De Werken Van William Shakespeare Overzicht Van Shakespeare S L

Chapter 6

Chapter 63,589 wordsPublic domain

"Versmaadt Zenocrate met mij te leven? Of, heeren, gij, van mijn gevolg te zijn? Die schat, zoo waant gij, weegt mij meer dan gij? Mij koopt al 't goud uit Indië's rijken schoot Den minsten trosknecht van mijn heer niet af. Zenocrate, schoon boven Jovis' schoone, Glansvoller dan de zilv'ren Rhodope, En blanker dan der Scythen blankste bergsneeuw, Gij zijt voor Tamerlan een grooter schat Dan 't rijk bezit van Perzië's kroon, dat mij Bij mijn geboorte een goed gesternte spelde. U doe een honderdtal Tataren dienst, Op rossen, vlugger nog dan Pegasus; Met kostb're steen en van mijzelf, meer waard Dan eenig siersel van Zenocrate. In elpenbeenen slede trekken u Melkwitte herten op der meren ijs En klimmen op der hooge bergen sneeuw, Die ras van uwer schoonheid stralen smelt. Mijn krijgsbuit, met vijfhonderd man, gewonnen Op Wolga's vijftig monden rijken stroom, Dit alles wijd ik aan Zenocrate, En dan mijzelf aan u, Zenocrate."

Tamerlan overwint den Turkschen keizer Bajazet, zet hem in een kooi, voedert hem als een wild dier, laat hem er van tijd tot tijd uithalen om hem als een voetbank te gebruiken bij het bestijgen van zijn troon, en voert hem op zijn tochten met zich; Bajazets vrouw, keizerin Zabina, moet slavinnedienst doen bij Zenocrate. Tamerlan trekt op om den sultan van Egypte te beoorlogen en heeft het beleg geslagen voor Damascus, dat volgens Marlowe in of bij Egypte schijnt te liggen. Bij gelegenheid van een gastmaal worden Bajazet, in zijn kooi, en Zabina binnengebracht, en Tamerlan werpt aan Bajazet een stuk vleesch toe, dat deze echter versmaadt en vertrapt; aan Zenocrate, die bedrukt en treurig ziet, vraagt Tamerlan, wat haar schort en of de Turk haar iets zal voorzingen. Zij antwoordt (IV. 4):

"O heer, mijns vaders stad berend te zien, Het land verwoest, waar ik geboren werd, Zou dit niet smarten tot in 't diepst der ziel? Indien er, heer, in u nog liefde huist, Of zoo mijn liefde voor uw majesteit Van uwer hoogheid hand een gunst verdient, Hef dan 't beleg van 't schoon Damascus op En sluit een goeden vrede met mijn vader."

Doch Tamerlan zegt:

"Waar', lieve, Egypte Jovis' eigen land, 'k Zou Jupiter doen bukken voor mijn zwaard. De blinde geografen doe ik zwijgen, Die de aard in drieën deelen en dan niet De landen noemen, die ik teek'nen wil, Nieuw, op een kaart, met deze scherpe stift, (_Hij wijst op zijn zwaard_). Waarbij ik dan provincie, stad en burg Benoem naar u en mij, Zenocrate. Hier in Damascus wijs ik 't punt nu aan, Van waar de loodlijn aanvang nemen moet; En zou 'k uws vaders gunst met zulk verlies Nu koopen, denkt gij? spreek, Zenocrate!"

Zenocrate kan niets meer zeggen dan een wensch uiten:

"Zij eer steeds en geluk met Tamerlan; Doch gun mij, dat ik voor mijn vader pleit."

Zij moet zich tevredenstellen met Tamerlans belofte:

"Stel u gerust, hij brengt er 't leven af, Als alle vrienden van Zenocrate, Die levend bukken voor mijn macht, of mij Door dwang als keizer groeten; want ik wil: Arabië en Egypte worden mijn."

Hierna krijgt Bajazet, die de neep des hongers niet kan weerstaan, wat te eten.

