De Werken Van William Shakespeare Overzicht Van Shakespeare S L
Chapter 13
De beide deelen van "Koning Hendrik IV" worden, zooals reeds gezegd is, in "Koning Richard II" uitstekend voorbereid en voor het goed begrijpen van het karakter, de moeilijkheden, handelingen en bepeinzingen des konings, is het volstrekt noodig laatstgenoemd stuk vooraf met aandacht te lezen. Niet minder schoon dan het karakter des konings, is dat van zijn zoon, den prins van Wales, den lateren koning Hendrik V, ontwikkeld. Wars van allen schijn en onwaarheid, had hij het leven aan het hof ontweken en zich aan een loszinnig leven, dat hem aantrok, overgegeven, den omgang zoekende met ruwe klanten, onder welke de onverbeterlijke egoïst, Sir John Falstaff, de eerste is. Wanneer de prins optreedt, in het tweede tooneel van het eerste bedrijf, heeft hij ondertusschen de voosheid en nietswaardigheid van dit loszinnig leven reeds doorgrond, zooals uit zijn eerste alleenspraak blijkt. Moge hij tijdelijk nog met den dikken deugniet en diens gezellen als kameraad omgaan, nog vóór het eerste deel ten einde loopt, in den strijd met Percy en in de woorden, die hij aan den gevallen tegenstander wijdt, komt zijn edele aard ten volle uit. In het tweede deel is hij nog wel niet van Falstaff en diens aanhang geheel vervreemd, maar de omgang is op verre na zoo levendig niet meer als vroeger; en wie op den deemoed en de bescheidenheid let, waarmede hij zich als zoon en als held gedraagt, behoeft niet verbaasd te staan over de waardige wijze, waarop hij onmiddellijk na den dood zijns vaders als koning optreedt, en evenmin over de vastberadenheid en kloekheid, welke hij in het stuk, dat zijn naam draagt, zoowel tegenover de samenzweerders, die hem belagen, als tegenover de vijanden van zijn land aan den dag legt. Onder de andere personen verdient vooral Hendrik Percy de aandacht; vergelijkt men verder de tooneelen, waarin de samenzwering tegen Hendrik tot stand komt, met tooneelen van het tweede en derde deel van "Koning Hendrik VI", dan ziet men, welke vorderingen de dichter gemaakt heeft, hoe vast en scherp de toestanden geteekend zijn, hoe ieder geheel naar zijn aard spreekt en handelt, en hoe zorgvuldig alle bijzonderheden zijn uitgewerkt.
Welk waarachtig leven Shakespeare zijn scheppingen inblaast, blijkt ten duidelijkste uit den machtigen indruk, dien Sir John Falstaff met de zijnen op den toeschouwer en lezer maakt. Zij brengen de handeling wel is waar niet of weinig vooruit, doch men zou ze niet willen missen, vooral den onsterfelijken Falstaff niet, al nemen de tooneelen, waarin hij optreedt, een overgroote ruimte, wel vijf twaalfden van het stuk, in. De buitengewone bijval, dien het eerste deel van Koning Hendrik IV gevonden heeft, onder andere uit het groot aantal herdrukken van de quarto blijkbaar, is ongetwijfeld voor een goed deel aan den dikken ridder te danken. Van het tweede deel zag, zooals boven gezegd is, slechts een enkele afzonderlijke uitgave het licht; het schijnt nooit zooveel indruk gemaakt te hebben als het eerste. Wel treedt Falstaff er in op, meermalen zelfs en in groote tooneelen, doch de omgang met zijn vorstelijken kameraad is bijna opgehouden, en hiermede blijft een groote prikkel uit, die zijn geest voortdurend opwekt; hij moet zich in lagere kringen bewegen; en hoe kostelijk ook de personen, waar hij mede verkeert, zooals Zielig en Pistool, geteekend zijn, hoewel Falstaff's geest nog even slagvaardig zij als vroeger, dit alles is geen vergoeding voor het gemis van zijn gesprekken met Prins Hendrik. Toch moesten