De Wedergeboorte van Nederland
Part 6
Het is hier de plaats niet, de bijzonderheden na te speuren, die het feit, waardoor de monarchie in het huis van Oranje is gevestigd, hebben vergezeld. Een ding staat echter vast. Noch de Prins, noch Hogendorp waren afkeerig van de opdracht der souvereiniteit. Wat zoude echter de beteekenis zijn van die opdracht? In den aanvang werd daardoor de Prins absoluut vorst--niets minder dan de keizer aller Russen. Als iets blijvends werd dit echter voorzeker door niemand bedoeld. Zoo diep kon men niet gedaald zijn, dat men eene door niets beperkte monarchale macht anders zoude hebben willen dulden, dan als iets voor korten tijd, voor zoover dit voor den tijd van overgang tot eene geregelde orde van zaken noodzakelijk was. Maar wat was dan het blijvend karakter van de opdracht der souvereiniteit? Dat de prins in plaats van Zijne Hoogheid of Zijne Doorluchtige Hoogheid, nu Zijne Koninklijke Hoogheid werd? Dat zijn wapen nu werd gekroond met een koninklijke kroon[83]? Dat de Nederlanders zijne onderdanen zouden zijn? Dat de prins dus niet meer zoude zijn de eerste ambtenaar der Staten; dat geene macht boven hem zoude staan? Was het nog meer? Voorzeker ook, dat de meerdere behoefte aan eenheid door het monarchaal gezag zoude worden vervuld. Voor het overige liet ook deze opdracht alles onbepaald. Zij gaf geen antwoord op de vraag: hoedanig zou de aard van den staat zijn? Bondstaat of eenheidstaat; dit bleef eene opene quaestie. Wellicht dat, wanneer er verschil heeft bestaan tusschen Hogendorp en Kemper, dit juist in dit punt moet gezocht worden. De laatste deed in zijne met Fannius Scholten den 1sten December 1813 uitgevaardigde proclamatie zeer duidelijk uitkomen, dat er ook in andere opzichten geene restauratie zoude plaats hebben. Waar hij echter zeide, dat de Prins als Willem de Eerste souvereine vorst zoude zijn »van het vrije Nederland," daar was de Prins in zijne waarschijnlijk onder Hogendorps invloed opgestelde proclamatie van 6 Dec. 1813 de souvereine vorst »der Vereenigde Nederlanden."
[83] Besluit van 14 Jan. 1814 (_Staatsblad_, no. 9, art. 1 en 10).
Bondstaat of eenheidstaat: wat zoude het zijn?
En eveneens bleef het onbeslist, in hoever de nieuwe beginselen van staatsbestuur, de beginselen van zelfregeering en gelijkheid, de beginselen der 18e eeuw, hunne kracht zouden behouden, of, voor zoover zij reeds onder franschen invloed waren verstikt, weder tot hun volle recht zouden komen. Daarop moet het antwoord gezocht worden in de niet alleen door Kemper en Fannius Scholten, maar ook door den souvereinen vorst beloofde grondwet. Nu eene volledige restauratie van het oude onmogelijk was, nu het republikeinsch karakter plaats maakte voor het eenhoofdig gezag, nu daardoor de noodzakelijkheid eener diep ingrijpende verandering erkend was, moest men wel zijne toevlucht nemen tot het ontwerpen en vaststellen eener grondwet. In zoover kon zelfs het jaar 1813 zich niet losmaken van de beweging, die met de onafhankelijkheid van Noord-Amerika begonnen, in den revolutietijd was voortgezet; men bleef ook nu het denkbeeld omhelzen, dat de grondtrekken van den staatsvorm in één statuut moesten worden opgenomen, in ééne wet, die de grond van alles was.
* * * * *
In afwijking van Tellegen moet worden geopperd dat het hier wèl de plaats is, het feit der verheffing in bijzonderheden na te speuren. Zonder juist begrip dier bijzonderheden zal er altijd iets aan het begrip van het vervolg ontbreken.
Oranje's verheffing tot de souvereiniteit bij volkskreet is _het_ feit van 1813, en de oorzaken laten zich wat hooger ophalen dan Tellegen heeft beproefd.
* * * * *
Het feitelijk bestaan der souvereiniteit is aan twee voorwaarden gebonden: aan de aanwezigheid van iemand die haar dragen wil, en van anderen die haar willen erkennen. Die voorwaarden bleken vervuld in 1813; waarom eerst toen en niet eer?
