De Werken Van William Shakespeare Overzicht Van Shakespeare S L
Chapter 2
Dat de gezonde, slanke, flink gebouwde knaap, met groote, heldere, bruine oogen, groote vatbaarheid om te leeren bezat en geenszins tot de achterlijken behoorde, behoeft geen oogenblik betwijfeld te worden. Wij kunnen verder gaan, en beweren, dat hij het Latijn vrij goed machtig was en van het Grieksch ten minste de eerste beginselen verstond. Wij behoeven ons hier niet te beroepen op wat Mr. Aubrey zegt van een zekeren Mr. Beeston of Buston vernomen te hebben, "dat hij vrij goed Latijn verstond en in zijn jonger jaren schoolmeester op het land geweest was", wij kunnen zijn werken raadplegen, en dan vinden wij overvloedige bewijzen, dat het Latijn hem lang niet vreemd was [5]. Men vindt er niet alleen tal van Latijnsche woorden, maar ook vele gezegden en aanhalingen uit Latijnsche schrijvers, Ovidius, Virgilius, Horatius, Seneca, Terentius, de grammatica van Lilly en anderen, verder vele gewone en spreekwoordelijke zegswijzen en eindelijk zinsneden, die niet aan anderen ontleend, maar van hemzelf afkomstig schijnen te zijn. Hierbij komt nog, dat hij meermalen bij het bezigen van Engelsche, van het Latijn afkomstige woorden, er een beteekenis aan toekent, welke afwijkt van de gewone, maar rechtstreeks aan het Latijn ontleend is; zoo spreekt hij van _continent impediments_, "hindernissen, die weerhouden" (Macbeth IV. 3. 64), van rivieren, die _have overborne their continents_, die de hen weerhoudende, insluitende oevers hebben overstroomd (Midzomernachtdroom, II. 1. 92). Dat de Latijnsche taal in hem leefde, blijkt dus genoeg, maar ook vele onderwerpen uit de Latijnsche letterkunde staan hem levendig voor den geest: in bijzonderheden kent hij de geschiedenis van Troje; hij zinspeelt meer dan eens op het jammerlijk lot van Philomela, kiest de geschiedenis van Venus en Adonis tot onderwerp van een gedicht en voorziet dit van een motto uit Ovidius. De laatstgenoemde dichter was ongetwijfeld door hem beoefend, vooral zijn "Gedaanteverwisselingen"; wel bestond er in zijn tijd van dit gedicht een vertaling van Golding, maar uit het bovenstaande kan men wel opmaken, dat hij het ook in het oorspronkelijke kan gelezen hebben; merkwaardig is het, dat de Bodleyaansche bibliotheek te Oxford een, in 1865 aangekochte, kleine Aldinische uitgaaf der Metamorphosen, van 1502, bezit, die op den titel van de verkorte handteekening van Wm Shakespeare voorzien is en misschien inderdaad aan hem toebehoord heeft [6]. Dat ook Seneca hem bekend was, behoeft men niet te betwijfelen, als men in "Hamlet", 2. 474 en vgg. de beschrijving leest van Pyrrhus, die in dolle woede Priamus verslaat. Doch genoeg om Shakespeare's kennis van het Latijn en van Latijnsche schrijvers in het licht te stellen en te weten, wat wij van Ben Jonson's getuigenis hieromtrent hebben te denken. Deze heeft namelijk voor de gezamenlijke uitgave van 's dichters dramatische werken, de folio van 1623, een schoon gedicht aan zijn nagedachtenis gewijd, maar toch, in het volle gevoel zijner eigen geleerdheid, niet kunnen nalaten van Shakespeare's kennis der oude talen te getuigen, dat hij niet zoo heel veel van het Latijn en nog minder van het Grieksch af wist: _And though thou hadst small Latine, and lesse Greeke_. Ben Jonson was geleerd, maar zijn ijdelheid en eigenwaan overtroffen verre zijn geleerdheid; wel wilde hij in dit gedicht aan Shakespeare alle eer geven, maar dat hijzelf in geleerdheid Shakespeare overtrof, moest in het voorbijgaan uitkomen. Doch tevens blijkt uit dezen regel, dat Shakespeare met het Grieksch wel niet vertrouwd, maar er toch niet geheel onbekend mee was; misschien zelfs was zijn kennis toereikend om het Grieksche epigram te verstaan, dat hij in twee sonnetten, no. 153 en 154, heeft nagevolgd. Wat hij van andere talen wist, heeft hij waarschijnlijk door zijn verkeer in Londen opgedaan en men moet er niet al te gering over denken. Het Italiaansch was hem niet vreemd; waarschijnlijk kon hij een boek in die taal lezen, waaromtrent men de aanteekeningen bij "Eind goed, al goed", nazie. Hetzelfde kan van het Fransch gezegd worden; men mag vermoeden, dat hij Rabelais kende (zie de aanteekeningen bij "De klucht der vergissingen", III. 2. 117 en bij "Eind goed, al goed", I. 3. 53); of hij Fransch kon spreken of schrijven is een andere vraag; het Fransch in "Koning Hendrik V" is zeker zeer gebrekkig, maar het was toch voor het begrip van het publiek juist geschikt; bovendien weten wij niet, hoeveel het door Shakespeare neergeschreven Fransch door afschrijvers en letterzetters verknoeid is. Van bekendheid met het Spaansch vindt men in zijn werken eenige sporen. Over het geheel is men wel gerechtigd aan te nemen, dat Shakespeare in letterkundige kennis geenszins bij andere tooneelschrijvers achterstond, die, zooals later blijken zal, er zich op beroemden "universiteitsvederen" te zijn.
