De Werken Van William Shakespeare Overzicht Van Shakespeare S L
Chapter 17
Volkomen echt daarentegen is "De Storm", mede blijkens zijn bouw en inhoud een gelegenheidsstuk; het is, evenals Koning Hendrik VIII, ongetwijfeld [45] geschreven ter opluistering van het huwelijk van prinses Elizabeth met Frederik, keurvorst van de Paltz, den lateren koning van Boheme, en het is voor de eerste maal opgevoerd ten hove in Februari 1613 [46]. Dat het voor zulk een gelegenheid opzettelijk geschreven is, blijkt zoowel uit de kortheid van het stuk en uit de eenvoudige inrichting, als uit de maskerspelen, die het bevat; deze zijn er niet later ingevoegd, maar maakten er ongetwijfeld van den aanvang af een deel van uit; zij zijn er niet uit te lichten. Een nader onderzoek leert, dat "De Storm" bepaald voor dit huwelijk, waarbij de bruidegom over zee kwam, geschreven is, en het stelt tevens in het licht, met welk een vaardigheid Shakespeare zijn stukken schreef en welk een fijn gevoel van wellevendheid, welk een hooge beschaving hem eigen waren. Toen de verloving van het vorstelijk paar had plaats gehad en het huwelijk weldra volgen zou, overleed 6 November 1612 de oudste zoon des konings, de veelbelovende en allerwegen beminde prins Hendrik. Het huwelijk moest uitgesteld worden, maar ging in Februari 1613 door. Binnen drie maanden werd het stuk geschreven en opgevoerd. Dat het niet vroeger begonnen werd, blijkt hieruit, dat prins Ferdinand, van wien zijn vader niet anders denkt, dan dat hij is omgekomen, de afschaduwing is van den overleden koningszoon, en Prospero juist door de wijsheid en de edele eigenschappen, die koning Jacobus zelf waande te bezitten, uitblinkt; de volleerdste hoveling kon geen meer streelende hulde aan den koning brengen, terwijl toch alle grove en lage vleierij vermeden is.
Ongetwijfeld was dit onovertroffen meesterstuk, "De Storm", Shakespeare's laatste werk, waarmede hij afscheid van de tooneelwereld heeft genomen. Hij verlustigt zich nog eens in de herinneringen zijner jeugd, toen hij den "Midzomernachtdroom" schiep; hij voert den toeschouwer op nieuw in een tooverwereld, waarin dienstbare geesten wonderen tot stand brengen, en hij doet zien, dat zijn verbeelding en scheppend vermogen nog niets in kracht verloren hebben. Ook de tijd van "Elk wat wils" (_As you like it_) komt hem weer voor den geest; nog eens brengt hij ons bij een verdreven hertog, die zich in de eenzaamheid over het verlies van zijn zetel weet te troosten; doch welk een verschil! De goede vorst, die, van hovelingen omringd, in het "Ardenner Woud" geweken is, vergeet het onrecht, dat hem is aangedaan, door op de jacht te gaan en naar liedjes te luisteren; de verbannen hertog van Milaan heeft op zijn onbewoond eiland zich gewijd aan de opvoeding zijner liefelijke dochter, en aan de beoefening der wetenschap, die hem heerschappij verleent over de natuur en over de gemoederen der menschen. Hijzelf heeft de school van den tegenspoed doorloopen; toen hij vroeger Milaan te besturen had, verzuimde hij, door liefde tot de wetenschap verlokt, zijn plicht, en liet de uitoefening van het gezag aan zijn broeder over, een verzuim, dat hij met het verlies van zijn hertogdom had moeten boeten. Doch de rampspoed was hem tot zegen geweest; zijn geest is gelouterd. Hij gebruikt zijn macht over de geesten, om zijn tegenstanders, die nabij zijn eiland en in zijn bereik zijn, tot berouw en onderwerping te nopen; geen oogenblik komt de gedachte aan wraak bij hem op; andere wezens, die hen vergezellen en zich misdragen, worden getuchtigd en tot onderwerping gebracht; wie hem lief zijn, worden door voorbijgaande rampen beproefd om later des te gelukkiger te zijn. Een edele vergevensgezindheid zonder zwakte, zucht om wel te doen en geluk te stichten, maken het wezen van zijn karakter uit. "Een verheev'ner doen is deugd dan wraak", zegt hijzelf, om zijn handelwijze jegens zijn vijanden te verklaren.
