De Werken Van William Shakespeare Overzicht Van Shakespeare S L
Chapter 19
"Van den bekwaamste af tot hem toe, die slechts spellen kan. Hiermede zijt gij allen geteld; liever hadden wij, dat gij gewogen waart. Vooral daar het lot van alle boeken van uw bevattelijkheid afhangt, en niet slechts van die uwer hoofden, maar ook van die uwer beurzen. Komaan! het is nu in het licht, en gij zult,--dit weten wij,--op uw rechten staan: van te lezen en te beoordeelen. Doet dat, maar koopt het eerst! Dit is de beste aanbeveling voor een boek, zegt de boekverkooper. Dan, hoe verschillend ook uw hersenen of uw wijsheden zijn, neemt allen gelijke vrijheid en spaart niet. Oordeelt naar uw sixpencewaarde, uw shillingswaarde, uw vijfshillingswaarde, om in eens op te slaan; of hooger, als gij maar tot het juiste peil stijgt, en weest welkom! Doch wat gij ook doet, koopt! Oordeelvellen brengt geen handel vooruit en geen braadspit aan het draaien. En al zijt gij een overheidspersoon in schranderheid, en al zit gij op het tooneel, of gelijkvloers, in Blackfriars dagelijks over stukken ten gerichte, weet, dat deze stukken hun verhoor reeds gehad hebben en door alle hoogere beroepen heen zijn, en zij komen nu voor den dag, vrijgesproken, veeleer door een besluit van een hof, dan door deze of gene gekochte aanbevelingsbrieven.
"Het ware, wij erkennen het, zeer te wenschen geweest, dat de schrijver zelf in leven ware gebleven om zijn eigen geschriften uit te geven en na te zien. Doch daar het anders besloten was, en hij door den dood van dit recht verstoken is geworden, zoo bidden wij u, benijdt zijn vrienden de taak vol zorg en moeite niet, van ze bijeenverzameld en uitgegeven te hebben, en zóó uitgegeven te hebben, terwijl gij vroeger misleid werdt met verschillende gestolen, en door slinksche middelen verkregen afschriften, verminkt en misvormd door de streken en diefstallen van schandelijke bedriegers, die hen de wereld inzonden. Die zelfde werken worden u onder de oogen gebracht, geheeld en gaaf van leden, en ook al de overige, volledig in alle deelen, zooals hij ze tot stand bracht. Hij, zooals hij een gelukkig nabootser was der natuur, wist haar ook recht liefelijk uit te drukken. Zijn geest en zijn hand gingen samen; en wat hij dacht, uitte hij met zulk een gemakkelijkheid, dat wij nauwelijks een doorhaling in zijn papieren gevonden hebben. Doch het is onze zaak niet, daar wij zijn werken alleen bijeenzamelen en aan u geven, hem te prijzen. Dit is de zaak van u, die hem leest. En dan hopen wij, dat gij, naar uw verschillende bevattelijkheid, er genoeg in vinden zult, dat u aantrekt en boeit; want zijn geest kan evenmin verborgen blijven, als ooit verloren gaan. Daarom, leest hem, en weder, en steeds weder! En als gij hem dan niet liefkrijgt, voorwaar, dan verkeert gij blijkbaar genoeg in het gevaar van hem niet te verstaan. En hiermede laten wij u aan andere vrienden van hem over, die, als gij hen behoeft, uw gidsen kunnen zijn; behoeft gij hen niet, dan kunt gij uzelf tot gids zijn, en anderen. En zulke lezers wenschen wij hem toe.
"JOHN HEMINGE. HENRIE CONDELL."