deze wegblijven, om er op voor te bereiden, dat de prins, die het leven ernstiger gaat opnemen en weldra een voortreffelijk vorst zal blijken, hem terug zal wijzen, wanneer de onverbeterlijke zondaar zich tot hem wendt. En zoo gebeurt het hem, terecht; hij vertrouwt, nu zijn Hendrik koning geworden is, nog meer dan ooit te kunnen toegeven aan zijn eigenbatige lusten, maar moet ondervinden, dat hij verbannen wordt en op geen mijlen afstands het hof mag naderen; ja, hij moet het nog genadig achten, dat hij geen gebrek te lijden zal hebben, daar hem levensonderhoud wordt toegezegd! Moge de dichter zelf, volgens zijn eigen mededeeling, eens van plan geweest zijn, Falstaff nogmaals in "Koning Hendrik V", te doen optreden, het bleek hem zeker bij het uitwerken van dit stuk, dat het niet gebeuren mocht, en hieraan hebben wij, uit den mond van vrouw Haastig, het fraaie verhaal van Falstaff's dood te danken.--Kon alzoo de dikke zondaar in het tweede deel van "Koning Hendrik IV" niet zooveel bewonderaars en toejuiching oogsten als in het eerste, evenzeer was het ten nadeele van dit tweede deel, dat zoowel de hernieuwde opstand van Engelsche grooten, als de spanning, die op nieuw tusschen den koning en zijn zoon ontstond, herhalingen waren van handelingen en toestanden, die in het eerste deel voorkwamen. Hoe rijk het tweede deel ook zijn moge aan schoonheden van den eersten rang, te verwonderen is het niet, dat het in mindere mate dan het eerste de gunst van het publiek verwierf.
Een andere snaar werd aangeslagen in "Koning Hendrik V". De hoogvereerde vorst, wiens dood op jeugdigen leeftijd, na een roemvolle regeering, voor Engeland een zware slag was, die gevolgd werd door tal van rampen,--reeds jaren vroeger door Shakespeare in zijn "Koning Hendrik VI" ten tooneele gebracht,--treedt hier op in al zijn grootheid. Kalm en vastberaden weet hij, kort na zijn optreden, een geduchte samenzwering in de geboorte te smoren, en grijpt daarna, uitgetart, naar het zwaard, om den krijg in 's vijands land over te brengen. In dit stuk, dat eigenlijk geheel aan den roemvollen krijg met Frankrijk gewijd is, dat de ongehoorde zege bij Agincourt in herinnering brengt, en met het huwelijk van den koning en de Fransche prinses, waardoor de heerschappij van Engelands koning over Frankrijk bezegeld wordt, eindigt, komen al de deugden van den geliefden vorst, zijn bezonnenheid, zijn heldenmoed, zijn bescheidenheid en zijn innige vroomheid op het heerlijkst uit. Van dramatische verwikkeling, van een knoop, die gelegd wordt en ontward moet worden, is er eigenlijk in dit stuk geen sprake; misschien heeft Shakespeare om deze reden, ten einde zijn dichtwerk te nadrukkelijker ter verheerlijking van Engelands heldenmoed te doen strekken, elk bedrijf door een met gloed geschreven koor doen voorafgaan. En wel mocht hij dezen krijg zijn toeschouwers voor oogen brengen, en hun gemoed tot liefde voor hun land ontvlammen, want--in de aanteekeningen op dit stuk wordt dit nader aangewezen--in dezen krijg werd de eenheid van het Engelsche volk voor goed gevestigd en was dit volk zich zijner kracht bewust geworden.
Hiermede was de reeks der Engelsche historiestukken voltooid; nog slechts eenmaal, veel later, behandelde Shakespeare een gedeelte der Engelsche geschiedenis, in den "Koning Hendrik VIII", welk stuk, evenmin als "Koning Jan", tot deze groote reeks behoort. Geen wonder, dat hij, na het afweven dezer belangrijke taak, afwisseling zocht en enkele blijspelen schreef, waaronder er zijn, die tot zijn schoonste scheppingen gerekend moeten worden.