Ruimte voor de souvereiniteit van het huis van Oranje was er reeds lang geweest; eigenlijk van het begin van den opstand tegen Spanje af. Zij was ook in de maak toen Prins Willem werd vermoord; na dien tijd heeft zij zich nimmer kunnen vestigen. De redding van den opstand is het werk geworden niet van de Nederlandsche generaliteit, maar van het Hollandsche particularisme; en de Republiek der Vereenigde Nederlanden is de uitkomst geweest van dit particularistisch streven. Een staat sterk in de deelen, zwak in het verband; waarin het verband eigenlijk in niets anders bestond, dan in het gemeenschappelijk religiebelang en in de gemeenschappelijke verhouding tot het huis van Oranje.
De religieband werd zwakker, naarmate de religie minder bedreigd raakte. De Republiek overwon haar vijand; zij werd als zelfstandige staat erkend. Toen werd het tijd, het oorlogsnoodbehelp te wijzigen naar den stand van vrede. Het lot heeft gewild, dat toen nogmaals het Hollandsche particularisme de leiding heeft moeten nemen; de Prins was dood; zijn opvolger een ongeboren kind.
Die omstandigheid van het eerste stadhouderloos tijdvak heeft op de ontwikkeling der positie van het Oranjehuis in Nederland een rampzaligen invloed gehad. Oranje, voor het volksgevoel altijd bekleed gebleven met die Hooge Overheid, welke eenmaal den eersten Willem voor den duur van oorlog was opgedragen, had voor het eerst geen officieele betrekking meer tot het landsbestuur. Zijn positie kon niet langer versterkt worden langs regelmatigen, moest integendeel eerst hersteld worden langs revolutionnairen weg.
Het gevolg is geweest, dat de geavoueerde ambitie van het huis als maximum der wenschen het herwinnen van het verlorene ging opgeven; het herstel in reeds vroeger bezeten, niet de verheffing tot hooger waardigheid.
Willem III voelt die verheffing onder zijn bereik liggen; hij grijpt niet toe. Zij zou afgedwongen kunnen zijn in Juli 1672, zooals het herstel in het stadhouderschap afgedwongen is; maar de massa had geen oog voor de noodzakelijkheid van nieuwe vormen, en de Prins wist het wezen van het oppergezag te besluipen ook zonder aanneming van den naam daarvan.
De republikeinsche instellingen werden niet openlijk aangetast; zij werden gedenatureerd. Wat hem over de moeilijkheden die zij hem in den weg legden heen hielp, was enkel corruptie. _The world's great patriot_ is tevreden geweest dat het Nederlandsche werktuig hem diende, en onverschillig, hoe het in zijn handen versleet. De wereldbelangen laten hem zelfs geen tijd, te zorgen dat bij zijn kinderloosheid althans de opvolging in het stadhouderschap verzekerd zij.
Na 1702 wordt, in het eigenlijke Holland, Oranje een mythe; het is geen realiteit meer. Het is er ver vandaan, dat de cultus aanstonds op den Frieschen tak zou zijn overgebracht. Als in 1734 Willem IV na zijn huwelijk, met een koningsdochter nog wel, op de doorreis in een Rotterdamsch logement zijn intrek neemt, loopt er nauwelijks iemand uit om den »Prins van Friesland", zooals men hem noemt, te zien.[84] De Fransche inval van 1747 is noodig om de langdurige propaganda van Bentinck van Rhoon en anderen eindelijk vrucht te doen dragen. De Prins van Friesland wordt de Prins, _tout court_. Maar het staat te bezien of de beweging er niet ruim zooveel eene is tegen het oligarchisch bederf als vóór zijn immers weinig bekende persoon. Het stadhouderschap werkt nog éénmaal als een tooverwoord, maar het is de laatste maal. Als Willem IV buiten staat blijkt de hem in den schoot gelegde voorrechten aan te wenden tot duurzame beveiliging van eenig volksbelang welk ook, verliest hij de affectie der betere klasse en behoudt nog slechts die der heffe.
[84] _Bijdr. en Meded. Hist. Genootschap_, XXXI, 111.