Op deze voorrede volgen vier lofdichten, van welke vooral het eerste, van Ben Jonson, opmerkelijk is door den hoogen lof, dien hij zijn vriend, tevens zijn grootsten mededinger, toekent, en den hartelijken toon, die er in heerscht. Hij begint met de verklaring, dat geen lof, van Mensch noch Muze, Shakespeare's geschriften te veel kan prijzen, en voegt er bij: "Dit is waar, en er is slechts één stem over" [64]. Het toezwaaien van gewone loftuitingen versmadend, spreekt hij hem toe met de woorden: "Gij, ziel van onzen tijd!" [65] en erkent: "Gij zijt een monument, ook zonder tombe!" Dan stelt hij Shakespeare boven Lily, Kyd en Marlowe, en verklaart, dat Shakespeare, "schoon hij weinig Latijn en nog minder Grieksch kende", de vergelijking met de oude dichters, waarvan er eenigen genoemd worden, niet behoeft te schromen, maar hen allen, en ook hun navolgers, overtreft. Dan roept Jonson uit: "Triumf, mijn Engeland! gij kunt op een man wijzen, wien alle tooneelen van Europa hulde brengen. Hij was niet voor één leeftijd, maar voor alle tijden!" [66] Vervolgens wijst Jonson er nadrukkelijk op, dat Shakespeare, hoe veel de natuur hem ook geschonken had, door eigen noeste vlijt zijn _kunst_ verworven en tot volkomenheid gebracht heeft; "een goed dichter wordt niet slechts geboren, maar ook gemaakt" [67]; en zoo was het met Shakespeare. Hij spreekt hem ten slotte toe met de woorden: "Liefelijke zwaan van den Avon [68], o welk een gezicht zou het zijn, U weder in onze wateren te zien verschijnen en aan de oevers van den Theems die hooge vlucht te zien nemen, die Elizabeth en Jacobus zoo verrukte! Doch neen, ik zie u reeds aan den hemel verheven en tot een sterrebeeld geworden! Straal, straal, gij sterre der dichters! [69] uw toorn of invloed beschame of verheuge het zinkend tooneel, dat, sinds gij van hier geweken zijt, gelijk de nacht getreurd heeft en, zonder het licht uwer werken, aan den dag zou wanhopen."
Het was niet noodig hier het geheele gedicht over te nemen; deze korte vermelding is wel voldoende om te doen zien, welk een schoone hulde door Jonson aan Shakespeare gebracht werd, en tevens, dat hij zoo gelukkig geweest is, verscheiden schoone, kernachtige uitdrukkingen te bezigen, die onmiddellijk treffen en in het geheugen blijven. Geen wonder, dat zij meermalen aangehaald worden. Om deze beter te doen uitkomen, zijn zij hier in een beknopt bestek vereenigd; en om ze woordelijk terug te kunnen geven, is dit in ongebonden vorm geschied.
Van de overige lofdichten is dat van Leonard Digges opmerkenswaardig, wiens profetie van den blijvenden roem van Shakespeare zoo heerlijk vervuld is.
Op de lofdichten volgt een bladzijde, waarop bovenaan de titel herhaald is; er staat: "De werken van William Shakespeare, bevattende al zijn _Comedies_, _Histories_ en _Tragedies_, getrouw uitgegeven overeenkomstig haar "eerste origineel." Hieronder vindt men een lijst van de voornaamste tooneelspelers, die in deze stukken zijn opgetreden. De eerste twee namen zijn _William Shakespeare_ en _Richard Burbadge_, de derde is _John Hemmings_ [70]. De volgende bladzijde bevat de lijst der stukken, in drie groepen, _Comedies_, _Histories_ en _Tragedies_ geschikt, welke afdeelingen ieder afzonderlijk gepagineerd zijn. Men mist er Troilus en Cressida in, welk stuk, nagenoeg ongepagineerd, tusschen de Historiestukken en Treurspelen ingevoegd is; men kan hierover de aanteekeningen op dit stuk raadplegen. Dan volgen de blijspelen, "De Storm" vooraan. Aan het eind van het werk, op de laatste bladzijde der Treurspelen, staat onderaan de vermelding, dat het werk gedrukt is op kosten van W. Jaggard, Ed. Blount, J. Smithweeke en W. Aspley 1623.
Op deze eerste folio-uitgave volgde in 1632 de tweede, welke eenvoudig een afdruk is der eerste, met enkele wijzigingen, gedeeltelijk toevallige, gedeeltelijk opzettelijke, welke laatste als verbeteringen bedoeld, maar, op zeer enkele na, niet als zoodanig te beschouwen zijn. Evenals in de eerste uitgave, zijn de Blijspelen, Historiestukken en Treurspelen afzonderlijk gepagineerd; Troilus en Cressida opent nu de rij der treurspelen.--De lofdichten zijn met een drietal vermeerderd, waaronder een zestienregelig vers van John Milton, die toen in zijn vier-en-twintigste jaar was, opmerking verdient; waarschijnlijk is dit het eerste gedicht, dat van hem het licht zag. Het moge hier in een eenigszins vrije en twee regels kortere vertolking een plaats vinden;
"Behoeft mijn Shakespeare's hoogvereerd gebeent' Een jaren arbeids eischend grafgesteent'? Behoeft een pyramide 't heilig stof Te omhullen tot verhooging van zijn lof? Behoeft gij, zoon des Roems, gij, roem der Faam, Zoo zwak een tolk tot eeuw'ging van uw naam? Neen, in den eerbied, die uw grootte erkent, Schiept gij uzelf een duurzaam monument; Daar onweerstaanbaar, of Apollo zong, Uw godentaal ons in de ziele drong, En elk, zichzelf ontvoerd door uwe vaart, Tot marmer wordt, wie duiz'lend op u staart;-- Opdat hij zulk een praalgraf zich verwierf, Wat koning is er, die niet gaarne stierf?"