De geheele handeling in dit stuk is uiterst eenvoudig, en toch weet de dichter een groote verscheidenheid aan te brengen, zoowel in de tooneelen als in de karakters. Men gevoelt, met welk een welgevallen hij dat liefelijk paar, Miranda en Ferdinand, in het leven heeft geroepen. En welk een wondervolle schepping is het monster Caliban, een wezen, waarvoor de natuur hem geen voorbeeld aan de hand heeft gedaan en dat hij toch zoo natuurlijk, zoo waar geteekend heeft, dat men het schier gaat houden voor een afbeelding van den mensch in den natuurstaat, alleen door lage, dierlijke driften beheerscht! Dat Shakespeare wist, met welk genoegen dit schepsel zou worden aangegaapt, blijkt wel uit zijn spottende opmerking, dat zijn landgenooten hun laatsten duit zouden uitgeven om een vreemden visch of een woest mensch of een monster te zien.
Terwijl hij in andere stukken twee of drie handelingen dooreen weet te vlechten en tot een enkel geheel te versmelten, ja somwijlen dit laatste zelfs nalaat, heeft hij hier alle samengesteldheid vermeden. Met deze eenvoudigheid van handeling gaat hier gepaard, dat alles op een beperkte plaats, op een klein eiland, wordt afgespeeld, en wel in een korten tijd, in drie uren, zooals in het begin van het stuk en later meer dan eens wordt medegedeeld. Men herinnere zich, met welk een vrijheid Shakespeare in zoo vele andere stukken met den tijd omspringt en den toeschouwer van het eene land in het andere verplaatst; en dan komt men onwillekeurig tot de gedachte, dat Shakespeare in dit stuk ook eens heeft willen toonen, dat het hem zeer wel mogelijk was, aan den eisch van eenheid van handeling, tijd en plaats, door velen voor het drama gesteld, geheel en al te voldoen.
Bewijst Shakespeare in al de zoo verschillende tooneelen, waarin zoo ongelijksoortige personen optreden, hoe zijn geest volstrekt niets van zijn jeugdige frischheid verloren heeft, wij mogen tevens niet nalaten de blijmoedige stemming op te merken, die overal, zoowel in de boertige en vroolijke, als in de meer ernstige gedeelten doorstraalt, alsmede de wijsgeerige kalmte, waarmede de wereld en al haar woelen beschouwd wordt. Zoo ergens, dan spiegelt hier zijn geest zich in zijn werk af. Hijzelf is het, die als Prospero tot ons spreekt. Na zijn vurigen jongelingstijd, toen de wereld hem schoon toescheen en hij het booze wel opmerkte, maar het goede in zijn oog het overwicht had, was er een tijd gekomen, waarin hij den indruk, dien het sombere en booze der wereld op hem maakte, in tal van werken op indrukwekkende, maar sombere wijze moest uiten; doch die tijd was voorbijgegaan, en kalmer viel zijn blik op de menschheid. Hij doorgrondt den mensch evenals vroeger; hij kent de boosheid nog, zooals de schildering van Jachimo doet zien; maar hij geeft telkens blijken van een zachtmoedige beoordeeling, van een edele vergevensgezindheid; en gaarne laat hij het oog rusten op wat schoon en liefelijk is, op jeugdige onschuldige paren, zooals Florizel en Perdita, Ferdinand en Miranda; op edele vrouwen, bij alle zachtheid sterk door reinheid, deugd, liefde en trouw, zooals Hermione en Imogeen. Even schoon staat Prospero voor ons, met zijn tooverstaf; door zijn grootmoedigheid heeft hij een vroegeren tegenstander tot vriend gemaakt, en het huwelijk hunner edele kinderen bezegelt den vriendschapsband; aan zijn vijanden heeft hij vergiffenis geschonken; tevreden ziet hij terug op zijn afgelegde levensbaan; hij verlaat het eiland, dat van zoovele wonderen getuige was; hij verbreekt en begraaft den tooverstaf, die ze gewrocht had, en gaat zich verder aan stille bespiegelingen wijden. Shakespeare treedt af van het wereldtooneel.
