De Wedergeboorte van Nederland

Part 8

Chapter 83,503 wordsPublic domain

Het strooibiljet van 17 Nov. heeft evenwel den koningstitel niet: »de Regeering roept den Prins uit tot Hooge Overheid." Dit houdt verband met de wijze waarop Gijsbert Karel zich voorstelde den opstand te moeten leiden. De oud-regenten zouden zich constitueeren tot eene vergadering van Staten-Generaal, die den Prins zouden inroepen tot hoofd hunner regeering, welke zij onmiddellijk daarna door toelating van mannen van na '95 zouden versterken. De regeering dezer Staten-Generaal zou besloten worden met de afkondiging eener inmiddels door eene commissie uit hun midden met den Prins beraamde grondwet, die aan het land het constitutioneele koningschap zou schenken.

[110] _Ged._ VI, 336, 506, 621.

[111] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, bl. CLXXI.

Als deze toeleg reeds ten tweeden dage van den opstand geheel mislukt, is Gijsbert Karel niet verlegen. »Le Prince est Souverain", schrijft hij aan Fagel, »on ne sait pas comment, mais tout le monde le considère comme tel. Nous le proclamerons dans le même jour à la Haye, Amsterdam et Rotterdam, pourvu qu'il s'explique lui-même"[112].

[112] _Ontstaan_ I, 17.

Aan dit laatste heeft het een oogenblik gehaperd. De proclamatie, waarmede de Prins den 30sten aan wal stapte, kon even goed als de aanvaarding van het Erfstadhouderschap als van hooger waardigheid worden uitgelegd. Aan Repelaer had hij vóór zijn inscheping nog gezegd, »dat hij meende de souvereiniteit die hem aangeboden werd te moeten van de hand wijzen, daar hij slechts verlangde dezelfde rang en waardigheid die zijn vader had bekleed; _te meer daar hij dacht dat de oude Regeeringsvorm meer dan eenige andere der Natie aangenaam moest zijn_"[113]. Repelaer antwoordt »dat het alleen met de waardigheid van Souverein was, dat het volk Zijn Hoogheid aan het hoofd van het bestuur verlangde geplaatst te zien". Deze bedenking, vervolgt Repelaer in zijn aanteekening, »scheen den gewenschten indruk te weeg te brengen". In den Haag, den 30sten, bleek daarvan nog niet veel. Falck, die 's Prinsen aankomst bijwoonde, noemt in zijn gedenkschriften de souvereiniteit een punt, waarover de Prins »geenszins verwacht had, zich zoo spoedig te zullen moeten uiten. Ook kwam het dien avond tot geen besluit. Den volgenden ochtend waren de denkbeelden over de helling der gemoederen ruimer en helderder geworden"[114], en dan geeft de Prins zijn toestemming tot het vertrek aan van der Duyn naar Amsterdam, om daar met Kemper en Scholten aan de toebereidselen tot de uitroeping de laatste hand te leggen.

[113] _Ontstaan_ I, 19 (ik cursiveer).

[114] Falck's _Gedenkschriften_, 115.

Is dit nu[115] de aarzeling geweest van iemand, die niet weet of hij zelve de souvereiniteit wel begeert? Mij dunkt eerder van iemand, die aarzelt of zij hem werkelijk zoo uit één mond wordt opgedragen als men hem vertelt. De voorzorg, om Amsterdam te laten voorgaan en zich niet tevreden te houden met het Leve de Koning-roepen langs den Scheveningschen weg, beduidt nog geen afkeer van de souvereiniteit! De eerste dépêche van Lord Clancarty[116] spreekt niet van een Prins die moet worden aangezet; eerder van een Prins die door hem, Clancarty, wordt versterkt in het voornemen, zich niet uit te laten voor men zekerheid zal hebben althans van de stemming van het machtig Amsterdam, van patriotsche reputatie.

[115] Zooals Blok het heeft opgevat (Fruin's _Bijdragen_, 2e reeks, X, 100 vv.).

[116] _Ontstaan_ I, 23.

