De Werken Van William Shakespeare Overzicht Van Shakespeare S L
Chapter 16
Dit kan ons ook duidelijk worden, als wij op zijn "Antonius en Cleopatra" de aandacht vestigen, welk stuk in 1607 of 1608, misschien vóór Pericles, moet geschreven zijn. Het is hier de plaats niet om aan te wijzen, hoe nauwkeurig Shakespeare zijn bron, Plutarchus, gevolgd heeft; hoe hij de overrijke stof, waarover in de Aanteekeningen uitvoerig gehandeld is, in een beperkt bestek heeft weten saam te dringen; hoe hij, zelfs te midden van vele gebeurtenissen, zoo groot en zoo verscheiden, dat zij het overzicht bemoeilijken en men wenschen zou er minder van overstelpt te worden, zorg gedragen heeft de verschillende karakters juist en scherp te teekenen en de handelingen der personen uit hun karakter te doen voortspruiten. Evenmin kan hier gewezen worden op de groote dichterlijke schoonheden van het wondervolle stuk. Wat hier wel opgemerkt moge worden, is, dat het fel bewogen gemoed des dichters, dat zich uit in "Othello", in "Koning Lear", in "Macbeth", dat kreten van wanhoop slaakt in "Timon van Athene", bij het schrijven van zijn "Antonius en Cleopatra" tot kalmte gekomen is. Wij zien deze beiden aan den hevigsten hartstocht ten prooi, wij zien hen bezwijken voor de slagen van het lot, die het onafwendbaar gevolg zijn hunner handelingen; de dichter heeft ons hun feilen niet verzwegen, doch geen woord van verwijt komt over zijn lippen; het is, als stond hij naast ons, wanneer de heldhaftige Antonius, die tot het uiterste gestreden heeft en het sterven zijner geliefde vernemen moest, zich den dood geeft, wanneer Cleopatra, in vorstelijk praalgewaad; de grimmige adders aan de borst legt om haar koninklijke eer te redden, schande te ontgaan en naar haar Antonius te ijlen; het is ons, als drukte zijn blik, bij het aanschouwen zijner eigen schepping, diepen weemoed uit, dat deze heerlijke wezens zich aan den ondergang hebben gewijd.
Tot dit tijdperk van des dichters leven moet ook nog zijn "Coriolanus" gebracht worden, een wonderschoone schepping, ongetwijfeld omstreeks 1609 tot stand gebracht. Evenals bij de twee andere Romeinsche stukken, was ook hier Plutarchus zijn trouwe gids. Hier verbijstert ons geen veelheid van gebeurtenissen, maar de eenheid van handeling is voortreffelijk bewaard; hier vinden wij als achtergrond den strijd tusschen de Patriciërs en Plebejers, waartegen de heldenfiguur van Coriolanus schitterend uitkomt, een karakter, dat door zijn waarheid en waarachtigheid boeit maar door zijn mateloozen trots ten slotte tot verloochening van zijn vaderland gebracht en in het verderf gestort wordt. De geheele opvatting en fijne uitwerking maken den "Coriolanus" tot een van de grootste meesterstukken der dramatische literatuur.
Dat in "Coriolanus" zijn fiere moeder Volumnia en zijn zachte echtgenoote Virgilia bijzondere aandacht verdienen, zij hier slechts even aangestipt, doch moge ons aanleiding geven om het tal van vrouwenfiguren, die Shakespeare in de tot dusverre besproken stukken ten tooneele bracht, nogmaals te overzien; want ook dit kan ons een blik doen slaan op zijn levensbeschouwing en op de verandering, die deze in den loop der jaren ondergaan heeft. In de eerste historiestukken zijner jeugd treden vrouwen op, in wie de eerzucht alle zachtere gemoedsaandoeningen gedood heeft, zooals de hertogin van Gloster en koningin Margaretha, en later in "Koning Jan" de koningin Eleanor, of anderen, bij wie angst en hartgrievende kommer hartstocht en behoefte aan wraak hebben gewekt, zooals bij Constance in laatstgenoemd stuk. In de vroegere blijspelen ontbreekt bij de vrouwen het diep gevoel en de hartstochtelijke liefde niet, waarvan Julia in de "Twee Edellieden van Verona", als voorbeeld moge strekken; en hoe Shakespeare de innigste liefde weet terug te geven, moge Romeo's Julia getuigen. Maar kenmerkend zijn voor de meeste vrouwen uit de blijspelen van het eerste en tweede tijdperk de frissche levenslust, de geestigheid en gevatheid, de stoutmoedigheid, waarmede zij aan haar hartstocht of aan haar eens opgevat plan gehoor geven en recht op het doel afgaan. Hierbij valt op te merken, dat de karakters langzamerhand fijner en voortreffelijker geteekend worden: men vergelijke Rosaline uit "Veel Gemin, geen Gewin", met Beatrice uit "Veel leven om niets", met Rosalinde uit "Elk wat wils", en met Viola uit "Driekoningenavond". Merkwaardig is ook, dat Shakespeare de meisjes met echt vrouwelijk en liefhebbend karakter gaarne in mansgewaad dost, zooals Julia uit de "Twee Edellieden van Verona", de bekoorlijke Jessica en de rechtsprekende Portia, de schalksche Rosalinde en de zachte, in al haar doen vrouwelijke Viola; de tegenstrijdigheid van gewaad en karakter verhoogt het genot, dat de verkleeding aanbiedt, terwijl Helena, die met waarlijk manlijken geest en moed haar doel nastreeft, terecht haar vrouwelijk gewaad behoudt.