En de gelegenheid ware in 1748 zoo gunstig geweest! De kracht der tegenpartij was gesloopt lang vóór zij ten val werd gebracht: al wat er voortreffelijks was geweest in de Hollandsche staatkunde van Oldenbarnevelt, eerbiedwaardigs nog in die van Jan de Witt, behoorde onherroepelijk tot het verleden. Het »eiland" Holland[85] was tot zijn particularisme eerst wel gedwongen geweest, toen Leicester de generaliteit te gronde hielp; het had er in volhard door de ervaring van den fabelachtigen voorspoed, waarmede het eigen krachtsinspanning had beloond gezien. Die voorspoed taande sedert het einde der zeventiende eeuw. Holland had behoefte gehad aan een vrijen armzwaai, zoolang het nog, in economischen zin, op verovering uitging. Wat het won, kon eenmaal allen ten goede komen, maar het kon alleen winnen bij een groote mate van zelfstandig gezag, niet slechts van Holland, maar van de steden in Holland, en in die steden van de bezitters van het handelskapitaal. Zij hadden moeten woekeren met de exceptioneele gelegenheid die zich in de wereld der zestiende en zeventiende eeuw, tusschen den val van Antwerpen en de opkomst van Londen en van Hamburg, voor den Hollandschen ondernemingsgeest had opgedaan. Thans was er nog slechts spraak van verdediging en behoud. Het door de deelen gewonnene moest tot nationaal kapitaal worden gemaakt, en de leiding hierbij behoorde aan een centrale autoriteit, die steun zocht niet bij de weinigen die onteigend, maar bij de velen die gediend moesten worden.
[85] Pieter de la Court heeft in allen ernst voorgesteld er een eiland van te maken: _Maximen van Holland_, 362.
Dat men in Willem IV ontgoocheld werd is gewroken aan zijn zoon. Een ideaal van staatshervorming ontstaat, waarbij het huis van Oranje aanhangsel zal zijn in plaats van middenpunt. In de formule der patriotische Acte van Verbintenis van 1786: volksregeering bij representatie, met een daaraan ondergeschikt Erfstadhouderschap, valt de volle nadruk op de volksregeering. Het volk, dat wil in 1786 in waarheid zeggen de onderwezen, gezeten burgerij, stelt zich als erfgenaam van alle machtsaanspraak der oligarchie, ook tegenover het huis van Oranje. Het wil behouden de oude bondgenootschappelijke regeering, mits de organen daarvan niet langer zullen aangevuld worden bij coöptatie, maar bij volkskeuze. Een- en ondeelbaarheid der Staatsmacht staat volstrekt niet op het programma; dit punt is eerst van de Franschen afgezien.
Het is bekend, dat de afloop van den patriottentijd het huis van Oranje bij de Nederlandsche hervormingsgezinden in een doodelijken haat bracht. Die haat is ouder dan de Fransche Revolutie en door de inwerking van die Revolutie volstrekt niet vermeerderd. Integendeel, de minst bevooroordeelden onder de Nederlandsche revolutionnairen hebben zeer goed ingezien dat juist de nabootsing der Fransche revolutie in Nederland voor het huis van Oranje een nieuwe toekomst openen kon. Wij zien Valckenaer in 1791 eene constitutie ontwerpen waarin aan Willem V de plaats is toegedacht die de Fransche staatsregeling van dat jaar aan Lodewijk XVI overlaat.[86] Er is geen bewijs dat het plan tot het hof is doorgedrongen, maar al zou het, Willem V hadde het antwoord gereed gehad. Een constitutioneel koning, heeft hij bij eene andere gelegenheid gezegd, is een koning wiens hoofd onder de valbijl komt.[87] Een woord dat toont hoe weinig hij verwachtte van de zelfstandigheid die eene Nederlandsche revolutie tegenover de Fransche zou weten te bewaren. En onze Stadhouder had daarin geen ongelijk. De constitutie van Valckenaer was niets dan copie uit de teekenzaal, en copie naar een reeds het volgende jaar in den hoek gesmeten voorbeeld.
[86] _Gedenkstukken_, I, 23, 28.
[87] _Gedenkstukken_, II, 949.
In Frankrijk vestigt zich de Republiek en verklaart onzen Stadhouder den oorlog; wat er van Nederland worden zou hing van de wapenen af, die in 1795 hebben beslist.
