hoe ongeduldiger zij werd. Eindelijk vond zij hem heel achter in den tuin. Hij bevond zich op het laagste terras, dat uitgebouwd was op één der bastions van de stadsmuren. Daar zat Gaetano kalm met hamer en beitel aan een beeld te werken. Toen hij donna Micaela zag, liep hij haar met uitgestrekte handen tegemoet.
Zij gaf zich nauwelijks tijd hem te groeten.
"Is het waar," zei zij, "dat gij gekomen zijt om ons in het verderf te storten?"
Hij begon te lachen.
"De sindaco is hier geweest," zei hij, "en de pastoor is hier geweest. Komt gij nu ook nog hier?"
Het griefde haar, dat hij lachte en dat hij sprak van den sindaco en den pastoor.
Het was toch zeker iets anders en van meer beteekenis, dat zij kwam.
"Wilt gij mij zeggen," vroeg zij scherp, "of het waar is, dat wij hier vanavond oproer krijgen?"
"O, neen," antwoordde hij, "hier komt geen oproer."
En hij zei dat op zulk een moedeloozen toon, dat het haar bijna bedroefde om zijnentwille.
"Ge doet donna Elisa heel veel verdriet," barstte zij los.
"En u ook, niet waar?" zei hij met lichten spot.
"Ik ben de verloren zoon, ik ben Judas. Ik ben de strafengel die u allen drijft uit dit paradijs, waar men gras eet."
Zij antwoordde:
"Misschien verkiezen wij onzen toestand boven den gewelddadigen dood."
"Ja zeker, het is beter te verhongeren. Daaraan is men immers gewoon."
"'t Is ook niet zoo aangenaam door bandieten vermoord te worden."
"Maar wat ter wereld wil men met bandieten, als men zich niet door hen wil laten vermoorden?"
"Ja, ik weet wel," zei zij steeds heftiger, "dat gij wilt dat alle rijken gedood zullen worden."
Hij antwoordde haar niet dadelijk, maar beet zich op de lippen om zich niet te overijlen.
"Laat mij eens met u spreken, donna Micaela," zei hij ten slotte. "Laat mij het u eens verklaren."
En hij trok zijn gelaat in een plooi van geduld, en verklaarde haar het socialisme, zoo duidelijk en eenvoudig, dat een kind het had kunnen begrijpen.
Doch het was er verre van, dat zij hem kon volgen. Misschien had zij het wel gekund, maar zij wilde niet. Zij wilde juist nu niet hooren spreken over het socialisme.
't Was haar zoo vreemd geweest, toen zij hem nu weer zag. De grond was begonnen te trillen onder haar voeten en een heerlijk en gelukzalig gevoel had haar doorstroomd en haar geheel vervuld.
"Mijn God, daar is hij dien ik lief heb," zei zij tot zich zelf. "Hij is het werkelijk."
Voordat zij hem gezien had, wist zij heel goed wat zij tot hem zou zeggen. Zij zou hem teruggebracht hebben tot het geloof zijner jeugd.
Zij zou hem bewezen hebben, dat deze nieuwe leer afschuwelijk en gevaarlijk was. Maar toen kwam de liefde en die maakte haar dom en verward.
Zij kon hem niets antwoorden. Zij was slechts verbaasd, dat hij zoo spreken kon.
En zij vond hem nog veel schooner dan vroeger. Nooit tevoren was zij zoo verward geweest, als zij hem zag. Nooit had hij zulk een indruk op haar gemaakt. Of kwam het, omdat hij nu een vrije sterke man was geworden? Zij werd bang, toen zij voelde hoeveel macht hij over haar had.
Zij waagde het niet hem tegen te spreken. Zij durfde niet eens spreken om niet in tranen uit te barsten. En indien zij gewaagd had te spreken, dan zou zij wel niet over politiek gesproken hebben.