Er werden, blijkt uit die dépêche, bij 's Prinsen aankomst in den Haag twee meeningen verkondigd, de eene (door van der Duyn; naar het schijnt mede namens den door podagra aan zijn stoel geklonken Hogendorp) dat de uitroeping plaats moest hebben op staanden voet, in den Haag, en tot Koning; de andere dat men Amsterdam moest laten voorgaan, en tot zoolang althans den koningstitel niet gebruiken. Aan het geschil omtrent den titel maakte de Prins onmiddellijk zelf een einde, door te beslissen dat hij den koningstitel vooralsnog niet voeren wilde; hij wilde, zeide niet maar dacht hij, dien pas voeren over het rijk der zeventien Nederlanden, als de bondgenooten zouden toelaten dat hij zulk een rijk verwierf, en daaromtrent bestond op 30 November 1813 nog niet de minste zekerheid. Het geschil omtrent de plaats werd, als wij Clancarty gelooven moeten mede onder zijn, Clancarty's invloed, in dezen zin beslist, dat de eerste uitroeping moest geschieden te Amsterdam.

Intusschen had de Amsterdamsche bevolking op geen Haagsche besluiten gewacht. Het is zeer leerzaam de volgorde der gebeurtenissen te Amsterdam eens precies na te gaan, 1o. omdat daaromtrent, en bij berichtgevers waar men het niet van zou vermoeden, veel onnauwkeurigs is medegedeeld; maar 2o. en vooral, omdat daaruit zoo overtuigend blijkt dat de uitroeping eene volksdaad is geweest en geen opgemaakte fraaiigheid van Kemper en Scholten, zooals b.v. in de bekende _Vertraute Briefe_ van Strick van Linschoten is beweerd, een boek waarvan met de uiterste omzichtigheid gebruik is te maken, omdat de schrijver, oud-Bataafsch diplomaat van twijfelachtige reputatie, in 1814 in zijn pogingen om weder bij de Nederlandsche diplomatie te worden geplaatst, teleurgesteld is geworden[117] en zijn boek schrijft met de bepaalde bedoeling aan de Nederlanders _en place_, den Koning inbegrepen, zoo onaangenaam mogelijk te zijn.

[117] Falck's _Gedenkschriften_, 131.

Strick van Linschoten beschrijft de uitroeping door Kemper en Scholten gedaan, als volgt (wij nemen hierbij in aanmerking dat Strick den nacht waarvan hij spreekt doorgebracht moet hebben op zijn bed, dat toen te Mannheim gespreid stond, en dus geen ooggetuige is):

»Da es mitten in der Nacht war, befanden sich auf dem bei Tage sehr volkreichem Damme nicht mehr als drei Personen, die zufällig noch da vorbeigingen, und diese sonderbare Souveränenmacherei mit anhörten. Im neuen Rathhause wurde die Feierlichkeit beinahe in einem noch stärkeren incognito begangen, denn sie hatte daselbst im inneren Hof zur nämlichen Nachtzeit statt, und das einzige Thor, wodurch dieser mit der Strasse in Verbindung steht, war, wie gewöhnlich des Nachts, verschlossen. Das war also im eigentlichen Sinne eine Proclamatio domestica".[118]

[118] _Vertraute Briefe_ I, 127.

Een ander berichtgever, de met de Russen van Benkendorff in den ochtend van den 1sten December te Amsterdam aangekomen oud-Pruisische officier von Haxthausen, meldt zich wèl aan als ooggetuige. In een verslag door hem gesteld voor den Russischen gezant te Berlijn, Alopeus, en dat zijn weg gevonden heeft naar verschillende Duitsche couranten, wordt gezegd, dat de uitroeping den 1sten December, 's middags om één uur, onder zijn oogen heeft plaats gehad, »unter dem unendlichen Jubel des zu vielen Tausenden versammelten frohen jauchzenden Volks".[119]

[119] _Gedenkstukken_ VI, 1993; vgl. aldaar, CCXXVI.

En toch hebben de oogen van dezen braven Duitscher mis gezien, en heeft Strick, behalve in de beteekenis die hij aan zijn mededeeling wil doen hechten, hoogst vermoedelijk gelijk.

