De Wedergeboorte van Nederland
Part 9
Die commissie bestond, behalve uit haren secretaris Mr. R. Metelerkamp, oorspronkelijk uit 14 leden, uit al de departementen genomen, doch zij werd den 29sten December 1814 nog met éen lid aangevuld[133]. Wanneer, zoo als waarschijnlijk is, Hogendorp een overwegende invloed op de keuze van de leden dier commissie heeft uitgeoefend, dan moet men wel de vraag doen, of het hem wel ernst is geweest met zijne uitingen in den aanvang der revolutie over de verbroedering der partijen gedaan[134]. Onder de 15 leden waren er toch 13, die allen vóór 1795 in de regeering waren geweest. Zeven van hen, H. W. van Aylva, A. F. van der Duyn van Maasdam, T. C. van Heerdt, Aebinga van Humalda, W. C. H. van Lynden van Blitterswijk, W. A. Schimmelpenninck van der Oye, W. R. van Tuyll van Serooskerken van Zuylen waren uit die geslachten gesproten, welke door adeldom recht hadden gehad op het bestuur. Van Aylva en Humalda hadden als gekozen edelen gezeten in de Staten van Friesland, Heerdt had als lid van de ridderschap deel uitgemaakt van de Staten van Overijsel; evenals Schimmelpenninck van die van Gelderland, van der Duyn van die van Holland; van Lynden van Blitterswijk, een geldersch edelman, had van 1778 tot 1795 den stadhouder in diens hoedanigheid van eenig edele van Zeeland vertegenwoordigd; met uitzondering van den in 1795 nog zeer jongen van der Duyn, hadden zij allen de oude republiek ook in hoogere betrekkingen gediend. Meer dan een: van Aylva, van Lynden, Schimmelpenninck en van Tuyll, waren kort vóór of bij den val der republiek leden der Staten-Generaal geweest. Heerdt, die vóór 1795 voor Overijsel in de admiraliteit van Amsterdam had gezeten, en tevens kamerheer van Willem V was geweest, had dezen bij zijne vlucht uit het vaderland vergezeld. Naast deze zeven zaten in de commissie zes anderen, genomen uit den kring der stedelijke regenten: Mr. G. K. van Hogendorp, pensionaris van Rotterdam; Mr. W. F. Röell, pensionaris van Amsterdam, O. Repelaer, raad van Dordrecht en bij den inval der Franschen in buitengewone zending te Parijs, G. W. van Imhoff, lid der Staten-Generaal voor Groningen, Mr. C. T. Elout, baljuw van Texel, en eindelijk A. J. C. Lampsins, gesproten uit een Vlissingsche regeeringsfamilie. Er bleven dus twee leden over, die noch tot dezen, noch tot genen kring behoorden; twee, die de revolutie van 1795 als hunne moeder behoorden te beschouwen: Mr. C. F. van Maanen en Mr. D. J. Hondebeek Heerkens; gene bij den val van Napoleon eerste president van het gerechtshof in den Haag, deze zijn medelid in dit collegie. Vooral de keuze van den eersten trekt de aandacht. In 1769 in den Haag uit eene patriotsche familie geboren, was hij, evenals zijn vader[135], door de revolutie tot eer en aanzien gekomen. Sedert 1793 advokaat in den Haag, wordt hij met de revolutie secretaris der stad, en nog in hetzelfde jaar 1795 tot advokaat-fiscaal en procureur-generaal van Holland en Zeeland benoemd, om den lande verder in allerlei betrekkingen onder alle wisseling van regeeringsvorm te blijven dienen. Hij is als minister van justitie een dienaar van koning Lodewijk, en als president van het gerechtshof in den Haag in dienst des keizers[136]. Hij blijft den keizer trouw ook in de dagen van November, en weigert aan Hogendorp alle medewerking[137]. Aan wien, zou men vragen, had dan die man der revolutie, had die keizerlijke ambtenaar zijne benoeming tot lid der commissie te danken? Men zou zeggen, dat zij niet kon geweest zijn in den geest van Hogendorp. Het is dan ook beweerd dat het de souvereine vorst was, die van Maanen tot lid wenschte in strijd met de bedoelingen der oud-regenten[138]. Toch schijnt dit beweren onjuist te zijn. Ook Hogendorp was voór van Maanen's optreden; hij had zelfs zijne Schets eener Grondwet aan dezen ter beoordeeling