XI.
SHAKESPEARE'S LAATSTE LEVENSJAREN EN DOOD. ZIJN NALATENSCHAP.
Kort nadat Shakespeare aan het slot van zijn laatste tooneelwerk zijn tooverstaf uit de hand had gelegd, zeide hij, waarschijnlijk in 1613, de wereldstad Londen vaarwel om zich voor goed in zijn kleine geboorteplaats, Stratford aan den Avon, te vestigen. Toen hij deze als jeugdig man en vader verliet en onder de tooneelspelers verzeilde, was hij ongetwijfeld door menigen vroegeren stadgenoot voor verloren gerekend, want hij waagde zich op een zee vol gevaars, die velen tot verderf was. Doch wie ook uit den koers raakten en strandden of vergingen, hij had alle stormen weerstaan en was steeds, nu voor den wind zeilend, dan laveerend, zijn doel genaderd; hij had zelfs gelukkig gevaren en was, niet slechts behouden, maar met een rijke vracht, in de stille bocht, in de kleine haven van waar hij uitgegaan was, ten anker gekomen. Inderdaad, rijk was hij teruggekeerd; misschien was hij de rijkste burger van Stratford, doch in allen gevalle zeer gegoed; hij was een vermogend grondbezitter geworden en dus in de oogen zijner medeburgers, zelfs al hadden deze geen denkbeeld van zijn verdiensten als dichter, een door en door respectabel man [47]. Hij woonde in het grootste huis der stad [48] en leefde volgens de overlevering op onbekrompen wijze, zoodat hij jaarlijks vrij wat geld uitgaf. Slechts zeer weinig berichten zijn uit dezen laatsten tijd van zijn leven tot ons gekomen; wij weten er uit, dat hij zich met het beheer zijner bezittingen bezighield en ook enkele keeren naar Londen reisde; het is ten minste bekend, dat hij er in November en December 1614 eenige weken vertoefde; het jaar te voren, in Maart, had hij er een huis gekocht in de nabijheid van den Blackfriars-schouwburg; men kan dus wel vermoeden, dat hij er meermalen heenging.
Onwillekeurig vraagt men zich af, hoe Shakespeare in Stratford zijn leven sleet en of hij er zich gelukkig kon gevoelen. Voor het laatste was het zeker noodig, dat hij het geluk in zichzelf vond. Stratford was puriteinsch geworden; de onverdraagzame stijve geloovigen, die alle wereldsche vermaken versmaadden en het tooneel verfoeiden en die vaak door hem met spot vervolgd waren, hadden er de overhand; reeds in 1602 was het verboden, de groote gildezaal, waar hij als kind vaak tooneelvertooningen had bijgewoond, voor zulke ijdelheden aan eenig gezelschap af te staan, en daar het verbod waarschijnlijk van tijd tot tijd overtreden was, werd door den raad der gemeente in 1612 bepaald, dat de alderman of wie ook, die tot een tooneelvertooning daar verlof gaf, een boete van tien pond--dus naar de tegenwoordige geldswaarde vijf- of zeshonderd gulden--zou te betalen hebben. Onder zulke omstandigheden zullen er van de 1500 inwoners van Stratford niet velen voor den gezelligen omgang met Shakespeare geschikt zijn geweest. Dat hij in zijn familiekring vergoeding voor dit gemis gevonden heeft, valt zeer te betwijfelen. Van zijn vrouw, de boerendochter uit Shottery, is dit niet te verwachten. Van zijn oudste dochter, Susanna, wordt in haar grafschrift getuigd, dat zij geest bezat boven anderen van haar sekse, en dit met haar vader gemeen had, maar dat zij bovendien steeds wijselijk bedacht was op