De Werken Van William Shakespeare Overzicht Van Shakespeare S L

Chapter 5

Chapter 53,693 wordsPublic domain

Niet alleen aan het hof, ook voor het volk werden vaak stukken, aan de oudheid ontleend, vertoond; van deze is hier Prestons Cambyses te noemen; op Cambyses' manier wil Falstaff spreken, als hij voor koning te spelen en aan Prins Hendrik een vaderlijke vermaning te geven heeft (I K. Hendrik IV, II. 4. 425). Sedert het jaar 1570 of daaromtrent nam het aantal treurspelen, blijspelen en historiespelen ongelooflijk snel toe. Nog steeds leverde de oudheid vaak de onderwerpen, zoodat het volk vermoedelijk hier tamelijk wel vertrouwd mede werd, waarop gerekend moet zijn bij de talrijke toespelingen op personen en voorvallen der oude geschiedenis en mythologie, die onder andere ook in oudere stukken van Shakespeare voorkomen; met name werd vaak van den val van Troje gewaagd, waartoe trouwens bijdroeg, dat de Engelschen van de Trojanen heetten af te stammen. Maar ook uit de oude Engelsche geschiedenis, ja uit den geheelen schat van middeleeuwsche overleveringen en volksverhalen werd de stof voor deze spelen geput en ook Italiaansche en Fransche novellen werden tot treur- en blijspelen verwerkt; lang vóór Shakespeare werd de geschiedenis van "Romeus en Julia", zooals de bewaard gebleven titel van een oud treurspel luidt, den volke vertoond. De stukken waren zeer dikwijls het werk van tooneelspelers, die er in optraden; deze waren wel bekend met de eischen en wenschen der toeschouwers; zij wisten wat indruk zou maken, wat het gemoed van het volk in beweging zou brengen; mochten geleerden ook trachten het oude drama in eere te houden, er ontstond een nieuw, een oorspronkelijk drama, geheel voor de behoeften van den tijd berekend en door deze in het leven geroepen. En van welk een tijd was dit drama de spiegel! Op den veelbewogen tijd van koning Hendrik VIII was de korte regeering van zijn zoon gevolgd, onder wien de hervorming ten volle werd doorgezet, om daarna onder koningin Maria fel bestreden en onder haar opvolgster weder hersteld en voor goed gevestigd te worden. En nu ontwikkelde zich onder Elizabeth, door bekwame en in eere gehouden staatslieden bijgestaan, in alle opzichten Engelands grootheid. De macht van Spanje werd heimelijk of openlijk bestreden, nijverheid en handel namen krachtig toe, verre zeetochten, ware ontdekkingsreizen werden ondernomen, stoutmoedige zeelieden deden zich als helden kennen; er was opgewektheid en leven bij het geheele volk; het was het meest dramatisch tijdperk van Engelands geschiedenis. Geen wonder, dat in zulk een tijd het tooneel binnen weinige jaren uit een kleine kiem met krachtigen wasdom tot bloei kwam. Reeds omstreeks 1580 bezaten de tooneelwerken een tamelijk vasten vorm, later wel naar omstandigheden gewijzigd, doch niet geheel veranderd; in 1576 was de eerste openbare schouwburg in Londen gesticht en hetzelfde jaar zag nog een paar andere verrijzen.

Wenscht men de tooneelwerken uit dezen tijd van wording van het Engelsch drama nader te leeren kennen, dan bevindt men, dat er zeer weinig van is overgebleven. Zeer zelden werden de stukken gedrukt; zij werden geschreven om gespeeld en gezien, niet om gelezen te worden; de schrijver stond ze aan de schouwburgen af, wier belang niet medebracht, dat zij gedrukt werden en het publiek begeerde ze wel te zien en te hooren, maar had veel minder verlangen om ze te lezen. Hierbij kwam nog, dat het schrijven van tooneelwerken eigenlijk niet als een letterkundige werkzaamheid beschouwd, de schrijver niet tot de dichters gerekend werd [15]. Om als dichter erkend en gevierd te worden, moest men sonnetten, lierzangen, beschrijvende of verhalende gedichten schrijven. Dit bleef nog geruimen tijd zoo, en ook Shakespeare heeft geen enkel zijner tooneelwerken zelf uitgegeven en zich ongetwijfeld niet eens met de uitgave, als deze door anderen ondernomen werd, bemoeid; alleen zijn twee beschrijvende gedichten, de "Venus en Adonis" en de "Lucretia" zijn door hemzelf in het licht gegeven en de druk is hierdoor veel beter verzorgd dan die van een zijner tooneelwerken. Hadden uitgevers er geen voordeel in gezien zijn tooneelstukken te doen verschijnen en niet, meest door slinksche middelen, er zich een afschrift van verschaft, en hadden niet een paar zijner vrienden weinige jaren na zijn dood zijn dramatische werken bijeenverzameld en ter perse gezonden, dan zou men alleen uit enkele schrale berichten weten, dat er een groot tooneelschrijver Shakespeare op het einde der zestiende en in het begin der zeventiende eeuw bestaan heeft. Doch wij behoeven gelukkig de kennis der oudere stukken niet, om de ontwikkeling van Shakespeare's talent na te gaan, daar ons van de onmiddellijke voorgangers, of liever tijdgenooten, die slechts even vóór of te gelijk met hem voor het tooneel schreven, veel meer bekend is.