Kunnen wij uit deze breede schaar van vrouwen opmaken, welke karaktertrekken en eigenschappen door Shakespeare in den ochtend en voormiddag van zijn leven geacht werden aan de vrouw de hoogste bekoorlijkheid en lieflijkheid te verleenen, dan slaan wij ook gaarne de vrouwen gade, in lateren tijd, toen hij den middag des levens bereikt had, door hem met meesterhand geteekend. Op de vrouwen, wier karakter geheel door den aard van het stuk gevorderd en bepaald wordt, zooals Cleopatra en de behaagzieke wufte Cressida, Lady Macbeth en de monsters Goneril en Regan, hebben wij hier natuurlijk niet te letten. Wij vestigen veeleer het oog op Portia, de kloeke en toch met echt vrouwelijke teederheid liefhebbende echtgenoote van Brutus, op de engelreine Isabella, op de ongelukkige, liefelijke Ophelia, op Desdemona, Cordelia, Marina, Virgilia, en wij erkennen, dat aan Shakespeare in dezen tijd een ander ideaal van vrouwelijke volkomenheid moet voorgezweefd hebben dan vroeger. "Haar stem was altijd zacht, lieflijk zacht,--een heerlijk ding bij vrouwen," getuigt Lear van zijn Cordelia.
Het einde van dit levenstijdperk, waarin Shakespeare zijn groote treurspelen schiep, mogen wij, zooals boven reeds aangeduid is, met groote waarschijnlijkheid in 1609 stellen. Hij maakte toen ongetwijfeld nog steeds deel uit van het tooneelgezelschap, waartoe hij sinds jaren behoorde. Wel kunnen wij uit enkele sonnetten opmaken, dat het tooneelspelersleven hem sedert lang tegen de borst stiet; maar wij moeten toch onderstellen, dat hij nog geruimen tijd aan het tooneel verbonden bleef, al trad hij, wegens zijn bezigheden als schrijver, misschien niet vaak of niet in groote rollen op. De talrijke, door hem tot 1609 geleverde werken, die alle een grondige kennis van het tooneel tot grondslag hebben, verbieden aan te nemen, dat hij ze ergens anders dan in Londen en aan het tooneel verbonden, geschreven heeft; en hij heeft ongetwijfeld ook door zijn tegenwoordigheid gezorgd, dat zij op waardige wijze werden opgevoerd. Wel was hij blijkbaar van plan zich later te Stratford te vestigen en de aankoop aldaar van het huis, _New Place_ geheeten, in 1597 bewijst dit ten volle, maar ter verwerving van de noodige middelen, om als gezeten burger onbezorgd te kunnen leven, zal hij nog wel verscheiden jaren na dien tijd noodig hebben gehad. Dat hij steeds in geldelijk opzicht vooruitging, blijkt: in 1602 kocht hij landerijen nabij Oud-Stratford, in hetzelfde jaar een boerderij, niet verre van zijn huis gelegen, en nog een ander huis en erve, in 1605 een aandeel in het tiendrecht, dat hem vrij wat opbracht. Doch het is noodeloos al zijn aankoopen, voor zooverre ze bekend zijn, te volgen; genoeg zij het, hier te zeggen, dat hij, toen hij zich te Stratford vestigde, tot de zeer gegoede burgers mocht gerekend worden. Vooralsnog was hij te Londen en een neef van hem, Thomas Greene, _the Town-clerk_, woonde in 1609 in New Place. Hoogstwaarschijnlijk verhuisde hij niet vóór 1613, toen hij zijn laatste stuk, "de Storm", geschreven had, naar zijn geboorteplaats.
