De Wedergeboorte van Nederland

Part 7

Chapter 73,566 wordsPublic domain

Het eigenaardig verschijnsel doet zich voor, dat het Nederlandsche volk de eenhoofdige regeering van een Fransch prins aanmerkelijk beter verdragen heeft dan die van een Nederlandsch burger[92]. Voor Schimmelpenninck en zijn lijfwacht heeft men slechts spot over; den Bonaparte komt men buigend tegemoet. Men ziet in hem het eenig overgebleven voorbehoedmiddel tegen tiërceering en conscriptie. Napoleon zou er in hebben toegestemd dat de Nederlandsche couponknippers van het eene, de Nederlandsche huismoeders van het andere schrikbeeld bevrijd bleven, mits er maar een ondoordringbare muur tegen den Engelschen invoer werd opgericht. Maar hieraan haperde het: »empêchez donc la peau de transpirer", roept Lodewijk in wanhoop uit na een der ontelbare keizerlijke verwijten. Hij was geheel ongeschikt voor het ambt dat zijn broeder hem opgelegd had. Zelf een zwak, door en door welwillend man, had hij behoefte aan eene stemming van welwillendheid om zich heen; hij wilde niet tegen nationale wenschen en belangen ingaan. Hij vergat dat hij Koning van Holland was bij de genade van een ander. Na vier jaar heeft hij afgedaan en neemt de Keizer het besluit, ons direct te regeeren. De tiërceering komt mee, en ook de conscriptie.

[92] In 1801, toen te Parijs reeds een oogenblik over Schimmelpenninck werd gedacht, had de gezant Sémonville, een fijn waarnemer van ons volkskarakter, iets dergelijks al voorspeld. Er is geen man in het land, schrijft hij aan Talleyrand, dien de Bataven gaarne met een eminenten titel aan hun hoofd zullen zien; dan nog liever een stadhouder terug. »Une famille princière froisserait moins l'amour-propre. Le peuple s'acharnerait à renverser celui que la veille il aurait vu son égal. Ce sera beaucoup faire que de donner deux années d'existence à votre président" (_Gedenkstukken_ III, 183).

Intusschen was de onder Schimmelpenninck weder opgevatte moderniseering van het maatschappelijk gebouw onder koning Lodewijk voortgezet. Een nationaal strafwetboek, een burgerlijk wetboek (adaptatie van den Franschen code civil), een wetboek van koophandel, een nieuwe rechterlijke organisatie waren gereed gekomen en reeds ingevoerd of stonden op het punt het te worden. In plaats van de collegiale regeering in departement en gemeente was die van landdrost en burgemeester getreden, naar het Fransche voorbeeld afgezien. Eene wetgeving was in voorbereiding die de kerken onder streng opzicht zou gebracht hebben van den Staat. Op al deze punten beteekende dus de inlijving bij Frankrijk niet de onderwerping aan een geheel vreemd regime. Nieuw waren de militaire dienstplicht en het scherpe politie- en douanetoezicht; nieuw was bovenal de ondervinding, dat in den publieken dienst zwaar werk werd verlangd. De gewoonte van het gemoedelijk »besogneeren" onder een pijp tabak had de collegiën der Republiek overleefd; thans leerde men het »dienstdoen" van den modernen ambtenaar. De Fransche directeurs en prefecten houden niet op zich over de laksheid en eigenwijsheid van hun Hollandsche ondergeschikten te beklagen; zij prikkelen hen aanhoudend tot meer onafgebroken, sneller en vooral machinaler werkzaamheid. Onderwijl treedt een belangrijk deel der Hollandsche jongelingschap in de harde militaire school des Keizers. Voor zoo verweekelijkte naturen, die den krijgsdienst hadden leeren beschouwen als een werk dat men aan arme drommels van vreemdelingen overliet, geen slechte school. Niet slechts »het volk" moest er aan gelooven, maar ook de burgerklasse, die in dezen tijd van toenemende berooidheid geen geld had een remplaçant te koopen. Slechts de rijken kwamen vrij, en Holland was in last toen, in 1813, ook zij werden opgeroepen om te dienen als garde d'honneur.

