De Werken van William Shakespeare Overzicht van Shakespeare's leven en werken
Part 20
A parliament member, a justice of peace, At home a poore scare-crowe, at London an asse; If lowsie Is Lucy, as some volke miscalle it, Then Lucy is lowsie, what ever befalle it: He thinkes himselfe greate, Yet an asse in his state We allow by his eares but with asses to mate. If Lucy is lowsie, as some volke miscalle it, Sing lowsie Lucy, what ever befalle it.
[14] Men vergelijke nog de aanteekening op I. I. 16 van "De vroolijke Vrouwtjes van Windsor".
[15] Toen Thomas Bodley in 1600 de Universiteitsbibliotheek te Oxford, die zijn naam draagt, uitbreidde en hervormde, bepaalde hij, dat comediestukken en dergelijke prullen (_riffe-raffes_) er niet in opgenomen mochten worden.
[16] Ook Walter Scott laat in "Kenilworth" Sir Pierce Shafton euphuistisch spreken.
[17] Men vindt het Engelsch in de aanteekeningen op "Titus Andronicus" aangehaald.
[18] Er waren ook particuliere schouwburgen. Deze waren ingericht naar het model der raadhuis- of gildenzalen, die, voordat er openbare schouwburgen waren, voor tooneelvertooningen dienden (zie blz. 11). Zij waren geheel overdekt en hadden ook in het parterre, _the pit_, zitplaatsen voor de toeschouwers; er kon niet alleen over dag, maar ook bij kunstlicht gespeeld worden.
[19] Men vindt een afbeelding hiervan in: Dr. K. Th. Gaedertz, _Zur Kenntnis der altenglischen Bühne_, Bremen 1888. Dr. Gaedertz ontdekte haar in de bibliotheek der Rijks-universiteit te Utrecht; zij is herkomstig van zekeren Johannes de Wit, kanunnik van St. Marie te Utrecht, een geleerd man, die theologie, geschiedenis en oudheidkunde beoefende; hij moet omstreeks 1596 Engeland bezocht en er aanteekeningen gemaakt hebben; deze zijn niet te vinden, doch zijn vriend, de rechtsgeleerde Arend van Buchell (1565-1641), heeft er de teekening van den Zwaan-schouwburg en de bijbehoorende aanteekening uit gekopieerd, en dit afschrift is door Dr. Gaedertz te Utrecht ontdekt.
[20] Burbage stierf twee jaren na Shakespeare, in 1618. Er bestaat een elegie op zijn dood, die door Collier ontdekt en openbaar gemaakt is. In deze elegie worden verscheiden rollen van Burbage opgenoemd, vaak met enkele aanwijzingen, waaruit men kan afleiden, hoe hij ze opvatte. Daar het mij niet bekend is, of de echtheid van dit gedicht door geloofwaardige onderzoekers bevestigd is, meende ik er niets uit te moeten ontleenen. Van Collier toch is het bekend, dat hij verscheiden valsche documenten heeft uitgegeven, zoodat het geraden is zijn mededeelingen alleen dan voor echt en waar aan te nemen, wanneer zij door degelijk onderzoek van anderen gewaarmerkt zijn.
[21] Bij de uitgave van een _jig_ van Kempe, van 1660, is een houtsnede gevoegd, die hem met zijn trommelslager-pijper voorstelt. Ook van zijn voorganger Tarlton bestaat zulk een afbeelding, doch daarop draagt deze zelf de beide muziekinstrumenten.
[22] Het gezelschap, waartoe Shakespeare behoorde, schijnt omtrent zestien man sterk geweest te zijn; de meeste andere gezelschappen telden minder leden. Natuurlijk moesten zij zich meermalen door figuranten laten bijstaan en niet zelden moest een tooneelspeler meer dan één rol in een stuk vervullen.
[23] Vernuftig is de gissing van Halliwell-Philips, dat Shakespeare het paard, waarop hij van Stratford naar Londen was gereden, te Smithfield zou verkocht hebben. Daar zou hij in kennis zijn gekomen met Richards vader, James Burbage, den eigenaar van Londens oudsten, in 1576 geopenden schouwburg in Shoreditch, _the Theatre_. Deze had in Smithfield zijn stallen en zou volgens deze gissing Shakespeare belast hebben met de zorg voor de paarden, door hem aan schouwburgbezoekers verhuurd.