De feiten zijn deze. Den 30sten in den namiddag is de Prins voor den wal en Canneman (reeds van zins dien namiddag naar Amsterdam te vertrekken voor de zaken van zijn departement) zit bij Hogendorp als deze het bericht ontvangt, en zal nu met diens goedkeuring de onmiddellijke uitroeping te Amsterdam bewerken.[120] Hij vertrekt zoo spoedig hij kan en komt er om elf uur 's avonds aan; muziek, flambouwen, Commissarissen-Generaal en stadsregeering heeft hij op den Dam besteld bij een vooruitgezonden brief: »Neerlands Vorst is aan de wal....; de proclamatie geschiedt op staanden voet"[121]. Op den Dam wordt nu, met groot geschal, 's nachts om twaalf uur de komst van den Prins bekend gemaakt, en, zooals Commissarissen-Generaal zelf in een extra-blad, 's ochtends van den 1sten December verschenen, aan het bericht toevoegen, »heeft het volk terstond, op het hooren van de blijde mare, Z. D. H., als uit ééne stem, _Souverein en Vorst der Vereenigde Nederlanden_ uitgeroepen". Ziehier dus de uitvoering van Hogendorp's programma: »nous le proclamerons dans le même jour à la Haye, Amsterdam et Rotterdam", voor zoover die uitroeping van het Amsterdamsche volk afhing.

[120] _Br. en Ged._ V, 39.

[121] _Br. en Ged._ IV, 372.

Intusschen was, naar wij gezien hebben, in den Haag de Prins niet uitgeroepen, of liever, de uitroeping was er niet op papier gebracht. Toen Canneman vertrok was de Prins amper aan wal; nadat deze (om vijf uur) bij van Stirum was aangekomen en de eerste begroeting had plaats gehad, kwam het te Londen bedrukte papier voor den dag waarvan hij het geschreven origineel later op den avond aan Hogendorp toestak[122]: de »vergeten en vergeven"-proclamatie, het stuk _à tout usage_, dat het punt der souvereiniteit ontweek.

[122] _Br. en Ged._ V, 39.

De man die in den Haag het sein had moeten geven kwam niet van zijn stoel, en de geheele zaak der uitroeping werd er eene niet van verrassing, maar van beraadslaging. Den uitslag kennen wij: »den Haag" (zooals burgemeester Slicher het den 3den uit zou drukken) »zou uit kieschheid volgen, waar het hart had wenschen voor te gaan"[123]. Er werd besloten dat de Prins Amsterdam zou bezoeken en wel eerst den 2den, om een dag te hebben tot behoorlijke voorbereiding.

[123] _Ontstaan_ I, 28.

Tot deze voorbereiding vertrok den 1sten December van der Duyn naar Amsterdam. Doch reeds eerder was een rol met exemplaren der door den Prins medegebrachte proclamatie naar Amsterdam gekomen, die daar, zonder begeleidend schrijven,[124] op 1 December, 's ochtends om 8 uur, door Canneman ontvangen werd. Men had den Prins zelf verwacht,[125] of anders bericht omtrent zijne komst. »Wij zullen, ook zonder dat ik de intentie kenne", schrijft hierop Canneman aan Falck, »de proclamatie doen afkondigen na alvorens Z. H. te hebben doen uitroepen _als Vorst_. De plechtige proclamatie wordt met ongeduld verwagt." Ik meen deze woorden als volgt te moeten verklaren. Canneman kent het in den Haag blijkbaar reeds vóór 's Prinsen aankomst bestaan hebbend verschil van gevoelen omtrent de titulatuur; hij zal zich dus bij de voorlezing van 's Prinsen stuk, gelijk hij het reeds in den afgeloopen nacht bij de vermelding van 's Prinsen komst gedaan heeft, onthouden van den koningstitel te gebruiken. Verder onderscheidt hij »uitroeping" (bij monde) van »plechtige proclamatie" (op papier); de laatste had hij uit den Haag verwacht en begrijpt niet waar deze blijft. De »uitroeping" daarentegen bij volkskreet te doen herhalen is gemakkelijk genoeg, gelijk die dan ook zonder twijfel weer is opgestegen toen het stuk van den Prins is voorgelezen, om één uur, natuurlijk weer onder grooten toeloop, op den eivollen Dam: de heele stad, die gemeend had dien ochtend den Prins reeds te zullen zien, was daarvoor weer op de been gekomen, en op de been gebleven om naar de zooeven aangekomen Russen van Benkendorff te kijken. Het is deze toeloop die Haxthausen (eerst sedert 9 uur in de stad en die dus het nachttafereel niet had bijgewoond) voor de eigenlijke gebeurtenis heeft gehouden.

[124] Slechts met een doorgesleten envelop, waaruit Falck's geleibriefje was weggegleden (_Ged._ VI, 1779; vgl. Falck's _Brieven_, 2e druk, bl. 196).

