De Werken Van William Shakespeare Overzicht Van Shakespeare S L
Chapter 3
Doch genoeg vermoedens; ik wil thans onderstellen, wat zeker gebeurd is, namelijk, dat de blonde, bruinoogige knaap den leeftijd van achttien jaar bereikt heeft. Ik wil niet gaan gissen, of hij bij zijn wandelingen buiten veel naar de boerenmeisjes gekeken, of hij met haar op den dorschvloer of op het veld veel gedanst heeft; maar zeker is het, dat hij er één te diep in de oogen heeft gekeken, Anne Hathaway, waarschijnlijk de dochter van een landbouwer, Richard Hathaway [12] te Shottery, een dorpje op zeer korten afstand van Stratford. Hij was een domme jongen geweest en had, achttien en een halfjaar oud, in zijn kalverliefde een vrijage, die gevolgen had, op touw gezet met een meisje van zes-en-twintig. Zij, die van Shakespeare volstrekt een heilig boontje willen maken, gissen, dat er ten overstaan van verwanten een plechtige verloving zal hebben plaats gehad, en beweren, dat zulk een verloving even goed was als een in allen vorm gesloten huwelijk. Wat hiervan zij, er bestaat een bisschoppelijk schrijven van 28 November 1582, waarbij aan William Shagspere wordt toegestaan in het huwelijk te treden met Ann Hathwey, na éénmaal de geboden te laten afkondigen. Verder weten wij, dat hun dochter, Susanna, op 26 Mei 1583 gedoopt is. Even negentien jaar oud, was William Shakespeare man en vader. Welk bedrijf hij uitoefende, of hij bij zijn vader in de zaken was of niet, is onbekend; alleen mag men vermoeden, dat hij in Stratford woonachtig was, want daar had hij op 2 Februari 1585 het geluk, tweelingen te laten doopen, welke waarschijnlijk naar Hamnet Sadler, die bakker schijnt geweest te zijn, en diens vrouw Judith, de namen Hamnet en Judith kregen. Bij dit drietal spruiten is het gebleven. Na den laatstgenoemden datum zijn wij zeven jaar zonder eenige berichten van Shakespeare; het eerste, wat daarna van hem vernomen wordt, is, dat hij in 1592 een belangrijk persoon is bij een tooneelgezelschap in Londen. Wanneer hij Stratford, waar zijn vrouw en kinderen bleven wonen, verlaten heeft, is onbekend, maar men wordt als het ware gedrongen tot de onderstelling, dat dit vrij kort na de geboorte zijner tweelingen heeft plaats gehad, want om reeds in 1592 een persoon van invloed te zijn bij het tooneel en een goeden naam te bezitten als tooneelschrijver, had hij vrij wat kundigheden en ervaring bijeen te zamelen, en hiertoe is tijd noodig; hij zal er dus wel reeds in 1585, uiterlijk in 1586, heengetogen zijn. Hij kon er misschien gemakkelijk betrekkingen aanknoopen; de groote tooneelspeler Richard Burbage, van wiens gezelschap Shakespeare later deel uitmaakte, was volgens sommigen uit Warwickshire, evenzoo de acteur John Hemmings, dezelfde, die later met Henry Condell Sh.'s werken uitgaf; en Thomas Greene, eveneens lid van het gezelschap, uit Stratford zelf. Zoo iets kon natuurlijk aan den jongen Shakespeare, zelfs al kwam hij onbekend en zonder aanbevelingen in Londen aan, een welwillende ontvangst bezorgen en hem reeds dadelijk de gelegenheid openen om zich op de een of andere wijze aan hun gezelschap te verbinden. Doch hoe dit zij, het is niet gewaagd aan te nemen, dat hij reeds in 1585 of het eerstvolgende jaar uit Stratford naar Londen ging. Wat hem tot dezen stap noopte, laat zich eveneens zeer wel gissen. Het kan er hem te benauwd geworden zijn; misschien wezen zijn stadgenooten hem met den vinger na als iemand, waar niet veel van terecht zou komen; het toekomstig lot van den jongen man, die geen eigen middelen van bestaan had, maar zijn vader in diens, misschien achteruitgaande en berooide, zaken wat behulpzaam was en dus eigenlijk op zijns vaders zak leefde, die vroeger