De Werken van William Shakespeare Overzicht van Shakespeare's leven en werken
Part 14
Dat Shakespeare ook aan zijn blijspelen over het algemeen, met slechts weinige uitzonderingen, de een of andere novelle ten grondslag legde, heeft op deze werken een eigenaardigen stempel gedrukt, daar hij zich ook hier ten doel stelde de karakters te doen uitkomen; de wijzigingen, die hij meermalen aan het verhaal toebracht, waren steeds hierop berekend, en geenszins altijd bestemd om den loop der geschiedenis natuurlijker te maken. De verwikkelingen zijn bij zijn stukken geenszins hoofdzaak; ja, de wijze, waarop de ontknooping plaats heeft, is vaak onwaarschijnlijk genoeg. Shakespeare hechtte in zijn blijspelen hier blijkbaar minder gewicht aan. Zoo wordt het booze plan, dat in "Veel leven om niets" door Don Juan gesmeed en heimelijk ten uitvoer gelegd is, daardoor ontdekt, dat zijn medehelper het, dom genoeg, aan een ander vertelt, en wel juist op een plaats, waar toevallig eenige nachtwachts zich ophouden, die, hoe onnoozel ook, dadelijk begrijpen, dat er een schelmstuk gepleegd is, en terstond een vreemden prins, gast van hun vorst, durven beschuldigen! Dat in "Veel Gemin, geen Gewin", de koning en drie zijner edellieden, tegen hun pas bezegelde gelofte in, allen op hetzelfde oogenblik verliefd raken op een der vier dames, die zij ontmoet hebben, en gelukkig geen twee op dezelfde, dat zij allen achtereenvolgens, zonder iets van elkaar te weten, op dezelfde plaats van een bosch komen, en dat drie hunner daar hardop de dichtregelen lezen, die zij aan hun aangebedenen gericht hebben, dit alles zondigt zeker niet door te groote waarschijnlijkheid. Meermalen laat Shakespeare een meisje in mannengewaad optreden,--en daar in zijn tijd de meisjesrollen door jongens of aankomende jongelieden vervuld werden, werd het natuurlijk spel hierdoor bevorderd,--maar dat het verkleede meisje zich niet het minste geweld behoeft aan te doen, en, zooals Portia in den "Koopman van Venetië", een pleidooi kan houden en op het oefenen van genade aandringen, waarbij zij haar stem vol en indrukwekkend moet laten klinken, en dat zij toch niet door haar man herkend wordt,--dat Rosalinde in "Elk wat wils" zelfs schertsen kan met haar vader en zijn nieuwsgierigheid kan prikkelen, zonder dat hij vermoedt, wie voor hem staat,--dat Viola in "Driekoningenavond" noch door hertog Orsino, die zooveel en zoolang met haar spreekt, noch door de gravin Olivia, wier liefde zij afwijzen moet, als meisje herkend wordt,--is zeker meer, dan waarschijnlijk geacht kan worden. Met zulke berekeningen laat Shakespeare zich echter niet in; hij rekent veeleer op zijn kunst, van den toeschouwer te betooveren, zoodat deze niets anders meer ziet, dan hij verlangt, en het onmoog'lijkste moog'lijk acht. En dat hij inderdaad hierin slaagt, wie zal het loochenen? Schier al de genoemde stukken zijn, tot den laatsten tijd toe, ten tooneele gebracht met een praal, die in zijn tijd onmogelijk gerekend zou zijn, een praal waarbij niet de verbeeldingskracht, door hem steeds bij zijn toeschouwers ondersteld, te hulp werd geroepen, maar waarbij men de werkelijkheid nabij trachtte te komen, een praal, die voor een poëzie van minder echt gehalte verderfelijk zou geweest zijn,--en zij hebben de zware proef zegevierend doorstaan. Dat wij dus vrede hebben met de eischen, die hij aan de verbeelding stelt, en thans vragen, welke karakters door hem in zijn blijspelen onder de oogen zijner toeschouwers worden gebracht, en tevens welke niet; want ook dit laatste kan tot kennis en waardeering van zijn geest en zijn dichtkunst leiden.