Het Schrikbewind was toen voorbij, moderatie in Frankrijk het wachtwoord geworden. De Jacobijnen hadden alle idealisme lang verloren; zij hechtten meer aan bezit dan aan leuzen. Ook in hunne behandeling van Nederland kwam dat uit. Siéyès en Rewbell zorgden beter voor het spekken van de Fransche krijgskas dan voor de zuivere reproductie van den Franschen staatsvorm. Eigenlijk liet men, een paar jaar lang, de geheele Bataafsche constitutie aan de Bataven over, en heeft eerst ingegrepen toen uit de mislukte pogingen der verschillende Bataafsche partijen een anarchie ontstond die gevaar opleveren kon voor buitenlandsche inmenging en orangistische reactie. Genoodzaakt tot de keus, welke van de partijen der Bataafsche Conventie men tot de waardigheid van Fransch werktuig zou verheffen, koos men die van Vreede en Fynje die de sterkste machtsbegeerte had en de minste gewetensbezwaren. Zij voerden het militair spektakel op, waaraan wij de invoering der staatsregeling van 1798 te danken hebben gehad. Te danken waarlijk, want ook de gebrekkigste constitutie was toen te verkiezen boven in het geheel geene.
Eigenlijk was men het over de hoofdpunten die de Nederlandsche staatsregeling zou moeten inhouden al lang eens, maar het eigenaardig Nederlandsch gemis aan vormkracht en besluitvaardigheid, de stroefheid die onze politieke vergaderingen altijd gekenmerkt heeft, hadden telkens weer de conclusie verhinderd. De opheffing der provinciale souvereiniteit, de eenheid in de volksvertegenwoordiging en in het hoog bestuur, het amalgama der schulden, de scheiding van Kerk en Staat, de emancipatie der Katholieken en der Joden, de vervanging van de uitvoerende collegiën door ministers;--alle punten dus waar voor Nederland de revolutie in heeft bestaan en waarvan ook nimmermeer is afgeweken[88], waren reeds door de eerste Nationale Vergadering gedecreteerd, maar men was er niet in geslaagd van de onderscheiden deelen een machine te bouwen die loopen kon;--en een machine moest er zijn! De geheele natie was hier zóó van overtuigd, dat de eerste gewaarwording na den 22sten Januari 1798 er algemeen eene was van verademing. Dat men de constitutie op deze wijze had moeten ontvangen was een gevolg van eigen dralen en slofheid; nu had men ze dan en opponeerde er niet tegen. Waartegen men in verzet kwam was de aanmatiging der kliek die haar ingevoerd had, en die haar schaamteloos trachtte te exploiteeren ten eigen bate. Tegen het operettebewind van Vreede, Fynje en van Langen had den 12den Juni een samenloop van de fatsoenlijke lieden plaats, en niets bleek gemakkelijker dan het bewind omver te loopen zoodra de zekerheid bestond dat Frankrijk het had losgelaten. Maar aan de constitutie werd niet geraakt; integendeel, mannen van den stempel van een Gogel beginnen thans eerlijk te beproeven haar van het papier in de werkelijkheid te doen overgaan.
In deze poging wordt men in 1799 verrast door den inval der Engelschen en Russen. Wij hebben gezien, dat Nederland toen zeer ernstig op het behoud van de grondslagen der omwenteling gesteld bleek, en Oranje niet terug begeerde dan met behoud daarvan[89].
[88] Tenzij dan, voor een korten tijd, van de regeering door ministers (staatsregeling van 1801).
[89] Zooals een tot den Haag doorgedrongen spion in Engelschen dienst (geboren Franschman) het zeer juist uitdrukt: »L'on désire que le rétablissement de la maison d'Orange ne se fasse qu'à des conditions qui préviennent une réaction politique" (_Gedenkstukken_ III, 419).