Onder deze neemt John Lilly of Lyly een eigenaardige en afzonderlijke plaats in. Hij was omstreeks 1553 in Kent geboren en dus een tiental jaren ouder dan Shakespeare; hij studeerde te Oxford, waar hij in 1573 Baccalaureus en in 1575 Meester in de vrije kunsten werd. Sedert leefde hij, zoo het schijnt, te Londen en kwam er in betrekking met het hof; ten minste hij schreef blijspelen, die er werden opgevoerd. Van zijn stuk _Campaspe_, dat in 1584 te Londen door Th. Cabman werd uitgegeven,--de andere zagen alle eerst later het licht,--meldt de titel, dat het voor de koningin gespeeld was "op den avond van Nieuwjaarsdag door Harer Majesteit kinderen en de kinderen van St. Paul", dat is, door de knapen der koninklijke kapel en door de knapen van de St.-Paulskerk. Doch reeds vroeger had Lilly grooten naam verworven door het uitgeven van een paar werken, in den vorm van een roman geschreven, waarvan het eerste, dat in 1580 het licht zag, den titel draagt van _Euphues; or, the Anatomy of Wit_, "Euphues of de ontleding van het vernuft", en het andere dien van _Euphues and his England_. Men heeft den eigenaardigen, gekunstelden, opgeschroefden, met allerlei vergelijkingen en gezochte tegenstellingen overladen stijl, waarin deze boeken geschreven zijn, naar den held er van, _Euphuisme_ en Lilly zelf den _Euphuist_ genoemd. Zulk een gekunstelde stijl was in de hoogere kringen en aan het hof langen tijd zoozeer mode, dat alles, wat op beschaving aanspraak maakte, zich op deze wijze moest uitdrukken en het voor het teeken eener gebrekkige of recht burgerlijke opvoeding gehouden werd, als iemand zich in zijn gesprekken en brieven van gewoon, eenvoudig Engelsch bediende en al deze gezochte bloemrijkheid versmaadde. De genoemde boeken van Lilly waren inderdaad handboeken, waaruit men zich die kunstige wijze, om zijn gedachten te uiten, eigen kon maken. Men leide uit het gezegde niet af, dat Lilly deze uitdrukkingswijze heeft uitgedacht en dat zijn voorbeeld haar bij het hof en de hoogere standen in zwang bracht, van waar zij natuurlijk door nabootsing ook bij lagere kringen in gebruik kwam. Inderdaad was de smaak voor zulk een wijs van spreken reeds aanwezig; voor sonnetten en andere gedichten in Italiaanschen trant werd deze stijl sinds geruimen tijd gebezigd en was ook in den dagelijkschen omgang, b.v. bij voorname jongelieden, niet vreemd meer. Sidney's Arcadia, een veelgelezen en vaak nagevolgd werk uit dezen tijd, ook aan Shakespeare ongetwijfeld goed bekend, is in een dergelijken overladen stijl geschreven, en toch verbeeldde zich Sidney, dat hij de gezochtheid van Lilly vermeden had! Lilly maakte inderdaad slechts gebruik van wat in den smaak van den tijd viel, en bezigde dit om een werk tot stand te brengen, dat blijkens den bijval, dien het vond, de lezers boeide en verlustigde, ja, hun als voorbeeld kon dienen, hoe zij met verfijnde kunst hun gesprekken en brieven konden kruiden. En hoe gezocht en overladen met beelden de stijl ook wezen mocht, het streven naar puntigheid, het zoeken naar vergelijkingen en tegenstellingen, heeft werkelijk bijgedragen om de taal te verrijken, te verfijnen en voor een geestrijk gesprek geschikter te maken. Lilly's geschriften hebben op velen, ook op Shakespeare, te veel invloed uitgeoefend, hun te zeer als voorbeeld gestrekt, om er niet een paar staaltjes uit te geven, ontleend aan zijn tooneelstuk, _Campaspe_, ook wel _Alexander en Campaspe_ geheeten. De proloog, bij de opvoering ten hove uitgesproken, zij vooreerst medegedeeld.

