De Werken Van William Shakespeare Overzicht Van Shakespeare S L
Chapter 18
Zijn testament daarentegen kennen wij; het zoo even reeds genoemde ontwerp, op drie bladen papier geschreven, is bewaard gebleven; het draagt op ieder van deze Shakespeare's handteekening en op de derde bovendien de woorden _by me_ "door mij"; zijn deze twee woorden van Sh.'s hand, dan zijn zij, met een zevental handteekeningen op officiëele stukken, het eenige schrift, dat wij van hem bezitten; zijn naam is op zeer onzekere en onduidelijke wijze geschreven, hetzij doordat zijn hand verzwakt, hetzij dat hij bedlegerig was en zich moeilijk kon oprichten. Het testament bevat een menigte bepalingen om te zorgen, dat zijn door noeste vlijt verworven vermogen, met name het grondbezit, bijeenbleef; daartoe werd verreweg het grootste deel aan zijn oudste dochter, Susanna Hall, vermaakt, terwijl de jongste, Judith, met een uitkeering, die intusschen vrij belangrijk was, tevreden moest zijn. De aanhef luidt: "In den name Gods, Amen! Ik, William Shackspeare van Stratford aan den Avon in het graafschap Warwick, gentleman, in volkomen gezondheid en bewustheid (_memorie_), God zij geloofd! maak en verorden dezen mijn uitersten wil en testament op de volgende wijze; namelijk, ik beveel mijne ziele in de handen van God mijnen Schepper, hopende en zekerlijk geloovende, door de eenige verdienste van Jezus Christus mijnen Heiland het eeuwig leven deelachtig te worden, en mijn lichaam aan de aarde, waaruit het genomen is." In de eerste plaats wordt nu zijn dochter Judith genoemd [55]; haar wordt vooreerst 150 pond vermaakt, namelijk 100 als huwelijksgift, die haar binnen 't jaar moest uitgekeerd worden met interest, berekend tegen 10 percent 's jaars, en 50, als zij ten behoeve van haar zuster Susanna afstand deed van haar aandeel in een nader aangewezen boerderij; vervolgens moest aan haar of aan haar kinderen drie jaar na de dagteekening van het testament (zoo staat er, vreemd genoeg, in plaats van "na mijn overlijden") eveneens 150 pond uitbetaald worden, waarvan zij inmiddels reeds de rente zou genieten. Mocht zij vóór den afloop van drie jaren kinderloos sterven, dan was 100 pond er van bestemd voor Sh.'s kleindochter, Elizabeth Hall, de overige 50 werden vastgezet voor zijn, met den hoedenmaker Hart, gehuwde zuster Johanna, aan wie levenslang de rente betaald zou worden; na haar dood was de som onder haar kinderen gelijkelijk te verdeelen. Zoo Judith de drie jaren overleefde, moesten de 150 pond voor haar vastgezet, haar de rente levenslang uitgekeerd en later de som onder haar kinderen verdeeld worden; doch als haar man aan haar en haar kinderen de inkomsten van landerijen ter waarde van 150 pond naar het oordeel der executeuren behoorlijk verzekerde, zou aan hem de som uitgekeerd worden. Verder werd zijn zuster Johanna Hart met 20 pond en met zijn kleederen bedacht en met het vruchtgebruik van het huis, dat zij bewoonde, tegen betaling van tien stuivers jaarlijks; elk harer drie zoons ontving vijf pond. Dan volgen kleinere legaten: zijn zilverwerk vermaakte hij aan zijn kleindochter Elizabeth Hall, behalve zijn groote zilveren vergulde kom; verder 10 pond aan de armen van Strafford, zijn zwaard aan Thomas Combe, 5 pond aan Thomas Russell, ruim 13 pond aan Francis Collins van Warwick; verscheiden legaten, elk van 26 shillings en 8 stuivers, om een ring te koopen, aan Hamlet Sedler, aan William Raynoldes, aan zijn kunstgenooten (_my fellows_) John Hemynges, Richard Burbage en Henry Cundell, aan Anthony Nash en aan Mr. John Nash; alsmede 20 shillings in goud aan zijn petekind William Walker. Hierop komt eindelijk de voornaamste