De Werken van William Shakespeare Overzicht van Shakespeare's leven en werken
Part 4
Hoe langwijlig en vervelend ons de Moraliteiten ook mogen voorkomen, de pracht, waarmede zij werden opgevoerd en de onderlinge naijver der Engelsche grooten in dit opzicht maakten, dat zij zeer in zwang kwamen. Geen feest bij een voorname Engelsche familie was volledig, zoo zij ontbraken. Zij moesten tot tijdverdrijf tusschen de verschillende deelen van het feestmaal, met name tusschen het eigenlijk maal en het nagerecht of banket, dat meest in een andere zaal genuttigd werd, strekken, en kregen vandaar den naam van tusschenspelen of _interludes_, waarvan de beteekenis uit het overeenkomstige Fransche woord, _entremets_, blijken kan. Het is uit deze tusschenspelen, dat de Moraliteiten zich verder ontwikkelden en ten slotte het Engelsche drama zijn vorm verkregen heeft.
Vooral in de eerste helft der zestiende eeuw waren zulke vertooningen bij den hoogen adel zeer in trek. Deze had er mannen voor noodig, die hun vak verstonden, en nam spelers van beroep, reeds bij de mysteriën vermeld, in dienst, maar kon hen niet voortdurend in zijn feestzalen bezighouden en gaf hun daarom verlof het land af te reizen, voorzien van een aanbevelend schrijven, waardoor zij konden bewijzen in dienst te zijn van den een of anderen grooten heer en dus een geoefend gezelschap uit te maken, dat door zijn spel en fraaie gewaden waardig was voor een gemengd of uitgezocht publiek op te treden. Zonder zulk een getuigschrift liepen zij groot gevaar, met reizende kunstenmakers van minder allooi gelijkgesteld te worden.
Lang nadat er vaste tooneelgezelschappen ontstaan waren, nog geruimen tijd na Shakespeare, bleven de spelers er een eer in stellen, zich dienaars van dezen of genen grooten heer te mogen noemen; trouwens zij konden de bescherming, die deze naam verleende, niet missen, vooral niet, toen langzamerhand de Puriteinen machtiger werden en voortdurend het tooneelspel trachtten te onderdrukken. Zoo noemde zich het gezelschap, waartoe Shakespeare behoorde, dienaars van den lord kamerheer Harer Majesteit, _Servants of her Majesty's Chamberlain_; later mocht het zich zelfs naar des konings naam noemen. Zulke troepen speelden dan in zalen, die hun ter vertooning werden afgestaan of op de pleinen van herbergen. Men vergelijke boven blz. 11, waar verscheiden gezelschappen worden opgenoemd. Reeds Richard, hertog van Gloster, later koning Richard III (1452-1485), hield er een troep tooneelspelers op na.
Hoe nu oefenden de twee soorten van stukken, de Mysteriën en de Moraliteiten, invloed op elkander uit? In de eerstgenoemde traden weldra nevens de heiligen en patriarchen ook allegorische personen, zooals de Waarheid, de Gerechtigheid, de Dood op, zoodat ook de zedelijke drijfveeren tot de handelingen in het licht gesteld werden; doch hiermede werd nog geen eigenlijk leven aan de personen ingeblazen. Wat de Moraliteiten betreft, deze moesten nog meer verandering ondergaan, om waarlijk levende personen ten tooneele te voeren, maar zij hadden het voordeel, dat zij zich vrij van den belemmerenden invloed der kerk konden ontwikkelen, en zich het voorbeeld der Mysteriën, die gebeurtenissen en personen ten tooneele brachten, ten nutte konden maken. In de Moraliteiten trad aanvankelijk de Ondeugd, Boosheid en Verdorvenheid onder den naam van _Vice_ of _Iniquity_ op, en moest, evenals de Duivel in de Mysteriën, tot verlustiging der toeschouwers strekken. Dit belette echter niet, dat weldra ook de Duivel zelf, die inderdaad oorspronkelijk meer persoonlijkheid bezat dan de Ondeugd, uit de Mysteriën werd overgenomen. Men zou verwachten, dat die twee het uitstekend samen zouden kunnen vinden, maar het tegendeel was het geval; zij lagen telkens met elkander overhoop en de Ondeugd kortte, onder den vaak herhaalden uitroep "Ho, ho!" met zijn houten zwaard den Duivel de nagels en bracht hem telkens slagen toe, tot groote stichting der medespelende Deugden en der deugdzame toeschouwers. Dat deze vertooning lang standhield, blijkt ten duidelijkste uit de toespelingen, die Shakespeare er op maakt, zooals in Koning Hendrik V, IV. 4. 