Merkwaardig is het, dat Shakespeare, te midden van al zijn bezigheden, terwijl hij dichterlijke meesterwerken schreef, die nog na eeuwen de wereld in verrukking brengen, steeds behoorlijk zijn zaken in het oog gehouden en zelfs goed op de kleintjes gepast had. Zoo vindt men opgegeven, dat hij in 1604 iemand gerechtelijk vervolgde wegens een schuld van even f 21.-- (naar tegenwoordige geldswaarde zeker wel f 100.--), in 1608 een anderen schuldenaar, wegens 6 pond sterling, en, toen zijn vordering hem na eenige maanden werd toegewezen, doch de schuldenaar niet te vinden was, den borg er voor aansprak.
Shakespeare's ouders waren nog getuigen geweest van den steeds wassenden roem huns zoons. Zijn vader stierf in September 1601 en werd in Stratford begraven. Op 7 Juni 1607 huwde zijn oudste dochter, Susanna, toen 24 jaar oud, met Dr. John Hall, een zeer geacht geneesheer in Stratford, die een uitgebreide praktijk had; in hetzelfde jaar, in December, stierf zijn jongste broeder Edmond, tooneelspeler, in Londen, en werd er op een kerkhof in de nabijheid van het Globus-theater begraven. In Februari 1608 werd Shakespeare's eerste kleinkind, Elizabeth, geboren, dat 21 Febr. gedoopt werd; het bleef het eenigst kind der ouders, en het eenig kleinkind, dat de dichter gezien heeft. In September van hetzelfde jaar stierf zijn moeder en werd te Stratford begraven. Had zijn vader er zich reeds in kunnen verheugen, dat de voorspoed van zijn oudsten zoon den naam van Shakespeare in Stratford weder in eere bracht, veel meer genot heeft zijn moeder kunnen smaken door zijn steeds toenemende welvaart en immer wassenden roem.
X.
DE HELDERE HEMEL.
De hemel was voor den dichter weder helder geworden; het onweder had uitgewoed; de stormen, die zijn gemoed bewogen hadden, waren bedaard. De werken, die hij na de laatstgenoemde meesterstukken geschreven heeft, leggen alle zoowel van zijn gelukkige stemming, die door de schepping van Marina in het tooneeldicht Pericles reeds was aangekondigd, als van zijn onverzwakt dichtvermogen getuigenis af.
Het "Winteravondsprookje", _The Winter's Tale_, heeft Shakespeare blijkbaar geschreven tot genoegen van zichzelf en tot vermaak van anderen. Hij legt een verhaal van Robert Greene, van 1588, "Pandosto of de triumf van den Tijd", ook onder den titel "Dorastus en Faunia" uitgegeven, er ten grondslag aan, en brengt ons in een fantastische wereld, waar de eenvoudigste begrippen van waarschijnlijkheid even onbekend zijn als die der aardrijkskunde, waarin oudheid, middeleeuwen en nieuwere tijd, christendom en heidendom, dooreengemengd zijn, waarin een dochter van den keizer van Rusland bezwijmt bij het vernemen van een orakel, dat van het eiland Delphos wordt aangebracht, en waarin de hulp van den schilder Julio Romano (den leerling van Rafael Sanzio) wordt ingeroepen om een standbeeld te beitelen. Een vaartuig landt op de kust van Boheme; een edelman legt daar een kind te vondeling; hij wordt onmiddellijk daarna door een beer verslonden en het geheele schip vergaat met man en muis, want er mag niemand overblijven om iets van het gebeurde te vertellen; de vondeling groeit onder gewone herders op en is toch na zestien jaar niet alleen tot een allerbekoorlijkste jonkvrouw opgegroeid, maar bezit dan tevens de fijnste beschaving, zoodat zij alleszins waardig is om met een koningszoon te trouwen; een door haar gemaal gruwelijk miskende koningin bezwijmt voor onze oogen, en wij vernemen, dat