Damascus, tot het uiterste gebracht, zendt vier maagden tot Tamerlan, om genade te verwerven, doch zij worden meedoogenloos geslacht. Dit wordt gevolgd door een alleenspraak van Tamerlan, die van zijn hartstochtelijke liefde voor Zenocrate getuigenis aflegt. Toch is hij niet verzacht, want hij laat terstond daarna Bajazet, in zijn kooi, met Zabina voor zich brengen; doch op het bericht, dat wel Damascus genomen, maar de sultan van Egypte, alsmede de koning van Arabië, vroeger met Zenocrate verloofd, met hun leger nabij zijn, vertrekt hij terstond ten strijde. Bajazet, alleen gelaten, maakt, na een gesprek met zijn echtgenoote Zabina, van de gelegenheid gebruik om zich het hoofd tegen de kooi te verbrijzelen en Zabina volgt zijn voorbeeld. Zenocrate verschijnt en klaagt bitter over Tamerlans wreedheid. Middelerwijl woedt de strijd, de koning van Arabië komt doodelijk gewond op en sterft; onmiddellijk daarna komt Tamerlan als overwinnaar terug, vergezeld van den sultan van Egypte, die in zijn macht is gevallen, doch het leven behoudt en zelfs zijn rijk terugontvangt, zooals Tamerlan zegt in een toespraak, die het eerste stuk besluit (V. 2):

"Zet, godd'lijke Zenocrate, u neer, Wij kronen u aldus als koningin Van Perzië en elk rijk en vorstendom, Dat Tamerlans geweld pas onderwierp. Als Juno eens na der Giganten val, Die bergen slingerden naar Jovis' hoofd, Zoo zie ik mijn geliefde nu, wier voorhoofd Mij mijn triomfen en tropeeën maalt, Of als Latona's dochters, tuk op strijd, Den moed verhoogend van mijn heerschersgeest. En, lieflijke Zenocrate, om u Zal Azië, Mooren- en Egypteland, Van 't Berberland tot west'lijk India, Uw' vader jaar op jaar een cijns betalen; Zijn machtige arm zal reiken van de grens Van Afrika tot aan des Ganges boord. En thans, gij heeren en getrouwe volgers, Die menig rijk mij wont door kloeken moed, Legt nu voor 't pantser purp'ren kleed'ren aan, En neemt uw koninklijke zetels in, Omgeven van uw stoet van edellieden, En regelt orde en wet in uw gebied. Hangt aan Alcides' pijlers uwe waap'nen, Want Tamerlan sluit vrede met heel de aard. Uw eerste bruidegom, Arabië's vorst, Wordt eervol, zooals past, ter aard besteld, Zoo ook de Turksche vorst en schoone gade. En is die waardige uitvaart hun bereid, Dan volge onze echt met groote plechtigheid."

Dat het tweede deel verscheiden jaren later speelt, blijkt hieruit, dat er drie zoons van Tamerlan en Zenocrate in optreden, allen reeds van den leeftijd om de wapenen te voeren. Doch overigens in alles hetzelfde, Tamerlan is er met de jaren niet makker op geworden; eer zou men zeggen, dat zijn woestheid nog is toegenomen, en tevens treden er eenige tegenstanders op, die evenzoo van hun legers, gevechten en overwinningen zwetsen, kortom een even grooten mond opzetten als hij. Zij worden natuurlijk overwonnen; Tamerlan spant een paar der gevangen koningen voor zijn wagen, legt hun een gebit in den mond, neemt de teugels in de linkerhand en een zweep in de rechter, waarmede hij hen voortdrijft; zoo verschijnt hij een paar keer ten tooneele (IV. 4 en V. 1). De woorden van den zwetsenden Pistool, Falstaff's vaandrig (2 Kon. Hendrik IV, II. 4. 178):

"Knollen, voos en log, van Asia, Die op een dag nauw dertig mijlen loopen",

zijn aan dit tooneel ontleend.--Zenocrate krijgt de koorts en sterft; Tamerlan raast, verklaart aan den hemel den oorlog en steekt ter eere zijner overleden gemalin een volkrijke stad in brand.--Zijn oudste zoon is weinig oorlogzuchtig en maakt eens, als Tamerlan hem zegt, wat zijn zoons te leeren hebben om krijgers en echte zoons van Tamerlan te zijn,--wat niet weinig is en ongeloofelijke heldendaden in zich sluit,--de opmerking, dat dit alles zeer gevaarlijk is en dat zij verslagen of gewond kunnen wezen, eer zij volleerd zijn; Tamerlan brengt zich dan een wonde aan den arm toe, om hem te doen zien, dat een wonde, hoe diep ook, niets is. De les helpt niet; aan een volgend gevecht neemt zijn oudste zoon geen deel, en hij wordt dan ook zonder genade door zijn vader gedood.--Tamerlan raast en woedt steeds door, maar wordt eindelijk krank en sterft, en daarmee is het stuk uit.