misschien veel in den omtrek had rondgeloopen en van zich had doen spreken, aan een vrouw, bijna acht jaar ouder dan hijzelf, was blijven hangen en nu voor een snel aangroeiend gezin had te zorgen, moest wel de nieuwsgierigheid der eerzame Stratforders prikkelen. Als hij naar Londen is gegaan met het vaste voornemen om er zich bovenop te werken en aan zijn brave medeburgers te toonen, dat hij wel kans zag een respectabel man te worden en zich door landbezit aanspraak op dien naam te verwerven, dan is hij wonderwel geslaagd. Doch als zij in den eersten tijd vernamen, dat hij onder de tooneelspelers zijn heil had gezocht, zullen zij de schouders wel opgetrokken hebben en niet voor hij zijn eerste bezittingen in Stratford aankocht, tot eenigszins andere gedachten gekomen zijn.--Het kan ook wezen, dat bepaalde lust tot het tooneel en het gevoel, dat hij hierdoor zich een goede toekomst veroveren kon, hem van Stratford weg en naar Londen gedreven heeft.--Of het afscheid van vrouw en kinderen hem zwaar gevallen is en of hij aan de zijde van Anne Hathaway een gelukkig echtelijk leven sleet, is een vraag, die men wel opperen, maar niet beantwoorden kan. Er zijn tal van bewijzen, dat hij, zoodra het hem goed begon te gaan, maatregelen nam om zich later weder te Stratford te vestigen en hij heeft zijn plan, zoodra het hem mogelijk was, volbracht; maar toch ligt het vermoeden voor de hand, dat de achttienjarige knaap de ruim zeven jaar oudere boerendochter, die verstandiger had moeten zijn dan hij, veeleer getrouwd heeft uit een gevoel van plicht en eerlijkheid, dan uit innige liefde; het zou te verwonderen zijn, als zij juist de geschikte vrouw was voor iemand van zijn begaafdheden en neigingen. Nergens vindt men eenige toespeling op zijn liefde voor zijn gade; zijn sonnetten geven zelfs alleszins recht om aan te nemen, dat hij haar niet onveranderlijk trouw is gebleven. In zijn testament behoefde hij niet voor haar te zorgen, daar de wet haar vanzelf uit de nalatenschap van haar man een behoorlijk onderhoud verzekerde, maar men zou in dit stuk, waarin aan verscheiden betrekkingen en vrienden een kleine som vermaakt wordt om zich een nagedachtenis aan den erflater te koopen, wel iets meer verwacht hebben dan de korte vermelding, dat hij aan zijn vrouw het op één na beste bed nalaat; en dan is bovendien op te merken, dat deze bepaling tusschen de regels is ingevoegd en dus niet eens tot het eerste ontwerp behoorde. Men zou er bijna uit afleiden, dat de liefde voor zijn vrouw hem het afscheidnemen van Stratford, toen het er toe komen moest, niet bijzonder verzwaard heeft en haar beeld hem niet bij zijn verblijf in Londen of elders onophoudelijk voor oogen zweefde.
De overlevering weet nog een bepaalde reden op te geven, waarom hij Stratford vaarwel heeft gezegd. De jonge man, bij de geboorte zijner tweelingen nog geen een-en-twintig jaar oud, zou in het loszinnig gezelschap geraakt zijn van jongelieden, die zich meermalen aan stroopen schuldig maakten. Zoo zou hij meer dan eens met hen hebben meegedaan en in het park van Sir Thomas Lucy, van Charlcote bij Stratford, op herten gejaagd hebben. "Daarom werd hij", volgens het bericht van Rowe, die ongetwijfeld de mededeelingen van den tooneelspeler Betterton volgde, "door dien edelman vervolgd en wel, naar hij oordeelde, te streng; en om zich over deze verongelijking te wreken, maakte hij een liedje op hem. En hoewel dit liedje, waarschijnlijk zijn eerste dichtproeve, verloren is gegaan, wordt het gezegd zoo bitter geweest te zijn, dat de vervolging tegen hem nog verscherpt werd en hij verplicht was zijn zaken en zijn gezin in Warwickshire voor eenigen tijd te verlaten en in Londen een schuilplaats te zoeken."