medegedeeld[139]. Wat mocht Hogendorp daartoe hebben bewogen? Wat was de reden, dat ook de souvereine vorst daartegen geen bezwaar had? Van Maanen was evenals alle Hollandsche ambtenaren in zijne betrekking bevestigd; hij was als hoogste rechterlijk beambte met het toezicht op de justitie belast geworden; het is waarschijnlijk, dat men hem, die tevens als rechtsgeleerde boven de meesten uitblonk, in die commissie meende niet te kunnen missen. Maar wat dan ook de reden moge geweest zijn, dit is zeker, dat zijn optreden als lid der commissie van grooten invloed is geweest op de samenstelling der grondwet. En Heerkens dan? Hij werd gekozen noch om zijne beginselen, noch om zijne talenten. In den aanvang had men met zijne benoeming een dubbel doel voor oogen. Daar zijne familie in Groningen te huis behoorde, kon hij in de commissie voor het departement der Wester-Eems zitting nemen. Toen echter de commissie met den heer van Imhoff, een aan Groningen meer welgevallig vertegenwoordiger, was aangevuld, begreep men, dat Heerkens, die door een toeval te Venlo geboren was, wel aan de generaliteitslanden kon worden toebedeeld. Tevens en bovenal echter was het de bedoeling om naast de overigen--allen leden der vroegere staatskerk--een Roomsch-Katholiek te doen medewerken tot het ontwerpen der grondwet[140]. Ook Heerkens schijnt zijne roeping aldus te hebben opgevat; immers hij nam (den 28sten Januari 1814) eerst deel aan de beraadslagingen der commissie, toen het stuk van den godsdienst ter sprake was gekomen[141]. Hij maakte het echter nog beter dan het lid Schimmelpenninck van der Oye, die, zonder dat er van eenige wettige verhindering blijkt, geene enkele van de vergaderingen der commissie bijwoonde. De commissie heeft dus in werkelijkheid slechts bestaan uit 14 leden, een even getal, waarvan staking van stemmen het gevolg kon zijn, en ook inderdaad het gevolg is geweest.
[133] Ik meen, dat zij aldus moeten worden gerangschikt: H. W. van Aylva (Friesland), A. F. van der Duyn van Maasdam (Monden van de Maas), Mr. C. T. Elout (Zuiderzee), T. C. van Heerdt (Monden van den IJsel), Mr. D. J. Hondebeek Heerkens (Wester-Eems, later voor de Generaliteitslanden), Mr. G. K. van Hogendorp (Monden van de Maas), Aebinga van Humalda (Friesland), A. J. C. Lampsins (Monden van de Schelde), W. C. H. van Lynden van Blitterswijk (Boven-IJsel), Mr. C. F. van Maanen (Monden van de Maas), Mr. O. Repelaer (idem), Mr. W. F. Röell (Zuiderzee), W. A. Schimmelpenninck van der Oye (Boven-IJsel), W. R. van Tuyll van Serooskerken van Zuylen (Zuiderzee), G. W. van Imhoff (Wester-Eems).
[134] Brief aan H. Fagel van 17 November 1813: »Nous appellerons dans ce gouvernement tous les partis et tous les cultes, parce que tout esprit de parti est abjuré et parce que les citoyens de tous les cultes appellent le même souverain." (_Br. en Ged._ IV, 263).
[135] Mr. J. van Maanen werd den 6 Febr. 1795 tot raadsheer in den Hove van Holland benoemd. Hij overleed echter reeds 24 Febr. 1795.
[136] Bij de komst des keizers hier te lande in October 1811 is hij de tolk van de _sentiments d'admiration, de fidélité, de vénération et d'amour_, die de leden van het gerechtshof bezielden voor _le père de la patrie, pour le plus grand héros, pour le premier législateur_ (Aanspraak van van Maanen, geplaatst in den _Courrier d'Amsterdam_ van 1811, no. 305).
[137] _Br. en Ged._ V, 30. Zelfs nadat het algemeen bestuur was opgetreden kon van Maanen nog niet besluiten mede te doen, zegt van Hogendorp. »Hij haalde mij het voorbeeld aan van den Spaanschen opstand, onder welken jaren lang regt was gedaan in den naam van Philips den 2den."
[138] De Bosch Kemper, _Staatk. Geschiedenis tot 1830_, blz. 405.
[139] Zooals mij is medegedeeld door Jhr. Mr. P. J. Elout van Soeterwoude.
[140] Falck aan D. J. van Lennep, 24 Dec. 1813 (_Brieven_, 2e ed., blz. 201).