[125] Vgl. Canneman in zijn op 30 Nov. vooruitgezonden briefje: »De Prins komt morgen zelf te Amsterdam" (_Br. en Ged._ IV, 372).

De uitroeping, nu reeds tweemaal door het volk gedaan uit volle borst, is eerst door Commissarissen-Generaal in den vorm eener »plechtige proclamatie" gebracht toen zij door van der Duyn vernamen dat dit in den Haag niet geschied was, en men het _van hen_ verwachtte. Het was avond;[126] te laat voor het gewone _Dagblad_-nummer van 2 December.[127] Kemper's uitnemend stuk verscheen in een op den ochtend van den 2den alom verspreide extra-courant. Intusschen zal het, zoodra het gereed was, ook wel reeds op den Dam en aan het Stadhuis zijn afgelezen, en het is best mogelijk dat deze aflezing weinig de aandacht heeft getrokken: alle attentie was reeds bij den volgenden dag, wanneer, naar men nu door van der Duyn zeker wist, de Prins zou komen.

[126] _Ged._ VI, 1780; vgl. Bosscha II, 22.

[127] Het _Staatkundig Dagblad_ kwam uit in den namiddag vóór den dag welks datum het nummer aan het hoofd draagt.

Het heele stuk heeft voor de Amsterdammers meer de beteekenis gehad, dat zij, den 2den bij het ontbijt, er uit vernomen hebben met welken titel de Prins aanstonds moest worden aangesproken, dan dat zij er de uitroeping tot de souvereiniteit zelve nog uit moesten opmaken. Die uitroeping was toen reeds anderhalven dag een feit;--en eerst jaren later, toen Amsterdam zich weer in de oppositie begon te voelen, is wel eens gevraagd, wat Kemper en Scholten zich toch vermeten hadden, met zoo uit aller naam te spreken.

* * * * *

Voor de eerste en eenige maal in onze geschiedenis was een gewichtige beslissing met bliksemsnelheid genomen. Twee korte proclamaties, en de souvereiniteit was aangeboden en aanvaard. Dat kon alleen, omdat beide de aanbieder en de aannemer er door een langzaam maar diep werkende innerlijke bevinding van jaren op waren voorbereid. Welk een zegen dat Hogendorp's plan mislukt is en over deze zaak niet eerst gedelibereerd is moeten worden in een lijzige vergadering van Staten-Generaal, die, zóó samengesteld als Hogendorp ze gewild had, in 1813 niets meer had kunnen zijn dan een schimmenkraam. Was de daad revolutionnair? Ja, ten volle, wanneer men legitiem zou willen achten wat vóór 1795 had bestaan;--neen, wanneer men de ontwikkeling sedert 1795 in acht neemt, die zij bekroont en besluit. Was zij nationaal? Weerom ten volle, en meer zeker dan die van 1572, die, hoeveel libertijnen zich ook aangesloten mogen hebben, toch merkbaar het werk eener kleine calvinistische minderheid is geweest.

Ik zou de klasse of secte niet kunnen noemen, die zich bij dit heilrijkste werk van 1813, de uitroeping tot de souvereiniteit, met eenig opzet op den achtergrond zou hebben gehouden. Individuen hadden het gedaan in de eerste dagen van den opstand, 't zij uit vrees voor, 't zij uit trouw aan den Keizer. Maar de vrees was afgelegd na Molitor's ontruiming van Utrecht, aan de komst van den Prins juist voorafgegaan, en die enkelen zooals Gogel en Verhuell waren op weg naar Parijs, of hadden zich opgesloten in een vesting.

* * * * *

Uit het bovenstaande zal het duidelijk zijn, dat er in Tellegen's beschouwingen, in zijn tweede hoofdstuk opgenomen, vrijwat is dat mij voorkomt buiten de kern der zaak om te gaan.

Ten onrechte, naar ik meen, neemt hij bij de Hollanders van 1813 een streven aan om door de oprichting eener monarchie Europa te believen. De contra-revolutionnaire meening in Europa, die in 1813 niet ontbrak, maar volstrekt niet alleen aan het woord was (zie Duitschland), zou zich aan de restauratie ten onzent van bondgenootschappelijk vereenigde provinciën met een stadhouder evenmin gestooten hebben als zij het gedaan heeft aan het herstel der souvereine kantons in Zwitserland of der vrije steden in Duitschland. Het stuk van Niebuhr is dunkt mij in dit opzicht leerzaam genoeg.