zij gestorven is; maar na zestien jaren blijkt, dat zij bijgekomen is en al dien tijd op een landgoed verborgen is gebleven; wij zien haar weer als een standbeeld, dat levend wordt, den treurenden, berouwvollen echtgenoot de hand reikt en hem weder gelukkig maakt. En dit alles volgt snel op elkander; het eene tafereel wisselt met het ander af, en evenzoo de stemming; de ijverzucht des konings is zoo ongegrond, zoo ongerijmd mogelijk,--trouwens, wat ons vertoond wordt, is een sprookje,--maar de toestanden, die er uit voortvloeien, zijn echt tragisch en de eerste drie bedrijven maken een treffend treurspel uit; doch het slot van het derde bedrijf bereidt er ons op voor, dat een vroolijker gedeelte volgt. Zoo verplaatst ons dan het vierde bedrijf, dat zestien jaar later speelt, op een herdersfeest, waarin met het herdersvolkje de bekoorlijke vondelinge, een koningszoon, een koning met een getrouwen hoveling, en een vermakelijke schavuit, die landlooper en beurzensnijder is, optreden; de laatste draagt den naam van een zoon van Mercurius, den god der dieven, en vent als marskramer gedrukte liedjes uit, zooals dit in Shakespeare's tijd gebruikelijk was. De hoofdpersonen van dit herdersstuk, dat een ernstige wending dreigt te nemen, gaan scheep op de kust van Boheme en landen op Sicilië, waar op het alleronverwachtst, als in een sprookje,--Shakespeare wijst er meer dan eens op, dat zijn stuk een sprookje ten tooneele brengt,--de vondeling als koningsdochter erkend wordt, en haar doodgewaande moeder, die evenzoo verrassend nog in leven blijkt te zijn, haar man en haar kind aan het hart mag drukken.
Voorwaar, een stuk, dat ten duidelijkste aantoont, hoe jeugdig het gemoed en de geest des dichters gebleven zijn; hij schept genot in het verhaal van Greene, dat hij niet nalaat te veredelen en van een blij einde te voorzien,--want bij Greene sterft de koningin werkelijk en wordt de koning later verliefd op zijn eigen kind, doch steekt zich, als hij haar als zoodanig herkent, uit wanhoop dood;--hij weet alle personen met geest en leven te bezielen; hij laat in het herdersspel aan de vroolijkheid den vollen loop en doet er een Autolycus optreden, die de blijgeestigheid zelf is en veeleer de schepping van een jong en jolig dichter schijnt te zijn, dan van een man, die de stormen des levens zegevierend heeft doorstaan; zijn rijke verbeelding weet een eindtooneel voort te brengen, zoo tooverachtig schoon als er ooit een is uitgedacht; in Perdita en Florizel een jeugdig paar in het leven te roepen, zoo onschuldig, zoo bekoorlijk, zoo liefelijk en zoo innig verliefd, als ooit eenig dichter geschilderd heeft; een koningin als Hermione te doen stralen in al de schoonheid der jeugd, haar geestig en schalks te doen kouten met den vriend van haar echtgenoot en bij de wreedste en onrechtvaardigste verdenking met al den adel van een rein gemoed en de waardigheid eener vorstin haar onschuld te doen bepleiten, en haar later zonder eenig verwijt, zonder eenige bitterheid, de hand te doen reiken aan den echtgenoot, die haar zoo onrechtvaardig vervolgd, doch zijn schuld door jaren van berouw geboet heeft. Nog op verscheiden andere karakters, op Paulina, op Camillo, op den ouden herder zou kunnen gewezen worden, doch het gezegde moge genoeg zijn om te doen zien, in welk een gelukkige gesteldheid des gemoeds, met welk een levendigen en toch tot volle rijpheid gekomen geest, de dichter dit stuk geschreven heeft.