[141] In de vergadering der grondwets-commissie van 6 Jan. 1814 komt in een brief van Heerkens van 31 Dec. 1813, houdende kennisgeving van de oorzaak van deszelfs afwezigheid en voornemen, zoo spoedig mogelijk, de vergadering te komen bijwonen. De artikelen van de _Schets_ over de Godsdienst kwamen den 21sten Jan. 1814 aan de orde. De beraadslaging werd den 28sten Januari 1814 vervolgd.
Trok de benoeming dezer commissie de aandacht van het algemeen? Of ging het onopgemerkt voorbij, toen in den middag van Maandag den 27sten December 1813 de leden het huis van Hogendorp op den Kneuterdijk binnentraden? Want te zijnen huize werden de vergaderingen gehouden, eene omstandigheid, die zich door 's mans podagra[142] wellicht laat verklaren. Immers de tegenwoordigheid van Hogendorp, van den man, die de ontwerper der schets was, van den man, op wien nog naast den souvereinen vorst op dat oogenblik aller oogen waren gevestigd, was onmisbaar. Hij werd dan ook in die eerste vergadering met algemeene stemmen tot president benoemd. In diezelfde bijeenkomst gaf de commissie blijk van haren vromen zin, door op voorstel van Lampsins een gebed te arresteeren, door den secretaris bij den aanvang van elke vergadering uit te spreken. Daarbij werd Gods zegen over het werk afgesmeekt, een zegen te verwachten om den wille van Jezus Christus, Gods Zoon[143].
[142] Reeds den 8sten December 1813 klaagt Hogendorp in een brief aan H. Fagel over dien lastigen bezoeker (_G. K. v. Hogendorp in 1813_, blz. 27). Den 28sten Jan. 1814 schrijft Hogendorp aan Clancarty: »M. de Hogendorp garde encore la chambre. Cependant il aura chez lui la constitution à une heure après midi" (_Correspondence of Lord Castlereagh_, IX, pag. 206). Ook de commissie voor de grondwet van 1815 vergaderde om dezelfde reden ten huize van van Hogendorp.
[143] _Ontstaan_ I, 77.
Na aldus de commissie onder de bescherming der Voorzienigheid geplaatst te hebben, toog men aan het werk. Van den 27sten December tot den 21sten Januari kwam de commissie, met uitzondering der Zondagen, bijna dagelijks te zamen; toen ging zij voor eenige dagen tot 28 Januari uiteen, om de denkbeelden der leden over de verhouding van den staat tot de kerkgenootschappen tot meerdere rijpheid te doen komen. Van 28 Januari tot 11 Februari werden de beraadslagingen weder dagelijks voortgezet en ten slotte ten einde gebracht, zoodat aan eene commissie van redactie, bestaande uit de leden Aylva, Repelaer, Elout en Röell, de formuleering van het ontwerp der grondwet kon worden opgedragen.[144] De souvereine vorst, die van den aanvang af op menig punt van zijne wenschen had doen blijken, deed ook bij deze formuleering zijnen invloed gevoelen. Het ontwerp, alzoo naar zijne consideratiën gewijzigd, werd eindelijk in de vergadering van 28 Februari 1814 gedrukt[145] ter tafel gebracht, om, nogmaals herzien en gewijzigd[146], den 1sten Maart 1814 vastgesteld, en den 2den Maart door de commissie in persoon aan den souvereinen vorst aangeboden te worden. Wie er belang in stelt bekend te worden met hetgeen in de werkplaats der commissie voorviel, dient niet onkundig te worden gelaten van de omstandigheid, dat zij bij het besluit harer benoeming was uitgenoodigd, zich bezig te houden met het examen van Hogendorp's schets, en deze, dit geraden geoordeeld wordende, als een leiddraad harer beraadslagingen aan te nemen. In die eerste bijeenkomst deelde Hogendorp tevens mede eene analyse van dit stuk, onder den titel: »_Algemeene gronden van de Constitutie_", en daarbij een toelichtende memorie, onder den titel: »_Aanmerkingen op het ontwerp eener grondwet voor de Vereenigde Nederlanden_"[147]. De analyse gaf aanleiding tot eenige nadere bespreking en vooral tot eene bestrijding door van Maanen, die hare inhoud beschouwde als strijdig met het monarchaal gezag en leidende tot republikeinsche en federatieve denkbeelden[148]. Een gevolg hiervan was, dat, toen men, overeenkomstig den in het besluit gegeven wenk, de schets toch als leiddraad besloot te volgen, de voorzichtige bepaling er bijgevoegd werd, om geen artikel als finaal gearresteerd te beschouwen, voordat de deliberatiën over de grondwet geheel zouden zijn afgeloopen.