De derde folio-uitgave verscheen eerst in 1664; zij is voor een groot deel als een herdruk der vorige te beschouwen en bevat dezelfde stukken, en wel met doorloopende paginatuur, doch zij laat, de nummering der bladzijden weder met 1 beginnende, een geheele reeks van stukken volgen, die ten onrechte aan Shakespeare toegeschreven zijn en dus op goeden grond door de eerste uitgevers, Heminge en Condell, niet in de verzameling zijner werken opgenomen werden. Onder deze onechte stukken bevindt zich ook de "Pericles". Wijl Shakespeare alleen in de tweede helft eenige tooneelen bewerkt heeft, werd ook dit stuk door Heminge en Condell, die verklaarden alleen echte stukken te willen geven, zeer terecht uitgesloten. Zij hebben dit inderdaad bedoeld en trouwhartig getracht een gedenkteeken van Shakespeare's leven te stichten; maar hun zorgvuldigheid heeft, zooals boven reeds van Timon van Athene en Koning Hendrik VIII gebleken is, niet geheel gelijken tred gehouden met hun goeden wil, zoodat het gezag hunner uitgave niet in alle opzichten onbetwistbaar is.
In 1685 verscheen een vierde folio-uitgave, die een herdruk is van de derde, en nagenoeg alleen door een nieuwere spelling van deze verschilt.
Alleen aan de eerste dezer vier folio-uitgaven is inderdaad gezag toe te kennen; in de volgende vindt men steeds meer drukfouten, terwijl de overige afwijkingen slechts zelden verbeteringen zijn en zelfs dan, wanneer dit wel het geval is, op een toevallig gelukkige gissing en niet op grondig onderzoek berusten. De eerste folio-uitgave heeft ons van vele stukken den oudsten en besten tekst, dien wij bezitten, geschonken, en ook verscheiden andere voor den ondergang bewaard. Grooten dank is men hiervoor aan 's dichters vrienden en kunstgenooten, Heminge en Condell, verschuldigd.
Natuurlijk is een exemplaar der eerste folio-uitgave alleen bij zeldzaam voorkomende gelegenheden, en dan voor zeer hoogen prijs, te erlangen. Toch is het bij nauwkeurige beoefening van des dichters werken in vele gevallen noodig, den oorspronkelijken tekst te raadplegen. Gelukkig, dat deze bij herhaling met de uiterste zorg is nagedrukt en dat in den laatsten tijd ook de photographie te hulp is geroepen om den oudsten druk met volkomen getrouwheid te vermenigvuldigen; hij is thans voor hoogst matigen prijs in ieders bereik.