Zij zou hem verteld hebben, wat zij gedacht had op den dag, dat de klokken luidden. Of zij zou hem gesmeekt hebben zijn hand te mogen kussen. Zij zou hem hebben willen zeggen hoe zij van hem gedroomd had. Zij zou hem gezegd hebben, dat indien zij hem niet had bezeten om van te droomen, zij het leven niet uitgehouden had.
Zij zou hem verzocht hebben zijn hand te mogen kussen uit dankbaarheid, omdat hij haar het leven geschonken had in al deze jaren.
Indien er geen oproer zou komen, waarom sprak hij dan over socialisme? Wat ging het socialisme hun aan, die rustig zaten in donna Elisa's ouden tuin? Zij keek door een kronkelend tuinpad. Luca had houten bogen aan beide zijden geplaatst en langs deze slingerden zich nu guirlandes van lichte rozen, vol kleine knoppen en geurende bloemen. Men was altijd verwonderd, waar men zou komen als men door dit pad ging. En men kwam bij een kleinen, verweerden amor. De oude Luca verstond die zaken beter dan Gaetano. Terwijl zij daar zoo zaten, ging de zon onder en de Etna kleurde zich rozerood. Het was alsof de Etna bloosde van toorn over hetgeen in donna Elisa's tuin geschiedde. Het was gewoonlijk bij zonsondergang, wanneer de Etna stralend rood was, dat zij aan Gaetano had gedacht.
Het was alsof zij beiden op hem gewacht hadden. En zij beiden hadden gedroomd hoe het zou zijn als Gaetano terugkwam. Zij had slechts gevreesd dat hij al te vurig en te onstuimig zou zijn. En nu sprak hij slechts over deze afschuwelijke socialisten, die zij haatte en vreesde.
Hij sprak zeer lang. Zij zag hoe de Etna verbleekte en bronsachtig bruin werd en toen kwam de duisternis. Zij wist dat de maan zou schijnen. En zij zat onbeweeglijk stil en hoopte op de maneschijn. Zelf kon zij niets meer doen. Zij was volkomen in zijn macht. Maar toen de maneschijn kwam, hielp die haar ook niet. Gaetano bleef slechts doorspreken over kapitalisten en arbeiders.
Toen meende ze dat er slechts één verklaring voor te vinden was. Hij had haar niet meer lief.
Plotseling viel haar iets in. Het was acht dagen geleden, dezelfde dag, dat Gaetano thuis kwam. Toen was zij in Giannita's kamer gekomen, maar zij had zoo zacht geloopen, dat Giannita haar niet had gehoord.
Zij had Giannita toen als in vervoering met uitgestrekte armen en naar boven gewend gelaat zien staan. En in haar handen hield zij een portret. Nu eens bracht zij het aan haar lippen en kuste het, dan weer hief zij het boven haar hoofd om er in verrukking naar op te zien.
't Was een portret van Gaetano geweest.
Toen donna Micaela dit had gezien, had zij zich zacht teruggetrokken, gelijk zij gekomen was. En zij had slechts gedacht, dat het jammer was voor Giannita, dat zij Gaetano liefhad. Maar nu Gaetano slechts sprak over het socialisme, moest zij daaraan denken.
Nu begon zij te gelooven, dat Gaetano ook Giannita liefhad. Zij herinnerde zich, dat zij vrienden der jeugd waren. Misschien had hij haar reeds lang liefgehad, misschien was hij teruggekomen om met haar te trouwen.
Donna Micaela kon niets zeggen, zij had geen recht zich te beklagen. Het was nauwlijks een maand geleden sedert zij Gaetano geschreven had, dat het niet goed was dat hij haar liefhad.
Hij boog zich nu tot haar over, keek haar in de oogen, en dwong haar eindelijk te luisteren, naar wat hij zei.
