De Werken van William Shakespeare Overzicht van Shakespeare's leven en werken

Part 15

Chapter 153,569 wordsPublic domain

De beide laatstgenoemde tooneelwerken hebben dit nog met elkander gemeen, dat de hoofdpersonen denkers, mannen van studie, zijn en niet door een hartstocht, die hen voortdrijft, te gronde gaan. Anders is het bij de stukken, wier beschouwing nu aan de beurt ligt, waarin hartstochten de hoofdpersonen hebben aangegrepen en hen in het verderf storten. Wie ze aandachtig leest en zich tevens in de sonnetten des dichters verdiept, moet tot de overtuiging komen, dat de wereld, waarin hij leefde, zijn verontwaardiging, zijn afschuw zelfs wekte; gebeurtenissen, waarvan hij getuige was geweest, hebben hoogstwaarschijnlijk zijn ziel van wrevel vervuld, en tevens moeten in zijn eigen binnenste stormen hebben geheerscht. De ziel van Shakespeare was vol en eerst nadat hij die had uitgestort in zijn tooneelwerken en sonnetten, heeft zij haar kalmte herwonnen en den vrede gevonden, waarvan zijn laatste geschriften getuigen. De geschiedenis van zijn tijd en zijn sonnetten vergunnen ons een blik te slaan op wat er in hem is omgegaan.

Uit de gebeurtenissen van Shakespeare's tijd behoeft hier alleen het een en ander aangestipt te worden, wat hem ongetwijfeld diep gegriefd heeft. Dat er omgang bestond tusschen tooneelspelers en jonge edellieden, die de vertooningen bijwoonden en op het tooneel hun zitplaats hadden, is reeds vermeld; dat Shakespeare in den graaf van Southampton een begunstiger gevonden had en dat deze de opdracht van zijn Venus en Adonis en zijn Lucretia had aangenomen, is mede reeds gebleken. Men mag vermoeden, dat er tusschen den edelman en den begaafden tooneeldichter inderdaad een vriendschappelijke omgang heeft plaats gevonden, en dat Shakespeare belangrijke geschenken van hem ontvangen heeft. Hoe moet het hem dus gegriefd hebben, dat Koningin Elizabeth, toen Southampton in Augustus 1598 tegen haar verbod in met Elizabeth Vernon, een nicht van Graaf Essex, huwde, den jonggetrouwden man de wittebroodsweken in den Tower liet doorbrengen en hem wel weder vrijliet, maar niet weder in genade aannam. Het werd hem ook niet vergund, hoewel hij zich vroeger bij een zeegevecht zeer onderscheiden en een vijandelijk schip buitgemaakt had, deel uit te maken van den krijgstocht, die onder bevel van Essex in Maart 1599 tot demping van een opstand in Ierland werd ondernomen. Men had van dezen tocht, waarop Shakespeare in den proloog voor het 5de bedrijf van zijn Koning Hendrik VI zinspeelt, veel verwacht, maar de uitkomst beantwoordde geenszins aan de verwachtingen; om den toorn der koningin te bezweren waagde Essex, tegen haar bevel in, in September naar Engeland te komen, verkreeg gehoor, maar werd, schoon aanvankelijk niet ongunstig ontvangen, niet meer in de vroegere genade aangenomen, in Juni 1600 zelfs voor een gerechtshof gebracht en tot gevangenis in zijn huis veroordeeld, totdat het aan de koningin behagen zou hem hiervan te ontslaan. In Augustus herkreeg hij zijn vrijheid, maar de gunst der koningin erlangde hij niet terug, zelfs verloor hij een groot deel zijner inkomsten, daar een monopolie, waarvan hij tot dusverre deze getrokken had, na afloop van den termijn hem niet op nieuw verleend werd. Van zijne vijanden aan het hof het ergste vreezende, besloot hij, om deze te verwijderen, de koningin te overrompelen. De onberaden poging, in de eerste dagen van Februari 1601 beproefd, mislukte geheel; 8 Februari werd hij gevangengenomen, te gelijk met Southampton, die in zijn aanslag had gedeeld. Zij werden 19 Februari voor hun rechters gebracht en beiden ter dood veroordeeld.