Enkele voorbeelden uit dit stuk mogen den stijl en de taal van Marlowe nog nader doen kennen. Zenocrate is gestorven en nu roept Tamerlan zijn volgelingen toe (II. 4):

"Wat! is zij dood? Techelles, trek uw zwaard, En houw in de aard, dat zij in tweeën splijt' En wij in de onderaardsche krochten dringen, De Noodlots-zusters sleepen bij het haar, Haar sling'ren in der hel driedubb'len stroom, Voor 't rooven van mijn gâ Zenocrate! Te wapen, Casane en Theridamas! Werpt schansen hooger dan de wolken op, En beuk met grof geschut het hemelwelf, Beschiet het schitt'rend prachtpaleis der zon En gruizel heel der sterren firmament! Want Jupiter, verliefd, stal mij mijn lief, Opdat zij hemelkoninginne wierd. Wat god het zij, die u in de armen knelt, En u met nectar laaft en ambrozijn, Zie, godd'lijke Zenocrate, 'k sta hier, Wanhopig, razend, onbedwingbaar, dol. Mijn stalen lans moog' splint'ren, ik verbreek Het roestig slot van Janus' tempeldeur, En laat den Dood en dwing'land Krijg er uit, Ten tocht met mij en deze bloedbanier! Heb deernis met den grooten Tamerlan, Daal uit den hemel, keer tot mij terug!"

Men ziet, dat Marlowe niet afkeerig is van mythologische toespelingen. Evenzoo is het hem een genoegen, zijn geographische geleerdheid te luchten, wat, wegens haar uiterst twijfelachtig gehalte, dikwijls zeer vermakelijk is. Zijn zucht tot overdrijven komt ook uit bij het opnoemen van de sterkte der legerscharen, die zelden minder dan honderd duizend man tellen, soms millioenen en een enkelen keer zelfs "meer dan oneindig." Zoo zegt Gazellus, een Turksch veldheer (II. 2):

"Thans komen we, om zijn spieren te doen rillen, Met grooter macht, dan ooit zijn trots ervoer. Een honderd koningen, bij twintigtallen Geschaard, daagt thans hem uit tot woesten strijd; Elk twintigtal brengt honderd duizend man. Al stortten donderkeilen hageldicht Met felle buien uit der wolken schoot, Partijdig gunstrijk voor den trotschen Scyth, Toch bleken onze moed en stalen helmen En ons getal, meer dan oneindig, wis In staat tot wederstand en zegepraal."

Hooren wij ook, wat Tamerlan tot zijn onderveldheeren, die hij tot koningen verheven heeft, spreekt (I. 3):

"Uw komst hier, vrienden, koninklijke broeders, Vervult mijn hart met overmaat van vreugd. Zoo de kristallen poort van Jovis' burg Mij openstond, opdat ik binnenging Om 's hemels macht en majesteit te zien, 't Verheugde mij niet meer dan dit gezicht. Thans richten we op deez' vlakte een feestmaal aan; Dan naar Turkije met ons heer getogen, Talrijker dan der waterdrupp'len val, Als Boreas een duizend wolken scheurt. De trotsche Orcanes van Natolië zal Met al zijn onderkoningen zoo sidd'ren, Dat, wierden ook, als na Deucalions vloed, De steenen menschen, hij bezwijken moest. Zoo wil ik baden in der Turken bloed, Dat Jupiter mij door zijn vleugelbode Gelast mijn zwaard te bergen, 't veld te ontruimen, En dat de Zon, van de' aanblik schier bezwijmd, Zijn hoofd verbergt in Thetis' vochten schoot, Zijn rossen in Boötes' hoede geeft; Want in dien strijd zal 't halve menschdom vallen."