Dit bericht van Rowe wordt van een andere zijde bevestigd. De Reverend Richard Davies, rector te Sapperton in Glocestershire (gestorven 1708), was in het bezit van biographische aanteekeningen, door den Reverend William Fulton bijeengebracht, en verrijkte deze met eenige bijvoegsels, zijn papieren kwamen na zijn dood in de bibliotheek in Oxford en werden op het eind der vorige eeuw door Malone openbaar gemaakt; Rowe zal ze wel niet gekend hebben. Aangaande Shakespeare nu teekent Davies het volgende aan: "William Shakespeare was geboren te Stratford aan den Avon in Warwickshire 1563-'65. Hij was zeer verslaafd aan het stroopen van herten en konijnen, vooral van Sr.... Lucy, die hem meermalen liet tuchtigen en soms gevangen zetten en hem later deed vluchten uit zijn geboortestreek, tot zijn groot voordeel; maar zijn wrok was zoo groot, dat hij [d. i. Lucy] zijn Sh.'s vrederechter Clodpate [zooveel als _Domkop_ of _Dwaashoofd_] is, en dat hij hem een groot man noemt en met zinspeling op zijn naam drie luizen (_three louses rampant_) tot wapen geeft. Van tooneelspeler werd hij schrijver van tooneelwerken. Hij stierf 23 April 1616, _ætat._ 53, waarschijnlijk te Stratford, want daar is hij begraven en heeft hij een gedenkteeken (_Dugd._ p. 520), waarop hij een zwaren vloek legt op ieder, die zijn gebeente mocht verplaatsen. Hij stierf als papist." Men ziet uit de aanhaling van het boek van Dugdale, die de oudheden van Warwickshire beschreven heeft, dat Davies niet zelf te Stratford geweest is en uit de verte zijn inlichtingen heeft ingewonnen; hij noemt verder den vrederechter uit "De vroolijke Vrouwtjes van Windsor", die _Shallow_ (Zielig) heet, _Clodpate_, en heeft dus waarschijnlijk zelf het stuk niet gelezen; toch moet erkend worden, dat zijn mededeelingen, met die van Rowe overeenstemmend, het hoogst waarschijnlijk maken, dat Shakespeare niet vrij te pleiten is van strooperij en hier groote onaangenaamheden door ondervonden heeft, die misschien medewerkten om hem Stratford te doen verlaten [13]. Wel heeft men getracht hem van dit vergrijp, dat toch zeker in veler oog geen misdrijf is, schoon te wasschen, door aan te toonen, dat Charlcote geen park was vóór de regeering van Karel II, maar dit bewijs is wel niet krachtig genoeg, want herten werden even goed in bosschen als in parken gehouden; bovendien weet men, dat de zoon van Sir Thomas in 1602 aan Lord Ellesmere een bok ten geschenke zond. Als men het begin van "De vroolijke Vrouwtjes van Windsor" goed naleest, komt men tot de overtuiging, dat Shakespeare, op een bij hem zeer ongewone, bittere wijze, met de familie Lucy wil afrekenen en dat met den vrederechter _Shallow_ (Zielig) wel degelijk Sir Thomas Lucy bedoeld is, dien hij in de oogen van wie hem kennen belachelijk wil maken [14]. Men kan zelfs zeggen, dat dit begin eerst dan, wanneer men er dit doel in opmerkt, duidelijk wordt. Men kan verder vragen of het toeval is, dat Shakespeare in een ander stuk, 1 K. Hendrik VI, IV. 7. 61, een anderen Lucy op bespottelijke wijze met titels laat schermen.
Doch genoeg over de redenen, die Shakespeare drongen zijn vaderstad te verlaten; in Londen gaat hij de loopbaan betreden, die hem naar den tempel des roems heeft gevoerd. Van nu af kunnen wij zijn geschiedenis beoefenen met behulp van de documenten, die hijzelf ons in zijn werken heeft nagelaten.
IV.
SHAKESPEARE'S VOORGANGERS.