75, en in Driekoningenavond, IV. 2. 134, waar de Nar zegt, dat hij zoo flink en vlug zal zijn als _the old Vice_, de Ondeugd uit de oude spelen, die met een houten dolk den dommen duivel de nagels kort.--Langzamerhand traden, naar het voorbeeld der Mysteriën, in de Moraliteiten werkelijke personen op, bijbelsche, historische of andere, en ook de allegorische wezens beginnen te handelen als werkelijke menschen. Allengs, schoon schrede voor schrede, wordt het tooneel bevolkt met echte menschen en ontwikkelt zich het spel tot een ware voorstelling van het leven; doch al worden de allegorieën gaandeweg enkel bijwerk, versieringen, die door haar geheimzinnigheid de toeschouwers bekoorden, langen tijd bleven deze wezenlooze schimmen nog op het tooneel rondspoken, en geen van Shakespeare's voorgangers en tijdgenooten, zooals Kyd, Green, Peele, Marlowe heeft er zijn stukken vrij van gehouden, Ben Jonson heeft ze zelfs zeer gaarne aangewend, daar zij hem een geschikte en gewenschte gelegenheid boden om zijn geleerdheid te luchten. Alleen Shakespeare heeft er zich nooit van bediend; de personen, die er eenigszins naar zweemen, Wraak, Vrouwenkracht en Moord in den Titus Andronicus, zijn geen allegorieën, maar vermommingen van Tamora en haar twee zonen, om Titus om den tuin te leiden. Dat er, tijdens Shakespeare's jeugd, ook nog zuiver allegorische voorstellingen gegeven werden, kan blijken uit het boven (blz. 11) aangehaald bericht van zijn even ouden tijdgenoot Willis.
Het bevolken van het tooneel met werkelijk levende wezens werd niet weinig bevorderd door de straks reeds genoemde tusschenspelen of _interludes_. Met name mag hier John Heywood vermeld worden, die onder de regeering van koning Hendrik VIII (1502-1547) aan het hof verbonden werd als bespeler van het virginaal, en wegens het schrijven van epigrammen door den toenaam van _de epigrammatist_ van een lateren Heywood, die mede voor het tooneel schreef, onderscheiden wordt. Hij heeft verscheiden tusschenspelen gedicht, die als tooneelen uit het volksleven zeer opmerkelijk zijn. Zij waren, kan men zeggen, ontleend aan de boertige episoden der mysteriespelen, tooneeltjes als deze, maar uit hun omgeving genomen en met zorg en geest behandeld, zoodat de handeling levendig wordt. De tijd van gisting in de kerk, dien hij beleefde, werkte zijn neiging tot satyre in de hand en deed hem, schoon hij goed katholiek was en bleef, de misbruiken en den handel in aflaten, zonder verschooning geeselen. Toch bleef hij bij het hof in gunst en in betrekking, niet alleen onder Hendrik VIII, maar ook onder koningin Maria en onder Elizabeth. Hij stierf in 1565. Het oudste zijner ons bekende tusschenspelen, dat vóór 1521 moet geschreven zijn, draagt den titel: _A merry play between the Pardoner, the Friar, the Curate and Neighbour Pratte_, en is inderdaad een lustig spel te noemen tusschen de genoemde personen. Een aflaatkramer en een monnik hebben van een pastoor verlof gekregen tot het gebruiken zijner kerk, de eene om er zijn relikieën uit te venten, de ander om er voor geld een predikatie te houden. De monnik is juist met zijn preek begonnen, als de aflaatkramer komt en hem stoort. Elk hunner wil zich gehoor verschaffen; het komt tot heftige woorden tusschen hen en weldra vechten zij met handen en voeten. Tevergeefs tracht de pastoor hen te scheiden; hij moet zijn buurman Pratte te hulp roepen, die den aflaatkramer, zooals de pastoor den monnik, tracht vast te houden, waarbij de vredestichters zelf een flink pak slagen oploopen. Doch eindelijk wordt het geschil bijgelegd, en beiden, monnik en aflaatkramer, kunnen, verder ongemoeid, vertrekken. Men ziet, dat hier geen karakterteekening te verwachten is en dat de uitdeeling van slagen vrij wel aan de poppenkast doet denken, doch met dit al bewijst Heywood geest te bezitten en wist hij ongetwijfeld den toeschouwer te boeien. Een enkel staaltje, eenige regels uit de rede van den aflaatkramer, moge dit aantoonen en tevens een denkbeeld geven van de taal en den versbouw:
"Hier is een relikie uit de' ouden tijd, De groote teen van de heil'ge Drievuldigheid; Wie dezen teen slechts aanraakt met den mond, Wordt van kiespijn bevrijd en blijft gezond. Hier is ook een Fransche zonnehoed, Die hoogst merkwaardige wond'ren doet; De heil'ge Maagd plach dien te dragen, Wanneer zij wandelde op zonnige dagen. En deze relikie, die gij hier ziet, Door haar zijn de grootste wond'ren geschied: De kinnebak is 't aller Heiligen, Die ied'ren vrome kan beveiligen Voor pest en vergif, want wie haar kust, Heeft daar niets van te duchten en leev' gerust."
Ook in andere tusschenspelen, inzonderheid in "De vier P's", _the Four P's_, waarschijnlijk omstreeks 1530 geschreven, dat zijn beste stuk mag gerekend worden en een dispuut bevat tusschen een aflaatkramer, _Pardoner_, een pelgrim, _Palmer_, een apotheker, _Poticary_, en een marskramer, _Pedlar_, munt hij uit door geest, bijtende scherts, levendigheid en kracht van uitdrukking, zoodat dit stuk een waardig voorlooper mag gerekend worden van het blijspel. Al kan men niet zeggen, dat er een bepaalde handeling aan ten grondslag ligt of dat het met een bevredigende ontknooping, met een fraai afgerond slot eindigt, de personen zijn met vaste hand en natuurlijk geteekend en de lachlust wordt in ruime mate opgewekt; veel meer wordt ook heden ten dage door vele schouwburgbezoekers niet verlangd.
Weldra verscheen nu, omstreeks het jaar 1540, het eerste Engelsche echte blijspel ten tooneele, namelijk _Ralph Roister Doister_, van Nich. Udall, dat door den schrijver in den proloog een _comedie_ of _interlude_ genoemd wordt, maar in vijf bedrijven en verder in tooneelen verdeeld is. De gang van het stuk is zeer eenvoudig. De schoone en deugdzame weduwe Custanze is met den koopman Gawin Goodluck verloofd. Deze is voor zaken op reis. Ralph Roister Doister, een Londensche leeglooper en ingebeelde gek, tracht door vleierij en door omkooping der dienstbode de hand der weduwe te winnen, doch wordt smadelijk afgewezen. Daar alle verdere pogingen hem niet helpen, wil hij trachten haar huis binnen te dringen en haar met geweld te schaken. Maar zijn aanslag wordt door een gewaanden vriend van hem verraden en mislukt geheel. Ondertusschen ontvangt Gawin Goodluck van een dwazen, lichtgeloovigen bode, dien hij had afgezonden, het bericht, dat Custanze hem ontrouw is geworden en met Ralph verkeering heeft. Hij is reeds half besloten van haar af te zien, maar is verstandig genoeg om naar Londen te komen en zelf inlichtingen in te winnen. Weldra is het misverstand opgehelderd en Ralph ontmaskerd. Het gelukkig paar schenkt hem echter vergiffenis; hij wordt ten slotte zelfs op het bruiloftsmaal genoodigd en mag deelen in de algemeene vreugde.--Er zit gang in het stuk, de karakters zijn flink geteekend en goed volgehouden, de samenspraken zijn levendig, de taal der gerijmde verzen is eenvoudig, natuurlijk en krachtig, kortom, het stuk kan de vergelijking met vele latere zeer goed doorstaan. Als een bijzonderheid er uit zij nog vermeld, dat Ralph aan Custanze een brief zendt, die aanvankelijk met verkeerde zinscheidingen gelezen wordt en dan juist het tegendeel zegt van wat bedoeld is, een kunstje, ook door Shakespeare niet versmaad in zijn "Midzomernachtdroom", V. 1. 108.