Deze laatste woorden zijn ongetwijfeld niet van toepassing op het eerste hier te vermelden stuk: "De vroolijke Vrouwtjes van Windsor" Er bestaat een overlevering, dat koningin Elizabeth den wensch geuit had, Falstaff verliefd te zien, en dat binnen veertien dagen alles hiervoor gereed moest zijn. Dit bericht is eerst van 1702, toen J. Dennis een omwerking van Shakespeare's stuk ten tooneele bracht; doch onwaarschijnlijk is de mededeeling niet te noemen. Er moet een krachtige drang uitgeoefend zijn om van den dichter te verkrijgen, dat hij de schim van den dooden Falstaff deed rondwaren. Want inderdaad, alleen een schim van hem,--zij het ook een dikke,--treedt in dit stuk op; de oude rot is versuft en loopt op allerlei manieren in de val; zijn geest is vet geworden, zijn guitig oog is dof, een uitgezetten strik merkt hij niet meer op. Met dit al is het opmerkelijk, hoe Shakespeare zich van de waarschijnlijk, 't zij door de koningin, 't zij door het publiek, hem opgedrongen taak kwijt; een novelle van Giovanni Fiorentino kon hem op den weg helpen en het gebruik van de waschmand aan de hand doen, maar Anna Page, Fenton, dokter Cajus, Slapperman, zijn alle scheppingen des dichters. Hoeveel geestigs er in dit blijspel ook op te merken zij, het is voor het nagaan der ontwikkeling voor Shakespeare's geest van geen belang; Falstaff was dood, en geen bevel der koningin in staat hem op te wekken. Toch moet zijn levensbeschrijver op dit stuk letten, daar men er met groote waarschijnlijkheid uit kan afleiden, dat Shakespeare met Sir Thomas Lucy iets uitstaande had, waarover men de Aanteekeningen op dit stuk en boven blz. 11 nazie.
Hooger lof is aan "Veel Leven om Niets", ongetwijfeld mede uit dezen tijd herkomstig, te geven al zijn er op dit stuk aanmerkingen te maken, zoodat het wat al te veel aan zijn titel beantwoordt en den lezer of toeschouwer niet geheel bevredigt. Evenals in verscheiden andere stukken, zijn hier ernst en boert op verrassende wijze dooreengeweven. Shakespeare nam een oud verhaal, waarvan de kern reeds in Ariosto's "Razende Roeland" te vinden is, maar dat meer uitgewerkt in Bandello's novellenverzameling voorkomt, ter hand, en ontleende er de door Claudio lichtvaardig geloofde belastering van Hero door Don Juan aan; doch de door hemzelf in het leven geroepen personen, de elkander met kwinkslagen steeds bevechtende Benedict en Beatrice, spelen een zoo belangrijke rol, dat de vroolijke bijhandeling de ernstige hoofdhandeling, die trouwens een blij einde neemt, overheerscht, en het geheel een recht blijspel is. Hoe kunstvol Shakespeare te werk gaat, moge in dit stuk opgemerkt worden. Mocht het verwondering wekken, dat Claudio, wiens daden in den krijg zoo hoog geroemd worden en den nijd van Don Juan in zoo hooge mate opwekken, zóó lichtgeloovig en zwak is, dat hij zonder nader onderzoek de arme Hero van zich stoot,--de dichter heeft er voor gezorgd hem reeds vroeger als lichtgeloovig, zwak en heftig te doen kennen, daar hij op het bal even gretig aan de inblazingen van Don Juan, die den prins belastert, het oor leent. Evenzeer heeft hij zorg gedragen, dat wij door de verstooting van Hero niet al te diep getroffen worden en uit de blijspelstemming geraken, want wij weten, dat de uitvoerders van het schelmstuk reeds achter slot en grendel zitten, en zijn terstond ook met het geheim bekend, dat de doodgewaande Hero niet wezenlijk dood is. En kostelijk is het, dat het plompe bedrog van Don Juan niet door het verstand der