Vraagt men nu, of Heminge en Condell een inderdaad zuiveren en betrouwbaren tekst gegeven hebben, dan moet het antwoord, helaas! ontkennend luiden. Wat zij ook verzekeren, zij konden meestal niet meer beschikken over de oorspronkelijke handschriften, die ongetwijfeld, na het maken van verscheiden afschriften, ten behoeve der vertooningen, vaak verloren waren gegaan. Misschien ook zijn er bij den brand van den Globe-schouwburg (blz. 47) enkele vernietigd. Zij moesten zich dan behelpen met afschriften, die niet zelden door kappingen ter bekorting, welke geenszins oordeelkundig aangebracht werden, verminkt waren. In sommige gevallen moesten zij zelfs de toevlucht nemen tot de oude quarto-drukken, waarvan zij, in het voorbericht hunner uitgave, zooveel kwaads gezegd hadden; de oude afschriften, bij het tooneel in gebruik, waren dan ongetwijfeld versleten, zoodat een afdruk in de plaats was gekomen. Meermalen moet dus de door hen geleverde tekst aanmerkelijk afwijken van wat Shakespeare oorspronkelijk geschreven had, of ten minste onvolledig zijn. Hun bewering, dat de tooneelwerken naar de oorspronkelijke handschriften afgedrukt zijn, is alzoo bepaald onwaar, en niets anders dan een middel om het publiek zand in de oogen te strooien, en dit tot koopen, waarop zij zoo sterk aandringen, uit te lokken. Men moge dit streng afkeuren, doch waardeere, dat zij het beste gegeven hebben, dat zij hadden.--In een ander opzicht hebben zij waarheid gesproken; zij verklaren in de toewijding van het werk aan de graven van Pembroke en Montgomery, dat zij niets gedaan hebben dan bijeenverzamelen. Men moet erkennen, dat er inderdaad geen spoor van toezicht op het drukken hunner schatten te bespeuren is; het nazien van drukproeven schijnt door hen nagelaten te zijn; zij hebben alleen aan de pers afgestaan, wat zij wilden uitgeven. Misschien, waarschijnlijk zelfs, is het voor het verkrijgen van een goeden tekst gelukkig geweest, dat hun zorg zich niet verder heeft uitgestrekt. Want hadden zij fouten opgemerkt en op hun wijze trachten te verbeteren, dan zou allicht een willekeurige gissing, gelukkig of ongelukkig, in de plaats getreden zijn eener lezing, die, hoe ongerijmd ook, zich vaak zoo na mogelijk hield aan de letters of woorden, die in het oorspronkelijk handschrift of in oude afschriften of afdrukken stonden en nauwgezette latere onderzoekers op het spoor kunnen brengen om de echte lezing te ontdekken. Vallen wij hun dus over hun geringe zorg niet hard; herinneren wij ons, dat zij, uit liefde voor Shakespeare, zijn werken bijeenverzameld en zooveel meesterstukken aan de vergetelheid ontrukt hebben. Laat ons veeleer zeggen, dat hun, die veel hebben liefgehad, veel vergeven wordt.
De eerste, die de taak aanvaardde, om uit de slordige uitgaven van des dichters werken een beteren, zuiverder tekst af te leiden, was Nicholas Rowe, in 1709. Dat hij slechts ten deele slaagde in de moeilijke onderneming, kan niet bevreemden, vooral niet, als men weet, dat hij niet de oorspronkelijke, maar de vierde folio-uitgave tot grondslag aannam. Als de eerste, die den echten tekst van Shakespeare trachtte te herstellen, moge hij hier met eere genoemd worden. Velen hebben na hem hetzelfde doel zoeken te bereiken. Doch het is hier de plaats niet, om hun pogingen aan een nauwgezet onderzoek te onderwerpen. Met welk een uitslag zij bekroond zijn geworden, moge men afleiden uit de woorden van een der uitstekende Shakespeare-beoefenaars van den lateren tijd, Alexander Dyce. Deze oordeelt, dat, indien als door een wonder de oorspronkelijke handschriften van Shakespeare voor den dag kwamen, deze het bewijs zouden leveren, dat in vele gevallen de echte lezing hersteld is, ofschoon de onwetendheid en aanmatiging der tooneelspelers, de slaperigheid der afschrijvers en de zorgeloosheid der uitgevers als het ware hebben samengezworen om haar verloren te doen gaan.
Heeft in Engeland na Rowe de beoefening van Shakespeare's werken steeds veld gewonnen, ook elders is dit het geval geweest. In Duitschland gaf de groote Lessing het voorbeeld van waardeering, en weldra volgde daar uitgave op uitgave, vertaling op vertaling. Vroeger of later vond hetzelfde in andere landen plaats, en tegenwoordig is, naast den Bijbel, geen boek, 't zij in 't oorspronkelijke, 't zij vertaald, zoo algemeen en zoo in allerlei vorm, over de geheele aarde verspreid, als de kostelijke nalatenschap van Shakespeare.