Als Tamerlan zich zwaar ziek gevoelt, geeft hij zijn smart aldus lucht (V. 3):

"Wat drieste God is 't, die mijn lichaam nijpt, Den grooten Tamerlan bedwingen wil? Moet ziekte mij als mensch doen kennen, mij, Die steeds de schrik der wereld werd genoemd? Techelles, allen! komt, en trekt uw zwaard, Bedreigt dat wezen, dat mijn ziele kwelt! Op nu! ten strijde met des hemels machten! Verheft banieren, zwarte, in 't firmament, Ten teeken, dat der goden sterfuur naakt. Wat, vrienden, zal ik doen? ik kan niet staan. Komt, draagt mij, dat ik 't godendom bekamp', Dat Tamerlans gezondheid zoo belaagt."

Theridamas tracht hem tot kalmte te stemmen:

"Ach, goede heer, weerhoud die gramme taal, Die uwer ziekte felheid veel verscherpt."

Doch Tamerlan gaat voort:

"Wat! zou ik zitten, kwijnen aan mijn kwaal? Neen, roert de trommen! op ter wrake! Komt, En velt de lansen! hem de borst doorboord, Die op zijn schouders de as der wereld draagt, Opdat, val ik, ook aarde en hemel vallen! Theridamas, spoed u naar Jovis' hof; Zeg, dat hij fluks Apollo tot mij zend' Om mij te heelen, of ik haal hem zelf."

Techelles doet een nieuwe poging:

"Zit kalm, mijn koning, wijken zal die smart; Zij kan niet duren, want ze is al te sterk."

Waarop Tamerlans antwoord is:

"Niet duren, vriend? neen, want ik sterf er aan. Zie, hoe mijn slaaf, het leelijk monster, Dood, Sterk bevend, sidd'rend, bleek en vaal van vrees, Daar loerend staat, zijn moordpijl op mij richt, En verre wegvlucht, als mijn blik hem treft, Doch, zie ik niet hem aan, weer nader sluipt!-- Ellend'ling, weg! spoed u naar 't open veld; 'k Verschijn er met mijn heer; 'k belaad uw rug Met zielen, duizend, van verminkte lijken.-- Daar gaat hij, zie!--maar zie, daar is hij weer, Wijl 'k toef! Techelles, trekken we op! de Dood Bezwijm' door zielen hellewaarts te dragen."

Hoe gezwollen zulk een stijl ons moge voorkomen, men zal toch niet licht beweren, dat hij van schoonheid ontbloot, dat hij met gewonen bombast gelijk te stellen is. Integendeel, men kan hier en daar de zuiverste parels van schoonheid opmerken, hoewel dikwijls in de wonderlijkste omgeving. Als--om hier nog een enkel voorbeeld van te geven--Tamerlan ten tooneele komt op een wagen, door de koningen van Trebizonde en Syrië getrokken, en hen uitmaakt voor logge, volgevreten knollen, die slechts twintig mijlen daags afleggen, hoewel zij zulk een prachtige kar trekken en den grooten Tamerlan tot menner hebben, gaat hij voort: "De rossen, die het gouden oog des dags rondvoeren en den morgen uit hun neusgaten blazen, bij hun trotschen rit boven de wolken, erlangen niet zooveel eer van hun bestuurder als gij, gij slaven van den machtigen Tamerlan." Met dit schoone beeld is Marlowe echter nog niet tevreden, de herinneringen uit de oudheid zijn over hem vaardig geworden en hij voegt er aan toe, dat de door Alcides getemde Thracische rossen, die koning Egeus met menschenvleesch voedde en zoo dartel maakte, dat zij hun kracht gevoelden, niet voor een goddelijker macht moesten bukken, dan zij, die door zijn onoverwonnen arm waren bedwongen; hij zou hen voeden met rauw vleesch en hun den sterksten muskadel uit emmers te drinken geven, opdat zij zijn kar sneller voorttrokken dan de jagende wolken; zoo zij dit niet vermochten, deugden zij voor niets, en mochten een aas zijn voor zwarte raven. Bij het beoordeelen dezer taal bedenke men, dat de jonge dramatische dichter ten doel moest hebben het publiek te boeien en te treffen, en dat dit publiek gewoon was Herodes op het tooneel te hooren bulderen en zich ook niet kon voorstellen, dat een geweldig heerscher als Tamerlan zich anders dan op geweldige wijze uitte. En dan behoeft men zich inderdaad niet te verwonderen, dat het publiek zoowel door wat het oog te zien kreeg als door de prachtig rollende verzen van den jongen dichter en door de nieuwheid zijner beelden als het ware betooverd werd. Dat Marlowe ook nog op andere wijze, misschien door meer boertige tooneelen de toejuichingen van de schouwburgbezoekers trachtte te verwerven, blijkt uit het voorbericht van den drukker, waarin deze erkent enkele tooneelen, te weinig in overeenstemming met de rest, en, schoon met genoegen aangegaapt, niet genoeglijk bij het lezen, te hebben weggelaten. Wat hiervan zij, de bijval, dien het stuk vond, is zeer wel te verklaren, en tevens moet erkend worden, dat Marlowe, schoon den smaak van het volk treffend, niet tot het volk afdaalde, maar het tot zich optrok, en aan zijn toeschouwers het hoogste en verhevenste gaf, dat hij hun kon aanbieden.