Het was niet zoo erg, dat de Hollanders in dezen tijd wat armer werden. Waar hadden zij hun rijkdom toe gebruikt? Aan de natie als geheel was die weinig ten goede gekomen. De Staat was steeds berooid gelaten; in de nijverheid was weinig geld gestoken; ook niet in de koloniën die door de compagnieën zeer gebrekkig werden ontgonnen en waar het volk in zijn geheel niet de minste kennis van had en zich niet om bekommerde. Holland was bovenal een geldmarkt geworden voor vreemde staten, waarvan er thans verscheidene niet betaalden. Ook had het tot 1795 nog een aanzienlijk aandeel gehad in de Europeesche vrachtvaart, maar die lag nu stil, en Holland verloor één voor één zijn oude connecties en zou, als de zee weer open kwam, zich opnieuw een positie in de handelswereld moeten veroveren. Wat er nog omging was dobbelspel aan de beurs en smokkelarij in het goederenverkeer. De hooge graanprijzen maakten den landbouw tot een voordeelig bedrijf, maar de groote Hollandsche steden raakten in diep verval. De huizen te Amsterdam deden in 1813 de helft van den prijs van 1800. Bij honderden werden de huizen daar afgebroken, 't zij om de belasting te ontgaan, 't zij uit speculatie, om de materialen aan te bieden in de Belgische departementen waar landbouw en nijverheid bloeiden en naar huizen veel vraag was. In Leiden, Delft, Haarlem vooral, had hetzelfde plaats. Langs de Vecht werden de buitens gesloopt; men maakte er weiland van. In 1813 werden te Amsterdam minder dan het derde deel van het getal luxepaarden gehouden dat voorkwam in 1810[93]. De familiën die een etablissement in de stad hadden gehad en een op het land, hielden slechts één van beide meer aan. Men schafte zijn bedienden af. Het aantal bedeelden nam toe, terwijl door de tiërceering de middelen der gestichten sterk waren verminderd. Doch dat de weelde zoo afnam was lang geen onverdeeld kwaad, ook niet de politieke onteigening die de vroeger heerschende geslachten hadden ondergaan. Men was niet langer, als men zekeren familienaam droeg, van de geboorte af verzekerd van een fatsoenlijk bestaan; men verleerde, een eerlijke broodwinning te verachten. De volkseenheid werd bevorderd door de omstandigheid, dat wat er van den nationalen rijkdom overbleef, meer gelijkmatig over de provinciën werd verdeeld. Er vloeide geld uit Holland weg dat, tenminste voor een gedeelte, werd aangelegd in de landprovinciën, die toenamen in welvaart, in bevolking, in bekendheid. De mooie plekjes in Gelderland kwamen in trek als woonkwartieren.

[93] Falck's _Gedenkschriften_, bl. 336.

Nederland deed zijn nieuwe intrede in de rij der natiën als een land dat veel geleden had; dat sterk verkleind was in naam, in geld, in aanzien. In veel opzichten moest het van voren af aan beginnen, niet zonder betrekkelijk goede kansen evenwel: het had zijn ligging, zijn bodem, zijn sober, eerlijk volk; het had naast minder goede, ook eenige voortreffelijke traditiën. En het was door de Revolutie van veel overtolligs en schadelijks bevrijd: van een onmogelijke staatsinrichting, die in den harden strijd der moderne concurrentie dien men tegemoet ging, volstrekt onbruikbaar zou zijn gebleken; die eigenlijk uitgediend had al de geheele achttiende eeuw door, maar wij zelf hadden er ons niet af weten te helpen. De Revolutie had ons een nieuwe bewerktuiging gegeven, en wij hadden het geluk dat een Oranjevorst gereed stond om den troon te beklimmen waar Napoleon van werd afgebonsd.

Want hierop komt de zaak neer. Wel mocht Gijsbert Karel in zijn oranje-boven-biljet schrijven: »de oude tijden komen weerom", het publiek dacht daarbij aan den koophandel en geenszins aan den regeeringsvorm. Zelfs Gijsbert Karel wilde niet naar de jaren vóór 1795 terug, maar naar een verder verleden: hij wilde een toestand scheppen zooals had kunnen ontstaan wanneer in de zestiende eeuw òf onze wettige vorst hervormd ware geworden òf Prins Willem souverein ware gemaakt eer hem de kogel trof. Tenminste, hij verbeeldde zich dat. In werkelijkheid heeft, behalve herinneringen uit het nationaal verleden, vooral de aanblik der Engelsche instellingen zijne pen bestuurd[94].