[144] Dit geschiedde 3 Febr. (_Ontstaan_ I, 328).
[145] _Ontstaan_ I, 446.
[146] Volgens de officieele notulen had de vaststelling der grondwet plaats den 1sten Maart 1814. Men leest echter in de notulen van van Maanen: 1 Maart »De president heeft voorts den secretaris geïnviteerd om achtervolgens het gecommuniceerde en geresolveerde op heden in de nadere redactie de noodige veranderingen te maken." 2 Maart. »De president heeft door den secretaris doen voorlezen alle de nadere veranderingen en emendatiën, welke in het ontwerp van constitutie achtereenvolgens de deliberatiën van gisteren en eergisteren nog moesten gemaakt worden, waarna het stuk is gearresteerd."
[147] _Ontstaan_ I, 56 en 74.
[148] _Ontstaan_ I, 81.
Onder de onderwerpen, die volgens de zienswijze dier dagen het meest behoefte hadden aan eene vervanging der fransche door nationale instellingen, schijnt het justitiewezen bovenaan te hebben gestaan. Had toch reeds niet den 11den December 1813 de souvereine vorst krachtens zijne machtsvolkomenheid het bekende besluit over de lijfstraffelijke rechtspleging genomen? Het besluit, waarin aan de eene zijde aan den rechter eene grootere macht tot toepassing van verzachtende omstandigheden was toegekend, maar van de andere zijde de geeselstraf weder werd ingevoerd, de guillotine werd vervangen door den strop en het zwaard, de jury werd opgeheven, en de publiciteit der terechtzittingen werd beperkt. Dit verklaart dan ook, dat in het besluit van 21 December 1813, waarbij de commissie benoemd was, van de justitieele administratie uitdrukkelijk melding werd gemaakt, met bepaling dat te dier zake vooraf een voorloopig rapport aan Z. K. H. zoude worden ingediend. Eerst den 3den Februari 1814 kon de commissie aan deze uitnoodiging voldoen en werden de leden Humalda, Elout en van Maanen verzocht het IVde hoofdstuk der grondwet: _over de justitie_, aan den souvereinen vorst aan te bieden[149], van welke opdracht zij zich dan ook blijkens het in de bijeenkomst van 11 Februari medegedeelde hebben gekweten[150]. De bedoeling is zeker geweest, om door dit voorloopig rapport den souvereinen vorst in staat te stellen, de maatregelen noodig voor eene nieuwe regeling der _justitie_ voor te bereiden, opdat er vooral bij dit onderwerp geen tijd verloren ging. Behoef ik te zeggen, dat die bedoeling niet is bereikt, en dat het 25 jaren geduurd heeft, voordat wij de fransche rechterlijke organisatie door eene nieuwe hebben kunnen vervangen?
[149] _Ontstaan_ I, 328.
[150] _Ontstaan_ I, 420.