haar eeuwig heil; van haar man, den geneesheer Hall, blijkt uit zijn nagelaten en uitgegeven ziektekundige aanteekeningen, dat hij zeer kerkelijk gezind was en een fellen haat tegen de Roomschen voedde. Susanna had een mooie flinke handteekening, maar of zij meer dan dit van de edele schrijfkunst machtig was en eenige letterkundige ontwikkeling bezat, mag betwijfeld worden, want zij kon hoogstwaarschijnlijk geen geschreven schrift lezen en ten minste het schrift van haar man niet herkennen; dit blijkt uit de mededeelingen van Dr. James Cooke, een militair arts, die tijdens de burgeroorlogen te Stratford kwam, waar de brug verdedigd moest worden. Hij vernam, dat de nagelaten boeken en papieren van Dr. Hall zich daar ter stede bevonden en begaf zich naar het huis der weduwe, om ze te zien. Nadat zij hem die getoond had, zeide zij, dat zij nog eenige boeken bezat, nagelaten door iemand, die met haar man gezamenlijk de geneeskunst had uitgeoefend; zij hadden veel geld gekost. Hij antwoordde, dat hij, als hem de boeken bevielen, haar die som er voor terug zou geven. Toen hij de papieren zag, bevond hij, dat het geschriften waren van haar man, voor den druk gereedgemaakt, hij kende zijn hand en toonde haar, dat ten minste één der boeken door hemzelf geschreven was. Zij ontkende dit ten sterkste en werd verstoord, toen hij volhield; hij kocht haar toen de boeken voor de gevraagde som af. Zij maakte die dus, hoewel zij in ruime omstandigheden verkeerde, bij den eerste den beste gaarne te gelde. Dr. Cooke heeft ze later uitgegeven; zijn verhaal is hier medegedeeld, omdat het een gereede verklaring geeft, waarom van boeken of geschriften van Shakespeare niets is overgebleven; op papieren, vooral van zoo wereldschen aard, is zeker geen acht geslagen; zij zullen verbrand zijn of als scheurpapier verkocht. Van Shakespeare's tweede dochter, Judith, is bekend, dat zij in het geheel niet schrijven kon; haar handteekening onder een stuk bestaat uit een kluchtige krul, die, evenals een kruisje, gewaarmerkt is [49]. Om den geest, die bij Shakespeare's familieleden heerschte, te doen kennen, zij nog vermeld, dat tijdens zijn verblijf te Londen, op het eind van 1614, een rondreizend Puriteinsch prediker in zijn woning gehuisvest werd.
Uit dit alles is men wel gerechtigd af te leiden, dat de omgang met de zijnen Shakespeare's geest niet kon bevredigen. Het beheer van zijn uitgestrekte bezittingen, het werken in zijn grooten tuin, het gadeslaan van de schoone natuur, waar hij van der jeugd af gemeenzaam mee was, het spreken met menschen van allerlei rang en bedrijf, de omgang met enkele bekenden of vrienden zullen den lust van zijn leven hebben uitgemaakt. Dat hij in zulk een omgeving zich nog met het schrijven van tooneelwerken heeft beziggehouden, is inderdaad niet aan te nemen, en dit is wel een gegronde reden te achten voor het vermoeden, dat hij zich niet vóór 1613 in zijn geboorteplaats voor goed heeft gevestigd.
Van zijn verblijf aldaar zijn overigens geen bijzonderheden met zekerheid bekend. Zijn eerste levensbeschrijver, Nicholas Rowe (1709), vermeldt, dat hij er omgang had met de heeren uit den omtrek en om zijn aangenamen, geestigen kout en zijn goedhartigheid zeer gezien was [50].