beschikking: hij laat al zijn grondbezit, zijn woning _New Place_, zijn huizen, schuren, landerijen, in Strafford aan den Avon, Oud-Stratford, Bushopton en Welcombe, zoo mede zijn huis in Londen bij Blackfriars, bewoond door John Robinson, en verdere landerijen enz., waar ook gelegen, aan zijn dochter Susanna Hall voor haar geheele leven en na haar dood aan haar oudsten zoon en diens manlijke afstammelingen, en zoo die er niet zijn, aan haar tweeden zoon en diens manlijke afstammelingen enz., en bij ontstentenis van deze aan zijn kleindochter Elizabeth Hall en haar manlijke afstammelingen, en bij ontstentenis van deze aan zijn dochter Judith en haar manlijke afstammelingen, en bij ontstentenis van deze aan zijn wettige erven. Hierop volgt: "_Item_, ik geef aan mijn vrouw mijn op één na 't beste bed met toebehooren" [56]. Evenzoo geeft hij aan zijn dochter Judith zijn groote zilveren vergulde kom. Eindelijk worden al zijn overige bezittingen, kostbaarheden, huisraad, wat ook, na afbetaling van legaten, schulden en begrafeniskosten, aan zijn schoonzoon John Hall en zijn dochter Susanna Hall toegekend en deze ook tot executeurs van zijn laatsten wil en testament benoemd. Thomas Russell esq. en Frauncis Collins gent. worden aangewezen als _overseers_, dus om toe te zien, dat deze uiterste wil naar eisch wordt uitgevoerd. Hierop volgt dan de onderteekening. Als getuigen teekenden vooreerst Fra. Collyns, verder Julius Shawe, John Robinson, Hamnet Sadler [57], Robert Whattcott.--Een onderschrift bewijst, dat alleen John Hall als executeur is opgetreden, en het testament, benevens een inventaris der goederen, naar behooren overgelegd en bezworen heeft op 22 Juni van het jaar 1616.--De genoemde Francis Collins was een rechtsgeleerde (_sollicitor_) uit Warwick; vermoedelijk was aan hem het stellen van het testament opgedragen.
Ongetwijfeld heeft geen zinsnede in het testament zoo de aandacht getrokken als die, waarin hij aan zijn vrouw zijn op één na 't beste bed vermaakt. Men heeft geoordeeld, dat zij hiermede erg kaal werd afgescheept. Doch ten onrechte. Hij behoefde voor zijn vrouw niet te zorgen; door de wet, die aan Shakespeare beter bekend was dan aan velen van zijn verklaarders, ontving zij genoeg. Van al de huizen en landerijen, die zijn volle eigendom, zoogenaamd _freehold_, waren, trok zij levenslang een derde der inkomsten, en de woning New Place, met schuren en ruimen tuin, het huis in Henley street, de landerijen onder Old Strafford en elders leverden haar zeker meer dan het noodige op. Shakespeare verlangde, dat zijn goederen bijeen bleven, en waakte op de in Engeland gebruikelijke wijze tegen alle versnippering; hiertoe werden ook zijn huisraad en zijn kostbaarheden aan zijn oudste dochter en haar echtgenoot vermaakt. Het beste bed, dat meest voor bezoekers bestemd werd, werd waarschijnlijk een zoo belangrijk deel van den inboedel gerekend, dat het als familiebezit van het overige huisraad niet gescheiden werd en steeds van vader op zoon overging. Was dit inderdaad het geval, dan was het op één na 't beste bed geen gering legaat te achten, vooral niet, als niet enkel het bed, maar ook het ledikant bedoeld is, want deze meubels waren dikwijls keurig afgewerkt en met snijwerk versierd. Bovendien werden in dien tijd allerlei voorwerpen aan nabestaanden vermaakt, zooals ketels, stoelen, mantels, hoeden, tinnen kroezen, vergiettesten, veeren kussens. In het jaar 1642 achtte zekere John Shakespeare van Budbrook, nabij Warwick,--geen familie van den dichter,--zich behoorlijk van zijn plicht der dankbaarheid jegens zijn schoonvader te kwijten, door aan dezen "zijn beste laarzen" te vermaken.