Evenals het "Winteravondsprookje" dagteekent "Cymbeline" van 1610 of 1611, dus uit het laatste tijdperk van 's dichters werkzaamheid. De geheele wijze van behandeling niet alleen, maar ook de stijl en de versbouw toonen dit voor beide stukken allerduidelijkst aan, en het wordt ook door uitwendige getuigenissen bevestigd. Evenals het vorige stuk is Cymbeline rijk aan verscheidenheid; trouwens, zeer ongelijksoortige bestanddeelen zijn hier tot één geheel vereenigd. Het hoofddenkbeeld is aan een vertelling van Boccaccio ontleend, doch de belasterde onschuld, bij Boccaccio de vrouw van een koopman, is hier de dochter van een koning geworden, en wel van een der Britsche koningen, die vóór Christus' geboorte in Engeland heerschten en door Holinshed vermeld worden. Zoo heeft de dichter de lotgevallen van Imogeen saamgeweven met een oorlog tusschen de Britten en Romeinen. Een ander deel is geheel zijn eigen vinding, namelijk de gebeurtenissen aan het hof, waartoe hij de valsche koningin en haar zoon Cloten in het leven riep; evenzoo heeft hij de lotgevallen der koningszonen uitgedacht, want Holinshed's kroniek vermeldt alleen hun namen en zegt overigens niets meer, dan dat de oudste zijn vader is opgevolgd; van Belarius of Morgan is daar geen sprake. Door de vereeniging van zoo ongelijksoortige bestanddeelen is een zeer ingewikkeld geheel ontstaan, waarvan de deelen geenszins alle innig en volkomen zijn saamgesmolten, gelijk in "Koning Lear" wel het geval is; een deel is echt dramatisch en in den toon van een treurspel, zooals de verbanning van Posthumus, zijn afscheid van Imogeen, zijn miskenning van haar trouw, haar tocht met Pisanio; een ander deel is meer lyrisch, zooals haar verblijf bij Belarius en de geroofde koningszoons, haar nog onbekende broeders; een ander deel weder is meer episch, zooals de beschrijving van den strijd tusschen de Britten en Romeinen. De groote verwikkeling maakt ook het slottooneel wat al te rijk aan ontknoopingen en verrassingen. Doch wat men nog meer moge gispen, zooals het optreden van Italianen van den lateren tijd onder de Romeinen; of men ook opmerke, dat door de groote samengesteldheid van het geheel de personen, die boven allen belang inboezemen, ons somwijlen te lang van het tooneel afwezig blijven; of men ook betreure, dat door de groote verscheidenheid de eenheid van het drama geleden heeft; niemand zal de hooge dichterlijke waarde zoowel van het geheel als van al zijn deelen miskennen; wil men Cymbeline ook al geen voortreffelijk drama noemen, niemand zal aarzelen het een voortreffelijk dramatisch dichtstuk te heeten. Men lette eens op de uitstekende karakterteekening, op de treffende toestanden, op de heerlijke tooneelen,--waaronder die in de grot in de eerste plaats te tellen zijn,--en men is verzoend met wat men gebreken zou willen noemen.
Bovendien, er is inderdaad eenheid in het stuk; zij wordt teweeggebracht en gewaarborgd door Imogeen, een der schoonste vrouwenkarakters, die Shakespeare, ja, die eenig dichter geschapen heeft, zoo niet het schoonste van alle. Zij vereenigt in zich de onschuld van Desdemona, de liefde van Julia, den zielenadel van Cordelia, de vorstelijke waardigheid van Hermione; haar reinheid en deugd weerstaan alle beproevingen; hoe zij ook, als de liefde van haar man haar ontvallen is, den dood moge wenschen en dien gaarne lijden wil, zij denkt er niet aan, zich dien zelf te geven, maar heeft den moed, vermomd een gewaagden tocht te ondernemen ten einde in de nabijheid van haar echtgenoot te komen; haar standvastigheid in alle gevaren voert haar tot het gewenschte doel; en als zij dan eindelijk met haar Posthumus vereenigd is, komt geen enkele klacht over de doorgestane ellende, geen enkel verwijt wegens onrecht of miskenning over haar lippen; haar vergevensgezindheid, haar zachtheid, haar lieftalligheid maken, met haar schoonheid en onschuld, haar liefde en trouw, haar geest en moed, haar tot een beeld van volkomenheid en wij mogen den dichter dankbaar zijn, dat hij ons aan het eind zijner loopbaan, zulk een ideaal der vrouw geteekend heeft. Zij staat ons, als wij haar eens aanschouwd hebben, altijd door voor den geest; en door haar is het, dat al de verschillende tooneelen, zoowel die aan het hof, als die in de grot, zoowel die in Rome, als die bij het Romeinsche leger, zoowel die op het slagveld, als die in den kerker, inderdaad innig samenhangen en een schoon geheel uitmaken.