In het tafereel van zeden en karakters, dat groote blijspeldichters ontrollen, vallen steeds tweeërlei bestanddeelen te onderscheiden. Brengen zij de wereld, waarin zijzelf en hun toeschouwers leven, ten tooneele, dan boeien en treffen zij door de zeden van hun tijd, vaak van de belachelijke zijde, voor te stellen, en door de personen, zooals zij deze met hun scherpen blik hebben gadegeslagen, in al hun eigenaardigheid te doen optreden. Hebben zij hierbij alleen de uiterlijke eigenaardigheden, in kleeding en manieren, nagebootst, dan moge het afbeeldsel de tijdgenooten boeien en vermaken, voor de lateren, die het oorspronkelijke niet voor zich zien, is het aantrekkelijke van de nabootsing grootendeels verdwenen. Maar mogen zeden en gewoonten veranderen, de mensch zelf, met zijn gewaarwordingen, met zijn begeerten en hartstochten, met de drijfveeren zijner handelingen, blijft steeds dezelfde. Hebben zij dit alles bespied en als in een spiegel den toeschouwers voor de oogen getooverd, dan zal het beeld, hoe ook de zeden veranderen, door alle tijden heen, door zijn waarheid treffen en behagen. In dit opzicht was Shakespeare een meester. Zelfs daar, waar hij personen teekent, wiens origineelen niet meer voorkomen, zooals den Spaanschen bluffer Don Armado, den dwazen geestelijke Nathaniel, den onwetenden schoolmeester Holofernes uit "Veel Gemin, geen Gewin", weet hij ze zoo vol leven te doen zijn, dat wij de waarheid der schildering, al zij deze naar den aard van het blijspel ook overdreven, terstond gevoelen, en er, als waren wij tijdgenooten, behagen in kunnen scheppen.
Dat Shakespeare in al zijn werken steeds de natuur zelf tot gids nam en 's menschen aard scherp gadesloeg, drukt een eigenaardigen stempel op zijn scheppingen. De Italiaansche tooneelschrijvers waren bij de Latijnsche, Plautus en Terentius, ter schole gegaan, zooals deze bij de Grieken, zonder onophoudelijk uit het volle menschenleven, dat belangwekkend is, waar men het weet te vatten, hun onderwerpen te putten. Vandaar dan ook, dat telkens dezelfde personen in hun werken terugkeeren; men vindt gierige vaders, die door verkwistende zoons bedrogen worden, oude verliefde gekken, die bitter teleurgesteld worden, jongelingen, die verliefd zijn en de tegenwerking der ouders door schalksche middelen weten vruchteloos te maken, pochers, die van hun moed en krijgsbedrijven zwetsen, doch ten laatste in hun nietigheid ontmaskerd worden, slaven, die met den zoon des huizes samenspannen om hun heer en meester te bedriegen, onwetende schoolpedanten, die door schijngeleerdheid anderen zand in de oogen trachten te strooien. Dit werden als het ware vaststaande tooneelfiguren, naar een bepaald model ontworpen, doch niet door studie der natuur met eigen leven begiftigd. Shakespeare kende ze, zooals blijkt, wanneer men zijn "Temming der Snibbe" ter hand neemt; daarin leveren de oude minnaar Gremio en zijn jonge mededinger Lucentio er voorbeelden van; doch men bedenke, dat dit stuk een omwerking is van een ander en de karakterteekening niet belangrijk gewijzigd is; als hij meer zelfstandig te werk gaat, zooals in een zijner oudste werken, de "Klucht der vergissingen", waaraan toch een Latijnsche klucht van Plautus ten grondslag ligt, weet hij dadelijk den tooneelpoppen leven in te blazen en karakters te schilderen.
Aan Shakespeare's scherp en fijn waarnemingsvermogen en diepe studie is de groote natuurlijkheid en verscheidenheid in zijn karakters te danken. De waard, een recht vermakelijk persoon in de "Vroolijke Vrouwtjes van Windsor", is naar het leven geteekend; al moge Parolles in "Eind goed, al goed" veel verwantschap hebben met de tooneelfiguur van een bluffenden lafaard, ook van hem moet hetzelfde getuigd worden. En welk een verscheidenheid bij de minnenden! Een Portia, een Julia uit de "Twee Edellieden van Verona", een andere Julia, een Helena uit "Eind goed, al goed", een Rosalinde, en een Viola, zij beminnen allen even diep en vurig, maar ieder van haar is een nieuwe schepping, zeer verschillend van de overigen. Welk een rijkdom, in vergelijking van andere, zelfs groote tooneelschrijvers, bij wier beminnende vrouwen maar al te vaak een sterke familietrek op te merken valt! En bij de minnaars heerscht niet minder verscheidenheid.