Men heeft dus alle recht om aan te nemen, dat Shakespeare alleen daarom geen meerdere goederen aan zijn vrouw vermaakt heeft, omdat er alreeds op andere wijze, door de Engelsche wet namelijk, voldoende voor haar gezorgd was. Wil men een ander voorbeeld van een dergelijke handelwijze, dan kan Sir Thomas Lucy dit leveren; deze liet in 1600 bij uitersten wil aan zijn zoon zijn op één na 't beste paard na, doch geen land, omdat hij volgens belofte op land van zijn schoonvader kon rekenen. Nog beter voorbeeld vindt men in het testament van David Cecil, Esq., den grootvader van den bekenden Lord Burleigh; daar leest men: "Item--het is mijn wil, dat mijn vrouw al het zilverwerk zal hebben, dat zij had vóór ik haar trouwde; en twintig koeien en een stier." [58] Het zal zijn wil niet geweest zijn, dat zij niets dan melk en rundvleesch van haar zilveren schotels zou eten; het legaat kwam bij het aandeel, of liever vruchtgebruik, dat de wet haar toekende. Toch is het opmerkelijk, dat in het eerste ontwerp van Shakespeare's testament zijn vrouw niet voorkomt.--Evenzoo verdient de aandacht, dat geen enkel lid der familie Hathaway genoemd wordt, evenmin als eenig dichter of schrijver, zelfs Ben Jonson niet; eindelijk dat van boeken of papieren volstrekt geen gewag wordt gemaakt. Waarschijnlijk was Shakespeare door typheuze koortsen zeer verzwakt.
Of Shakespeare's weduwe bij haar kinderen, Susanna en Dr. Hall, is blijven wonen, en of deze misschien reeds vroeger, bij huns vaders leven, in New Place hun intrek hadden genomen, is onbekend. Zij overleefde haar man zeven jaren en stierf 6 Augustus 1623, in den ouderdom van zeven-en-zestig jaren; zij werd dicht bij haar echtgenoot, in het koor der kerk, begraven.
Hoeveel zorg Shakespeare ook gedragen had, dat zijn bezittingen bijeenbleven en zijn geslacht in zijn geboortestreek zou voortleven, zijn pogingen zijn ijdel gebleken. Zijn dochter Susanna overleefde haar echtgenoot John Hall, die in 1635, zestig jaar oud, stierf; zij overleed, zes-en-zestig jaar oud, in 1649. Elizabeth Hall, in Sh.'s testament genoemd, is het eenig kind harer ouders gebleven; zij was in 1626 met Thomas Nashe gehuwd, die in 1647 stierf; zij hertrouwde in 1649 met een weduwnaar, John Barnard doch bleef kinderloos, en stierf in 1670.--Zijn dochter Judith, gehuwd met Thomas Quiney, een wijnhandelaar, wien het in de wereld aanvankelijk goed, doch later, van 1630 af, lang niet voordeelig ging, heeft haar drie kinderen, allen zoons, overleefd; de oudste, Shakespeare genoemd, stierf binnen 't jaar, de twee anderen, toen zij 20 en 19 jaren oud waren; zijzelf overleed in Februari 1662. In minder dan vijftig jaren na Shakespeare's dood was zijn laatste afstammeling gestorven.--Alleen in de afstammelingen zijner zuster Johanna, wier echtgenoot, William Hart, weinige dagen voor Shakespeare gestorven was, bleef zijn geslacht leven.--Van Elizabeth Hall, gestorven als weduwe Barnard, weten wij zoo goed als niets. Wat er na haar dood met de vroegere eigendommen van den grooten dichter gebeurde, behoeft hier niet nagegaan te worden; alleen zij vermeld, dat zoowel het huis van Shakespeare's vader, waar de dichter menig jaar zijner jeugd heeft doorgebracht, als het erf met de grondvesten zijner eigen woning, _New Place_, thans aan de gemeente Stratford behooren, het eerste sinds geruimen tijd, het laatste door de goede zorgen van Mr. Halliwell, sedert 1862.