"Ge zult begrijpen, donna Micaela, ge moet het begrijpen. Wat wij hier in het Zuiden noodig hebben, is een wedergeboorte, een herschepping, zooals het Christendom was in zijn tijd. Naar boven de slaven, naar beneden de heeren! Een ploeg, die nieuwe aardlagen opwerpt! Wij moeten in nieuwe aarde zaaien, de oude grond is uitgeput. De oude aardlaag draagt slechts zwakke, ellendige planten. Laat de grondaarde voor den dag komen en ge zult iets geheel anders zien!
"Zie, donna Micaela, hoe komt het dat het socialisme nog leeft, dat het niet vernietigd is? Omdat het met een nieuwe leuze gekomen is. "Denk aan de aarde", zegt het, evenals het Christendom met de leuze kwam:
--"Denk aan den hemel."
"Zie om u heen! Zie naar de aarde, is die niet alles wat wij bezitten? Laat ons dan het leven hier zóó inrichten dat wij gelukkig worden. Waarom, o waarom heeft men vroeger niet zoo gedacht? Omdat wij ons te veel bezighielden met het leven hiernamaals. Laat ons verlost zijn van dat hiernamaals.
"De aarde, de aarde, donna Micaela! Ach, wij socialisten, wij hebben haar lief. Wij aanbidden de heilige aarde, die arme, verachte moeder, die rouw draagt, omdat haar kinderen naar den hemel willen opstijgen.
"Geloof mij, donna Micaela," zei hij, "de nieuwe leer zal in zeven jaren verspreid zijn. Als de nieuwe eeuw aanbreekt, zal zij over de geheele aarde heerschen. Dan zullen de martelaars hun bloed voor haar geofferd hebben, dan zullen de apostelen gesproken hebben, dan zal schare na schare tot haar overgegaan zijn. Wij, de echte zonen der aarde, zullen de overwinnaars zijn. En zij zal zich in al haar schoonheid aan onze blikken vertoonen. Zij zal ons genot, gezondheid, kennis en schoonheid geven."
Gaetano's stem begon te trillen, en tranen kwamen in zijn oogen. Hij ging naar den rand van het terras en strekte de armen uit als wilde hij de door de maan beschenen aarde omvatten.
"Gij zijt zoo verblindend schoon," zei hij, "zoo verblindend schoon."
En donna Micaela meende gedurende een oogenblik zijn smart mee te gevoelen over de verschrikking, die verborgen was onder dit uiterlijk omhulsel van schoonheid. Zij zag het leven met al zijn ellende en lijden, gelijk een modderige beek vol verpestende onreinheden, zich slingeren door die schitterende wereld van schoonheid.
"En niemand kan van u genieten," zei Gaetano, "niemand kan het wagen van u te genieten. Ge zijt ongetemd en vol nukken en boosaardigheid. Gij zijt de onzekerheid en het toeval, gij zijt het berouw en de kwelling, gij zijt de zonde en de schande, gij zijt het dwangbuis, dat wij willen verbreken, gij zijt alles wat de verschrikking vormt, omdat de menschen u niet beter hebben willen maken."
"Maar uw dag zal komen," zei hij jubelend. "Eens zullen ze allen met liefde tot u komen. Ze zullen zich niet aan een droom vastklampen, die niets geeft, noch iets vermag."
Zij viel hem plotseling in de rede.
Zij begon hem al meer en meer te vreezen.
"Het is dus waar, dat het u niet goed gegaan is in Engeland?"
"Wat meent ge?"
"Men zegt dat de groote meester, tot wien miss Tottenham u zond, gezegd heeft, dat gij-- -- --"
"Wat heeft hij gezegd?"
"Dat gij en uw beelden in Diamante pasten, maar nergens anders."
"Wie zegt dat?"
"Men gelooft dat, omdat gij zoo veranderd zijt."
"Omdat ik nu socialist ben?"
"Waarom zoudt ge dat zijn, indien het u goed ging?"