verstandigen, maar door het onverstand der onnoozelen, de zoo meesterlijk geteekende dwaze nachtwachts, ontdekt wordt! In zulk een stuk mocht een bijhandeling, als de schermutselingen en het vrede-sluiten van Beatrice en Benedict, een breede ruimte innemen. Dat deze twee fijne vernuften, die onophoudelijk kibbelen, zoo ras en op zoo eenvoudige wijze tot elkander gebracht worden, behoeft mede niet te verwonderen, want reeds in het begin van het stuk zien wij, hoe Beatrice verlangt, Benedict weder te ontmoeten, zij het dan ook om met hem slaags te geraken; en Benedict geeft, hoe hij ook smale, duidelijk genoeg te kennen, dat zij hem bevalt, hem aantrekt. De door den prins uitgedachte list brengt niet samen wat van elkander afkeerig is, maar verhaast alleen de vereeniging, die toch niet zou uitblijven. En dat deze vereeniging op innige overeenstemming berust, dat beiden, hoe zij ook kibbelen en elkaâr plagen, een edelen aard bezitten, blijkt ten duidelijkste uit beider vaste overtuiging, dat de zachte Hero belasterd is, en uit beider innige deelneming in haar lot, een overeenstemming, die hun liefde bevestigt. Men vergelijke met dit paar Biron en Rosaline uit "Veel Gemin, geen Gewin", en overwege, of de dichter op een hooger standpunt staat dan vroeger!--Waar alles zoo gelukkig afloopt, letten wij niet verder op den lasteraar; wij weten, dat hij in hechtenis is, doch wij bekommeren ons niet verder om hem; de straffen, die hem wachten, zullen later worden uitgedacht!--In een later tijdperk van zijn leven, toen de tijd van lustige en luimige blijspelen voor hem voorbij was, zou Shakespeare nog eens hetzelfde onderwerp behandelen, nog eens den beminnenden, maar lichtgeloovigen man, de onschuldige en vertrouwende liefde en den lasterenden duivel ten tooneele brengen, maar dan zou hij tot in de diepste verborgenheden van het menschelijk hart doordringen, dan zouden de hartstochten het geheele wezen van den mensch innemen, en Othello, Desdemona en Jago zouden de hoofdpersonen zijn van een onvergelijkelijk treurspel.
Dat het volgende stuk "Elk wat wils", _As you like it_, van 1599 of slechts enkele maanden vroeger of later dagteekent, is buiten allen twijfel, daar het in 1598 door Meres niet genoemd wordt en op 4 Augustus 1600 in het boekhandelaarsregister werd ingeschreven. De bron, waar Shakespeare uit putte, was de roman van Thomas Lodge, "Rosalinde, Euphues' gouden nalatenschap", _Rosalynde: Eupheus Golden Legacie_ (reeds blz. 31 vermeld), waarvan hij een uitgestrekt gebruik maakte, zoodat hij de meeste personen en den gang der handeling, ja zeer vele bijzonderheden er uit overnam. Jacques, Toetssteen, Dorothea, Willem en Draaitekst echter komen alleen bij Shakespeare voor. In het tweede gedeelte moest hij, om de eischen, die de vertooning stelt, hier en daar van zijn bron afwijken. Bij Lodge wordt Celia door Orlando's broeder Olivier uit de handen eener rooverbende gered, zoodat haar genegenheid voor haar redder beter dan in het stuk verklaarbaar wordt; bij Lodge komen de grooten van het land, de pairs, tegen den overweldiger in opstand en leveren hem aan den zoom van het woud een gevecht, waarbij hun de verdreven hertog met de zijnen te hulp komt en na de overwinning in zijn heerschappij hersteld wordt; den overweldiger heeft hij niet meer te duchten, want deze is in den strijd gevallen. Shakespeare kon in de eenzaamheid van het woud geen rooverbende brengen, geen leger doen optreden, hij moest zich op een andere wijze redden; doch dat de