Ik stap hiermede af van de _uitwendige_ geschiedenis der door de commissie ontworpene constitutie. Hare taak was echter niet alleen hiertoe bepaald. Bij art. 6 van het besluit van 21 Dec. 1813 was immers de commissie belast met de voordracht der organieke reglementen en verdere maatregelen, die de dadelijke invoering der constitutie behoorden vooraf te gaan en te vergezellen. De commissie meende dan ook zoowel ten opzichte van de _aanneming_ als van de _invoering_ der grondwet nadere bepalingen te moeten voorstellen. In de bijeenkomst van 4 Februari 1814 werd door den president een stuk[151] overgelegd, dat, blijkens de daarin voorkomende tijdsbepalingen, reeds eenigen tijd vroeger was opgesteld, en waarin zoowel de aanneming als de invoering der grondwet in 14 artikelen was geregeld. Dit stuk zoude te gelijk met het rapport der commissie over de constitutie aan den souvereinen vorst worden aangeboden (art. 1, 2). Vijf à zeshonderd aanzienlijke ingezetenen, gekozen door de commissarissen-generaal in de departementen, de opvolgers der Fransche prefecten, zouden op den 1sten Februari te Amsterdam bijeenkomen; hunne vergadering zoude door den souvereinen vorst geopend worden, de voorzitter door dezen worden gekozen, en de grondwet aan hare overwegingen worden aangeboden (art. 3, 4, 5). Na afloop der deliberatiën, na aanneming der grondwet en bekendmaking hiervan aan den souvereinen vorst, zoude de vergadering zich constitueeren tot eene groote vergadering der Staten-Generaal, waarin de souvereine vorst den eed zoude afleggen, en waardoor daarna de souvereine vorst zoude worden gehuldigd (art. 7, 8). Maar met dit een en ander zoude de taak der vergadering nog niet zijn afgeloopen. De souvereine vorst zoude door de ministers voordrachten kunnen laten doen: de vergadering zoude harerzijds aan den souvereinen vorst de invoering der grondwet opdragen op zoodanige wijze als zij zoude goedvinden (art. 9, 10). De staten der provinciën zouden de eerste reis te zamen komen in de maand Maart, en zich vóor alles bezig houden met het reglement op hunne huishoudelijke inrichting (art. 11, 12). De eerste vergadering der Staten-Generaal zoude gehouden worden den 1sten November 1814 (art. 13). Eindelijk zoude de commissie gedurende de drie eerste jaren na de invoering der grondwet over de authentieke interpretatie adviseeren (art. 14). Dit concept-reglement tot invoering der grondwet werd gewijzigd en bekort door de commissie aangenomen, doch slechts als een stuk voor haar zelve, om daarvan gebruik te maken bij de redactie van het eindrapport. Zoo ging het ook met eene den 7den Februari 1814 ter tafel gebrachte _concept-publicatie_ door den souvereinen vorst betrekkelijk de notabelen en de aanneming der grondwet uit te vaardigen, met een daarbij gevoegd door de notabelen te nemen besluit tot aanneming en invoering der grondwet[152]. Intusschen had de commissie bij een _voorloopig rapport_ aan den souvereinen vorst, vastgesteld den 5den Februari 1814[153], verslag gedaan van den stand der zaak en tevens hare denkbeelden ontwikkeld over de voorbereidende maatregelen door den souvereinen vorst te nemen. Later werd dit gevolgd door het _finaal rapport_, vastgesteld den 1sten Maart[154], waarbij tevens was gevoegd eene _concept-proclamatie_[155], betrekkelijk de notabelen en hunne aanneming der grondwet, beide stukken door Elout gesteld, en waarvan het laatste door den souvereinen vorst den 2den Maart 1814 is uitgevaardigd. Wat er in de andere stukken bruikbaar was, was in deze twee stukken opgenomen. Het is blijkbaar, dat over dit alles voortdurend overleg is gepleegd met den souvereinen vorst.
[151] _Ontstaan_ I, 361.
[152] _Ontstaan_ I, 386.
[153] _Ontstaan_ I, 375.
[154] _Ontstaan_ I, 472.
[155] _Ontstaan_ I, 473.
Wanneer wij nu een blik slaan in de beraadslagingen der commissie, dan springt het duidelijk in het oog hoe, nu men eenmaal den weg der wettigheid niet had kunnen inslaan, althans de meerderheid der commissie van oordeel was naar middelen te moeten omzien, ten einde men met eenigen grond zich op de goedkeuring des volks zoude kunnen beroepen. Notabelen uit de geheele natie zouden de grondwet beoordeelen, had reeds art. 5 van het besluit van 21 December 1813 gezegd[156]. Maar door wie zouden ze worden gekozen? Niemand schijnt in die dagen aan eene keuze der notabelen door het volk gedacht te hebben. Er bleef dan niets over dan eene keuze door den souvereinen vorst, hetzij dat hij ze zelf rechtstreeks benoemde, hetzij dat hij voor die keuze personen aanwees. En dit laatste, waardoor hij zelf eenigszins op den achtergrond trad, vond plaats. De