Zal de geschiedenis van Shakespeare's leven belangstelling wekken, dan moet zij mededeelen, hoe de jonge man uit Stratford zich ontwikkeld heeft en de groote dichter geworden is, dien de grootste geesten van den lateren tijd als hun meerdere, als hun meester erkennen. Hoe eenig zijn oorspronkelijke aanleg geweest moge zijn, ook hij was onderworpen aan de wetten, die voor den menschelijken geest gelden, hij heeft door noeste vlijt zijn uitgebreide kennis, door scherpe en onverdroten waarneming zijn inzicht in de karakters der menschen moeten verkrijgen, door oefening zijn kunstvaardigheid moeten verwerven, voortdurend zijn geest moeten ontwikkelen. Zoo is hij gedurende de kwart-eeuw, waarin hij zijn werken tot stand bracht, geenszins onveranderd gebleven: de vurige jonge man had een anderen blik op personen, gebeurtenissen en zaken dan de in den strijd des levens beproefde dichter; zijn inzichten en zijn gedachtengang werden langzamerhand gewijzigd en ook op andere wijze uitgedrukt; kortom, wanneer het gelukt, de volgorde, waarin Shakespeare zijn werken geschreven heeft, vast te stellen, en ze langs dezen historischen leiddraad te beoefenen, kan men de geschiedenis, de ontwikkeling van zijn geest nagaan. Voor dit doel is dan ook in deze uitgave, zooveel doenlijk was, de volgorde zijner werken in acht genomen; alleen bij de Engelsche Koningstukken is de chronologische opvolging der vorsten er voor in de plaats gesteld, daar anders de geregelde gang der gebeurtenissen den lezer niet duidelijk zou worden. Op welke wijze en met welken uitslag men de volgorde van Shakespeare's werken heeft trachten te bepalen, zal later worden medegedeeld; vooraf moet worden aangewezen, welken invloed de tijd, waarin hij leefde, op hem kon en moest uitoefenen, alsmede, welke hoogte de dramatische dichtkunst bij zijn optreden reeds bereikt had en in welken toestand het tooneel verkeerde. De geschiedenis der Engelsche tooneelwereld moet zelfs van haar eerste opkomst af worden nagegaan, want haar ontwikkeling heeft, met name in de zestiende eeuw, met zoo groote snelheid plaats gegrepen, dat er ten tijde van Shakespeare nog sporen genoeg van vroegere toestanden overgebleven waren, om deze kennis voor het juist en volledig begrijpen zijner werken noodzakelijk te maken.
Evenals in Griekenland het treurspel zich uit de gebruiken bij den eerdienst van Dionysos ontwikkeld heeft, is het drama in westelijk Europa van kerkelijken oorsprong. De katholieke kerk heeft reeds vroeg op aanschouwelijke wijze de verhalen des bijbels aan de leeken duidelijk gemaakt, wat inderdaad noodig mocht geacht worden, daar deze de Heilige Schrift wegens onkunde niet konden, of om het verbod der geestelijke overheid niet mochten lezen. Met name bij het Paaschfeest hadden er symbolieke voorstellingen in de kerk plaats. Op Goeden Vrijdag werd een kruis opgericht, daarna het beeld des gekruisigden in een graf gelegd en dit op Paaschzondag weder te voorschijn gebracht; deze verschillende handelingen werden door gezangen begeleid en toegelicht. De geheele uit drie deelen, het lijden, de graflegging en de opstanding samengestelde plechtigheid droeg den naam van _mysterium_, want aldus werd de verborgenheid den volke geopenbaard. Langzamerhand werden de handelingen en woorden aan verschillende personen opgedragen, die elk hun rol speelden en overeenkomstig hun rol gekleed waren; niet alleen geestelijken, maar ook leden der gemeente namen deel aan de vertooning; kortom, het zoogenaamd mysterium was tot een geestelijk schouwspel geworden.
Deze vertooningen bleven geenszins tot het voorstellen van het lijden en de opstanding beperkt, maar spoedig werden ook andere onderwerpen aan den bijbel ontleend, vooreerst de geboorte des Heilands, spoedig ook verhalen uit het oude testament, en weldra werd uit de levens der heiligen geput. De vertooningen, waartoe deze laatsten de stof leverden, heetten aanvankelijk _mirakels_ of _mirakelspelen_, doch na korten tijd werd deze naam ook aan mysteriën gegeven.