handeling hierdoor in waarschijnlijkheid gewonnen heeft, zal wel niemand beweren. Evenwel, dit is hier van minder beteekenis, want op waarschijnlijkheid, ja op mogelijkheid kan de handeling toch geen aanspraak maken; en als men alles, wat voor de handeling niet noodig is, uit het stuk wilde verwijderen, zou zeker meer dan de helft moeten gekapt worden; doch Shakespeare weet alles met zooveel bekoorlijkheid te bedeelen, met zulk een dichterlijken glans te doen stralen, dat men bij het lezen van het begin tot het einde geboeid wordt en geen enkel gedeelte zou willen missen; hoe ongewoon ook in vorm, hoe ook met alle regelen in strijd, is dit stuk toch een voortreffelijk blijspel, dat eenig in de geschiedenis der letterkunde en tegelijk onnavolgbaar is. Voor de vertooning stelt het natuurlijk aan de spelers zeer hooge eischen: zij moeten zorgen, dat het dichterlijk waas, dat over het geheele stuk is uitgebreid, door de plompe werkelijkheid niet wordt weggevaagd, de verbeelding des toeschouwers voortdurend wordt beziggehouden en aan zijn verstand de tijd niet gelaten om over de mogelijkheid of waarschijnlijkheid der gebeurtenissen en handelingen te gaan nadenken.
Nog kostelijker parel ondertusschen onder Shakespeare's echte blijspelen is ongetwijfeld "Driekoningenavond of Wat gij wilt", dat van 1600 of 1601 dagteekent. Van den eersten regel af, waarin de hertog de muziek het voedsel der liefde noemt, tot den laatsten, waarin hij aan Viola de hand reikt, worden wij geboeid, en nu eens gestreeld en geroerd, zonder daarom tot weemoed gestemd te worden, dan weder tot gullen aanhoudenden lach geprikkeld. De verwikkelingen zijn vele en houden de aandacht en nieuwsgierigheid voortdurend levendig, de personen zeer verschillend van karakter en allen behoorlijk in verband gebracht; het meer ernstige deel der handeling is van een zoo opgewekte levensbeschouwing doordrongen, de meer boertige gedeelten zijn zoo dol en vroolijk, dat wij steeds in de aangenaamste stemming verkeeren; de ontknooping maakt allen gelukkig, en zij vloeit op de natuurlijkste wijze uit al het voorafgaande voort. Geen enkel blijspel van Shakespeare is zoo zonnig als dit. En letten wij nader op de hooge kunst, waarmede de zeer verschillende bestanddeelen tot een harmonisch geheel vereenigd zijn, op de wijze, waarop de gedachten zijn uitgedrukt, dan erkennen wij, dat de dichter een volkomen meesterschap verworven heeft, zoowel in den bouw van het drama, als in stijl en taal. Aan een Italiaansche novelle van Bandello, die hij in een Engelsche bewerking door Barnaby Rich, welke in 1851 verscheen, gelezen kan hebben, is een gedeelte der handeling ontleend, maar hij heeft dit zoo gewijzigd en door de bijgevoegde, meer comische handeling zoo verrijkt, dat het geheele blijspel zijn eigen schepping kan genoemd worden.
Rekenen wij, dat het eerste tijdperk, de morgenstond van Shakespeare's werkzaamheid, met den Titus Andronicus begonnen, zich uitstrekt tot de voltooiing van "Koning Richard III", een echt treurspel, dat hem reeds als meester kenschetst, dan moeten wij de stukken, die daarna geschreven werden en hier door ons beschouwd zijn, tot zijn tweede tijdperk rekenen. Op den morgenstond, waarin alleen zeer in de vroegte zijn zon door eenige nevelen verduisterd werd, was een prachtige voormiddag gevolgd, en nu stond zijn zon, aan een onbevlekten hemel, op haar middaghoogte. Aleer wij haar nu in haar verderen loop nagaan, moeten wij de tot dusver genoemde stukken nogmaals overzien.