"Wij staan beschaamd, dat onze vogel, die bij schemerlicht fladdert en een zwaan schijnt, bij zonlicht wellicht een vledermuis zal blijken. Doch zooals Jupiter Silenus' ezel onder de sterren een plaats gaf, en Alcibiades zijn schilderijen, die uilen en apen voorstelden, met een gordijn bedekte, waar leeuwen en arenden op geborduurd waren, zoo zijn wij gedwongen bij een ruw verwijt met gladde tong ons te verontschuldigen, aan juweliers gelijk, die een barst in een steen trachten te verbergen door hem diep in het goud te zetten. De goden nuttigden eens bij de arme Baucis het avondmaal, de Perzische koningen schaafden soms stokken; onze hoop is, dat Uwe Hoogheid te dezer ure het oor zal willen leenen aan een edel tijdverdrijf. Appianus vroeg, toen hij Homerus uit de onderwereld had doen opdagen, dezen niets anders dan wie zijn vader geweest was, en wij, die Alexander uit zijn graf oproepen, speuren enkel na, wie zijn uitverkorene geweest is. Wat wij ook te voorschijn brengen, wij wenschen, dat het geacht moge worden als het dansen van Agrippa's schimmen, die, als zij gezien werden, juist van de gedaante waren, die iemand uitdacht; of Lynxen, die, een vlug oog bezittend om te onderscheiden, een kort geheugen hebben om te vergeten. Met ons zal het denkelijk gaan als met toortsen, die, anderen licht gevend, zichzelf verteren; en wij, anderen genot biedend, doen onszelf oneer aan."

Men wane niet, dat Lilly zijn geheel tooneelstuk geschreven heeft in den stijl, dien hij voor den proloog, voor de aanspraak tot de koningin, passend achtte. Moge deze ook aantoonen, hoe verre de gezochtheid van het "Euphuisme" gaan kan, men kan in het tooneelstuk zelf bewijzen genoeg vinden, dat Lilly met goeden, fijnen en natuurlijken smaak een boeiende samenspraak wist te schrijven. Het is noodig dit hier met een paar voorbeelden toe te lichten. De gang van het stuk is zeer eenvoudig. Alexander bevindt zich, na de verovering van Thebe, in Athene; hij is smoorlijk verliefd geraakt op een schoone Thebaansche gevangene, de bekoorlijke Campaspe, en draagt aan Apelles op, haar afbeeldsel te schilderen. Weldra is Apelles door haar schoonheid en liefelijkheid diep getroffen; hij bemint haar en zijn liefde wordt beantwoord. Als dit aan Alexander bekend wordt, vereenigt hij, zijn eigen neiging bestrijdend, edelmoedig de gelieven en gaat den veldtocht naar Perzië ondernemen. Lilly vindt gelegenheid om tal van verhalen, over Alexander in omloop, in zijn stuk te vlechten; zoo laat hij hem den omgang met de Atheensche wijsgeeren, zooals Chrysippos, Plato, Diogenes en anderen, zoeken, en vooral met Diogenes geestige gesprekken voeren; ook andere gedeelten zijn boeiend geschreven en geheel vrijgehouden van de onnatuurlijkheid, die in den proloog wordt aangetroffen. Men hoore, hoe Melippus, een kamerheer van Alexander, die de voornaamste Grieksche wijsgeeren tot een samenkomst met zijn vorst heeft moeten oproepen, zich beklaagt:

"Ik had nooit zoo veel moeite om geleerden voor een koning te ontbieden. Eerst kwam ik bij Chrysippos, een langen, mageren, dwazen ouden man, die, toen ik hem zeide, dat Alexander hem wenschte te zien, mij strak, zonder oogen of lichaam te bewegen, bleef aanstaren, toen een boek nam, ging zitten lezen en niets zeide. Melissa, zijn dienstmaagd, zeide mij, dat dit zijn gewoonte was, en dat zij hem dikwijls het eten in den mond moest stoppen, want dat hij eer zou verhongeren, dan zijn lezen staken. Nu, dacht ik, toen ik boekenlezers zoo stompzinnig zag en groote geleerden zoo onnoozele hovelingen, dan wil ik geen deel hebben aan hun maal en evenmin aan hun lof. Toen ging ik naar Plato en naar Aristoteles en naar verscheiden anderen, en allen waren bereid om te komen, met uitzondering alleen van een onooglijken kerel, die in een ton, naar de zon gekeerd, gezeten was en aan een jongen knaap Grieksch voorlas. Toen ik hem verzocht om voor Alexander te verschijnen, antwoordde hij: "Als Alexander mij gaarne zien wil, kan hij tot mij komen; als hij van mij leeren wil, kan hij tot mij komen; wat het ook zij, hij kan tot mij komen". "Maar", zeide ik, "hij is koning". "Goed", antwoordde hij, "ik ben wijsgeer". "Neen, maar hij is Alexander". "Ja, maar ik ben Diogenes". Ik was geërgerd, toen ik iemand, zoo knoestig van gedaante, zoo knorrig in zijn spreken vond. Daarom voegde ik hem bij het heengaan toe: "Het zal u rouwen, als gij niet bij Alexander komt". "Neen", zeide hij grinnikend, "het zal Alexander rouwen, als hij niet bij Diogenes komt; de deugd moet gezocht, niet opgedrongen worden". En hierop draaide hij zich om en knorde onverstaanbaar, als een zwijn, in zijn ton. Doch ik moet maken, dat ik weg kom; de wijsgeeren komen daar aan".

Alexander gaat later naar Diogenes, roept hem uit zijn ton en heeft het volgend gesprek met hem.

_Diog._ Wie roept mij?

_Alex._ Alexander. Waarom hebt gij niet uit uw ton naar mijn paleis willen komen?

_Diog._ Omdat het even ver van mijn ton naar uw paleis is, als van uw paleis naar mijn ton.

_Alex._ Wel, zijt gij dan aan koningen geen eerbetoon schuldig?

_Diog._ Neen.

_Alex._ Waarom niet?

_Diog._ Omdat zij geen goden zijn.

_Alex._ Zij zijn goden op aarde.

_Diog._ Ja, goden van aarde.

_Alex._ Plato denkt er anders over.

_Diog._ Dat verheugt mij.

_Alex._ Waarom?

_Diog._ Omdat ik niet wensch, dat een ander dan Diogenes de gedachten van Diogenes heeft.

_Alex._ Als Alexander iets heeft, dat Diogenes genoegen kan doen, noem het mij dan en neem het aan.

_Diog._ Ontneem mij dan niet wat gij mij niet kunt geven: het zonlicht.

_Alex._ Hebt gij nergens behoefte aan?

_Diog._ Aan niets van wat gij hebt.

_Alex._ Ik heb de geheele wereld tot mijn bevelen.

_Diog._ En ik tot mijn verachting.

_Alex._ Gij leeft niet langer dan ik wil.

_Diog._ Maar ik sterf, of gij wilt of niet.

_Alex._ Hoe kan iemand leeren tevreden te zijn?

_Diog._ Door te verleeren begeerig te zijn.

_Alex._ Hephæstion, zoo ik niet Alexander was, zou ik wenschen Diogenes te zijn.