Het volk nam meer en meer deel aan deze spelen, die niet tot de kerk beperkt bleven. De gilden der handwerkslieden begonnen het leven van hun beschermheilige ten tooneele te voeren; de handwerkslieden zelf speelden, doch zij riepen voor moeilijke rollen vaak de hulp in van spelers van beroep, die op markten en jaarmissen door hun voor de vuist gesproken grappen het volk verlustigden. Men kan zich gemakkelijk voorstellen, dat wat aldus ten vermake van het volk gespeeld werd, geenszins een fijnen smaak verried, en tevens, dat de geestelijke spelen, in de kerk, niet achter wilden blijven om der gemeente genoegen te doen. Wat aan de kerk vijandig was, werd als iets leelijks of bespottelijks voorgesteld: Herodes trad op als een vervaarlijk bulderaar; de Duivel, die niet zelden moest opkomen, werd trots zijn listigheid steeds geweldig beetgenomen; hij kwam er telkens bekaaid af en was en bleef de domme duivel, als het ware de hansworst van het stuk. Ook op andere tooneeltjes naar zijn smaak werd het volk onthaald. De herders, die tijdens Jezus' geboorte nabij Bethlehem hun kudden weidden, lagen geweldig onderling overhoop, ontstalen elkaar hun schapen en raakten danig aan 't vechten, zeker tot groot vermaak van het volk, want de twisten maken ongeveer twee derden van het nog voorhanden mysteriespel uit. Als Noach zijn ark klaar heeft, wil zijn vrouw zich volstrekt niet inschepen en kijft als een vischwijf met haar man; zij wil bij haar kornuiten blijven; haar zoons brengen haar eindelijk in de ark, doch als Noach haar welkom heet, doet zij hem de kracht van haar vuist gevoelen. Dat inderdaad dergelijke stukken met medewerking der geestelijkheid ook in de kerken vertoond werden, blijkt ten duidelijkste uit verschillende besluiten van de pausen Innocentius III en Gregorius IX uit de dertiende eeuw, die het vertoonen van zulke grappen in de kerken en de medewerking der geestelijkheid ten strengste verboden; dat de verbodsbesluiten herhaald moesten worden, is wel een bewijs, hoe ingeworteld het gebruik toen reeds was en hoe de vertooningen in den smaak van het volk vielen. Geen wonder, dat zij op straat werden voortgezet, en er zelfs een grooter ontwikkeling verkregen. Er werden groote stellages, met meer dan één verdieping, voor getimmerd, die op rollen stonden, zoodat hetzelfde stuk op meer dan één plaats der stad, op straten en pleinen, vertoond kon worden; vaak moest bovendien ongetwijfeld een deel van straat of plein als tooneel dienst doen, want ook mannen te paard traden soms op. Er zijn drie verzamelingen van Engelsche mysteriespelen bewaard gebleven; de eene wordt naar den eersten verzamelaar _Towneby-mysteries_ genoemd en is in de stad Wakefield in Yorkshire opgevoerd; het handschrift bevat dertig stukken en schijnt te dagteekenen uit de regeering van koning Hendrik VI (1422-1461), maar de stukken zijn zeker aanmerkelijk vroeger samengesteld; een tweede verzameling, de _Coventry-plays_, bevat twee-en-veertig stukken en het handschrift dagteekent ten minste uit de regeering van koning Hendrik VII (1485-1509); de derde verzameling is die der Chester Whitsun Plays en bevat vier-en-twintig stukken. Het oudste handschrift der laatste verzameling is van 1581, maar de stukken zijn ongetwijfeld veel ouder; er is alle reden om te vermoeden, dat zij oorspronkelijk in het Fransch geschreven en onder de regeering van Edward III (1327-1377) in het Engelsch vertaald zijn; zij zijn te Chester en in andere groote steden bij herhaling opgevoerd en hebben, wat de taal betreft, ongetwijfeld aanzienlijke wijzigingen ondergaan. Een goed deel der bijbelsche geschiedenis en der overleveringen, die er mee samenhangen, werd er in gedramatiseerd, want het eerste stuk, opgevoerd door het Looiersgilde, had tot onderwerp den val van Lucifer; het volgend, door de Lakenwevers gespeeld, de schepping, den val van Adam en Eva, en den dood van Abel; het derde, door de Schippers op de Dee (de rivier van Chester) ten beste gegeven, den zondvloed; de volgende,--onder andere, want een volledige lijst behoeft hier niet gegeven te worden,--de geschiedenissen van Lot en Abraham, Bileam en zijn ezel, de begroetenis van Maria en de geboorte van Jezus, de begroeting door de herders, de drie koningen, den kindermoord van Bethlehem, de verzoeking in de woestijn en de overspelige vrouw, Lazarus, Christus' intrede in Jerusalem, het heilig avondmaal en het verraad van Judas, het lijden van Christus, de kruisiging, de nederdaling ter helle (of liever in het voorgeborchte, om Adam en de andere oude heiligen, zooals Abraham, de profeten, Johannes den Dooper, te verlossen, volgens het zestiende hoofdstuk van het evangelie van Nicodemus), de opstanding van Christus, de ontmoeting met de Emmaüsgangers, de hemelvaart, de uitstorting van den Heiligen Geest, en het laatste oordeel.