Waarschijnlijk had Rowe dit van den tooneelspeler Betterton vernomen; doch hoe ook, aan de geloofwaardigheid van de mededeeling valt niet te twijfelen. Het lezen van Shakespeare's geschriften kan ons hiervan de overtuiging geven, en dit te meer, daar wij weten, dat zij niet met moeite na herhaalde verbeteringen, hun vorm verkregen, maar hem gemakkelijk uit de pen vloeiden, zooals zijn twee vrienden, door wie zij zijn uitgegeven, verklaren. Wanneer wij zien, hoe hij op geestige wijze den spot drijft met valsch haar en met blanketsels, met eigenwaan en zwetsen, hoe nauwkeurig hij de eigenaardigheden en zwakheden der menschen weet af te beelden en ten toon te stellen, hoe hij uitwerkt, dat de wereld vaak door vertoon bedrogen wordt, dan kunnen wij nagaan, dat hij ook in den dagelijkschen omgang met de eigenaardigheden en zwakheden der menschen op vermakelijke wijze geschertst en gespot zal hebben. En tevens kunnen wij zeker wezen, dat hij de scherpte zijner opmerkingen met een goedhartigen lach wist te temperen. Wij zijn ook gerechtigd aan te nemen, dat hij in het beoordeelen van menschen en zaken de juiste maat wist in acht te nemen en de billijkheid te betrachten, want wij zien in zijn werken, hoe hij niet alleen het onderscheid tusschen goed en kwaad in het licht stelt, maar ook de verborgen roerselen van 's menschen handelingen bloot legt en de noodlottige gevolgen van eenzijdigheid en overdrijving doet uitkomen. Hij kende de wereld; hij had zich in het groote en woelige Londen bewogen, dat zoo velen zijner vakgenooten als in een draaikolk medesleepte en zinken deed; ook hij had waarschijnlijk,--zijn geschriften zelf geven grond tot dit vermoeden,--een tijd gehad, dat hij aan de verlokkende stem der verleiding gehoor gaf, doch hij had zich leeren beheerschen; hij wist wederstand te bieden, zijn doel steeds in 't oog te houden en een veilige haven te bereiken. Van zoo iemand, wien niets menschelijks vreemds was, is het niet te verwonderen, dat zijn beoordeeling van de menschen en hun handelingen juist en billijk, maar tevens, zoodra hier aanleiding toe bestond, zachtmoedig was. Zoo toont hij zich in zijn werken, en zoo was hij ongetwijfeld ook in den omgang met zijn vrienden. Bij het aandachtig en omzichtig lezen zijner geschriften kan men menigen karaktertrek van hem ontdekken en tot de uitkomst geraken, dat hij een beminnelijk mensch moet geweest zijn, wiens omgang, zoowel door zijn veelzijdige kennis en zijn opmerkingsgeest, als door zijn liefde voor dichtkunst, muziek, schilder- en beeldhouwkunst belangrijk, onderhoudend en aangenaam was. Men moet zich natuurlijk wel wachten, de uitingen zijner personen voor het persoonlijk gevoelen des dichters te houden. Shakespeare bezat in de hoogste mate het vermogen, dat de dramatische dichter hebben moet, van zich als het ware te vereenzelvigen met de personen, die hij ten tooneele voert; hij laat in hetzelfde stuk Othello, Jago en Desdemona, of Lear, Edgar, Edmond en Cordelia, of Heetspoor, prins Hendrik en Falstaff, ieder zoo spreken, als met zijn natuur overeenkomt. Maar al blijft hij in den regel verscholen achter de personen van het stuk, meermalen toch legt hij hun uitingen in den mond, waarin meer de lyrische, dan de dramatische dichter spreekt en ongetwijfeld zijn eigen meening wordt uitgedrukt. Wel weet hij ook hier maat te houden en zorg te dragen, dat het geheel er niet onder lijdt en de voortgang van het stuk er niet door belemmerd wordt, doch zeldzaam zijn zulke uitingen niet; onder andere mag de beroemde plaats, waarin Portia op het oefenen van genade aandringt, er onder gerekend worden. Zoo is het dan mogelijk, bij het nauwkeurig en met oordeel lezen van Shakespeare's werken, menigen karaktertrek van hem op te merken en hem niet alleen als dichter, maar ook als mensch nader te leeren kennen. Men zal dan bevinden, dat de dichter, die door zijn gezonde levensbeschouwing en door zijn diepe menschenkennis het oordeel over goed en kwaad kan scherpen, het gevoel er voor kan verfijnen, tot maathouden in alle dingen kan aansporen en de zedelijke kracht des menschen kan verhoogen, ook om zijn persoonlijke hoedanigheden en zijn karakter een gids voor het leven verdient genoemd te worden.