Essex' hoofd viel 25 Februari; aan Southampton werd het leven geschonken, maar hij werd tot levenslange gevangenis veroordeeld; in 1603, bij de troonsbeklimming van Elizabeths opvolger, Jacobus I, herkreeg hij de vrijheid. Bij dit rechtsgeding tegen Essex deed Francis Bacon, de groote denker, die tallooze weldaden van den ridderlijken Essex genoten had, zich van een hoogst ongunstige zijde kennen en heeft meer dan iemand tot den rampzaligen afloop van het rechtsgeding bijgedragen. Dit alles moest Shakespeare diep treffen, en daar hij genoeg bekenden aan het hof had en ook onder het volk verkeerde, waren hem ongetwijfeld vele bijzonderheden nauwkeurig ter oore gekomen, die de zwarte ondankbaarheid van Bacon openbaarden en ook de diepe verdorvenheid van het hof, waar vele hovelingen alles hadden ingespannen om Essex ten val te brengen, waar bedrog, leugen, vleierij en huichelarij de middelen waren om vooruit te komen, [39] waar allen, schoon steeds eerbied en liefde voor Elizabeth huichelend, hun oogen reeds naar Schotland, naar koning Jacobus, richtten en in betrekking tot hem stonden. Evenzoo kende hij ongetwijfeld de schaduwzijden van het karakter van Elizabeth, wier ijdelheid en veinzerij met de jaren waren toegenomen en die nu zijn vriend Southampton tot levenslange hechtenis had veroordeeld; toen zij gestorven was, stemde hij niet in met de treurzangen van zoovele Engelsche dichters en de aansporing van Chettle kon hem geen lied tot haar lof ontlokken [40]. Hamlets woorden: "hoe laag en troosteloos komt mij al 't woelen van de wereld voor!" zijn zeker uit het diepst van Shakespeare's ziel gevloeid.

Doch er was ongetwijfeld veel meer, dat Shakespeare somber stemde; hij had hoogstwaarschijnlijk zichzelf bittere verwijten te doen. Te midden van het zedenbederf, dat alle standen had aangegrepen, was ook hij, zoo wij de duistere bekentenissen der Sonnetten goed verstaan, niet vlekkeloos gebleven; hij was geboeid geworden door een vrouw van donkere gelaatskleur, vol geest en talenten, waarschijnlijk jong, maar geen onervaren maagd, geen volkomen schoonheid, maar onweerstaanbaar bevallig, waarschijnlijk van veel hoogeren stand dan hijzelf. Dat hij omgang gehad heeft met beschaafde en geestige vrouwen, blijkt uit zijn tooneelwerken. Doch de sonnetten leggen getuigenis af van de macht, die de donkere schoone op hem uitoefende, hoewel hij vermoeden kon of zeker wist, dat zij hem niet trouw was. Tegelijkertijd had een jonkman van edele geboorte, veel jonger dan Shakespeare, zijn omgang gezocht, zich als vriend bij hem aangesloten en hem ongetwijfeld door de een of andere milde gift aan zich verplicht. Shakespeare kreeg den jongeling innig lief, maar weldra gelukte het aan Shakespeare's donkere geliefde, met wie de jonkman in kennis kwam, diens liefde te winnen. Zoo gevoelde zich Shakespeare bitter gekrenkt, maar hij moest ten slotte aan zijn jeugdigen vriend vergiffenis schenken, want hij kende maar al te goed haar verleidelijke gaven, waardoor zij ook hemzelf, den volwassen en gehuwden man, geboeid had. Hij overwon dien hartstocht; zijn ziel hervond haar kalmte, schoon niet dan na een bitteren tijd van wroeging en berouw [41].

Zoo werkten hoogstwaarschijnlijk bij Shakespeare het lot van Essex en Southampton, zijn afkeer van den tooneelspelersstand en de verwijten, die hij zichzelf te doen had, samen om hem in de sombere stemming te doen verkeeren, waarvan zijn eerstvolgende tooneelwerken getuigen.