Vóór wij Shakespeare tijdens zijn verblijf als jongeling te Stratford verder nagaan, moeten wij even weder een blik werpen op de omstandigheden zijns vaders. Een paar jaar na zijn huisaankoop in de Henley-straat geraakte deze in financiëele moeilijkheden; in 1577 werden de bezittingen, die zijn vrouw hem aangebracht had, gedeeltelijk verkocht, gedeeltelijk in pand gegeven om geld te bekomen; bij den omslag voor de kwijting van stedelijke uitgaven werd hij voor een verminderd bedrag aangeslagen of geheel vrijgesteld; hij verzuimde de zittingen, die hij als magistraatspersoon had bij te wonen. Het kan zijn, dat de moeilijkheden slechts van voorbijgaanden aard waren, dat hij te veel ondernomen had en daardoor moeite had aan zijn verplichtingen te voldoen. Was dit het geval, dan duurden toch de moeilijkheden vrij lang of keerden telkens terug; ten minste in 1586 liep hij gevaar wegens schuld gegijzeld te worden en viel ook het besluit, dat hij ophield, alderman te zijn, daar hij sinds lang de vergaderingen niet meer bijwoonde; ja, het is zelfs waarschijnlijk, dat hij een poos in gijzeling heeft doorgebracht. Misschien ook, dat hij zich te veel met zijn landbouwondernemingen bezighield om zijn ambtsbetrekking waar te nemen, doch dan heeft hij niet de beste manier gekozen om er van ontslagen te worden. Het is mogelijk, dat hij niet geheel verarmd is, want van den verkoop zijner huizen in Stratford blijkt niets, maar in 1592 komt zijn naam toch voor op een lijst van personen, die de kerk niet bezochten, en wordt bij hem als reden opgegeven, dat hij wegens schuld, dus misschien uit vrees van buitenshuis gegijzeld of lastig gevallen te worden, afwezig bleef. Hoe dit zij, men mag wel aannemen, dat de vroegere welvaart verdwenen was en dat het hem moeilijk moest vallen, aan zijn oudsten zoon uitzicht op een goede positie in de maatschappij te verschaffen.