Korten tijd na Shakespeare's overlijden, ongetwijfeld vóór 1623, het jaar der uitgave van zijn gezamenlijke werken [59], werd in de kerk, aan den linker- of noordermuur van het koor, tegen het dichtgemetselde tweede venster, een gedenkteeken voor hem aangebracht, misschien door de zorg van zijn schoonzoon Hall. Zijn borstbeeld, levensgroot, van zachten steen gehouwen, is daar geplaatst in een nis, waarboven zijn wapen zich verheft, terwijl op het voetstuk een tweeregelig Latijnsch en een zesregelig Engelsch vers gebeiteld zijn. Het eerste verklaart, dat hem, die in wijsheid een Nestor, in geest een Socrates, in kunst een Vergilius was, de aarde bedekt, het volk betreurt, de Olympus bezit. Het tweede roept den wandelaar toe, niet voorbij te ijlen, maar te lezen, wie door den boozen dood in dit monument geplaatst is, Shakespeare, met wien de natuur zelf stierf, wiens naam meer dan alle praal zijn tombe versiert, daar al wat hij geschreven heeft, toont, dat de levende kunst slechts dienstbaar was aan zijn geest. Hieronder wordt vermeld, dat hij stierf in het jaar onzes Heeren 1616, in zijn 53ste jaar, op 23 April. Het beeld zelf, dat het geheele bovenlijf voorstelt, heeft vóór zich een kussen, waarop een blad papier ligt, dat door de linkerhand half bedekt wordt; de rechterhand, die een pen vasthoudt, rust niet op het papier, maar op het kussen. Het gelaat is over 't geheel welgevormd, doch het benedengedeelte eenigszins zwaar; er is weinig uitdrukking in, al is de mond tot een glimlach geplooid. Het borstbeeld is alzoo lang geen meesterstuk; toch verdient het zeer de aandacht, daar het kort na Shakespeare's overlijden geplaatst is geworden, toen velen, die den dichter persoonlijk gekend hadden, over de gelijkenis konden oordeelen. Het is dus waarschijnlijk, dat dit oordeel niet ongunstig was. Bovendien is er veel reden om aan te nemen, dat bij de bewerking van dit beeld een gipsafgietsel, van een lijk afgenomen, als model gediend heeft; verscheiden beeldhouwers en schilders van naam zijn na nauwkeurig onderzoek tot dit besluit gekomen; vooral het benedenste gedeelte van het gelaat kan dit aanwijzen. Wanneer men nu niet wil beweren, zooals wel geschied is, dat de beeldhouwer zich heeft moeten behelpen met een afgietsel op het gelaat van een ander persoon, die veel op Shakespeare geleek, dan ligt het voor de hand aan te nemen, dat van Shakespeare's gelaat kort na zijn dood een afgietsel genomen is en dat dit bij het vervaardigen van het borstbeeld gediend heeft. Als maker er van wordt door Dugdale Gerard Johnson genoemd, die eigenlijk Gerard of Gerrit Jansen heette; hij was een Hollander, uit Amsterdam; in 1614 heeft hij ook het grafteeken van John Combe, met Shakespeare wel bekend (zie boven blz. 77), vervaardigd.--Oorspronkelijk was het borstbeeld beschilderd: oogen lichtbruin, haar en baard rosachtig bruin, wangen blozend, onderkleed met mouwen, scharlakenrood, overkleed zwart, hals- en handkragen wit, bovenvlak van het kussen groen (het papier wit), ondervlak karmozijn; randkoord en kwasten verguld. Op het laatst der vorige eeuw werd het, dwaas genoeg, gewit, doch in 1824 is de oorspronkelijke kleur weder te voorschijn gebracht en hersteld.
Behalve het borstbeeld bezitten wij nog een afbeelding van Shakespeare in de kopergravure van Martin Droeshout, welke geplaatst is voor de folio-uitgave zijner gezamenlijke tooneelwerken, van 1623; zij is ook in de volgende drie folio-uitgaven van dezelfde plaat afgedrukt. Er staat een vers tegenover van Ben Jonson, waarin verklaard wordt, dat de graveur met de natuur een strijd had aangegaan om het leven te overtreffen, en dat, als hij even goed Shakespeare's geest had kunnen afbeelden, als hij zijn gelaat getroffen had, zijn prent alles zou overtreffen, wat ooit in koper gegrift was. Jonson verklaart dus, dat er gelijkenis bestaat. De graveur heeft zeker getracht het hooge fraai gewelfde voorhoofd, de schoone oogen, den regelmatigen neus, den fraai gevormden mond nauwkeurig na te bootsen, maar het is hem niet gelukt een goed geheel te leveren; ja, de afbeelding van het voorhoofd is zelfs geheel mislukt. Toch moet, zoo men het portret nauwkeurig nagaat en bij herhaling beziet, mijns inziens erkend worden, dat het, hoe gebrekkig de uitvoering ook