Op nog een ander belangrijk verschil tusschen Shakespeare en vele andere tooneeldichters mag gewezen worden. Bij Shakespeare komt in al de blijspelen geen enkele valsche of meineedige vrouw voor, geen enkele, die haar man tracht te bedriegen; integendeel, waar, zooals in de "Vroolijke Vrouwtjes van Windsor", een man het hof aan een getrouwde vrouw maakt,--in dit geval aan twee vrouwen tegelijk,--moet hij er danig voor boeten, en de echtgenoot, die ten onrechte jaloersch is geweest, krijgt een nadrukkelijke les, dat hij het niet had moeten zijn. De schennis der huwelijkstrouw is door Shakespeare nooit tot stof gekozen om de toeschouwers te doen lachen.--De vaders worden bij Shakespeare niet als belachelijk, en evenmin als gierig voorgesteld,--Shylock natuurlijk uitgezonderd. Zij worden niet door hun zoons bedrogen: als Valentijn, in "Twee Edellieden van Verona", de dochter des hertogs, Sylvia, wil schaken, komt zijn toeleg uit en wordt hij met verbanning gestraft; als de hertog later zijn toestemming tot het huwelijk geeft, doet hij dit gewillig, omdat hij overtuigd is van Valentijns waarde en van de onderlinge liefde der jongelieden, niet met tegenzin, omdat hij bezwijken moet voor een slim overlegde zamenzwering. Hermia (Midzomernachtdroom) en Anna Page (Vroolijke Vrouwtjes van Windsor) zetten haar wil door tegen den zin van haar vader, doch ook deze schikken zich in het geval.--De dienaars gaan soms op vertrouwelijken voet met hun heer om, maar zij spelen niet de eerste rol; al dienen zij hun jongen meester van goeden raad, zij bestelen niet, te zijnen behoeve en tegen een goede belooning, zijn vader, om straks, zoodra zij de kans schoon zien, ook hun meester de beurs te lichten; Adam in "Elk wat wils" en Pisanio zijn zelfs voorbeelden, dat de edelste gezindheden in de borst van een trouwen dienaar kunnen wonen.--Men vergelijke in deze opzichten Latijnsche, Italiaansche of Fransche blijspelen van Shakespeare's tijd en later, Molière niet uitgesloten, met de zijne, en oordeele, aan welke, uit het oogpunt van zedelijkheid, de palm toekomt.
Maakt Shakespeare zich dus niet vroolijk met wat voor anderen een onuitputtelijke bron van vroolijkheid is, toch zal niemand beweren, dat hij minder hartelijk doet lachen. Integendeel, waar hij vroolijk is, is hij het door en door, en sleept onwillekeurig mede. En hij is het telkens, in al de stukken van dit tijdperk. In zijn "Romeo en Julia" beeldt hij het leven af zooals het is, en telkens komen er lachwekkende tooneelen, tot het naderen der droevige ontknooping ze van zelf verbiedt. Welk een schat van geestige en vermakelijke tooneelen er in de historiestukken voorkomen, behoeft wel niet in herinnering gebracht te worden. En in de blijspelen moge er, evenals in het leven, ernst met de scherts gemengd zijn, de geest der stukken is zoo vroolijk, scherts en boert maken er zoo de schering en den inslag van uit, doen den fijneren lach om geestigheden zoo vaak afwisselen met den schaterlach om koddige invallen, dat men overal den frisschen levenslust des dichters kan opmerken. Het vuur der jeugd doortintelt hem; hij geniet het leven met volle teugen; zijn wereldbeschouwing doet hem overal het goede, alles wat het leven veraangenaamt, opmerken; het landschap, waar zijn blik op rust, wordt door de zon beschenen. Het vaderland en de liefde zijn de machtige drijfveeren tot handelen. Hij kent ook de schaduwzijden der wereld en wijst die aan; hij kent het kwade en de ondeugd; hij kent de verderfelijke gevolgen van overmatige eerzucht en van geldgierigheid; maar het gevoel van het booze in de wereld grijpt zijn innigst wezen niet aan, het vervult zijn gemoed niet; het moge hem hier en daar juiste opmerkingen en redeneeringen ontlokken, hij zet er zich over heen en bekijkt de wereld weer van den goeden kant; hij is optimist. De peinzer Jacques moge mijmeren over het verkeerde in de wereld, en deze voos, bedorven en onrein noemen, hem wordt toegevoegd [33], dat zijn beschouwingen voortvloeien uit levensmoeheid, daar hij te veel heeft willen genieten; Amiëns moge een roerend lied aanheffen over de ondankbaarheid [34], de verbannen hertog geeft terstond daarna aan den jongen Orlando te kennen, dat hij door weldaden aan den zoon de diensten wil erkennen, door den vader hem bewezen, en de droefgeestige bespiegelingen van Jacques zijn niet bij machte een schaduw te werpen op het zonnig leven in het woud, ver van het gewoel der wereld.