[94] _Ontstaan_ I, 57.

* * * * *

Tellegen doet, naar mijn smaak, in een boek dat _De Wedergeboorte van Nederland_ heet, Gijsbert Karel te summier af. Wij zien hem in 1913 grooter dan men het in 1884 deed. Ruimen wij hem de plaats in waarop hij naar ons oordeel recht heeft.

Zijn jeugd is door Fruin beschreven in een zeer bekend opstel[95]. Door geboorte, opvoeding en belang tot de Oranjepartij behoorende, zich in den strijd van '87 voor den Prins ijverig te weer stellende, was Gijsbert Karel door den loop dien de oranje-restauratie nam niettemin diep teleurgesteld. Hij had een toenadering tusschen Prins en volk gewild, geen overgave van den Prins aan het behoud. Hij had voorspeld »de naderende volksregeering", die men niet moet willen ophouden, maar door hervormingen den weg banen. »In de tegenwoordige tijden", schrijft hij in 1793 aan van de Spiegel, »kan geen Regeering iets goeds uitwerken, zonder de liefde en het vertrouwen der ingezetenen", en hij wist dat de regeering der Republiek dat vertrouwen niet meer bezat. De gebeurtenis van 1795 heeft hem niet zeer verrast. Hij was geen hoveling; heeft er geen oogenblik over gedacht, Oranje in de ballingschap te volgen. Aanstonds na de verwijdering uit zijn ambt begrijpt hij dat hem voortaan geen rol overschiet dan die van »citoyen utile"[96]. Anders dan zijn standgenooten, die pruilend bijeenhokten, voegt hij zich onder de bedrijvige massa. Door den dood zijner schoonmoeder de beschikking krijgende over een groot vermogen, verhuist hij naar Amsterdam en wordt simpel koopman; maar niet tot zijn profijt. In 1806 betrekt hij het buitengoed Adrichem bij Beverwijk en houdt er zich bezig met studie en met de opvoeding van zijn talrijk kroost. In 1809 verhuist hij, om de kinderen, naar den Haag. Met uitzondering van één enkel oogenblik, bij zijn _Verklaring aan het Staatsbewind_, wordt hij in de politieke geschiedenis van het land in al die jaren niet genoemd. Een onbewogen uiterlijke levensgeschiedenis. Des te belangrijker is de innerlijke.

[95] _Verspr. Geschr._ V, 239 vv.

[96] _Br. en Ged._ III, 87.

De heilstaat zooals hij over ons gebracht was, op de spits van vreemde bajonetten, moest een trotsch gemoed als het zijne met minachting en afgrijzen vervullen. Dat het oude tot onbruikbaar wordens toe versleten en dus terecht bezweken was, ontging hem niet, maar de nieuwe bouw had, om op zijne beurt duurzaam te zijn, een werk moeten wezen van eigen vinding en geen slaafsche navolging van vreemde modellen. Hoe juist maakt hij de balans van zijn tijd op, als hij, niet blind voor haar groote deugden, in haar nadeel boekt, dat zij, als maatschappelijk ideaal, den »homme de bien" verruild heeft voor den »habile homme"; dat zij als regel volgt: »ne parvenir au coeur que par la voie de l'esprit"; »fonder le bonheur de l'homme sur l'usage de sa seule raison"[97]. Het gevolg? »Mille raisonneurs contre un homme vertueux; chacun veut être un homme universel".--»Quelle est _la passion qui s'éveillera_ pour maintenir le gouvernement philosophique, et pour le défendre contre toutes les passions religieuses qu'il persécute également? Quel parti du peuple, rendu à la paix et à quelque repos, le soutiendra?... Parmi tous les reproches qu'on peut lui faire, celui _du manque absolu de caractère_ est le plus fondé".[98]

[97] _Br. en Ged._ III, 159-160.

[98] _Br. en Ged._ III, 167 (ik cursiveer).

Eén doel is hem na 1795 steeds bijgebleven: de natie, door haar weder voedsel te doen zoeken in het eigen verleden, te redden van den ondergang. Afgesneden van den stam waarop zij was gegroeid, zou zij verwelkt zijn. Gijsbert Karel, die meer dan één ander onze achttiende eeuw aan onze negentiende verbindt, is zich, bij alle ontwikkeling van denkbeelden, bij alle aanpassing aan nieuwe vormen, in wezen verwonderlijk gelijk gebleven.