Dat deze stukken in den smaak vielen van het volk en nog tot den aanvang der zeventiende eeuw in eere waren, blijkt wel uit het aanwezig zijn van handschriften der Chesterspelen van de jaren 1592, 1600, 1604 en 1607. Elk der genoemde stukken werd met Pinksteren verscheiden keeren vertoond; men begon bij het huis van den Mayor, en trok dan verder de stad door, gevolgd door de kijklustige menigte, om op de meest geschikte pleinen of straten het tooneel te herhalen. De tooneeltoestel was dikwijls vrij samengesteld, want het tooneel bestond meermalen uit drie verdiepingen, hemel, aarde en hel, of wel, op de bovenste verdieping zag men God den Vader, omgeven van zijn engelen, op de middelste de zalig gesproken heiligen, beneden de menschen op aarde, en naast de benedenverdieping kon men ook wel den ingang van een nog lagere krocht zien, den gapenden mond der hel, waaruit men soms gillende kreten vernam of de duivels te voorschijn zag komen. Enkele nog voorhanden aanteekeningen maken melding van uitgaven voor het in orde brengen of schilderen van den hellemond, voor het stoken der hel, voor een kleed van wit leder en een pruik voor God, voor uitkeering van een paar shillings aan Herodes, aan een paar engelen, aan den duivel van wege hun spel enz. Nog in het laatst der zestiende eeuw, toen er reeds stukken van Shakespeare gespeeld werden, hadden zulke vertooningen te Coventry, in Warwickshire, plaats. Bedenkt men nu, dat deze tooneelen opgevoerd werden door handwerkslieden, zooals boven van enkele werd opgegeven, en deze ongetwijfeld met heiligen ernst speelden en met het bewustzijn, dat zij iets uitmuntends tot stand brachten, dan valt er een eigenaardig licht op het tusschenspel der handwerkslieden en de inrichting van hun tooneel in Shakespeare's "Midzomernachtdroom"; wij hebben er geen dwazen inval des dichters in te zien, maar kunnen overtuigd zijn, dat ook hiervoor het werkelijke leven bespied is en dat de toeschouwers van dien tijd de juiste teekening des dichters konden waardeeren.
Een ander punt, dat hier nog opgemerkt moge worden, is, dat in de mysteriën en mirakelspelen ernstige tooneelen met boertige afgewisseld werden.--Daar deze spelen het overgeleverde verhaal tot grondslag hadden, alleen met eenige versieringen voorstelden, wat er, volgens het bestel eener hoogere macht, gebeurd was, of eenvoudig de bijbelsche en heiligengeschiedenissen in den vorm van gesprekken brachten, was er van zelfstandige daden, uit den wil der optredende personen voortvloeiende, geen sprake, en kan men deze stukken geen eigenlijke drama's noemen, waarin steeds een handeling moet voorkomen. Eerst langzamerhand kon er zich het drama uit ontwikkelen; en hiertoe moesten de thans te vermelden spelen het hunne bijdragen.
De lust in vertooningen, door de mysteriën bij alle standen opgewekt, werd weldra door de geestelijke spelen niet meer bevredigd; bij allerlei plechtige of feestelijke gelegenheden, zooals bij de kroning of bij het huwelijk van den vorst, bij den doop van een kind uit het koninklijk of een hoogadellijk huis, bij het onthaal van vorstelijke bezoekers, bij den optocht van den Lord Mayor enz., moesten er vertooningen, doch van anderen aard, plaats vinden. In den tijd, waarvan hier sprake is, de tweede helft der vijftiende eeuw, toen allerwegen het nadenken was opgewekt, lag het voor de hand, dat zinnebeeldige, allegorische voorstellingen hiertoe gekozen werden, en zoo traden dan de Waarheid, de Rechtvaardigheid, het Medelijden, de Mildheid, en andere deugden als personen in eigenaardige kleeding op, waarbij er overvloedig gelegenheid was om de vorstelijke en andere hooge personen, te wier eere het feest was aangericht, te vleien, door min of meer bedekt uit te drukken, dat zij de genoemde deugden in ruime mate bezaten. Tegen deze allegorische personen trachtten de Ondeugden, zooals de Hebzucht, de Leugen, de Nijd en anderen den strijd aan te binden, maar zij moesten natuurlijk het onderspit delven. Zulke vertooningen droegen den naam van Zedespelen of _Moraliteiten_.
Zoo bestonden er dan tweeërlei tooneelstukken naast elkander, de Mysteriespelen, waarin werkelijke personen speelden, die echter niet zelfstandig, niet naar hun eigen oordeel, maar naar den wil van hoogere machten handelden, en de Moraliteiten, waarin zedelijke begrippen, geen personen, optraden en over handelingen redeneerden. Uit de vereeniging van beide kon het eigenlijke drama voortkomen.