Merkwaardig is het op te merken, hoe Shakespeare, die in oorspronkelijkheid ongeëvenaard is, bij het ontwerpen van het plan zijner stukken geenszins naar oorspronkelijkheid streeft, maar het plan meestal vrij getrouw aan de geschiedenis of aan de eene of andere novelle ontleent. Bij de historiestukken ligt dit wel in den aard der zaak, doch ook in deze houdt hij zich bijzonder getrouw aan de kroniek, welke hij eenmaal tot leiddraad heeft gekozen; hij is natuurlijk gedwongen hier en daar de gebeurtenissen van jaren in een kort bestek, soms in een enkel tooneel, samen te trekken; soms is hij verplicht de volgorde der gebeurtenissen te wijzigen, zooals hij dit op groote schaal in het eerste deel van Koning Hendrik IV gedaan heeft; soms smelt hij twee gebeurtenissen, die voor het vervolg ongeveer dezelfde beteekenis hebben, zooals den slag van Sint Albaans in 1455 en dien van Nottingham in 1460, tot één samen; maar over het algemeen volgt hij de overlevering, voor zoover de ontwikkeling der karakters hem niet tot verandering dwingt. Want de menschen in hun waren aard te doen kennen, hun karakter in een helder licht te stellen, de drijfveeren hunner handelingen aan te toonen en deze laatste uit het karakter te doen voortvloeien, kortom, zijn personen echte menschen te doen zijn, die geheel naar hun aard spreken en handelen, is het doel, dat hij zich voorstelt. Waar hij, om een karakter duidelijk te doen uitkomen, de geschiedenis moet wijzigen, schroomt hij geenszins, hoe getrouw anders aan zijn kroniek, dit te doen. Om dat van Richard van Gloster, den lateren koning Richard III, goed te doen kennen, laat hij hem reeds tijdens den dood zijns vaders, in 1460, te velde staan en een dapper krijgsman blijken, schoon hij toen inderdaad nog een knaap was van acht jaren; doch Shakespeare bereikt er dan ook dit mede, dat het geheele karakter ons onuitwischbaar voor oogen staat. Met gelijk doel weet hij ook treffende episodes uit te denken; de overpeinzing van Koning Richard II in den kerker, zijn gesprek met den stalknecht en zijn strijd met de binnendringende moordenaars mogen er voorbeelden van zijn. Waar de overlevering meldt, dat Prins Hendrik, later de voortreffelijke koning Hendrik V, in zijn jeugd met losbandig volk van minderen rang omging, was hem dit genoeg om aan Sir John Falstaff en de zijnen het leven te schenken. Hij schroomt dus niet te verdichten, maar draagt hierbij steeds zorg een scherp en zoo veel mogelijk juist beeld zijner personen te teekenen; zelfs komt het meermalen voor, dat zijn scherpzinnigheid onjuist oordeel, met wonderbaar vermogen uit 's menschen daden de roerselen van het gemoed doorgrondend, aan de figuren der kronieken een leven schonk en gedachten leende, in overeenstemming met de uitkomsten, door de latere zorgvuldige onderzoekingen der wetenschap verkregen. Wat een beroemd geschiedkundige aangaande de historische waarde van Shakespeare's stukken gezegd heeft, is in de aanteekeningen op Koning Jan medegedeeld.
Was Shakespeare bij het schrijven zijner historiestukken uit den aard der zaak verplicht, de stof aan de kronieken te ontleenen, ook bij het treurspel, dat in dit tijdperk van zijn leven geschreven werd, heeft hij zich voor den gang van het stuk aan een verhalend gedicht gehouden; doch ook hier heeft hijzelf karakters geschapen; ja, verscheiden belangwekkende personen van zijn stuk worden in dit gedicht niet of te nauwernood genoemd.