"O, waarom....? Ge weet dus niet," vervolgde hij lachend, "dat mijn meester in Engeland zelf een socialist is. Ge weet niet dat hij mij zelf deze leer verkondigd heeft-- -- --"
Hij zweeg plotseling en vervolgde de woordenwisseling niet. Hij ging naar de bank waar hij gezeten had toen zij kwam en nam het beeld. Dat reikte hij donna Micaela.
't Was als wilde hij zeggen: "Zie nu zelf of gij gelijk hebt."
Zij hield het in den maneschijn. Het was een Mater Dolorosa van zwart marmer. Dat kon zij duidelijk zien. Zij kon het ook herkennen. Het beeld droeg haar eigen gelaatstrekken. Een oogenblik bracht dit haar in verrukking. In het volgende werd zij door ontzetting aangegrepen. Hij een socialist, hij, die niet geloofde, waagde het een Madonna te scheppen! En hij had het beeld haar trekken gegeven. Hij sleepte haar mede in zijn zonde!
"Ik heb dit beeld voor u gemaakt, donna Micaela," zei hij.
O, indien het beeld van haar was! Zij wierp het over de balustrade. Het stiet tegen den steilen bergwand, viel al dieper, rukte steenen los en sloeg zich zelf te pletter. Eindelijk hoorde men het in den Simeto neerploffen.
"Met welk recht schept gij Madonna's?" vroeg zij Gaetano.
Hij stond zwijgend. Zóó had hij donna Micaela nog nooit te voren gezien.
In hetzelfde oogenblik dat zij tegen hem streed, was zij groot en statig geworden. De schoonheid, die bij haar altijd kwam en ging als een onrustige gast, troonde nu op haar gelaat. Zij zag er koud en ongenaakbaar uit, een vrouw, verleidelijk om te overtuigen en te winnen.
"Gij gelooft dus nog aan God, daar ge Madonna's beitelt?" vroeg zij.
Hij haalde heftig adem. Nu was het alsof hij verlamd was. Hij was zelf een geloovige geweest. Hij wist hoe diep hij haar gegriefd had. Hij zag dat hij haar liefde verspeeld had. Hij had een vreeselijke, ondempbare kloof tusschen hen gelegd.
Hij moest spreken, moest haar winnen voor zijn overtuiging.
Hij begon te spreken, maar zwak en stamelend.
Ze luisterde stil. Toen viel zij hem medelijdend in de rede.
"Hoe zijt ge zoo geworden?"
"Ik dacht aan Sicilië," zei hij ontwijkend.
"Gij dacht aan Sicilië," herhaalde zij nadenkend.
"En waarom kwaamt gij thuis?"
"Ik kwam terug om een oproer te verwekken."
't Was alsof ze over een ziekte spraken, een verkoudheid, die hij zich op den hals gehaald had, waarvan hij na een paar dagen genezen zou zijn.
"Ge kwaamt dus thuis om ons in het verderf te storten," zei ze streng.
"Zooals gij wilt, zooals gij wilt," zei hij ootmoedig.
"Gij kunt het immers zoo noemen. Zooals het nu loopt, hebt ge zeker gelijk het zoo te noemen. O, indien men mij geen onjuiste mededeelingen gedaan had, zoodat ik niet een week te laat was gekomen! Is het niet juist iets voor ons Sicilianen om ons door de regeering te laten verhinderen in onze plannen?
"Toen ik hier kwam waren alle leiders reeds gearresteerd en het eiland bezet door veertigduizend man. Alles is voorbij!"
Het klonk zoo droevig leeg, toen hij zei: "alles is voorbij." En om der wille van dit plan, dat tot niets werd, had hij zijn geluk verspeeld. Zijn beginselen en principes schenen hem nu louter spinnewebben, waarin hij gevangen was geweest. Hij wilde zich losrukken om haar te naderen. Zij was het eenige dat hij bezat. Zoo had hij het ook vroeger gevoeld. En nu kwam dat gevoel terug. Zij was zijn eenige schat in de wereld.
"Ze strijden vandaag in Paterno."