Wèl had Shakespeare reden om met opgeruimden blik in de wereld rond te zien. Op ongeveer twee-en-twintigjarigen leeftijd zijn landelijke geboorteplaats ontweken, en vreemd in de woelige wereldstad Londen aangekomen om er een geheel nieuwe loopbaan in te treden, had hij ongetwijfeld in den beginne met groote moeilijkheden, misschien met gebrek en tegenspoed, te kampen gehad, en had met onverdroten inspanning hard moeten werken: maar lang had toch zeker de tegenspoed niet geduurd en de belooning van zijn arbeid was niet uitgebleven, want reeds na vijf of zes jaren behoefde hij niet meer beklaagd te worden, maar had integendeel den nijd van oudere kunstbroeders in hooge mate opgewekt. Een hunner, Robert Greene, die stervend aan zijn wrok lucht gaf, erkende hierdoor tevens, dat de nieuw opgekomen tooneelschrijver, die aan zijn voorgangers de kunst afgezien had, hen verre overvleugelde, en bij het gezelschap, waar hij toe behoorde, een overwegenden invloed bezat. Ongetwijfeld droeg tot dezen wrok bij, dat Shakespeare van den beginne af zich niet bij hen aangesloten, niet in hun loszinnig leven gedeeld, maar door noeste werkzaamheid zich in korten tijd tot groot kunstenaar ontwikkeld had. De hatelijke uitval van Greene heeft ten gevolge gehad, dat wij een eervol getuigenis van Henry Chettle aangaande Shakespeare's karakter en handelingen bezitten [35]. Weldra behaalde Shakespeare nu met zijn gedichten "Venus en Adonis" en "Lucretia" grooten roem, en mocht zich in de gunst van den graaf van Southampton verheugen. Wel bleef hem het leed des levens niet gespaard en verloor hij in Augustus 1596 zijn eenigen zoon Hamnet, een der in het begin van 1585 geboren tweelingen, maar in geldelijk opzicht ging het hem zeer goed; de schouwburg leverde hem, hetzij hij mede-eigenaar er van geworden was of niet, vrij wat op. In 1597 kocht hij een groot huis in Stratford aan, _New Place_ geheeten [36] met bijbehoorende gronden; in 't volgend jaar trachtte hij nabij Stratford landerijen te koopen en werd hem door een vriend, Richard Quiney, een som van dertig pond te leen gevraagd. Later heeft hij nog vrij wat geld in landerijen belegd. Kortom, uit alles blijkt, dat het hem goed ging; hij begon grondeigenaar te worden; de man, die voor weinige jaren zijn geboortestad Stratford was ontvlucht om als tooneelspeler zijn brood te verdienen, was goed op weg om in zijn eigen stad en graafschap als gezeten burger op den naam van _gentleman_ aanspraak te kunnen maken. Hiermede stond ongetwijfeld in verband, dat zijn vader, John Shakespeare, in 1599 vergunning verwierf een wapen te voeren [37], een voorrecht, waarschijnlijk op aandrang, op kosten en door tusschenkomst van zijn zoon verkregen.
IX.
DE ONWEERSWOLKEN.