Dat hij dit inderdaad deed, en zelfs niet schroomde, groote vraagstukken, die des menschen geest bewegen, ten tooneele te brengen, blijkt uit zijn volgend stuk: "De tragische historie van Doctor Faustus." Reeds geruimen tijd was in Duitschland het verhaal in omloop van zekeren Johan Faust, een wonderdokter, astroloog en toovenaar uit de eerste helft der zestiende eeuw, die door den duivel gehaald zou zijn; zijn geschiedenis was reeds in 1567 tot een comedie verwerkt, die men in genoemd jaar in Frankfort aan de Main heeft willen opvoeren. In dezelfde stad verscheen in 1587 het eerste Duitsche volksboek over het Faust-verhaal, en hoogstwaarschijnlijk was reeds in het volgend jaar het stuk van Marlowe voltooid, vermoedelijk vóór den ondergang der onoverwinnelijke vloot; op welke wijze hij van het Duitsche volksboek kennis gekregen heeft, is onbekend. Marlowe's stuk werd, natuurlijk meer of minder gewijzigd, later in Duitschland als poppenspel vertoond en een van deze omwerkingen heeft aanleiding gegeven tot Goethe's beroemd dramatisch gedicht. Het mag een dwaasheid genoemd worden, beide werken, dat van Marlowe en dat van Goethe, met elkander te gaan vergelijken, maar onwillekeurig komt men er eenigszins toe, en daarom zij hier met enkele woorden gezegd, dat van den strijd, bij Goethe door Faust gestreden, tusschen den onwederstaanbaren aandrang tot weten en de beperktheid der menschelijke natuur, bij Marlowe geen spoor te vinden is. Zucht naar kennis drijft bij Goethe Faust tot beoefening der magie en tot zijn verbond met den duivel; bij Marlowe heeft de zucht naar wetenschap weinig te beteekenen en openbaart zich alleen door eenige vragen over verouderde redeneer- en sterrenkunde; wat Faustus bij hem door de magie tracht te verwerven, is roem, macht en genot. Reeds in het begin van het stuk, in zijn eerste alleenspraak, spreekt hij het duidelijk uit:

"O, welk een wereld van genot en voordeel, Van macht, van eer en van almogendheid, Belooft de kunst aan hem, die ijv'rig streeft! Al wat zich tusschen beide polen roert, Gehoorzaamt mij dan; koningen en keizers Gebieden enkel in hun eigen land, Hun wil ontboeit geen storm of scheurt geen zwerk; Doch wie in dit gebied een heerscher is, Regeert zoover de geest des menschen reikt. Een echte Magus is een machtig god; Scherp, Faustus, 't brein voor deze godd'lijkheid."