De schrijver, Nich. Udall, geboren in 1506, was een geleerd man, die te Oxford zijn opleiding genoten had en rector werd te Eton, later te Westminster; hij stierf omstreeks 1557. Hij schijnt meer comedies geschreven te hebben, doch van de overige is niets bekend en ook deze eene is eerst in lateren tijd aan het licht gekomen. Udall was met de tooneelwerken der ouden ongetwijfeld welbekend, een bijzonderheid, waarop hier moge gewezen worden, daar over het algemeen de studie van deze van grooten invloed is geweest op de ontwikkeling van het Engelsch drama. Op de geleerde scholen werden, zoowel tot oefening in het Latijn als om de studie te kruiden, bij feestelijke gelegenheden stukken van Plautus, Terentius en Seneca door de leerlingen opgevoerd. De lust tot zulke voorstellingen was weldra bij de leerlingen opgewekt en spoedig had men niet genoeg aan de oude stukken; men bootste ze na, eerst in het Latijn, maar het duurde niet lang, of men wilde ze ook in het Engelsch hooren. De stukken der ouden werden vertaald en vaak gewijzigd, nieuwe stukken werden in denzelfden trant geschreven, waartoe de stof hetzij aan de oudheid hetzij aan de geschiedenis van Engeland of het Engelsche leven ontleend werd. Van de scholen ging de lust tot dergelijke spelen ook over naar de inrichtingen tot opleiding der juristen, de zoogenaamde _Courts of Inns_, waar de ruime zalen of binnenplaatsen geschikte gelegenheden aanboden om een tooneel op te slaan en aan een uitgelezen, grooten kring van genoodigde toeschouwers zetels te verschaffen. In de voornaamste dezer inrichtingen, den _Inner Temple_, werd op 18 Januari 1562, in tegenwoordigheid der koningin, de eerste Engelsche tragedie ten tooneele gebracht, _Gorboduc_, of, zooals zij in de tweede uitgave heet, _De tragedie van Ferrex en Porrex_, een drama, dat in meer dan één opzicht opmerkelijk is. Het was het werk van twee jonge juristen uit de beste familiën: Thomas Sackville (later Lord Buckhurst en graaf van Dorset) en Thomas Norton.
Het onderwerp is aan de Britsche overlevering of sage ontleend. De loop van het stuk, dat een zeshonderd jaren vóór de christelijke jaartelling speelt, is zeer eenvoudig. Gorboduc, koning van Britannië, verdeelt, den last der regeering moede, zijn rijk gelijkelijk onder zijn twee zonen. De oudste, Ferrex, acht zich in zijn geboorterecht gekrenkt en is tevens beducht voor zijn heftigen broeder Porrex, zoodat hij zich ten oorlog toerust, om op alles voorbereid te zijn. Zijn broeder voorkomt hem, valt met een leger in zijn gebied en verslaat hem met eigen hand. De verslagene was de lieveling zijner moeder Videna; deze wil hein wreken, zij weet in het slaapvertrek van haar zoon Porrex te dringen en dezen te doorsteken. Het volk, over deze wreede daad in woede ontstoken, komt in opstand, bestormt den koningsburg en doodt zoowel Videna als den ouden Gorboduc. Het gelukt den adel, met behulp van een leger den opstand te dempen; doch tusschen de hoofden van den adel ontstaan twisten over de troonopvolging, zoodat land en volk veel ellende ondervinden, eer de rust is teruggekeerd, waarna een zalvende toespraak van den secretaris des vermoorden konings het stuk besluit.