commissarissen-generaal in de departementen hadden lijsten van notabelen ingezonden, en deze waren aangevuld door de individuëele leden der commissie[157]. Het getal was door de regeering op 600 bepaald, wat ook het denkbeeld der commissie was. Maar hoe nu het grootere getal der lijsten terug te brengen tot 600, voor ieder departement een bepaald aandeel naar de volkrijkheid? De commissie meende in haar voorloopig rapport van 5 Februari 1814 daarvoor het lot te moeten aanbevelen, als zijnde dit het onpartijdigste middel. De souvereine vorst was echter van die loting niet gediend[158] en droeg bij besluit van 14 Februari 1814 die taak op aan negen heeren[159]. Hiermede was althans één punt geregeld: de wijze van verkiezing der notabelen. Maar wanneer er niet meer geschiedde dan dit, kon men dan met eenigen grond zich voor de grondwet op de goedkeuring des volks beroepen? »Welke qualificatie", vroeg van Aylva in de zitting van 4 Februari 1814, »zullen die notabelen hebben, welke zal hun wettige titel zijn? Hoe zullen wij ooit de wettigheid van ons werk defendeeren? Wij moeten het soliede maken voor geheel Europa." Hogendorp werd gemelijk: hij maakte de zeer ware opmerking, dat het geene kunst was, zwarigheid te maken, wel ze op te lossen; hij kende geen ander middel, om aan de zaak meer wettigheid te geven, dan de goedkeuring door notabelen. Ook Lampsins meende, dat Europa niet zoo kieskeurig zoude zijn. Toch werd het geweten der meerderheid hierdoor niet gerustgesteld. Geene constitutie kan aangenomen worden zonder democratische beginselen; men moest de geheele natie in het werk doen deelen, bleef Röell beweren. Maar wat dan? Men stelde voor ter visie legging der lijsten in de departementen, en daarnevens een register, waarin de ingezetenen zouden kunnen doen blijken van hunne goed- of afkeuring der lijsten. Onthouding kon als goedkeuring worden aangemerkt. Dit denkbeeld werd bij de publicatie van 2 Maart 1814 gevolgd. En die notabelen werden nu door den souvereinen vorst wel niet--zooals de commissie eerst gewild had--_verklaard_ als representeerende het geheele Nederlandsche volk, maar als zoodanig door den souvereinen vorst _beschouwd_. De souvereine vorst constateerde alleen het feit; bleef voor het overige lijdelijk[160].
[156] _Notabelen_ was een minder stuitend woord dan _aanzienlijken_. Was het naar aanleiding van het voorbeeld van Frankrijk, dat men op het denkbeeld kwam dit woord te gebruiken? Sedert men aldaar de Staten-Generaal thuis had gelaten, hadden de koningen in plaats van de drie standen, somwijlen _assemblées de notables_ bijeengeroepen, bestaande uit personen, die door den koning werden aangewezen.
[157] In de vergadering van 14 Jan. 1814 liet de souvereine vorst de heeren der commissie verzoeken, ieder voor zijne provincie te willen opmaken eene lijst voor de notabelen, die op de lijst van 600 zouden komen (_Ontstaan_ I, 212-'13).
[158] _Ontstaan_ I, 415; vgl. aldaar, 400.
[159] J. E. N. van Lynden van Hoevelaken, S. van Hoogstraten, Huyssen van Kattendijke, B. Donker Curtius, D. C. de Leeuw, J. P. Graafland, G. A. M. van Bommel, A. Sandberg, A. C. de Hartoghe Huber (Metelerkamp, 61).
[160] Röell zei: »de vorst behoort niet te verklaren, dat de 600 de natie representeeren; liefst _bekend maken_ of zoo iets--dat _a parte principis_ eene meer lijdelijke houding te kennen geeft". (_Ontstaan_ I, 416).
Een ieder ziet in, dat het niet zoo moeilijk was het geweten der commissie op dit punt gerust te stellen. Het gevaar was niet groot, dat er velen, ja enkelen zouden zijn, die tegen die lijsten zouden opkomen, vooral niet nu men niet meer--zooals eerst was voorgesteld--de geheele departementale lijst kon verwerpen, maar verplicht was de personen, die men niet bevoegd achtte, met name aan te duiden. Men huldigde democratische denkbeelden, maar het was minder het wezen dan de schijn, die men lief had. Ditzelfde openbaart zich ook in de regeling van de werkzaamheden der notabelen. Wat, indien die notabelen eens lastig werden? Hunne bijeenkomst moest zoo spoedig mogelijk afloopen. De souvereine vorst moest den president kiezen en daarbij niet tot de keus uit eene voordracht beperkt worden. Zoo mogelijk geene deliberatiën. De leden der commissie konden ieder een stel notabelen voor hunne rekening nemen, meende Hogendorp. En van Maanen drukte het algemeen gevoelen uit met te zeggen: »_vele solemnia, weinig zaken_"[161]. Men kwam dan ook zeer spoedig terug van het denkbeeld, om in de vergadering der notabelen iets anders te laten behandelen dan de aanneming der constitutie en hetgeen daarmede in noodzakelijk verband stond.