zij, wellicht van het wezen des dichters trekken genoeg teruggaf, om Jonson's betuiging eenigermate te rechtvaardigen. Vergelijken wij het met het borstbeeld van Stratford, dan vinden wij eenige overeenstemming, met name in het hooge, gewelfde voorhoofd, dat door kaalheid nog iets hooger wordt, in het lange haar, dat over de ooren gekruld is, en nog in enkele andere bijzonderheden; doch het borstbeeld verschilt zeer door den vorm van den neus,--misschien heeft de beeldhouwer daar toevallig wat te veel van het zachte gesteente weggenomen,--door de zeer regelmatig gebogen wenkbrauwen, die aan de geschilderde wenkbrauwen van vele poppen doen denken, door den vorm van den mond en in enkele andere opzichten. De verschillen laten zich wel verklaren; als de beeldhouwer aan de ingevallen trekken van het lijk leven heeft willen verleenen, het gelaat wat voller heeft gemaakt, den mond tot een glimlach gevormd, de oogen geopend en de wenkbrauwen iets opgetrokken, is het niet te verwonderen, dat het borstbeeld een anderen indruk maakt dan de gravure, al zijn beide naar één model genomen. Portretten, naar denzelfden persoon door verschillende, zelfs zeer bekwame teekenaars geschilderd, kunnen onderling groote afwijkingen vertoonen. En men vergelijke eens de portretten van Napoleon met het gipsafgietsel, op het gelaat van zijn lijk afgevormd!
Het borstbeeld en de gravure zijn de eenige afbeeldingen, van welke men zeker weet, dat zij Shakespeare moeten voorstellen. Er zijn verscheiden geschilderde portretten van personen met hoog voorhoofd, die voor afbeeldingen van Shakespeare doorgaan; het bekendste is het portret, eens in het bezit van den hertog van Chandos, thans in de nationale schilderijenverzameling (_National gallery_). Doch van geen enkel is de echtheid te bewijzen.
Hetzelfde moet gezegd worden van een gipsafgietsel, waarvan men beweert, dat het op het gelaat van den gestorven Shakespeare kan of moet gevormd zijn. Naar bericht wordt, werd het in 1848 door den schilder Louis Becker, die ijverig verzamelaar van kunstwerken en zelf zeer handig was in het maken van gipsafgietsels, bij een uitdrager in Mainz onder ouden rommel gevonden en aangekocht. In 1849 gaf Becker het afgietsel aan Prof. Richard Owen te Londen in bewaring; hij vertrok naar Australië, maakte er deel uit van de expeditie van Wills en Burke, en vond er met dezen in 1861 den dood. Het berustte tot 1865 onder Owen; toen het bericht van Becker's dood in Engeland aankwam, gaf hij het aan den broeder des schilders, Dr. Becker, terug. Naar Owen's oordeel beantwoordt het afgietsel, met het oog van den ontleedkundige bezien, zeer goed aan het beeld, dat men zich van Shakespeare vormen kan; er kleven in den baard eenige roodachtige haren; deze werden door hem als echte menschenharen erkend. Het afgietsel is verder onbetwijfelbaar van een lijk afgevormd en draagt aan de achterzijde in den rand het jaarcijfer 1616, dat blijkbaar in het nog weeke gips is gegrift; de cijfervormen zijn inderdaad die der zeventiende eeuw. Het is met olie gedrenkt en heeft dus waarschijnlijk voor het maken van een afgietsel gediend. Dr. Becker heeft het aan Herman Grimm ter onderzoeking voorgelegd en uit de woorden van dezen moge men afleiden, welken indruk het afgietsel op den beschouwer maakt [60]. "Ik geloofde, bij den eersten blik er op, nooit een edeler gelaat gezien te hebben. Wat ik in de hand hield, was voor eeuwen van het gelaat eens dooden afgevormd, en toch riep het zijn laatste oogenblikken dadelijk voor den geest. In den baard hield het gips nog eenige van de roodachtige haren vast, die het medegenomen had, en als pas geplooid deed zich de linnen doek voor, die om den hals gewonden was; nauwelijks gesloten schenen de oogen. En welke holten waren het, waarin zij lagen; welk een zuiver, edel beloop van den gebogen neus; welk een wondervolle vorm van het voorhoofd! Ik gevoelde, dat dit een mensch geweest moest zijn, in wiens brein edele gedachten woonden. Ik vroeg. Men zeide mij de achtervlakte van het afgietsel te beschouwen. Daar was in den rand, in cijfers der zeventiende eeuw ingegrift Ao Dm 1616. Ik wist van niemand anders, die in dit jaar stierf dan van den eenen, die in hetzelfde jaar geboren werd, waarin Michelangelo stierf, 1564--Shakespeare" [61].