In Nederland is de beoefening en waardeering zijner werken tamelijk laat aangevangen, en de eerste proeven van welgeslaagde vertalingen vindt men in de "Bloemlezing uit de Dramatische Werken van William Shakespeare" van Mr. L. Ph. C. Van den Bergh, welk boek in 1834 het licht zag. Doch een beter tijd brak weldra aan; meer en meer werd de groote dichter in zijn waarde erkend; verscheiden uitgaven, vertalingen en navolgingen, 't zij van gedeelten zijner werken, 't zij van geheele tooneelstukken leggen hier getuigenis van af. Men zal niet verwachten, dat deze uitgaven en vertalingen hier opgenoemd en nader besproken worden; genoeg zij het op deze verdienstelijke ondernemingen gewezen te hebben. Alleen mag een woord van hulde aan den uitmuntenden Jurriaan Moulin niet achterwege blijven, die als nauwgezet en talentvol vertaler allen ten voorbeeld kan zijn. Te midden van velerlei beslommeringen bracht hij Othello, Macbeth, De Storm en gedeeltelijk ook Romeo en Julia op voortreffelijke wijze in het Nederlandsch over en hield zich daarbij zooveel mogelijk aan den vorm van het oorspronkelijke; bovendien geven de aanteekeningen, waarmede hij de stukken toelichtte, overal blijk van de grondige studie, die hij van des dichters werken gemaakt had.
Verder mag hier de vermelding niet achterwege blijven, dat voor eenige jaren door A. S. Kok een volledige vertaling van Shakespeare's dramatische werken, de eerste in Nederland, ondernomen en in 1880 ten einde gebracht werd. Reeds vroeger had hij een paar stukken in het Nederlandsch overgebracht en wel, evenals Moulin, in den vorm van het oorspronkelijke. Voor de vertaling van het geheel verkoos hij, zich grootendeels van proza te bedienen en slechts hier en daar, voornamelijk waar Shakespeare gerijmde verzen schreef, den gebonden vorm te bezigen. Sommige stukken zijn dus nagenoeg geheel in proza vertaald, bij andere wisselt proza met gerijmde verzen af.
Naar mijn overtuiging is er bij groote dichters, en met name bij Shakespeare, een zoo innig verband tusschen den inhoud en den vorm hunner scheppingen, dat de vertaler, wil hij met zijn arbeid ongeveer denzelfden indruk geven als het oorspronkelijke, verplicht is, niet alleen den inhoud getrouw over te brengen, maar ook den vorm zooveel mogelijk te behouden.
Bij mijn vertaling is dit beginsel voortdurend in het oog gehouden. Bovendien meende ik, dat voor de kennis en waardeering van den mensch en dichter Shakespeare niet alleen zijn dramatische werken, maar ook zijn gedichten van groot belang zijn; ook deze zijn hierom in deze uitgave begrepen.
Zoo is dan van 1884 tot 1888 voor het eerst een volledige vertaling van des dichters werken, die den vorm van het oorspronkelijke zorgvuldig trachtte te bewaren, aan het Nederlandsche volk aangeboden. De bijval en goedkeuring, bij mijn onderneming van den aanvang af ondervonden, zijn mij niet alleen een machtige steun en spoorslag geweest, om de taak, die ik mij had opgelegd tot den einde toe te volbrengen, maar schonken mij ook het vertrouwen, dat mijn gave welkom zou zijn. Die verwachting is niet beschaamd geworden. Na de eerste uitgaaf vond ook een tweede, geïllustreerde, haar weg tot het publiek en thans wordt door een met zorg herziene volksuitgave mijn vertaling in het bereik gebracht van hen, die zich tot dusverre den aankoop moesten ontzeggen. Moge zij velen bewegen, lezers en vrienden van den grooten dichter te worden en meer en meer blijken, geen onwaardige hulde te zijn aan den machtigen geest, die zoo vele meesterwerken schiep!
AANTEEKENING.
Het zal niemand verwonderen, dat voortgezet onderzoek en de herlezing van Shakespeare's werken eenige wijzigingen in mijn studie over zijn leven, die in het najaar van 1888 geschreven werd, noodzakelijk maakten. Bij de grondige herziening, waaraan zij nu onderworpen is geworden, bleken ondertusschen niet vele veranderingen noodig te zijn; hoofdzakelijk heeft de tijdsorde van enkele tooneelstukken, uit een bepaald tijdperk van Shakespeare's leven, eenige wijziging ondergaan. Hierbij heb ik thans twee belangrijke, na 1888 verschenen werken kunnen raadplegen, namelijk: _The Henry Irving Shakespeare_ (London 1890) en _William Shakespeare_, van _Georg Brandes_ (1896). Het eerste is een volledige Shakespeare-uitgaaf, waarin ieder stuk van een inleiding en aanteekeningen van verschillenden aard voorzien is door Frank A. Marshall, krachtig ter zijde gestaan door Arthur Symons, Richard Garnett en anderen, en waarvoor bovendien Prof. Dowden, met roem bekend door andere geschriften over onzen dichter, een overzicht van zijn leven en de algemeene inleiding schreef. Van beide werken, vooral van het eerste, hoop ik ook zoowel voor den tekst der vertaling als voor het herzien der aanteekeningen gebruik te maken en ook acht te kunnen geven op de, trouwens vrij schaarsche, aanmerkingen op mijn werk gemaakt, voor zoover zij tot mijn kennis zijn gekomen en bruikbaar blijken, en voor zoover mijn tijd en de voortgang van den druk het mij veroorloven, want het is mijn wensch, deze uitgave zoo volkomen te doen zijn, als het mij mogelijk is.