Men ziet, deze eerste tragedie is gebrekkig ontworpen en het slot is volstrekt niet bevredigend; bovendien is de karakterteekening zeer zwak; de gebeurtenissen worden verteld, niet vertoond, en lange redeneeringen van staat- of zedekundigen aard maken het stuk zeer langwijlig. Toch is het zeer opmerkelijk wegens de keus van het onderwerp: een groote, zij het dan ook fabelachtige, gebeurtenis der Britsche geschiedenis; verder wegens de behandeling er van, daar het stuk in vijf bedrijven verdeeld is; en bovenal wegens den versbouw. In plaats van de gerijmde, korte of lange, zelfs zevenvoetige, vaak zeer onregelmatige verzen van oudere tooneelwerken is het geheel in regelmatige, vijfvoetige en rijmlooze jamben geschreven, zoodat het _blankverse_, dat later door het voorbeeld van Marlowe en Shakespeare het eenige metrum werd voor dramatische werken en er zoo uitstekend geschikt voor is, hier voor het eerst gebezigd werd. Wel is waar zijn de verzen, die bijna alle manlijk eindigen, eentonig en noodigen al te zeer tot plechtige declamatie uit, maar de eerste schrede was gedaan. Bovendien valt de ordenende, in toom houdende invloed van de ouden, die zeker vlijtig door de beide dichters beoefend waren, niet te miskennen.--Zij hebben er nog meer van overgenomen, en een koor, _chorus_, doen optreden, dat uit vier oude en vroede mannen van Britannia bestaat en aan het slot van ieder bedrijf zijn zedekundige beschouwingen over den loop der zaken ten beste geeft. Een andere bijzonderheid is, dat ieder bedrijf door een pantomime, een _dumb show_, of zooals de schrijvers het noemen, _domme shewe_, wordt voorafgegaan, die voorbereidt op wat komen zal. De pantomime, die het eerste bedrijf voorafgaat, heeft betrekking op den geheelen inhoud en wordt aldus voorgeschreven: "Eerst beginnen de violen te spelen, bij wier muziek zes wilde mannen, in bladeren gekleed, ten tooneele verschijnen. De eerste van hen draagt op zijn rug een bundel staven, welken zij allen, de een na den ander en allen te zamen, trachten te breken; maar zij kunnen het niet. Eindelijk neemt een van hen een der staven er uit en breekt die, en hierop breken de anderen, de eene staaf na de andere er uit nemend, die alle gemakkelijk, terwijl zij vroeger, toen de staven vereenigd waren, het te vergeefs beproefd hadden. Nadat zij dit volbracht hebben, verlaten zij het tooneel, en de muziek houdt op. Hierdoor wordt aangeduid, dat een eendrachtige staat tegen alle geweld bestand is, maar bij tweedracht gemakkelijk overwonnen wordt, enz." Bij elke der pantomimen wordt aangewezen, welke muziek er gemaakt moet worden; zoo wordt voor den _dumb show_ van het tweede bedrijf muziek van horens, voor dien van het derde en vierde muziek van hobo's, voor dien van het vijfde bedrijf het roeren van trommels en het bespelen van fluiten voorgeschreven. Men ziet, dat Shakespeare op eigenaardige wijze aan het tusschenspel, dat hij in het derde bedrijf, tweede tooneel, van zijn Hamlet invlecht, een kleur van oudheid gegeven heeft, door er een pantomime aan te doen voorafgaan, en dat ook de schrijver van Pericles in dit opzicht vroegere stukken tot voorbeeld nam.--Verder kan de Gorboduc het bewijs leveren, dat men in de tooneelwerken van dien tijd niet angstvallig naar historische getrouwheid streefde, en geenszins schroomde gebruiken van lateren tijd aan den vroegeren toe te kennen, zoodat de toeschouwers zich dadelijk in het verleden geheel te huis konden gevoelen. In dit stuk, dat een zestal eeuwen vóór Christus speelt, komen soldaten voor met schietgeweer; en men kan en mag hier niet aannemen, dat de geleerde en beschaafde schrijvers niet wisten, omstreeks welken tijd ongeveer het buskruit uitgevonden was. Ook bij Shakespeare komen dergelijke afwijkingen van de historische waarheid voor, ook bij hem worden zeden en gebruiken van lateren tijd aan vroegere geslachten toegekend, doch men heeft hieruit, zooals uit dit voorbeeld blijken kan, geen bewijzen voor de onwetendheid des dichters te putten.