Van welk een jeugdige opgeruimdheid, van welk een genot in het leven de tooneelwerken van het vorig tijdperk ook getuigenis mogen afleggen en hoezeer het Shakespeare in de wereld ook voor den wind ging, de blijmoedige stemming hield niet aan, maar werd weldra door een ernstige, ja sombere vervangen. De sonnetten, die in 1609, ongetwijfeld zonder toestemming of medewerking van Shakespeare, het licht zagen en die vermoedelijk grootendeels uit den aanvang van het nu volgend tijdperk van zijn leven, omstreeks 1600, herkomstig zijn, mogen als voldingend bewijs gelden, dat ook stormen zijn gemoed beroerd hebben, dat hij ook teleurstellingen ondervonden heeft, dat er oogenblikken waren, waarin hij zijn stand van tooneelspeler haatte, ja, waarin de ongerechtigheden der wereld hem diep nederdrukten. Wie zich hiervan wil overtuigen, leze b.v. de sonnetten XXIX, CXI en CXII. Het kan zelfs wezen, dat juist de voorspoed, dien hij genoot, en zijn aangroeiende geldmiddelen, die hij wilde bezigen, om een gezeten burger te worden, hem de hebzucht der menschen nader deden kennen; bovendien kunnen de moeite, die hij vaak had om het hem verschuldigde te innen, en de soms voorkomende noodzakelijkheid van gerechtelijke vervolging, hem ontstemd hebben en de wereld van een minder rooskleurige zijde, op een minder blijmoedige wijze, doen beschouwen; het lied van Amiens over den ondank der menschen ("Elk wat wils", II. 7. 174), mag dit doen vermoeden. De sonnetten spreken ons van veel dieper grievend leed, waarvan zoo dadelijk meer zal gezegd worden. Doch al ware dit uitgebleven, verwonderen kan het ons niet, dat de dichter, iets ouder geworden, op zes-en-dertigjarigen leeftijd zich aan het behandelen van ernstiger onderwerpen wijdde. Had vroeger het schrijven van historiestukken de gezette beoefening van Holinshed's kroniek van hem geëischt, of omgekeerd deze hem tot het schrijven aangespoord,--in dezen tijd, en misschien reeds veel vroeger, werden de door den ouden Plutarchus geleverde levensbeschrijvingen, die door Thomas North in zeer goed Engelsch vertaald en in 1579 verschenen waren, vlijtig door hem ter hand genomen; de levens van Cæsar en van Brutus leverden hem de bouwstoffen voor zijn "Julius Cæsar". Dat een schrijver als Plutarchus hem bijzonder aantrok, is gemakkelijk te begrijpen, want deze wijdt bijzondere aandacht aan het karakter der personen. Belangwekkend is het, Plutarchus en Shakespeare te vergelijken. De dichter volgt den ouden geschiedschrijver zeer getrouw; hij ontleent er niet alleen de hoofdzaak, maar ook menigen bijzonderen trek aan. Doch welk een verschil! Bij Plutarchus vindt men een juiste teekening van enkele hoofdfiguren; de omtrekken zijn duidelijk, er zijn kleuren aangebracht, doch hard en scherp; lucht en schaduw ontbreken, en van een kunstvolle groepeering is geen sprake. Men vergelijke nu Shakespeare; men herkent dezelfde figuren, maar zij leven; wij zien ze met al de kleurschakeeringen, met het licht en donker, dat de natuur doet zien, en deze zijn door een onmerkbare kunst zoo geschikt, dat het eene het andere beter doet uitkomen en het geheel inderdaad een geheel is. Plutarchus verhaalt, dat Brutus door zijn toespraak het volk voor een poos tot kalmte wist te brengen, maar dat Antonius, wien hij verlof gegeven had Cæsars testament aan het volk voor te lezen, door het toonen van Cæsars wonden en bloedig gewaad het volk tot woede wist te ontvlammen,--en men zie wat Shakespeare van deze weinige mededeelingen heeft gemaakt. En hoe is, wat Plutarchus van Brutus mededeelt, door Shakespeare tot een schoon geheel verwerkt! Wij zien, hoe Brutus, die van Cæsar weldaden genoten had en hem beminde, doch tevens het verval der oude republiek betreurde, door Cassius en daarna door anderen, er toe gebracht wordt saâm te zweren tot een daad, die tegen zijn natuur strijdt; hoe hij, die door zijn gaven in het oog des volks de ziel der samenzwering was, overeenkomstig zijn natuur het bloedvergieten zooveel mogelijk tracht te beperken en de fout begaat, van na de onmenschelijke daad, die den grooten dictator ten val bracht, uit menschelijkheid Marcus Antonius te sparen, ja dezen toe te staan, tot het volk te spreken; hoe hij, die vertrouwd had op de vermeende rechtvaardigheid zijner zaak en niet gezorgd, dat hij zich in Rome en Italië kon handhaven, in Azië een leger moet samenrapen om de oude legioenen van Cæsar te bestrijden; hoe hij in den krijg, meer wijsgeer dan veldheer, door gebrek aan beleid zijn vriend Cassius ten verderve brengt, den veldslag verliest en ten slotte genoopt is, het voorbeeld van zijn vriend en medebevelhebber te volgen en zichzelf den dood te geven. Wanneer men aldus het karakter en het lot van Brutus nagaat, en opmerkt, hoe hier de samenzwering tegen Julius Caesar in zijn oorsprong, voortgang en afloop volledig voor oogen wordt gesteld, dan zal men erkennen, dat aan de eenheid van handeling in dit stuk niets ontbreekt. Deze eenheid is meermalen miskend, omdat het stuk niet naar Brutus, die van het begin tot het einde de belangrijkste rol er in speelt, maar naar Julius Cæsar genoemd is. Toch heeft de dichter niet ten onrechte den laatstgenoemden titel gekozen, want na Cæsars dood werkt zijn macht nog voort, zooals Brutus zelf, bij het zien van Cassius' lijk, getuigt.