In 1795 is hij niet zonder hoop, dat, bij de eerste groote overwinning der geallieerden, de Franschen, als in 1793, ons land weer zullen moeten ruimen. Het oude mag dan niet terugkeeren. In den zomer van dat jaar stelt hij zijne gedachten op het papier omtrent de veranderingen, die in zoodanig geval in de Unie behooren te worden aangebracht. De familietrek met de latere _Schets_ is onmiskenbaar.

Als grootste gebrek, dus ongeveer het stuk,[99] heeft de ondervinding doen kennen de ontstentenis van een krachtig algemeen bestuur. Dit dient gevestigd in een Stadhouder, die in een constitutioneele betrekking moet komen tot het geheel der Republiek en niet meer uitsluitend tot de provinciën afzonderlijk. Onder den Stadhouder zullen ressorteeren de volgende departementen van algemeen bestuur: financiën, landmacht, marine, koloniën, buitenlandsche zaken. Ten opzichte van al deze onderwerpen zullen de provinciën afstand doen van de Souvereiniteit, die zij voor justitie en binnenlandsche zaken onverkort behouden, met dezen verstande evenwel dat een Hooggerechtshof der Unie wordt ingesteld om overtreding van de wetten en besluiten der algemeene regeering te straffen. De wetgevende macht zal ten opzichte van al de opgenoemde zaken die aan de Unie zijn afgestaan, worden uitgeoefend door de vergadering der Staten-Generaal, waarvan een ambtenaar onder den titel van Raadpensionaris (titel die dus voortaan een Unie-ambt zal aanduiden) »het beleid" hebben zal. In de Staten-Generaal zal hoofdelijk worden gestemd zonder ruggespraak met de committenten, die evenwel na een zeker aantal jaren de beslissing zullen hebben over de al of niet-vernieuwing van het mandaat. De Provinciale Staten vaardigen ieder een zeker aantal leden af in de verhouding van het aandeel der provincie in de algemeene lasten. De Generaliteitslanden zullen in de algemeene landsvergadering vertegenwoordigd zijn.

[99] _Br. en Ged._ III, 87.

Over het gewichtig punt van de samenstelling der Provinciale Staten zwijgt het stuk; in zijn systeem terecht, daar het een memorie over de herziening eener unie tusschen souvereine gewesten is, en dus de samenstelling der gewestelijke vertegenwoordiging een huishoudelijke zaak blijft. Doch reeds tijdens de patriotsche troebelen had Gijsbert Karel de vestiging voorgestaan van een regelmatigen volksinvloed op de samenstelling der gemeentelijke, en daarmede der provinciale vertegenwoordiging, en uit een ontwerp van 1799-1801 blijkt, dat hij dit denkbeeld thans niet minder aanhing.

Dit stuk van 1799-1801[100] werd opgezet naar aanleiding van de leiding der Engelschen en Russen, doch eerst later in definitieven vorm gebracht na kennisneming van het veel beperkter ontwerp van Uniereform, door van de Spiegel in 1799 te Lingen opgesteld.[101] Het is een omwerking van het opstel van 1795 in artikelvorm, met bijgevoegde memorie van toelichting. De Stadhouder heet thans Erfgouverneur, en heeft het karakter van onschendbaarheid. In plaats van vertegenwoordiging der provinciën naar de bijdragen in de algemeene lasten, komt vertegenwoordiging naar de volkrijkheid. Een aanhangsel geeft de veranderingen op die de constitutiën der provinciën noodzakelijk zullen moeten ondergaan. In de Provinciale Staten zal worden gestemd bij meerderheid; behalve de steden zullen ook de dorpen er vertegenwoordigd zijn; in alle steden en dorpen waar de bevolking zeker getal te boven gaat, treden kiescollegiën op. »De kiezers behoeven slegts den Christelijken Godsdienst, zonder verder onderscheid, te belijden".

[100] _Br. en Ged._ III, 171.--Over de dateering zie _Ontstaan_ I bl. XXV.

[101] Hiervóór, bl. 18 noot.