Het zou de moeite waard zijn, hier nog een paar van de geestige gesprekken tusschen Apelles en Campaspe, waarin de langzamerhand ontluikende liefde der laatste fraai uitkomt, of een paar gesprekken, in een geheel anderen toon gevoerd, tusschen bedienden, of een gesprek van Diogenes met een Athener, die zijn zoon aan de leiding des wijsgeers toevertrouwen wil, mede te deelen, doch dit weinige moge volstaan om te doen zien, dat Lilly de kunst verstond een fraaien, boeienden en geestvollen dialoog te schrijven en zich, waar het noodig was, wist te onthouden van de jacht op gezochte woordspelingen en vergelijkingen, waar hij anders maar al te vaak aan toegeeft. Wel had reeds vroeger Gascoigne in een vertaling der _Supposti_ van Ariosto van proza gebruik gemaakt, maar Lilly bezigde het in zijn tooneelwerken doorgaande en wel met zooveel smaak en talent, dat hij de vader van het dramatisch proza verdient genoemd te worden. Zoolang het Euphuisme aan het hof bewonderd en ook bij andere standen in zwang was, werd Lilly buitengewoon, en verre boven zijn verdienste bewonderd; doch toen men eenmaal de gezochtheid van zijn stijl inzag en afkeerig werd van het bezigen van beeldspraak, gelijkenissen, mythologische toespelingen, vreemde zinswendingen bij elke denkbare gelegenheid, was zijn roem in korten tijd getaand en werden zelfs zijn wezenlijke verdiensten miskend. Hier moest op deze gewezen worden, omdat het voorbeeld van Lilly blijkbaar van invloed is geweest op Shakespeare. Ook bij dezen is menig gesprek euphuistisch getint, doch hij maakte van dezen stijl een gematigd gebruik. Waar jongelieden uit den hoogeren stand een woordenschermutseling houden, zooals Mercutio en Romeo, wordt hij gebezigd; evenzeer, doch in groveren vorm, waar bedienden elkander al plagend de loef willen afsteken; ook waar personen uit de hoogere kringen met elkander in proza een geestig gesprek voeren, dat den toehoorder bijzonder belang moet inboezemen, zooals in den Cymbeline (eerste bedrijf, vierde tooneel) Posthumus en Jachimo. Zoo kan men ook in den Hamlet zoowel in toespraken des konings als in de redeneeringen van Polonius Euphuisme opmerken. Moge de wijze van uitdrukking en de jacht op woordspelingen naar onzen smaak hier en daar veel te gezocht zijn, over het algemeen moet men erkennen, dat Shakespeare het Euphuisme niet, zooals Lilly zelf, overdreven, telkens, bij allerlei gelegenheden, aanwendde, maar alleen waar het pas gaf, waar een bepaald doel er mee te bereiken was. [16] Het overdreven gebruik er van wordt door hem met scherpen spot gestriemd, niet enkel in het voorbijgaan, zooals in de aanspraak van Falstaff, als hij voor koning Hendrik speelt en gewag maakt van de kamille, die, hoe meer ze vertreden wordt, te sneller groeit (I Koning Hendrik IV, II. 4. 441), maar zelfs een geheel stuk door, zooals in Veel Gemin, Geen Gewin (_Love's Labour's Lost_).

In welke mate Shakespeare, al trad hij aanvankelijk in het voetspoor van anderen, hen in korten tijd voorbijstreefde, blijkt ten duidelijkste, als wij zijn eerstelingen, zoowel wat den inhoud als den vorm betreft, vergelijken met de tooneelwerken van begaafde tooneelschrijvers, die in den eersten tijd van zijn verblijf in Londen werden opgevoerd; men kan dadelijk bespeuren, dat hij hun gebreken opmerkte en trachtte te vermijden, iets anders en beters gaf dan zij. En de schrijvers, als wier mededinger hij optrad, waren mannen van aanleg, die over het algemeen een academische opleiding hadden genoten en, in de tooneelwereld levend, stukken leverden, die aan den smaak der toeschouwers voldeden. Onder hen mag wel in de eerste plaats Christopher Marlowe genoemd worden, die, in hetzelfde jaar als Shakespeare geboren, juist twee maanden voor hem, op 26 Februari 1564, gedoopt werd, blijkens het kerkregister, in de aloude stad Canterbury. Van zijn opleiding is met zekerheid bekend, dat hij in Cambridge gestudeerd heeft en er in 1583 _Baccalaureus_ in de vrije kunsten werd. In 1587 werd hij er _Magister_, Meester, maar hij zal er in de tusschenliggende jaren wel niet gebleven zijn; hij zal ten minste een deel van dien tijd in Londen doorgebracht en grootendeels aan tooneel-arbeid gewijd hebben; ten minste in 1586, of uiterlijk in 1587, werd zijn eerste dramatische arbeid, "Tamerlan de Groote", _Tamburlaine the Great_, ten tooneele gebracht. In 1588 schreef hij zijn "Tragische historie van Dr. Faustus", in 1589 of 1590 zijn "Jood van Malta", en later het historiestuk "Edward de Tweede". Wat er meer van zijn geschriften is overgebleven, behoeft hier niet te worden nagegaan, doch over elk der genoemde werken, vooral over het eerste, moet hier gesproken worden. Van zijn loopbaan is overigens zoo goed als niets bekend, dan alleen dat hij den naam had van zeer loszinnig te leven en een ongeloovige te zijn. Hij stierf, 29 jaar oud, in Mei 1593, ten gevolge van een dolksteek, die hem bij een twist om een liefje in een herberg werd toegebracht en door het oog heen in de hersens drong.