Wij zijn genaderd tot het jaar 1616, Shakespeare's sterfjaar. In het begin van dit jaar hield de gedachte aan zijn dood in zooverre hem bezig, dat hij zijn testament ontwierp, en wel op 25 Januari. Op den tienden Februari huwde zijn tweede dochter, Judith, toen 31 jaar oud, met Thomas Quiney (uitgesproken _Quin-ny_), wijnhandelaar te Stratford, vier jaar jonger dan zij; hij was de zoon van Richard Quiney (overleden 1602), denzelfden, die in 1598 aan zijn vriend Shakespeare dertig pond te leen had gevraagd (zie bl. 63); als een bijzondere begaafdheid van hem is te vermelden, dat hij zijn handteekening met twee prachtige krullen opsierde. Op 25 Maart 1616, dus volgens den Ouden Stijl op den eersten dag van het jaar 1616 [51], werd het testament met een paar bijvoegsels vermeerderd en door Shakespeare onderteekend. Hij stierf op Dinsdag den 23sten April 1616 [52] en werd twee dagen later in de kerk der Heilige Drieëenheid, aan de noordzijde van het koor, begraven. Een eenvoudige platte steen wijst de plaats aan, waar hij ter ruste gelegd is; een vierregelig rijm bezweert bij Jezus' naam, het stof, dat daar besloten is, niet te ontgraven, zegent, wie het gesteente spaart, en vervloekt, wie het gebeente roert [53]. Dowdall schreef in 1693, dat Shakespeare zelf dit rijm kort voor zijn dood gemaakt heeft; dit klinkt vrij onwaarschijnlijk; veeleer zou men vermoeden, dat een reeds gereed zijnde zerk ter bedekking van het graf gebezigd werd; naam en wapen ontbreken er op; en deze staan wel op de aangrenzende zerken van Susanna Hall, van haar echtgenoot John Hall, en van Thomas Nashe, den eersten echtgenoot van Sh.'s kleindochter Elizabeth. Aan welke ziekte Shakespeare overleed, is geheel onbekend, doch waarschijnlijk is hij geruimen tijd ziek of sukkelend geweest en was zijn dood niet geheel onverwacht. Het vermoeden ligt voor de hand, dat een wankelende gezondheid hem bewoog het voorgenomen huwelijk zijner jongste dochter te verhaasten; het is namelijk bewezen, dat dit met allen spoed gesloten werd en de vereischte vergunning der geestelijke overheid niet werd afgewacht. Met het oog op het aanstaand huwelijk werd waarschijnlijk het testament ontworpen, waarin Judith goed bedacht werd; het is een wijziging geweest van vorige beschikkingen, want alle voorafgaande worden herroepen; Shakespeare had ongetwijfeld reeds vroeger gezorgd, dat zijn grondbezit bijeenbleef. De zaak bleef toen een poos rusten, tot een plotselinge verergering in den toestand van Shakespeare tot haastig bekrachtigen van het testament drong. Dit is namelijk niet in het net geschreven, maar in het eerste ontwerp is de dagteekening veranderd en zijn enkele bepalingen tusschen de regels ingelascht, waarna de onderteekening door den erflater en de getuigen gevolgd is. Het waarschijnlijkst is, dat hij herhaaldelijk door kwaadaardige koortsen van typheuzen aard bezocht werd, die zijn oorspronkelijk krachtig gestel sloopten; de straat, waarin hij woonde, _Chapel street_, kan er aanleiding toe gegeven hebben; want er waren stilstaande poelen en goten in, en ook van een zwijnekot wordt gewag gemaakt; de gezondheidsleer was toen ter tijd niet zoo ver gevorderd, dat men den verderfelijken invloed van zulk een toestand inzag. Anderhalve eeuw later, in 1768, toen een Shakespeare-Jubileum gevierd werd, noemde Garrick, de beroemde tooneelspeler, Stratford de smerigste, onaanzienlijkste, slechtst bestrate, erbarmelijkste landstad in Brittanje. Uit de aanteekeningen van zijn schoonzoon, den als arts hooggeroemden Hall, is niets aangaande zijn ziekte bekend geworden [54].