Het afgietsel komt in verschillende bijzonderheden meer met de gravure van Droeshout dan met het borstbeeld in de kerk te Stratford overeen. Dit laatste verschilt er van door de meerdere gevuldheid van het gelaat, den korten neus en de zeer breede bovenlip. Wil men aannemen, dat het in Mainz gevonden afgietsel den maker van het borstbeeld tot model gediend heeft, dan is het zeer te betreuren, dat hij het origineel niet beter heeft kunnen nabootsen. De mogelijkheid, dat het afgietsel echt is, kan natuurlijk niet ontkend worden; en wanneer de buste inderdaad door Gerard Jansen of een zijner vijf zonen vervaardigd is, is het ook zeer wel denkbaar, dat het afgietsel zijn weg naar Holland en van daar, Rijnopwaarts, naar Duitschland gevonden heeft. Doch alleen de mogelijkheid is toe te geven, alle gronden om deze gissing waarschijnlijk te maken ontbreken [62]. Zeker is het jammer, dat het borstbeeld en de gravure de schoonheid van het te Mainz gevonden afgietsel niet bezitten, en er niet volkomen op gelijken; doch men moet het zich getroosten, de wezenstrekken van Shakespeare niet naar wensch te kennen, en neme hiertoe de woorden ter harte, waarmede Ben Jonson zijn tienregelig vers op de gravure besluit, dat zijn geest niet af te beelden was en dat men dus liever niet op zijn portret moet turen, maar in zijn boek moet lezen.
Het boek, dat Jonson bedoelt, is de gezamenlijke uitgave van Shakespeare's tooneelwerken, de folio van 1623, de grootsche nalatenschap, die door Shakespeare's vrienden en oude kunstgenooten, Heminge en Condell, beiden ook in zijn testament genoemd, voor de wereld behouden is gebleven. Men is hun grooten dank schuldig, want zonder hun bemoeiingen zouden vele van Sh.'s meesterstukken voor immer zijn verloren gegaan, verscheiden andere alleen in minder volkomen vorm tot ons gekomen zijn [63]. Zij hebben op dezen dank te meer aanspraak, omdat zij, naar allen schijn, niet uit eigenbaat maar om de eere des grooten dichters hoog te houden, deze taak op zich namen.
Met de beschouwing van den vorm en den toestand, waarin Shakespeare's dramatische nalatenschap tot ons gekomen is, worde dit overzicht over zijn leven en werken besloten.
Verreweg het grootste gedeelte der titelbladzijde wordt ingenomen door de reeds besproken beeltenis, gegraveerd door Martin Droeshout. De titel staat er boven:
Mr. WILLIAM _SHAKESPEARES_
COMEDIES HISTORIES & TRAGEDIES.
Published according to the True Original Copies.
Beneden het afbeeldsel staat:
London,
Printed by Isaac Iaggard, and Ed. Blount. 1623.
Tegenover den titel staat het vers van Ben Jonson, "Aan den Lezer", waarin hij het portret als welgelijkend roemt, doch den lezer vooral naar het boek verwijst.
Op den titel volgt de nederig gestelde toe-eigening:
"Aan het hoogst edel en onvergelijkelijk broederpaar, William, Graaf van Pembroke, en Philip, Graaf van Montgomery". Een paar zinsneden moeten aan deze opdracht ontleend worden: "Uwe edelheden hadden zooveel behagen in de afzonderlijke stukken, als zij gespeeld werden, dat reeds vóór zij het licht zagen, het boek vroeg, aan u te mogen toebehooren. Wij hebben ze slechts bijeenverzameld en den doode den liefdedienst bewezen, van aan zijn weezen voogden te verschaffen, geenszins uit verlangen om zelf voordeel of roem te verwerven, maar alleen om het aandenken van zulk een treffelijken vriend en kunstgenoot, als onze Shakespeare was, levendig te houden, door zijn tooneelwerken eerbiedig aan uw hoogstedele bescherming aan te bieden."
Op deze toewijding volgt het woord tot den lezer
"_Aan de groote verscheidenheid van Lezers._"