Op dit stuk volgt 27 Oct. 1801 de _Verklaring aan het Staatsbewind_,[102] waarbij Gijsbert Karel, nevens anderen opgeroepen zijn stem uit te brengen over de nieuwe staatsregeling van dat jaar, »alle constitutiën afkeurt welke niet het Huis van Oranje met de erfelijke waardigheid van Hoofd van den Staat bekleeden". Voortaan zal, zegt hij, in het geval eener restauratie geen sprake meer kunnen zijn »van eene instructie voor den Prins, te geven door de Regenten, maar van eene Grondwet, met eene gelijk verbindende kragt voor Prins, Regenten en Volk."

[102] _Br. en Ged._ III, 196.

De _Verklaring_ verscheen op een oogenblik, dat op verwezenlijking van Hogendorp's denkbeeld minder kans was dan ooit. De Bataven kwamen al vaster aan de keten van den Eersten Consul te liggen, en Oranje zelf keerde zich door den nood gedrongen van Nederland af. De nieuwe belangen van het huis in Duitschland konden door het optreden van Gijsbert Karel slechts worden geschaad. De toezending van het stuk werd dan ook alleen door de Prinses met eenige hartelijke woorden, door den Prins met verlegenheid, en door den Erfprins in het geheel niet beantwoord. Hogendorp schikte zich in het onvermijdelijke en richtte, met den aanvang van 1802, zijn activiteit op andere dingen: hij begon zijn kolonisatieonderneming aan de Kaap, die hem, met andere onderwerpen van kolonialen en staathuishoudkundigen aard, in de eerstvolgende jaren geheel in beslag nam.

Het begin der regeering van koning Lodewijk opent tevens eene nieuwe levensperiode voor Gijsbert Karel, die in zijn handelsondernemingen groote verliezen had geleden en zich om financieele redenen op zijn buitengoed terugtrok, met opgeving van zijn etablissement te Amsterdam. Het nieuwe regime, aan welks levensvatbaarheid hij in 1795 en nog in 1801 niet had geloofd, begint zich meer en meer te vestigen. Moet hij er niet zijn plaats in zoeken (zooals al zijn standgenooten doen), in zijn eigen belang en dat zijner kinderen? De oude Prins was dood; het gevoel voor den Erfprins nimmer hartelijk geweest. Gijsbert Karel capituleert, dat is te zeggen niet met der daad, maar in zijne ziel. Hij is te trotsch om zich aan te bieden, en de koning is hem niet komen zoeken, maar als hij gekomen was, zou Gijsbert Karel zich tot een post van minister of staatsraad hebben laten vinden, en dat de koning niet kwam werd den dagboekschrijver van Adrichem tot een niet te verkroppen ergernis[103]. Tot hij zich overwon, de wereldsche zaken van zich zette, zich in den Haag vestigde nadat en omdat koning en regeering die stad verlaten hadden, en zich nogmaals, als reeds in de jaren vóór 1801, verdiepen ging in de studie der vaderlandsche historie. Het resultaat dier studie, de _Discours sur l'histoire de la Patrie_[104], zijn onontbeerlijk voor de kennis van den gedachtengang die de _Schets_ van 1812 beheerscht, en die geen andere is als deze: een nieuwe Staat der Nederlanden mag niet de herleving der Republiek zijn, maar moet zijn normen zoeken in het monarchaal verleden[105]. De Republiek wordt als een afwijking beschouwd, alleen te rechtvaardigen uit de buitengewoonheid der omstandigheden van 1588, die in 1812 lang hebben opgehouden te bestaan. Dat reeds Maurits niet tot souverein is verheven wordt ernstig betreurd, en daarbij eene schets gegeven van de Nederlandsche monarchie zooals zij in 1618 en 1619 ware in te richten geweest: de souvereiniteit gevestigd in den Prins van Oranje; een constitutioneele adel; steden met kiescollegiën die er de regeering stellen; »à tous les bourgeois aisés le droit de nommer au scrutin ces électeurs..."; »une démocratie tempérée et très limitée à côté de l' aristocratie, pour empêcher celle-ci de dégénérer comme elle a toujours fait..."; »le pouvoir monarchique, aristocratique, populaire, sagement combinés..."; het is de _Schets_ zelve van 1812, die hier aan den Maurits van 1619 wordt voorgeschreven. Het slot van het laatste _Discours_ klinkt als een belofte: »Les Princes d'Orange n'ont jamais voulu forcer la nation à leur conférer la puissance souveraine, mais ont attendu cet acte de sa gratitude et de sa conviction qu'il y alloit de son propre intérêt. Toute notre histoire postérieure n'est que le développement de ce principe...."