Wat ging William Shakespeare doen, waarop ging hij zich toeleggen, toen hij, waarschijnlijk op zijn veertiende, vijftiende of zestiende jaar, de school verliet? Hieromtrent zijn wel geruchten en gissingen tot ons gekomen, doch niets is zeker. Zoo had Aubrey vernomen, dat hij in zijn jonge jaren schoolmeester geweest was op het land; het kan zijn, dat er waarheid in dit bericht steekt, en dat de schrandere knaap een poos als "ABCdarius" aan de Grammar School werkzaam is geweest. Anderen hebben vermoed, dat hij notaris- of procureursklerk is geweest; zijn kennis van rechtszaken toch is, naar het oordeel van deskundigen, zoo uitgebreid en zoo nauwkeurig, hij gebruikt de uitdrukkingen steeds zoo juist, dat zulk een bedrevenheid niet ter loops, niet door iemand, die buiten de zaken staat, verkregen kan worden, maar dat hij er zich goed ingewerkt moet hebben. De onderstelling is geenszins als ongerijmd te verwerpen; de vader wist in zijn omstandigheden waarschijnlijk niet dadelijk, wat hij met zijn jongen zou beginnen; het is dus zeer wel mogelijk, dat de knaap met den vluggen, helderen kop een poos lang, een jaartje b. v., bij den een of anderen praktizijn, zooals er in Stratford toch zeker wel een geweest zal zijn, werkzaam is geweest; de rechtsgeleerde kennis van den zoon kon den vader in zijn moeilijkheden nog wel te pas komen. Wat hiervan zij, waarschijnlijk is de jonge William, 't zij dadelijk na zijn schooltijd, 't zij na een poos, zijn vader in diens zaken behulpzaam geweest. Zijn werken verraden overal, hoe nauwkeurig, hoe ingespannen en met welk genot hij dieren en planten en alle verschijnselen der natuur heeft gadegeslagen, hij moet zich van zijn prille jeugd af, gedurende zijn schooltijd en later, tot zijn bezigheden hem in een stad kluisterden, veel in de vrije lucht bewogen hebben. Het bedrijf van zijn vader gaf er aanleiding toe, dat hij zich vaak met het krieken van den dag in het veld bevond en den leeuwrik zag opstijgen om de rijzende zon te begroeten, de dauwdruppels zag hangen aan de primula's en andere bloemen, die hij alle met name kende, naar het helder gefluit luisterde van den wielewaal, naar den vroolijken morgenzang van zoovele andere vogels. Doch niet alleen voor zulk een liefelijk tafereel is zijn ziel toegankelijk: als in het nabijgelegen veld een fiere hengst plotseling voort springt, dan weder roerloos en starend staan blijft, weer opspringt en voortrent met uitgespreiden staart en manen [7], dan neemt dit gezicht al zijn opmerkzaamheid in beslag en prent zich diep in zijn geest. Trouwens al wat paarden aangaat, heeft zijn aandacht getrokken, hij geeft een beschrijving van een edel ros, met opgave van zoovele bijzonderheden, dat men die ten grondslag zou kunnen nemen, om een hoofdstuk van een handboek over paardenkennis te schrijven [8]; en niet alleen met de voortreffelijkheden van deze diersoort, volgens Buffon de edelste verovering van den mensch, is hij grondig bekend, maar ook met de gebreken, ziekten en kwalen, waarvan hij er terstond een vijftigtal zou kunnen opnoemen [9], terwijl verder ook de rijkunst hem groot belang inboezemt; het hart gaat hem open, als hij een ruiter ziet, die als één is met zijn ros en dit volmaakt onder bedwang heeft [10]. Wie de talrijke plaatsen, die bij Shakespeare voorkomen, waarin over paarden gesproken wordt, nagaat, kan zeer wel de stelling verdedigen, dat hij geruimen tijd rostuischer, paardenarts of pikeur geweest is. Ongetwijfeld bezat hij in de hoogste mate de gaaf, snel en nauwkeurig op te merken en waar te nemen, scherp te beoordeelen en door zijn voortreffelijk geheugen zijn herinneringen, zoodra het noodig was, zich naar willekeur voor den geest te stellen, terwijl zijn levendige verbeelding steeds gereed was om de beelden, die hij opriep, met nieuw leven te bezielen. Geen jager zal hem verbeteren, als hij de listen en streken beschrijft, die het arme vervolgde haasje aanwendt om aan de honden te ontkomen [11]; hij moet herhaalde jachten hebben bijgewoond als jager en nauwkeurig opmerker; men zou schier vermoeden als strooper, want dan neemt men dubbel scherp alle bijzonderheden waar.