Hierop zendt Faustus zijn dienaar en leerling naar twee vrienden, Valdes en Cornelius, die in de magie bedreven zijn; in dien tusschentijd spreken hem een goede en een kwade engel toe; Faustus blijft besloten de magie te beoefenen, die hem rijkdom en macht zal bezorgen, en wordt door zijn twee leermeesters in de zwarte kunst ingewijd. Hij bezweert daarop Mephistophilis, die een zwaarmoedige en goedaardige duivel blijkt te zijn, hem de helsche pijnen schildert, en hem dringend afraadt, het verbond met Lucifer te sluiten. Faustus blijft vastbesloten en zendt Mephistophilis naar Lucifer, met het bericht, dat hij dezen voor vier-en-twintig jaren levens van genot en macht zijn ziel wil verpanden. Daarna wordt hij nog wel door angst bekropen, maar blijft, ook bij het hernieuwd bezoek van den goeden en kwaden engel, bij zijn plan, en sluit met Mephistophilis het in allen vorm opgemaakte en met zijn bloed onderteekende verdrag. Meermalen gevoelt hij wroeging en komen de goede en de kwade engel hem bezoeken, maar hij blijft getrouw aan Lucifer, die ook zelf bij hem verschijnt en de zeven doodzonden in haar ware gedaante voor hem doet verschijnen. Van Mephistophilis vergezeld, bezoekt Faustus, op een kar, door draken getrokken, verschillende landen. Wij vernemen dit uit een mededeeling van het koor en uit een gesprek van Faustus met Mephistophilis; zijn verrichtingen in Rome worden vertoond. Hij voert er onzichtbaar, bij een gastmaal van den paus, allerlei kunststukjes uit, neemt dezen de schotels voor den neus weg, drinkt zijn beker leeg en dient hem eindelijk een oorveeg toe; de bedienende monniken, die de onzichtbare euveldaders vervloeken, krijgen slaag. Vervolgens komen Faustus en Mephistophilis aan het hof des keizers te Innsbruck, waar Faust den grooten Alexander met zijn gemalin voor den keizer verschijnen doet, een ridder horens op het hoofd toovert en hem er weer van bevrijdt. Dan weder vermaakt zich Faustus door een paardenkooper te bedotten met een betooverd paard en zich door hem een been te laten aftrekken, wat den man natuurlijk een geweldigen schrik op het lijf jaagt; voorts bezorgt hij door zijn tooverkunst aan de hertogin van Anholt in Januari een schotel rijpe druiven, en laat eindelijk de schoone Helena voor zich verschijnen, wordt op haar verliefd en kust haar. Het is het laatste genot, dat zijn tooverkunst hem aanbrengt; zijn tijd is om; schoon hij na zijn contract eigenlijk alleen enkele onschuldige grappen verkocht heeft, benauwen hem geweldige gewetenswroegingen in zijn laatste ure; onder donder en bliksem wordt hij door duivelen naar de hel gesleept.

Bij het beoordeelen van Marlowe's Faustus moet men in het oog houden, dat wij het stuk niet voor ons hebben zooals het uit des dichters pen gevloeid is; de eerste druk is van 1604, meer dan tien jaren na zijn dood, en het is gebleken, dat er, toen het stuk een poos gespeeld was, wijzigingen in gemaakt zijn, die waarschijnlijk vooral in bijvoegingen bestaan hebben, om de toeschouwers, die het stuk meermalen gezien hadden, op enkele nieuwe tooneelen te onthalen. Maar ook al brengt men dit in rekening, dan moet toch erkend worden, dat de dichter, het volksboek tamelijk getrouw volgende, eenvoudig een reeks van tooneelen geleverd heeft, die onderling zeer weinig samenhangen, zoodat er van een doorloopende handeling eigenlijk geen sprake kan zijn. Evenzeer ontbreekt een scherpe karakterteekening, zelfs van den hoofdpersoon, wiens bedrijf en lot geen groote belangstelling kunnen wekken. Men moge alle hulde brengen aan de dichterlijke schoonheid van enkele gedeelten, het geheel is niet van dien aard, dat dit stuk aan Shakespeare als voorbeeld kan gediend hebben en op zijn ontwikkeling van eenigszins aanmerkelijken invloed geweest kan zijn.

Hetzelfde moet gezegd worden van het volgend stuk van Marlowe, "De Jood van Malta", _The Jew of Malta_, dat in 1589 of 1590 moet geschreven zijn. De rijke jood Barabas is door de willekeur van den bestuurder van Malta van zijn goederen beroofd en besluit zich te wreken, wat hij dan ook op de gruwelijkste wijze ten uitvoer brengt. Moorden te plegen is hem een wellust; zoo vergiftigt hij al de nonnen,--en onder deze behoort zijn eigen dochter,--van het klooster, dat in zijn vroegere woning gevestigd is, en bedenkt ten laatste een helsche machine, om als met één slag de velen, die hij haat, te vermoorden, doch wordt zelf het slachtoffer zijner uitvinding. Dat hij een haatdragende en wraakzuchtige jood is en een bekoorlijke dochter bezit, is de eenige overeenkomst van den Barabas van Marlowe met den Shylock uit Shakespeare's Koopman Van Venetië. Het stuk is gruwelijk, niet tragisch.