Het stuk moet van 1600 of 1601 dagteekenen, want reeds vóór Drayton, die er in 1603 een uitdrukking aan ontleende, deed Weevers hetzelfde, in zijn "Spiegel van Martelaren", _Mirror of Martyrs_, welk gedicht in 1601 verscheen; hij maakt er gewag van, hoe de veelhoofdige menigte door Brutus overtuigd werd, dat Cæsar heerschzuchtig was, maar door Marcus Antonius, die Cæsars deugden roemde, van meening veranderde. Aan Plutarchus kon Weevers dit niet ontleenen [38].
Op "Julius Cæsar" volgde reeds in 1602 "Hamlet"; want dat dit stuk reeds in Juli van dat jaar bestond, al verscheen er eerst in 1603 een verminkte uitgave van, blijkt uit de registers van den boekhandel; men zie hierover de aanteekeningen op Hamlet. Aldaar vindt men de vraag behandeld, of Shakespeare in zijn eerste ontwerp en bewerking van den Hamlet later al of niet aanzienlijke wijzigingen gebracht heeft; in het eerste geval kan de onvolkomen uitgaaf van 1603 ons zijn eerste ontwerp, de veel betere van 1604 de omwerking doen kennen; in het tweede zijn bij de vertooning afgeluisterde en opgeschreven gedeelten door een ander aaneengelascht en is de tekst van 1604 de eenige en oorspronkelijke, zooals Shakespeare dien uit de handen gaf om gespeeld te worden.
Heeft Shakespeare zich in den "Julius Cæsar" getrouw aan de mededeelingen van Plutarchus gehouden, voor den "Hamlet" heeft hij aan een oud verhaal nagenoeg niets anders dan den gang der gebeurtenissen ontleend, doch dezen nog aanzienlijk gewijzigd en de handeling in een geheel anderen tijd verplaatst; de rijke karakterschildering is, zooals men van het geheele onovertroffen meesterstuk kan zeggen, volkomen oorspronkelijk. Merkwaardig is de overeenstemming tusschen Brutus en Hamlet: Brutus heeft een taak op zich genomen, die tegen zijn natuur strijdt en begaat daardoor fouten, die hem te gronde richten; en op Hamlets schouders is een taak gelegd, die hij door zijn natuur niet volbrengen kan. Hamlet is veel somberder; hij verkeert meer in de stemming, die in het zes-en-zestigste sonnet is uitgedrukt. En geen wonder: Brutus hoopt den staat te redden, door een groot man, dien hij vereert, te dooden, en het is hem gegeven te handelen; Hamlet heeft den sluipmoord, op zijn vader begaan, te wreken, en zijn moeder is met den moordenaar gehuwd; Brutus mag zijn zorgen vertrouwen aan zijn edele vrouw, Hamlet vindt geen steun bij het meisje, dat hij bemint; Brutus kan in zijn stervensuur nog juichen, dat hij in zijn geheele leven niemand had aangetroffen, die hem niet trouw was gebleven, Hamlet heeft slechts één vriend, Horatio, wien hij stervend smeekt, een wijl nog met moeite in 's werelds booze lucht adem te halen; waar hij zulk een leven heeft moeten leiden, moeten wij het sterven voor hem gewin achten.