Tot dezen zelfden tijd en wel tot het einde van 1612 en het begin van 1613 is te brengen het stuk, dat in de gezamenlijke uitgave van Shakespeare's tooneelwerken (1623) als het tiende of laatste der historiespelen is opgenomen, Koning Hendrik VIII. Het draagt in het Engelsch den titel: _The Famous History of the Life of King Henry the Eight_ en stelt belangrijke tafereelen uit het leven van genoemden vorst voor oogen; het behandelt het bestuur en den val van den eerst alvermogenden kardinaal Wolsey, de echtscheiding des konings, zijn huwelijk met Anna Boleyn, de lagen, aan den aartsbisschop Cranmer door zijn vijanden gelegd, en de verijdeling van dien toeleg door den koning, het sterven van de gescheiden koningin Catharina van Arragon en de geboorte van Elizabeth; kortom, het is een reeks van dramatische tafereelen, die veeleer in kunstmatig verband gebracht zijn, dan tot een goed geheel vereenigd. Zoo kan men b.v. zeggen, dat de lotgevallen van den aartsbisschop Cranmer alleen ter sprake gebracht zijn met de bedoeling van hemzelf te doen optreden en alzoo door een beroemd persoon de heilrijke regeering van koningin Elizabeth en haar opvolger, koning Jacobus I, te doen voorspellen. Dit stempelt het stuk tot een gelegenheidsstuk en eveneens wordt dit aangewezen door den luister, waarmede de kroningsoptocht plaats grijpt.
Van den tijd, waarop dit stuk, en wel als een nieuw stuk, gespeeld werd, zijn wij nauwkeurig onderricht; want op den 29sten Juni 1613, toen het in het Globus-theater gegeven werd, geraakte het gebouw door de saluutschoten, die er in gelost werden en die het rieten dak aanstaken, in brand en lag in korten tijd in de asch. Wanneer wij dit in aanmerking nemen, valt er wel niet aan te twijfelen, of het stuk is geschreven voor de feesten ter gelegenheid van het huwelijk van 's konings dochter prinses Elizabeth, dat in Februari 1613 voltrokken werd.
Reeds sinds lang was op de ongelijkheid van de verschillende deelen van het stuk gewezen, op de bijzonderheid, dat slechts enkele tooneelen, met name die, waarin koningin Catharina optreedt, belangstelling wekken, op den uiterst gebrekkigen bouw van het stuk; maar de omstandigheid, dat Heminge en Condell, de veeljarige metgezellen en vakgenooten van Shakespeare, het stuk in 1623 in zijn verzamelde tooneelwerken opnamen, belette, dat de twijfel, die omtrent de echtheid van het stuk bij den lezer mocht opkomen, voedsel kreeg. Bovendien dragen enkele gedeelten recht duidelijk den stempel van Shakespeare's geest, zooals de groote rede, trouw naar de kronieken gevolgd, waarmede koningin Catharina haar rechten verdedigt, een rede, die iedereen aan de pleitrede van koningin Hermione in het Winteravondsprookje moet doen denken.
Wel was er ook reeds vroeger op gewezen, dat er in het stuk twee deelen zijn te onderscheiden, die in versbouw aanmerkelijk verschillen. Bij Shakespeare is de versbouw zeer natuurlijk en in het nauwste verband met den zin, zoodat wie den zin goed leest, vanzelf het vers goed leest, en zoo is het dan ook in eenige gedeelten van Koning Hendrik VIII, in andere daarentegen niet. Het was echter eerst in 1850, dat deze opmerking tot nader onderzoek leidde; toen echter werd er van drie kanten te gelijk de aandacht nader op gevestigd, vooral door den bekwamen uitgever van Bacon's werken, James Spedding, die de vraag stelde: "Wie schreef Shakespeare's Koning Hendrik VIII?" en na nauwkeurig onderzoek tot het besluit kwam, dat het grootste deel van het stuk aan den bekenden tooneeldichter John Fletcher (geb. 1576) was toe te kennen en slechts enkele tooneelen (I. 1 en 2; II. 3 en 4; III. 2 tot aan Wolsey's alleenspraak: "wat beteekent dit?" en V. I) aan Shakespeare. Sedert hebben onderzoekingen van vele andere gezaghebbende Engelsche Shakespeare-beoefenaars--en Engelschen zijn in deze vooral tot oordeelen bevoegd--dit bevestigd; ja sommigen onder hen gaan langzamerhand zoo ver, dat zij alle medewerking van Shakespeare aan dit stuk ontkennen. Moge dit misschien al te gewaagd zijn, daar toch Heminge en Condell het aan Shakespeare toekennen, volkomen zeker is het, dat Shakespeare vreemd is aan het plan; dit toch stelt aan den toeschouwer den ongerijmden eisch, eerst om diep medegevoel te hebben met de verstooten koningin en dan te jubelen bij de verheffing harer zegevierende mededingster. Evenmin heeft Shakespeare eenig deel aan de bewierooking van Elizabeths regeering door Cranmer en aan den lof, aan Jacobus' regeering toegezwaaid; juist in dit gedeelte zijn de verzen gebrekkig van bouw [44].