Hoe zwak deze eerste proeve van een ernstig drama ook wezen moge, die zoowel door het ontbreken van goede karakterteekening, als door de lange uitwijdingen vol staat- en zedekundige opmerkingen aan de Moraliteiten doet denken, toch is zij zeer opmerkelijk en heeft ongetwijfeld grooten invloed gehad op de ontwikkeling van het drama, niet slechts wegens den regelmatigen vorm van den versbouw, maar ook wegens de keuze van het onderwerp. Als mannen uit den hoogen adel, zooals Thomas Sackville, zich wijdden aan het schrijven van tooneelspelen, die aan het hof vertoond werden, en hun onderwerp niet aan de Grieksche of Romeinsche, maar aan de Britsche overlevering ontleenden, was dit een gebeurtenis, waarvan de belangrijkheid niet gering te schatten is. Wel werden er, zooals wij boven zagen, aan het hof reeds vroegtijdig korte stukken, de tusschenspelen, opgevoerd, waarin de volkstoon werd aangeslagen, doch vooral vielen oude Latijnsche en Grieksche stukken, of nabootsingen er van, zeer in den smaak. Reeds onder Hendrik VIII, in 1520, werd een blijspel van Plautus gegeven; aan het hof van Elizabeth werden stukken van Terentius vertoond, en bij haar bezoeken aan de universiteiten van Oxford en Cambridge werd zij op zulke vertooningen onthaald. Zoo gaven in het jaar van Shakespeare's geboorte de studenten van Cambridge het treurspel "Dido", die van Oxford een paar jaar later het treurspel "Progne" en bij een volgend bezoek de blijspelen "Rivales" en "Bellum grammaticale". Deze stukken waren in het Latijn geschreven en oefenden dus nagenoeg geen invloed uit op het Engelsch tooneel. Doch ook in het Engelsch verschenen dergelijke. In 1566 bewerkte Gascoigne "De Phoenicische vrouwen" van Euripides onder den titel van "Iocaste", en reeds vroeger waren al de treurspelen van Seneca in het Engelsch uitgegeven. Onder een-en-vijftig stukken, waarvan wij berichten hebben, dat zij vóór Shakespeare's komst te Londen aan het hof van Elizabeth vertoond werden, zijn er, naar de titels te oordeelen,--meer is van de meeste niet bewaard gebleven,--achttien aan de oudheid ontleend, of van oude schrijvers herkomstig. Weinige dagen na Gorboduc werd een "Julius Cæsar", door een maskerspel voorafgegaan, gespeeld, een vertooning die hier vermeld wordt, omdat Shakespeare in zijn "Hamlet" (III. 2. 108) van zulk een stuk gewaagt; Polonius zegt ten minste, dat hij in zijn jeugd eens voor Julius Cæsar speelde en door Brutus op het kapitool omgebracht werd. Dat onder zulke omstandigheden de vertooning aan het hof van het eerste Engelsch treurspel, zooals Gorboduc, van gewicht te rekenen is, spreekt wel van zelf.