Zijn "Tamerlan de Groote" bestaat uit twee tooneelstukken en behandelt de geschiedenis van Tamerlan, ook Timur en Timur-Lenk geheeten, den woesten Tatarenvorst, die, geboren in 1336, in de tweede helft der veertiende eeuw uit nietige beginselen een groot rijk, een wereldrijk, wist te stichten, uit zijn hoofdstad Samarkand (in Turan) de landen beheerschte van den Chineeschen muur tot de Middellandsche zee en van Egypte tot het hart van Rusland, en, nog steeds van veroveringsplannen vervuld, in 1405 stierf. Zijn heerschzucht ging met groote wreedheid gepaard, maar hij bezat ook groot beleid om zijn rijk krachtig in te richten, was een rechtvaardig rechter en een ijverig bevorderaar van kunsten en wetenschappen; zijn hoofdstad Samarkand was niet alleen het middelpunt van een uitgebreiden handel, maar ook een beroemde zetel van geleerdheid. In de beide stukken van Marlowe, die een groot deel van Tamerlans leven omvatten, met de eerste ontwikkeling zijner macht beginnen en met zijn dood eindigen, treedt hij ondertusschen schier alleen als geweldig, woest en wreed veroveraar op; slechts zijn liefde voor de schoone Zenocrate toont hem van eenigszins zachteren kant, doch ook deze liefde uit zich op heftige wijze. Eigenlijke, fijne karakterteekening wordt niet aangetroffen, en deze twee stukken maken geen drama uit, maar dramatiseeren eenvoudig eenige deelen der geschiedenis van den Tataarschen veroveraar. Het meest opmerkelijke in deze stukken is Marlowe's heerschappij over de taal, en zijn versbouw. Wel waren reeds in Gorboduc, door Sackville en Norton, de vroeger voor ernstige dramatische poëzie meest gebruikelijke gerijmde zevenvoetige jambische verzen door het vijfvoetige rijmlooze jambische vers vervangen, maar men kan zeggen, dat eerst door Marlowe deze verssoort, het _blank-verse_, voor goed op het volkstooneel het burgerrecht verkregen heeft. Hij was dit zichzelf zeer goed bewust en zegt in den proloog van zijn Tamerlan, dat hij, zich verre houdend van het geklikklak der rijmelarij, zijn toehoorders in de oorlogstent van Tamerlan zal voeren. Doch hoeveel goeds en schoons zijn vers ook moge bevatten, door overdrijving van gedachten en beelden vervalt hij vaak in gezwollenheid en bombast. De juiste zuivere smaak, die in alles maat weet te houden, ontbrak hem, bij al zijn dichterlijke gaven, maar al te zeer. Met name komt dit uit in zijn eerste voor het tooneel geschreven werk, den Tamerlan. Het werd juist omstreeks den tijd, waarop Shakespeare te Londen aankwam, gespeeld en kan ter vergelijking met diens eerstelingen strekken; dit moge de eenigszins uitvoerige bespreking rechtvaardigen.

De persoonlijkheid van Tamerlan wordt door den Perzischen gezant Menaphon (Eerste stuk, II. 1) beschreven als:

"Van hooge leest en fier steeds opgericht, Gelijk zijn geest, die godd'lijk opwaarts streeft; Zoo zwaar van leden en zoo hecht gebouwd, Zoo breed van schouders, dat hij Atlas' vracht Zou dragen; op die mannenschouders rust Een parel, meer dan heel de wereld waard, Waarin, door hooge meesterschap der kunst, Zijn scherp doordringende oogen zijn gevat, Wier vuurge kringen in hun ommevang Een ganschen hemel hemellichten bergen, Die steeds zijn gang en doen geleidt ten troon, Waar de Eer in koningstooi gezeteld is. 't Gelaat is bleek, door hartstocht zoo ontverfd, Die dorst naar oppermacht en oorlogslust. 't Hoog voorhoofd teekent in zijn plooien dood, En maalt, zoo 't glad is, vriendschap af en leven; Omgeven is 't van amberkleurig haar, Gegolfd als eens Achilles' lokkenpracht, Waarmee des hemels adem blijde speelt, Die 't golven doet met dart'le majesteit. Zijn armen, vingers, lang en forsch gespierd, Verraden moed en overmaat van kracht. Zoo maakt hem elks deels juiste bouw den man, Die de aard moet onderwerpen, Tamerlan."

Deze geweldige man ontvlamt plotseling in hevige liefde voor Zenocrate, de dochter van den sultan van Egypte, die op haar tocht van Medië naar Egypte hem in handen gevallen is. Als hem voor haar en haar geleiders losgeld aangeboden wordt, barst hij aldus los (I. 2):