Wat Tellegen de onbepaaldheid der opdracht noemt is geen fout geweest maar een deugd. De Vorst werd door die onbepaaldheid evenmin een Keizer aller Russen als het Algemeen Bestuur dat geworden was door zijn eigenmachtig optreden van 21 November. De werkelijke macht van een Keizer aller Russen verkrijgt men alleen in Rusland krachtens een Russische geschiedenis van eeuwen, niet te Amsterdam door het bedrukken van een stukje papier. »Absolute" vorsten plegen zich ook niet bij de aanvaarding der souvereiniteit bij hun publiek half te verontschuldigen, zooals de Prins het in het stuk van 2 December doet; plegen niet van bedenkingen te spreken, die zij aan de wenschen der ingezetenen ten offer brengen. Bepaling had alleen kunnen voortkomen uit deliberatie, en deze was op dit oogenblik onnut en gevaarlijk. Het ieder uur, iedere minuut noodige: de zorg voor de verdere bevrijding van het land, mocht voor niets anders dan voor een snelle beslissing omtrent de hoofdvraag van al, de souvereiniteit, een oogenblik worden opgehouden.

Het _constitutioneele_ koningschap is in de beide proclamatiën geen bijlapsel, waarin men in 's hemelsnaam om consideratiën maar berust: het is haar inhoud zelf, en het »zoo diep kon men niet gedaald zijn" had dus ongeschreven kunnen blijven. De publicatie van 6 December reeds kondigt de aanbieding eener grondwet aan »binnen weinige weken".

Het bondsstaatsgevaar, dat Tellegen na 2 December aanwezig acht, verrijst enkel uit de omstandigheid, dat hij een beperkt aantal officieele papieren als geschiedbron gebruikt en uit hun tekst gaat voortredeneeren, eer hij goed in de werkelijkheid is doorgedrongen die er achter ligt. Dat gevaar moet, in Tellegen's voorstelling, dan toch zeker van de heeren in den Haag komen, die hij tegenover Kemper stelt. En wat doet nu juist op 2 December het Algemeen Bestuur? De na Molitor's aftocht ten ontijde herleefde »provincie" Utrecht om hals brengen en haar Statencollege casseeren: tot de invoering der grondwet mag het oud-Utrechtsche gebied enkel zijn wat het sedert 1810 geweest is: een tweetal arrondissementen van het departement der Zuiderzee[128].

[128] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, XCVII; vgl. Falck's _Brieven_, 201.

Gevaar had er gelegen in Hogendorp's opzet; het lag niet langer in wat er van kwam. De oude Staten-Generaal waren morsdood gebleken; de bestaande bestuursinrichting daarentegen springlevend. Zij had overal den schok doorstaan. Er waren eenige Fransche ambtenaren weggeloopen en door Hollanders vervangen, maar de geheele toestel stond 2 December precies even goed overeind als 15 November. Voor »Keizer" las men eerst »Algemeen Bestuur", vervolgens »Souvereine Vorst", voor minister »commissaris-generaal", voor prefect eveneens »commissaris-generaal", voor onderprefect »commissaris", voor maire »president der provisioneele regeering"; voor Empire français »Vereenigde Nederlanden".

De publicatie van 6 December is niet door Hogendorp gesteld maar door Falck, en doet niets dan den naam van den Staat overnemen zooals hij sedert 21 November in dagelijksch gebruik is. Na het nachttafereel van 30 November te Amsterdam maken Kemper en Scholten zelf bekend, dat het volk den Prins heeft uitgeroepen tot »Souverein en Vorst der Vereenigde Nederlanden", en zij hebben voorzeker geen bondsstaat gewild. Dat Kemper in zijn stuk van 1 December »Nederland" schrijft is niettemin opmerkelijk: hij geeft aan de nieuwe zaak een nieuwen naam, terwijl de algemeenheid de overbrenging van den historischen naam op de nieuwe zaak verkiest. Dit is het verschil, en ik cijfer het belang daarvan niet weg. Maar het gebruik van den term »Nederlanden" sluit volstrekt niet in dat men een bondsstaat bedoelt; evenmin als de term »Staten-Generaal" in Hogendorp's _Schets_ een congres van gezanten van souvereine lichamen aanduidt, zooals voor 1795 had bestaan: »de Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele Nederlandsche Volk"[129].