Ik meen deze aanteekening niet beter te kunnen eindigen dan door uit Dowden's overzicht van Shakespeare's leven het slot van een der hoofdstukken, en wel in de oorspronkelijke taal, aan te halen:
"Looking back over the events of Shakespeare's life, and the series of his plays and poems, observing especially his Sonnets, where we may well believe the poet expresses his own feelings in his own person, we seem to see a man not naturally self-contained and self-possessed, but sensitive, eager, ardent, of strong passions, quick imagination, universal sympathy; at the same time a man with a central sanity of mind, and one for whom wisdom, knowledge and self-control were constantly growing powers. So his material life, after certain errors natural to his temperament, was conducted to a prosperous issue; and his ideal life, passing through shine and shadow, touching all heights and depths of human experience, attained at the close a high table-land where the light is clear and steadfast and the finest airs of heaven are breathed by man. He sees human existence widely, calmly, with a temperate heart, with eyes purged and purified. And he sees perhaps not only the vision of life, but through it to deeper and larger things beyond. Shakespeare does not tell us what he saw when he looked beyond life with those calm experienced eyes. It was not his province to report such things to us as if he were God's spy. But assuredly he saw nothing which confused or clouded his soul; else he could not feel towards this our mortal life so purely, wisely, gently; else the great enchanter, this Prospero of ours, could not so tranquilly resign his magic robe and staff, dismiss his airy spirits, and piously accept the duties of mere manhood".
31 December 1896.
AANTEEKENINGEN
[1] Zie Shakespeare's "Koning Hendrik VI."
[2] In 1558 werd hij lid van de _jury of the courtleet_, alsook _constable_, in 1559 weder _constable_ en ook _affeeror_; in 1561 weder _affeeror_ en een van de twee _chamberlains_, welke laatste betrekking hij twee jaren behield.
[3] In Florio's vertaling van Montaigne, sinds 1838 op het Britsch Museum; deze handteekening is bijzonder duidelijk.
[4] Aangehaald in "Veel Gemin, geen Gewin" IV. 2. 96.
[5] Men moge hiervoor de Appendix van _Schmidt_'s _Shakespeare-lexicon_ naslaan, en wel afdeeling III, _Words and sentences taken from foreign languages_; men vindt er 76 Latijnsche woorden aangehaald, 16 gezegden of aanhalingen aan schrijvers ontleend, 22 gewone of spreekwoordelijke zegswijzen en 18 andere Latijnsche gezegden.
[6] Men zie hierover de mededeeling van F. A. Leo in het Shakespeare-Jahrbuch, Band XVI (1881), blz. 367.
[7] "Venus en Adonis", strofe 51.
[8] "Venus en Adonis", strofe 50.
[9] Men zie "Eene snibbe getemd", I. 2. 81 en III. 2. 49.
[10] Men zie "Hamlet", IV. 7. 86 en "Een Minneklacht", strofe 16. De aanhalingen zouden gemakkelijk te vermenigvuldigen zijn. Een geestig opstel over Sh.'s paardenkennis is geleverd door den heer _Charles E. Flower_, _Shakespeare on Horseback. Paper read at the Union Club, Stratford-on-Avon, March 3th., 1887_.
[11] "Venus en Adonis", strofe 113-118.
[12] In het testament van Richard Hathaway, die in September 1581 stierf, wordt echter Anne niet genoemd.
[13] Van het spotdicht, waarvan Rowe zegt, dat het verloren is gegaan, heeft _Steevens_ het eerste couplet medegedeeld naar de aanteekeningen in handschrift van _Oldys_. Men zal gereedelijk erkennen, dat de echtheid uitermate verdacht is. Oldys zegt het vernomen te hebben van een ouden heer, in de nabuurschap van Stratford wonende, die het onthouden had.