[103] Zie de extracten uit het dagboek in _Gids_ 1907, I, 305.

[104] _Br. en Ged._ III, 317.

[105] »De Republiek is een groote nieuwigheid geweest" (_Ontstaan_ I, 58).--De _oude voet_, zegt Hogendorp in de commissie, is de voet vóór 1572. (_Ontstaan_ I, 80, 82).

Er is dus, sedert 1795 en 1799-1801, een heel eind weegs door Gijsbert Karel afgelegd. Nieuw is in de stukken van 1812[106] de verwerping van den republikeinsch-bondgenootschappelijken staatsvorm, die in de oudere ontwerpen nog was vastgehouden. »De natie", schrijft hij in 1817 ter verklaring, »was door Koning Lodewijk aan een souvereinen Vorst gewend geraakt"[107]. De natie--niet ook Gijsbert Karel zelf? De opteekening zijner zielservaringen van 1806 en 1807 bewijst zonneklaar, dat ook voor hem de algemeene, gehoorzame erkenning van het monarchaal gezag in Lodewijk Napoleon een diepe beteekenis heeft gehad. Het koningschap, zij het van een vreemdeling, heeft voor hem niet meer, als de staatsvormen van 1798 en 1801, het karakter eener revolutionnaire nachtmerrie. Maar de koning laat hem ter zijde. Deze verwaarloozing, en de daarop gevolgde inlijving bij Frankrijk, geven hem aan zichzelven terug. Toch niet zonder dat zijn ziel zich bewust bleef van het, in de stilte van zijn Adrichem, eenmaal genomen besluit. Ook zelfbespieding kan invloed hebben op de ontwikkeling van staatkundige denkbeelden, en bij Gijsbert Karel is dit ongetwijfeld het geval geweest. Hij werpt zich andermaal op de vaderlandsche geschiedenis om er de bevestiging in te lezen van wat hij zelf reeds gevoeld heeft dat worden moet.

[106] _Schets_ en _Discours_.

[107] _Br. en Ged._ V, 85.

Reeds de eerste redactie van de _Schets_ (1812) heeft het woord »Koning" en volstrekt niet alleen ter wille van de fictie, dat het een stuk van 1806 zou zijn, geschreven vóór de komst van Lodewijk Napoleon. Dit bewijst, behalve de uitdrukkelijke verzekering van Hogendorp in zijne gedenkschriften dat het woord tusschen hem en de bentgenooten bediscussieerd en door hen eenstemmig goedgekeurd was[108], reeds de omstandigheid dat de term onveranderd is gehandhaafd geworden in de tweede redactie, die geen gevaar meer liep van inspectie door de Fransche politie, en aan den Prins bij zijn komst is voorgelegd, wiens eerste aanteekening op den inhoud zou luiden: »de titel blijft [zooals hij inmiddels aangenomen was] Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden"[109].

[108] _Br. en Ged._ V, 83.

[109] _Ontstaan_ I, 32.

Hogendorp heeft zich hierin één gevoeld met het volk, dat bij instinct en unaniem begrepen heeft, dat men een Oranje geen lageren titel mocht toeleggen dan men een Bonaparte had laten voeren. Als in het voorjaar, tijdens de reis van Gevers, het gerucht zich verbreidt van het onderweg zijn van Willem VII, moet hij het zijn als Koning van Holland; men wil zijn beeldenaar met dat randschrift op medailles gezien hebben waarvan ieder den mond vol heeft maar die niemand vertoonen kan,[110] gelijk er dan ook geen enkel exemplaar ooit van is voor den dag gekomen. De Bijltjes zingen te Amsterdam: »Leve Willem de Eerste onzen Souverein, de Prins moet Koning van Holland zijn", en als het _Staatkundig Dagblad van de Zuiderzee_, waarin, met machtiging van Kemper en Scholten, die Kattenburger deun is afgedrukt, op het ziekenhuis te Utrecht ontvangen wordt, gaat, blijkens bericht van den administrateur, onder verpleegden, dokters en assistenten gelijkelijk de kreet op: »de Prins moet onze Koning zijn"[111].