[129] _Ontstaan_ I, 5 (art. 21 der _Schets_).

III.

DE SAMENSTELLING DER GRONDWET.

21 Dec. 1813. Benoeming der commissie tot het ontwerpen der grondwet.

27 » » Eerste bijeenkomst der commissie.

14 Febr. 1814. Benoeming der commissie ter verkiezing der notabelen.

1 Maart » Ontwerp der grondwet vastgesteld, en

2 » » aangeboden aan den souvereinen vorst.

2 » » Publicatie van den souvereinen vorst over de notabelen.

28 » » Samenkomst der notabelen.

29 » » Aanneming der grondwet door de notabelen.

30 » » Beëediging der grondwet door--en inhuldiging van den souvereinen vorst.

Twee dingen stonden vast bij den dageraad onzer onafhankelijkheid: de Prins zoude souverein zijn, en hij zoude zijne onderdanen volgens eene grondwet regeeren. Hogendorps schets eener grondwet voor de Vereenigde Nederlanden lag gereed. Zij droeg volgens den souvereinen vorst de blijken van 's mans »loffelijken ijver en liberale denkwijze"[130]. Waarom dan niet de knoop doorgehakt en haar dadelijk, hetzij gewijzigd, hetzij ongewijzigd, vastgesteld en afgekondigd? Waarom dan niet gedaan wat Lodewijk XVIII kort daarna in Frankrijk deed, die zijne onderdanen met de charte begiftigde en uit goedertierenheid aan zijn onbeperkte macht grenzen stelde? Wat echter Lodewijk XVIII, om het modewoord dier dagen te gebruiken, van zijn legitiem standpunt kon doen, was daarom nog niet mogelijk voor den souvereinen vorst. Wanneer deze zich op het beginsel der legitimiteit zoude beroepen, zoude hij het daarmede nooit verder hebben kunnen brengen dan tot zijne optreding als erfstadhouder, als Willem VI. Dat hij als souvereine vorst, als Willem I optrad, was geene voortzetting van den ouden rechtstoestand, was de aanvang eener nieuwe orde van zaken. Was men nu al om den nood van het oogenblik over de onwettige, of wil men liever onregelmatige wijze, waarop de souvereiniteit was opgedragen, heengestapt, toch was ieder het eens[131], dat er nog iets anders noodig was om het feit wettig te doen worden. Welke weg was daarvoor in te slaan, wilde men in lateren tijd het goed recht van den regeeringsvorm en van den hoeksteen daarvan: de souvereiniteit van den prins, tegen alle aanvallen verdedigen?

[130] Besluit van 21 December 1813 (_Ontstaan_ I, 37).

[131] Aanmerkingen van Falck op van der Palms _Gedenkschrift_, in _G. K. v. Hogendorp in 1813_, Bijl., blz. 2. Van der Palm schrapte ten gevolge van eene bedenking van Falck het woord _wettiglijk_, daar waar hij sprak van de aanvaarding der souvereiniteit op 2 December 1813.

Op het standpunt der legitimiteit had men wellicht, hetgeen ook nog in sommige hoofden spookte, oud-regenten, voor zoover zij nog in leven waren, kunnen oproepen en van hen de vaststelling eener grondwet vragen. Doch dit denkbeeld werd niet gevolgd. Hogendorp zelf had reeds in de Novemberdagen het meer dan eens uitgesproken, dat ook notabele ingezetenen, die geen oud-regenten waren, tot het groote werk moesten medewerken[132]. Ook hij begreep, en met hem de souvereine vorst, dat de stem der natie moest gehoord worden, en alleen daardoor een vaste grond voor de constitutie kon worden gelegd.

[132] _G. K. van Hogendorp in 1813_, blz. 100.

Reeds den 21sten December 1813, en dus drie weken na zijne komst hier te lande, benoemde de souvereine vorst eene commissie, waaraan de samenstelling van eene ontwerp-constitutie werd opgedragen, terwijl tegelijk bepaald werd, dat het door die commissie gemaakte ontwerp aan de beoordeeling van notabelen uit de geheele natie zoude worden onderworpen om door hen als algemeene staatswet aangenomen te worden.