[24] Het woord _whereabout_ drukt uit "wat ik ga doen", "waarmede ik bezig ben", en wordt dus nog beter door _doel_ of _doen_ vertaald dan door "gang"; men vergelijke reg. 4 van het volgend tooneel: _He is about it_, "Hij is aan 't werk", "Hij is bezig".
[25] Ter toetsing mijner vertaling zijn de plaatsen niet door mijzelf uitgezocht, maar aan Furnivall's introductie voor den _Leopold Shakspere_ ontleend.
[26] Ook deze aanhalingen zijn niet door mijzelf uitgekozen, maar ontleend aan de uitmuntende introductie van James Darmesteter voor zijn _édition classique_ van Macbeth, Paris, Ch. Delagrave, 1881.
[27]
O Juliet, if the measure of thy joy Be heaped like mine and that thy skill be more To blazon it, then sweeten with thy breath This neighbour air, and let rich music's tongue Unfold the imagined happiness that both Receive in either by this dear encounter.
[28] Wel werd het stuk eerst in 1597, en wel in een zeer gebrekkigen vorm, als het ware verminkt, uitgegeven, doch het was toen zeker reeds enkele jaren vroeger geschreven en gespeeld. Een omwerking neme men niet aan; men vergelijke hierover de Aanteekeningen, bij het stuk gevoegd. Over het algemeen zal hier, wat in de aanteekeningen op de stukken is medegedeeld, niet herhaald worden; waar het vermeld moet worden, wordt het slechts kort aangestipt.--Dat de herinnering aan "De twee Edellieden van Verona" bij den dichter nog levendig was, toen hij Romeo en Julia schreef, kan blijken, als men vergelijkt, wat in genoemd stuk, III. 1. 170, Valentijn, en in dit stuk, III. 3. 12, Romeo van "ballingschap" zeggen.
[29] Reeds in 1476 had Masuccio dezelfde geschiedenis verhaald van een paar gelieven in Siena; hem volgde in 1524 Luigi da Porto, die de handeling naar Verona verplaatste en het noodlottig einde op eenigszins andere wijze tot stand deed komen; uit deze putte Bandello in 1554, aan wien Brooke de stof voor zijn gedicht ontleende. Men zie verder de Aanteekeningen.
[30] Hoe allervermakelijkst het stuk ten tijde van Shakespeare voor de toeschouwers moet geweest zijn, kan men zich het best voorstellen, als men bedenkt wat reeds blz. 14 is opgemerkt, dat de tijd der mysteriespelen niet of nauwelijks voorbij was en dat deze door handwerkslieden gespeeld werden. Men vergelijke bovendien de bij het stuk gevoegde aanteekeningen.
[31] Wie de bronnen, waaruit Shakespeare geput heeft, uitvoerig wil leeren kennen, raadplege Simrock, _Die Quellen des Shakspeare_, zweite Auflage, Bonn, 1870.
[32] Men zie hierover en over de historiestukken in het algemeen de Aanteekeningen op "Koning Jan".
[33] "Elk wat wils", II. 7. 64.
[34] Aldaar, II. 7. 174.
[35] Zie boven blz. 45.
[36] Zie boven blz. 5.
[37] Dit wapen voert in goud een zwarten rechter sehuinbalk, beladen met een gouden toernooilans, de punt van zilver, geplaatst in de richting van den schuinbalk. De wrong is van goud, zwart en zilver, en het helmteeken is een opvliegende arend, die in den rechterpoot de lans uit het schild houdt. De wapenspreuk is: _non sans droict_.
[38]
The many-headed multitude were drawn By Brutus' speech, that Cæsar was ambitious: When eloquent Mark Antony had shown His virtues, who but Brutus was then vicious?
[39]
Cog, lie, flatter and face, Four ways in Court to win men grace,
waren de woorden van Roger Asham.
[40] Voor de verheerlijking van Elizabeth in het laatste bedrijf van "Koning Hendrik VIII" is Shakespeare niet aansprakelijk.
[41] Van alle gissingen omtrent de personen, die in de Sonnetten bedoeld zijn, is die van Tyler en Harrison, welke ook door George Brandes wordt aangenomen, de waarschijnlijkste: de zwarte schoone zou Mrs. Mary Fitton geweest zijn, een begunstigde hofdame van Elizabeth, de schoone jongeling William Herbert, in 1580 geboren, later graaf van Pembroke, dezelfde, aan wien door Heminge en Condell, de eerste uitgaaf van Shakespeare's verzamelde tooneelwerken in 1623 werd opgedragen.