Heeft Shakespeare dus in zijn jongelingsjaren ongetwijfeld een goed deel van zijn tijd buiten doorgebracht, men behoeft geenszins aan te nemen, dat alle letterkundige oefeningen werden nagelaten. Boeken waren in die dagen schaarsch, en waar de vader in de schrijfkunst onervaren was, zullen er wel niet vele over den vloer zijn geweest. Maar geheel behoefden zij niet te ontbreken. Shakespeare had zeker nog enkele boeken, b. v. de Metamorphosen van Ovidius, uit zijn schooltijd overgehouden, en in zijn oudste stukken treft men te veel herinneringen uit Latijnsche schrijvers aan, om niet te gelooven, dat deze nog van tijd tot tijd ter hand werden genomen. Ongetwijfeld was er ook een bijbel aanwezig, en Shakespeare geeft genoeg bewijzen, dat hij dezen kent, om te doen vermoeden, dat hij er meermalen in las en de poëzie er van genoot. Maar van nog een ander boek mag men aannemen, dat het door hem gelezen, ja vlijtig beoefend werd: de kroniek van Holinshed; hij is er zoo goed in thuis, dat hij waarschijnlijk vroegtijdig met de lezing er van begonnen is, en dan kon de nabijheid van het groote, indrukwekkende kasteel van Warwick allicht aanleiding geven, dat hij zich met de geschiedenis van den geweldigen graaf, den grooten koningmaker, nader bekend wilde maken, en dus de geschiedenis van Koning Hendrik VI beoefende, het onderwerp, dat hij in eenige zijner eerste stukken ten tooneele gebracht heeft. Of hij in dezen tijd, van zijn schooljaren af tot zijn achttiende jaar, reeds gedichten gemaakt heeft, is niet te beslissen, maar is dit het geval, dan zal het bij enkele dichtproeven, waarvan ons niets bewaard is, gebleven zijn; dat hij aan eenig tooneelwerk zou gearbeid hebben, valt niet te denken, en evenmin heeft hij toen reeds Venus en Adonis ondernomen; tot het schrijven van grootere gedichten zal hij waarschijnlijk eerst gekomen zijn, toen hij zich in een anderen kring bewoog en taal en versbouw reeds meester was geworden; dat de bovengenoemde lectuur hem ongemerkt ter voorbereiding strekte voor zijn latere loopbaan, is al wat men vermoeden kan.
Vraagt men, of herinneringen uit zijn jeugd kunnen medegewerkt hebben, om hem later zijn loopbaan te doen kiezen, dan kan gewezen worden op de bezoeken, die reizende tooneelspelers van tijd tot tijd aan Stratford brachten. Er waren langzamerhand verscheiden vaste tooneelgezelschappen in Engeland ontstaan, die, om bij voorkomende gelegenheden niet als schelmen en vagebonden beschouwd en behandeld te worden,--en zulk een behandeling was toen ter tijd niet zacht,--de bescherming zochten van den een of anderen grooten heer, die door betaling eenigszins in hun behoeften te gemoet kwam en voor wien zij van tijd tot tijd speelden; wanneer zij dan het land afreisden en hier en daar hun voorstellingen gaven, waren de open brieven van den beschermheer, naar wien zij zich noemden, hun tot aanbeveling. Zoo waren er de troepen van de Koningin, van de Graven van Leicester, Warwick, Nottingham, Sussex, Essex, Derby, Hertford, Pembroke en Worcester, van de Lords Strange, Howard en Clinton, van den Lord Kamerheer, den Lord Admiraal, van Sir Robert Law. Verscheidene dezer gezelschappen traden ook te Stratford op. In 1569 kwamen daar de tooneelspelers der Koningin en van den Graaf van Worcester, in 1573 die van den Graaf van Leicester, in 1574 die van de Graven van Warwick en Worcester, in 1577 die van de Graven van Leicester en van Worcester, in 1579 die van Lord Strange en van den Graaf van Essex, in 1580 die van den Graaf van Derby, in 1587 die der Koningin. Bij zulk een gelegenheid werd er aan de spelers uit de stadskas een belooning uitgekeerd, die nog al uiteen kon loopen; zoo ontvingen in 1569, toen John Shakspere eerste magistraatspersoon was, de spelers van de Koningin (het gezelschap namelijk, niet ieder speler) negen shillings, die van den Graaf van Worcester twaalf stuivers; andere uitkeeringen vindt men geboekt van vijf, zes, acht, veertien, ja, van zeventien shillings: het waren de spelers van den Graaf van Warwick, die in 1574 de laatstgenoemde som ontvingen. Waarom deze belooningen uit de stadskas gekweten werden, wordt duidelijk uit de aanteekeningen van zekeren R. Willis, die in hetzelfde jaar als William Shakespeare geboren was en in een klein boekje, _Mount Tabor_, in 1639 de volgende herinnering