Want voorzeker, indien Shakespeare in "_Maat voor Maat_" een blijspel heeft willen leveren, dan is de poging geheel mislukt. De tijd van "_Elk wat wils_" en van "_Driekoningenavond_" is voorbij. Het stuk eindigt wel is waar met een paar huwelijken, doch de stemming is somber, en zelfs de scherts, die er in voorkomt, kan niet tot opgeruimdheid, maar veeleer tot wrevel stemmen. De maatschappij, waarin wij worden binnengeleid, is vol verderf, en de deugd van den man, die haar moet hervormen, bezwijkt bij de eerste verzoeking, bij den eersten aanval van hartstocht; hij tracht het booze, dat hij pas luide veroordeeld heeft, zelf te doen; hij wil het verborgen houden door een tweede misdrijf te plegen, en wel onder den schijn van recht te oefenen; het is alleen een hoogere wil dan de zijne, die alles tot een gelukkig einde voert. Doch al speelt dit stuk ook in een verdorven wereld, al is de hemel bewolkt, zoodat geen zonnestraal het landschap vervroolijkt, als een heilige lichtende engel straalt er het beeld der strenge, deugdrijke en schoone Isabella; en als ten laatste de wolken zich verdeelen en de nevelen wegtrekken, blijkt het, dat ook zij, als een andere Portia, de genade, die verbeteren kan, in plaats van het straffend recht wil laten gelden, zooals ook de bedoeling is van den vorst, die door zijn alomtegenwoordigheid het kwade ten beste heeft weten te keeren. En letten wij nader op den inhoud, dan vinden wij het stuk rijk in schoonheden van den eersten rang; wij bewonderen de diepe gedachten, die wij er in menigte in aantreffen, onder andere de beschouwingen over dood en leven, die ons de bespiegelingen van Hamlet voor den geest roepen. Hoewel er vele bijzonderheden in voorkomen, die aan "Eind goed, al goed" doen denken, is de overeenkomst met de denkwijze en de redeneeringen, die wij in den Hamlet vinden, onmiskenbaar, zoodat men alle reden heeft om te vermoeden, dat "Maat voor Maat" onmiddellijk na den "Hamlet" geschreven is, al wordt dit door geen berichten van buiten af gestaafd [42]. Het stuk moet dan van 1603 dagteekenen. Shakespeare had lang genoeg in Londen vertoefd, om de verdorvenheid, die in de groote stad heerschte, te leeren kennen; en het jaar was wel geschikt om tot ernst en tot nadenken over den dood te stemmen, daar Londen door een groote pestilentie bezocht werd, die in één jaar, van 23 December 1602 tot 22 December 1603, niet minder dan 30578 personen ten grave sleepte, terwijl de geheele sterfte 38244 bedroeg.

Hoe somber "Maat voor Maat" ook zij, Isabella verdrijft er de nevelen en de wereld, waarin haar licht straalt, is niet te verachten. Veel somberder nog is het tafereel, dat in "_Troilus en Cressida_" wordt ontrold. Daarin wordt de heldenwereld der Grieken aan verachting ter prooi gegeven; Ajax, Agamemnon, Achilles, Patroclus, Calchas, allen zijn afschuwelijk, de wijsheid van Ulysses is niets dan schrandere wereldwijsheid zonder eenige hoogere wijding, en Thersites, hoe verachtelijk ook voorgesteld, schoon niet meer dan een keffende hond, heeft in den grond gelijk, dat hij allen bij elke gelegenheid beschimpt. De wereld, waarin het stuk ons verplaatst, is, zooals Dowden terecht opmerkt, volgens Hamlets uitdrukking, "een woeste hof, die in het zaad schiet; geil, afschuwlijk onkruid neemt ieder plekje in". Men moet niet vermoeden, dat Shakespeare met Homerus, van wiens epos hem ongetwijfeld verscheiden gedeelten uit Chapman's vertaling bekend geweest zijn, in het strijdperk heeft willen treden en zijn gedichten in een bespottelijk daglicht heeft willen stellen, veeleer heeft hij zijn bezwaard gemoed, zijn wrok tegen de wereld bij het schrijven van dit stuk lucht gegeven en in plaats van een blijspel of boeiend tooneelstuk een allerbitterste satire geleverd. De middeleeuwsche verhalen aangaande het beleg van Troje en het gedicht van Chaucer, _Troilus en Cressida_ getiteld, waren zijn bronnen. Dat Shakespeare zijn gewone onpartijdigheid verloochent, in de Grieksche helden geen goed kon zien en zeer beslist voor de Trojanen partij trekt, behoeft niet al te zeer te verwonderen, als men bedenkt, dat hij, als goed Engelschman, de overlevering aanneemt, die de Engelschen van Hector doet afstammen. Vandaar, dat Hector niet in een open strijd sneuvelt, maar door Achilles op laaghartige wijze overvallen en geveld wordt.--Opmerking verdient het karakter van Cressida, daar deze onder al de vrouwen, die Shakespeare ten tooneele voert, de eenige "coquette" is.--Eindelijk verdient ook dit de aandacht, dat geen enkel zijner stukken zoo rijk is aan spreuken, aan lessen in wereld- en levenswijsheid, die hij over het algemeen bij monde van Ulysses verkondigt. Het is, alsof hij hierdoor wilde vergoeden, dat hij de beroemde Grieksche helden uit den ouden tijd in hun glorie zoo verkleind, hun den stralenkrans van het hoofd gerukt heeft!