[42] In de aanteekeningen wordt vermeld, dat het stuk in December 1604 in het paleis des konings gespeeld is; doch de lijst der tooneelvertooningen ten hove, waaruit dit bericht ontleend is, wordt voor onbetrouwbaar gehouden.--Voor het overige raadplege men de Aanteekeningen, waar men opgegeven vindt, uit welke bronnen Shakespeare de stof voor zijn stuk geput heeft, en hoe hij deze vervormd en veredeld heeft.
[43] De namen van _Othello_ en _Jago_ komen in de novelle niet voor; zij worden aangetroffen in een Engelsch verhaal, _God's Revenge against Adultery_, "Gods wrake over echtbreuk", en zijn dus waarschijnlijk hieruit ontleend. Dit verhaal heeft overigens niets met Shakespeare's Othello en evenmin met Cinthio's novelle te maken.
[44] Herhaalde lezing van het stuk en nauwkeurig onderzoek der bovengenoemde bewijsgronden hebben mij genoopt, mijn vroegere meening, dat Koning Hendrik VIII een echt Shakespeare-stuk is, te laten varen.
[45] Men vindt dit uitvoerig aangetoond door Richard Gurnett, in den Irving Shakespeare, vol. VII, pag. 176, alsmede door Georg Brandes, William Shakespeare (1896), blz. 935 en vgg.
[46] Op het bericht van een vertooning ten hove in 1611 behoeft men niet te letten; die opgave is vervalscht.
[47] De tienden, waarvan hij, zie boven blz. 70, het recht gekocht had, brachten hem, volgens de schatting van een gerechtelijk stuk, zestig pond sterling op. Zijn jaarlijksch inkomen bedroeg, naar vermoed is, driehonderd, dus naar de tegenwoordige geldswaarde, ongeveer vijftien honderd pond.
[48] In 1643, tijdens den burgeroorlog, hield koningin Henriette, gemalin van Karel I, er drie weken lang hof.
[49] De schrijfkunst was toen lang niet algemeen verbreid; ook de oudste dochter van den dichter Milton kon niet schrijven.
[50] Rowe noemt onder des dichters vrienden zekeren Mr. Combe, een oud rijk heer, die als geldschieter bekend stond. Deze zou schertsenderwijs verlangd hebben, dat Shakespeare een grafschrift op hem zou maken, en wel liefst dadelijk, omdat hij gaarne wilde weten, wat van hem gezegd zou worden. Ter voldoening aan dit verzoek dienden toen de volgende regelen:
Ten in the hundred lies here ingrav'd; 'Tis a hundred to ten his soul is not sav'd: If any man ask, Who lies in this tomb? Oh! oh! quoth the devil, 't is my John-a-Combe.
Als de geschiedenis waar is, heeft John Combe zeker hartelijk meegelachen, want hij liet, bij zijn dood, in 1614, aan "Mr. William Shakespeare vijf pond" na. Doch het verhaal van 't grafschrift is apocrief, want reeds uit vroegeren tijd zijn zulke grafschriften bekend, natuurlijk zonder den naam van Combe; zooals:
Ten in the hundred lies under this stone And a hundred to ten to the devil his gone,
alsmede:
Who is this lyes under this hearse? Ho, ho, quoth the devil, tis my Dr. Pearce.
Aubrey maakt ook van de geschiedenis gewag, doch verhaalt haar eenigszins anders, veel minder waarschijnlijk. Hier kan niet alles worden medegedeeld, wat van Shakespeare wel verteld en geboekt is; wie het voornaamste in een beknopt bestek bijeen wil vinden, met aanhaling van de oorspronkelijke woorden, raadplege in het tweede deel van Delius' uitgave van des dichters werken de _Biographische Nachrichten_, alsmede _Erläuterungen und Beilagen_. Men vindt daar ook den volledigen tekst van Sh.'s testament, de voorrede van de uitgevers der folio-editie van 1623, de lofdichten, die aan deze zijn toegevoegd enz.--Voor het hier beoogde doel, het leveren van een duidelijk en waar beeld van des dichters leven en werken, behoefden deze bouwstoffen, waaronder vele niet voldoende gewaarmerkt zijn en geen strengen toets kunnen doorstaan, geenszins alle gebezigd te worden.
[51] In Engeland werd tot 1752 het jaar gerekend te beginnen op 25 Maart.