uit zijn kindsheid medegedeeld heeft. "In de stad Gloucester (en zoo ik meen ook elders) is het gewoonte, dat, als spelers van tusschenspelen (_interludes_) in de stad komen, zij eerst hun opwachting bij den Mayor maken, om hem te melden, van welken edelman zij de dienaars zijn, en verlof te erlangen tot spelen in het openbaar; en als de tooneelisten den Mayor bevallen of deze zijn eerbied wil toonen voor hun heer en meester, bestelt hij hen om een eerste voorstelling te geven voor hemzelf, de aldermannen en verdere overheidspersonen der stad; en dit wordt de voorstelling voor den Mayor genoemd, waar ieder, die er gebruik van wil maken, kosteloos komt, terwijl de Mayor hun een belooning geeft naar zijn goedvinden, om zijn tevredenheid te betuigen". Willis verhaalt verder, dat zijn vader hem medenam naar zulk een vertooning en, zelf op een der banken plaats nemende, hem tusschen zijn knieën liet staan, zoodat hij uitmuntend kon zien en hooren. Het stuk, dat de boozen der wereld voorstelde, vertegenwoordigd door een vorstelijk gekleed persoon, die eerst bezocht werd door drie vrouwen, Hoogmoed, Hebzucht en Weelde, en daarna weggesleept door twee oude mannen, den Jongsten Dag namelijk en het Oordeel, had blijkbaar een diepen indruk op den knaap gemaakt, daar hij zich de vertooning op zijn ouden dag nog in bijzonderheden herinnerde.--Men kan vermoeden, dat het in Stratford op gelijke wijze is toegegaan, en zich voorstellen, dat de Mayor, John Shakespeare, misschien zijn vijftienjarigen zoon naar de schouwburgzaal, de ruime zaal, die wel driehonderd toeschouwers kon bevatten, beneden het lokaal der Grammar School, heeft medegenomen en tusschen zijn knieën liet staan om het schouwspel, dat grootendeels, zoo niet geheel, een stomme vertooning of _dumb show_ was, te genieten. Hoe dit zij, uit het boven medegedeelde blijkt, dat de jeugdige Shakespeare tot 1580, dus tot zijn zestiende jaar herhaalde malen in de gelegenheid was tooneelvertooningen bij te wonen; dat hij er gebruik van gemaakt zal hebben, valt wel niet te betwijfelen, want van zulke feestelijkheden zal in Stratford wel niemand weggebleven zijn, die kans zag er bij te komen en niet door puriteinsche gemoedsbezwaren werd weerhouden.--Nog een andere vertooning kan hij bijgewoond hebben op elfjarigen leeftijd. Toen, in 1575, was koningin Elizabeth de gast van haar gunsteling Robert Dudley, graaf van Leicester, op zijn prachtig slot Kenilworth, op vrij korten afstand van Stratford gelegen. Velen stroomden naar de prachtige feesten toe, want verscheiden vertooningen in de open lucht konden door tal van toeschouwers genoten worden. Waarom zou John Shakspere, die toen zeker nog in goeden doen was, er ook niet heengetogen zijn en zijn flinken knaap niet hebben meegenomen? Er is één bijzonderheid, die dit zelfs waarschijnlijk maakt. Meren kwamen bij de vertooningen te pas; Triton was er te zien, zoo wordt bericht, in de gedaante van een meermin en zwom naar haar koninklijke majesteit. Arion verscheen er op een dolfijn, en zong een lied, een wonderzoet gedicht en wonderliefelijk voorgedragen, met schoone begeleidende muziek, zoodat de beschrijver geen woorden kan vinden om al de voortreffelijkheid er van te schilderen, maar een beroep doet op de verbeeldingskracht zijner lezers. En nu sla men den "Midzomernachtdroom" op (II. 1. 148.) en leze er, wat Oberon tot Puck zegt:
"Mijn waarde Puck, kom hier; gij weet nog wel, Hoe ik eens op een voorgebergte zat, En een meermin er zag op een dolfijn, Die zulke schoone melodieën zong, Dat haar gezang de woeste zee bedwong, En meenge ster dol uit haar baan verschoot, Om 't lied der maagd te hooren. Terzelfder tijd zag ik,--gij kondt het niet,-- Cupido vliegen tusschen aarde en maan, Met pijl en boog; hij mikte, scherp en lang, Op een Vestale, tronend in het west, En dreef zijn liefdeschicht met zooveel klem, Alsof 't wel honderdduizend harten gold; Maar 'k zag de vuurge schicht des jongen gods In 't kuische licht der vochte maan gebluscht, De hooge priesteresse ging haar weg, In maagdlijke overdenking, ongedeerd."
Is het te veel gewaagd, als wij vermoeden, dat de dichter bij deze beschrijving zich de feesten van Kenilworth voor den geest heeft gesteld en dat hij deze niet uit berichten of verhalen, maar wel degelijk uit eigen aanschouwing kende?