Dat de "Troilus en Cressida" uit denzelfden tijd dagteekent, waarin "Maat voor Maat" geschreven is en waarschijnlijk onmiddellijk na dit stuk uit zijn pen gevloeid is, valt bijna niet te betwijfelen; de geheele geest van het stuk pleit er voor. Bovendien is het bekend, dat in Februari 1603 de uitgever Roberts zich, door inschrijving in de registers van den boekhandel, het recht tot uitgaaf verzekerd heeft van een tooneelwerk, getiteld "Troilus en Cressida, zooals het gespeeld is door de dienaren van den Lord Kamerheer", d. i. door het tooneelgezelschap, waartoe Shakespeare behoorde. Hiermede kan Shakespeare's stuk bedoeld zijn, doch zekerheid bestaat er niet, want de uitgaaf ging niet door, misschien omdat het stuk bij de vertooning, waartoe het weinig of niet geschikt is, geen bijval vond. Eerst in 1609 verscheen er een quarto-editie van Sh.'s stuk; aan de verzekering der voorrede, dat het nieuw en nog nooit vertoond was, behoeft men niet het minste gewicht te hechten; maar er kan waarheid in schuilen. Het stuk van 1603 kan de eerste bewerking geweest zijn, die later herzien is en dan waarschijnlijk vooral in die tooneelen, waarin Ulysses optreedt.

Tot dit zelfde tijdperk van zijn leven moeten, naar het mij voorkomt, die gedeelten van "Timon van Athene" gebracht worden, welke van Shakespeare's hand zijn. Want een groot deel van het stuk is onecht, niet van Shakespeare. Op verschillende wijzen kan men dit verklaren. Het zou kunnen zijn, dat hij in een bestaand stuk slechts enkele deelen nieuw geschreven of omgewerkt heeft, namelijk die, waarin de hoofdpersonen, Timon, zelf optreedt, of dat hij wel een volledig stuk geschreven heeft, maar dat het handschrift te loor ging en er slechts enkele deelen of eenige rollen van overgebleven waren; in dit geval moet dan een ander het stuk ter vertooning gereed hebben gemaakt. Maar 't kan ook zijn, dat hij, na enkele deelen geschreven en zijn gemoed lucht gegeven te hebben, het stuk onvoltooid liet. Hoe dit zij, uit de echte gedeelten blijkt duidelijk, dat Shakespeare bij het schrijven er van van somberen ernst vervuld was, dat hij de boosheid en ondankbaarheid van het menschelijk geslacht kende en er de fiolen van zijn toorn over wilde uitgieten. En dat hij dit in den "Timon van Athene" ruimschoots gedaan heeft zal niemand ontkennen.

Na zulke uitbarstingen van wrevel en toorn, als wij in de laatste stukken bijwonen, moest een geest als die van Shakespeare zijn heerschappij over zichzelf, zijn kalmte herkrijgen. En de omstandigheden waren gewijzigd; aan de boeien der donkere schoone had hij zich lang ontworsteld, bij de troonsbeklimming van Jacobus I was zijn vriend Southampton in vrijheid gesteld; de nieuwe vorst was het tooneel en in het bijzonder het tooneelgezelschap, waartoe Shakespeare behoorde, gunstig gezind. Hoe ernstig de stemming ook wezen mocht, die Shakespeare bezielde, hij beheerschte zichzelf weder volkomen en schreef van 1604 tot 1606 drie treurspelen, die tot de grootste meesterwerken behooren, welke ooit door eenig dichter geschapen zijn: "Othello", "Macbeth", "Koning Lear".