[52] Volgens den Ouden Stijl; 23 April stemde toen met den 3den Mei volgens den Nieuwen Stijl overeen. Als sterfdag van den grooten Spaanschen schrijver Miguel de Saavedra Cervantes wordt (schoon zonder toereikenden grond) eveneens 23 April opgegeven, doch volgens den Nieuwen Stijl; deze zou dan tien dagen vóór Shakespeare gestorven zijn.
[53]
Good frend for Jesus sake forbeare, To digg the dust encloased heare. Bleste be the man that spares thes stones, And curst be he that moves my bones.
[54] John Ward, die vicaris in Stratford was van 1648-1679, heeft enkele aanteekeningen nagelaten, waarin hij vertelt, dat "naar hij gehoord had", Sh. van nature vernuft had, maar van kunst geen spoor; dat hij in zijn jonge jaren twee stukken 's jaars schreef, maar later in Stratford leefde en 1000 pond 's jaars(!) verteerde. Hij vertelt ook, dat Shakespeare, Ben Jonson en Drayton samen eens een vroolijken avond hadden en, zoo het schijnt, wat te veel dronken, zoodat Sh. de koorts kreeg en stierf. De man voegt er gemoedelijk bij, dat hij Sh.'s tooneelwerken toch eens moet lezen, om er ten minste iets van te weten.--Dat Sh. zijn oude vrienden gul ontvangen heeft, als zij hem kwamen bezoeken, is zeer natuurlijk; maar dat hij van het goede sier maken bij hun bezoek de koorts kreeg, behoeft op de praatjes van Ward niet aangenomen te worden.--Even weinig gewicht is te hechten aan het verhaal van Davies (zie bl. 11), dat Shakespeare als papist stierf. Hij was ongetwijfeld geen puritein: de tijd kwam weldra, dat wie geen puritein was, voor papist werd uitgemaakt. De aanleiding tot het zeggen van Davies is dus niet ver te zoeken. Er is wel eens beweerd, dat Sh. in het Roomsche geloof gestorven is, doch zonder genoegzamen grond, waarover men Michael Bernays moge nazien.
[55] De vorm is opmerkelijk; op de vermaking van zijn ziel aan God en van zijn stof aan de aarde, volgt onmiddellijk: _Item, Igyve and bequeath unto my daughter Judyth_, etc.
[56] _Item, I gyve unto my wife my second best bed with the furniture._ Deze zin stond niet in het eerste ontwerp, maar is tusschen de regels bijgeschreven.
[57] Op te merken is, dat de naam hier anders gespeld wordt dan in het testament.
[58] _Item_--_I will that my wife have all the plate that was hers before I married her; and twenty kye and a bull._
[59] In het lofdicht van Leonard Digges, vóór deze uitgave geplaatst, wordt namelijk van het monument gesproken.
[60] _Ueber Künstler und Kunstwerke. Zweiter Jahrgang. Heft XI, XII. Mit 4 Photographien._ Berlin 1867.--Men kan verder ook het opstel van Prof. Dr. Hermann Schaaffhausen: _Ueber die Todtenmaske Shakespeare's_, in den tienden jaargang van het _Shakespeare--Jahrbuch_, blz. 26-49, raadplegen.
[61] Herman Grimm denkt niet aan Cervantes; doch deze had ouder trekken, was 68 jaar en had een grijzen baard; van hem kan het afgietsel niet genomen zijn.
[62] Hoe zeer men zich op het veld der gissingen gelieft te bewegen, kan ook de naam van _Kesselstadter Maske_, waarmede het afgietsel vaak wordt aangeduid, bewijzen. In Juni 1842 werd de schilderijverzameling van den overleden graaf en domheer Frans van Kesselstadt in Mainz onder den hamer gebracht, en nu onderstelt men, hoewel er geen schijn of schaduw van bewijs voor te vinden is, dat het afgietsel zich in de verzameling van den graaf bevond en van daar zijn weg gevonden heeft naar den uitdrager, bij wien Becker het vond. Van den uitdrager waren, naar het schijnt, geen inlichtingen te verkrijgen, daar zelfs zijn naam niet vermeld wordt.
[63] Men vergelijke blz. 46.
[64] _'Tis true, and all men's suffrage._
[65] _Soul of the age._
[66] _He was not of an age, but for all time._
[67] _For a good Poet's made, as well as borne._
[68] _Sweet Swan of Avon!_
[69] _Shine forth, thou Starre of Poets._
[70] De naam anders geschreven dan onder de voorrede!