Wie de novelle van Cinthio, waaruit Shakespeare den inhoud voor zijn "Othello" geput heeft, naleest, vindt niets dan een verhaal, dat onder de tafereelen uit de lijfstraffelijke rechtspleging te huis behoort en zeker zonder Shakespeare's meesterstuk lang vergeten zou zijn [43]. En toch, welke personen, welke karakters schept de dichter! Othello, niettegenstaande zijn kleur wegens zijn verdiensten tot krijgsbevelhebber benoemd, edel en gematigd, is echtgenoot van een jeugdige schoone vrouw, die schuchter is, stil en zacht, de reinste onschuld, en wier argeloosheid haar later ten verderve strekt; hij wordt, hoe gewoon ook zichzelf te beheerschen, door een schurk, die den schijn van rechtschapenheid en welwillendheid weet aan te nemen, en een groote mate van practische wereldwijsheid bezit, tot jaloerschheid,--oorspronkelijk geheel vreemd aan zijn edele ziel,--tot razernij vervoerd, zoodat hij zijn schuldelooze vrouw wegens haar vermeende ontrouw om het leven brengt! En met welk een zorg is Jago geteekend, die wegens zijn verdiensten als soldaat en zijn geslepenheid, waarop hij trotsch is, niet aan Othello vergeven kan, dat hij niet de eerste plaats naast dezen inneemt, en die met weergâlooze list zijn bevelhebber weet te verstrikken! In de novelle koestert Jago een hartstocht voor Desdemona en tracht tevergeefs de gunst der kuische vrouw te verwerven, zoodat de spijt over het mislukken zijner pogingen hem een prikkel is tot zijn handelwijze. Shakespeare heeft deze beweegreden niet overgenomen; Jago's wrok over vermeende miskenning is de voornaamste drijfveer, waarbij nog zijn lust komt in berekenende boosheid, welke hij meer dan eens in zijn alleenspraken aan den dag legt. Bij al zijn slimheid wordt toch op eens zijn schurkerij ontmaskerd, en dit doet hem een oogenblik zijn zelfbeheersching vergeten, zoodat hij zijn vrouw doorsteekt.--Diep weemoedig is de indruk, dien het treurspel bij ons achterlaat door den ondergang van twee zoo edele wezens, als de trouwhartige Othello en de schuldelooze Desdemona.

Niet minder somber is de stemming, die in den "Macbeth" heerscht; in geen van Shakespeare's werken komt het woord "bloed" zoo dikwijls voor. Doch hoe schrikkelijk dit stuk ook zij, onweerstaanbaar worden wij van het begin tot het einde geboeid, en wij wagen eerst dan weder adem te halen, wanneer na den val van den tyran en den dood zijner onzalige vrouw een betere toekomst voor het rampspoedig Schotland gaat aanbreken. De dichter houdt ons zoo bezig, laat alles zoo goed ineengrijpen, dat wij zelfs geen oogenblik nadenken over den duur van Macbeth's regeering, die volgens de kroniek zeventien jaren omvat heeft. En alles in het stuk is in overeenstemming met het onderwerp. De forsche gestalten van de helden Macbeth Banquo, die zoo juist in een heftigen strijd onder storm en onweêr een roemvolle overwinning hebben behaald, behooren te huis in het woeste, rotsachtige landschap, waarin de heksen uit nevelen te voorschijn treden, en Macbeth tot het booze verlokken, zonder dat echter de vrijheid van zijn wil aan banden gelegd is; hij blijft dus verantwoordelijk voor de schuld, die hij op zich gaat laden. De kiem van het kwade, die in hem sluimerde, wordt tot leven gewekt, en de eerzucht zijner vrouw weet de zijne zoo te prikkelen, dat zijn betere natuur bezwijkt en hij moordenaar wordt van zijn koning, van de goedheid zelf, die bij een helderen hemel hem op zijn schoon kasteel komt bezoeken. Doch de hemel wordt weldra zwaar bewolkt; in een stormachtige nacht wordt de gruweldaad gepleegd, en terstond daarna begint reeds de straf, door de ontzetting, die zich van Macbeth meester maakt. Moge zijn vrouw hem moed inspreken en met de folteringen van zijn geweten spotten,--dat ook haar kracht te kort kan schieten, blijkt reeds kort na den moord; op het gastmaal behoeft zij reeds de opwekking van haar man om opgeruimd te zijn; eerst als deze bij het zien van Banquo's geest geheel ontdaan is, hervindt zij de kracht, die de omstandigheden van haar eischen. Doch het bewustzijn, dat zij niet alleen den moord heeft doen plegen, maar dat ook de heldennatuur van haar man door haar ten val gebracht is, werkt in haar voort en doet in den slaap, als zij geen weerstand vermag te bieden, haar kracht ten gronde gaan. Macbeth zelf, hoe zeer het gevoel zijner misdaad zijn gemoed geschokt hebbe en zijn kracht gebroken, tracht door manhaftigheid zich tegen de gevolgen te verzetten; hij ontziet, om zich staande te houden de ergste middelen niet; hij waadt door bloed, en roept zelfs den bijstand der heksen in, dien hij het volgend oogenblik als nietig erkent; doch hij verwijt zijn vrouw geen oogenblik, dat zij hem tot de onheilvolle daad heeft aangezet, en neemt manmoedig de gevolgen er van op zich; hij valt, schoon tot vertwijfeling gebracht, als held in den strijd. Gelukkig, dat, nu zijn verduisterde zon ondergaat, zich een nieuwe veelbelovende dageraad aan de kim vertoont.

Evenzeer als "Othello", als "Macbeth", ja, in nog hoogere mate is "Koning Lear" een onvergelijkelijk meesterstuk te noemen. Het overtreft in sombere verhevenheid alles wat ooit de dramatische dichtkunst voortgebracht heeft. Doch schrikkelijk is het; men rilt, als de rampzalige, door zijn ontaarde, beweldadigde dochters uitgestooten grijsaard op de heide in storm en onweer rondwaart, als zijn gehuil met dat van de winden wedijvert, als de reeds lang sluimerende waanzin eindelijk uitbreekt, als hij, voor een oogenblik in een armelijke stulp tegen het weder beschermd, daar samen is met den geveinsd waanzinnigen Tom en den trouwen nar, die hem bittere waarheden verkondigd heeft; als hij, door de trouwe zorgen van zijn liefhebbende Cordelia van zijn waanzin hersteld en met haar gevangengenomen, zijn eenig getrouw kind dood in de armen houdt, zijn aandoenlijke klacht uitstort en bezwijkt!--En met die treffende geschiedenis is een tweede samengeweven, niet minder schokkend en roerend, een overeenkomstige geschiedenis van een vader, die zijn besten zoon miskend heeft en door den anderen, den begunstigden, met den zwartsten ondank beloond wordt, en die in zijn diep rampzaligen toestand door den verstooten zoon, zelf een toonbeeld van ellende, verpleegd wordt! En deze twee geschiedenissen zijn zoo innig verwant, dat de eene volstrekt geen herhaling schijnt van de andere, maar beide elkanders werking verhoogen en tot een innige eenheid zijn saamgevloeid!

Van "Pericles, vorst van Tyrus" behoeft hier slechts kort gesproken te worden. Omtrent dit stuk, dat door de uitgevers der folio-editie niet als echt erkend, ten minste niet in hun uitgave opgenomen werd, is in de aanteekeningen met mededeeling der gronden gezegd, dat het niet van Shakespeare is, maar dat hij er, in de tweede helft, eenige tooneelen van gewijzigd of ook geheel nieuw geschreven heeft. Het belang van het tooneelgezelschap, waar hij aan verbonden was, bracht dit zeker mede, en wellicht heeft hij meermalen zulk een arbeid verricht. Ditmaal trok ongetwijfeld de figuur van Marina hem aan, en heeft hem het stuk doen verrijken met eenige heerlijke tooneelen, die uit den tijd der volle rijpheid van zijn talent dagteekenen. Hij schreef deze kort vóór of in 1608. Zijn medewerking aan dit stuk, de aard der tooneelen, die van zijn hand zijn, en vooral het scheppen van zulk een liefelijk wezen als Marina, mogen ons ook om een andere reden belang inboezemen. Zij geven ons reden om te vermoeden, dat de ernstige, ja sombere stemming, die, na den "Hamlet", zijn drie groote treurspelen: "Othello", "Macbeth", "Koning Lear" in het leven riep, voor een kalmere, meer opgeruimde geweken was, dat hij het leven met een meer toegevenden, met een zachteren blik gadesloeg.