De praktijk der nieuwe staatsregeling viel overigens lang niet mede. Men had het wetgevend vermogen der volksvertegenwoordiging ver overschat. De staatsregeling ging van de onderstelling uit, dat het Bataafsche volk als zoodanig in alles reeds een collectieven wil had: elke nauwere vereeniging van gelijkgezinden, om voor hun deel dien wil op te voeden en uit te drukken, werd uitgekreten voor factie. Het natuurlijk gevolg was de onmacht van het vormloos gelaten geheel. Het Vertegenwoordigend Lichaam verdronk in de duizend kleinigheden, die tot dusver door de provinciale en locale lichamen waren bedisseld; het bracht den tijd zoek met voorloopige besluiten over dorpsbelangen, terwijl de gewichtigste organieke wetten, zonder welke geene staatsregeling iets beduidt, òf in de pen bleven, òf mislukten. Verordeningen kwamen tot stand op de runderpest en de haringvangst; maar geen eenheid van belastingen, geen eenheid van recht, geen inrichting der burgerlijke gemeenten, geen systeem van nationale opvoeding. De staatsregeling had bevolen dat dit alles en nog veel meer gereed moest zijn binnen zeer korten termijn, maar het werktuig van wetgeving, door die staatsregeling in het leven geroepen, bleek reeds totaal versleten eer het nog eenig werk van blijvenden aard had tot stand gebracht. In Frankrijk had zich hetzelfde verschijnsel voorgedaan: er was geen reactie tegen de grondslagen zelve der revolutie, maar een volstrekte vermoeienis en onvruchtbaarheid der uit de massa voortgekomen vertegenwoordigende lichamen. In plaats van een oppermachtig »volk", wenschte men, in het belang van de bevestiging der Revolutie zelve, voortaan een oppermachtig bestuur. Het vestigt zich in den persoon van den Eersten Consul. Ook Nederland heeft dien koers te volgen. Maar aan wien hier de bestuursmacht op te dragen? Voor een militaire dictatuur, als in Frankrijk, ontbreekt hier de stof. Napoleon zocht dus in Nederland aansluiting bij de elementen die, in de vóór-revolutionnaire kaders, ervaring van de bestuurstaak hebben opgedaan: bij de regenten. Door het herstel der in 1798 tot onherkenbaar wordens toe verknipte provinciën, door het afschaffen der politieke geloofsbelijdenis die tot dusver voorwaarde was voor de uitoefening van politieke rechten, wordt het mogelijk een zeker aantal oude aanzienlijken met de besten van het revolutionnaire personeel in nieuwe bestuurslichamen te vereenigen. De Revolutie zal zoo worden »genationaliseerd", een woord dat in de staatkundige programma's van omstreeks 1800 aanhoudend terugkeert. Eene contra-revolutie wordt niet bedoeld, maar een maatschappelijke reconstructie. Men wenscht de kringen die door afkomst, fortuin, kennis, ervaring uitmunten, niet langer van de Revolutie verwijderd te houden. Het herstel van de provinciën onder de oude namen en met de oude grenzen is in deze kringen inderdaad als een gewichtige concessie aanvaard. Maar zij keeren niet als souvereine lichamen terug, enkel als departementen met meer huishoudelijk gezag dan de departementen der constitutie van 1798. Na eenige aarzeling laten zich de aanzienlijken vinden. Het wordt vrede in Europa, en ieder richt zich op den nieuwen toestand in. Zoo doet ook het huis van Oranje dat in onderhandeling treedt met Napoleon over een schadeloosstelling voor het verlies van het Stadhouderschap. Een brief van den ouden Prins geeft kennis, dat hij niemand weerhouden wil een ambt te aanvaarden onder het nieuwe bewind.[90]
[90] Hiervóór, bl. 21.
Toen Napoleon de constitutie van 1801 aan Nederland gaf, rekende hij op een tijd van vrede. Die vrede kwam ook tot stand, en daarmede de mogelijkheid van opleving der Nederlandsche welvaart. Maar reeds na een jaar brak de oorlog weer uit. De Keizer verlangde dat wij daaraan actief deel zouden nemen en op groote schaal ons zouden toebereiden tot het ondersteunen der beoogde landing in Engeland. Tot die hartelijke medewerking was het Staatsbewind niet bereid. Het verafschuwde den oorlog evenals het geheele volk, en had het onmogelijke beproefd om neutraal te mogen blijven. Het worstelde bovendien met groote financieele moeilijkheden. De oude Republiek (generaliteit, provinciën, Oost- en West-Indische Compagnieën, admiraliteiten) had 760 millioen gulden schuld nagelaten, en sedert 1795 was daar nog 366 millioen nieuwe schuld bijgemaakt. De begrooting voor 1804 wees 71 millioen aan uitgaven aan tegen minder dan de helft aan inkomsten. De gewone inkomsten, 33 millioen, voldeden niet meer tot de rentebetaling alleen, die 34 millioen vorderde[91]. Eigenlijk had dus de Staat bankroet moeten gaan zooals Frankrijk gedaan had, dat zijne schuld had getiërceerd. Maar tegen deze schending der publieke trouw zag het Hollandsche geweten op; zulk een maatregel was ook nimmer te verwachten van eene regeering waarop de renteniers zulk een invloed hadden als op die van het Staatsbewind. Wilde men aan de door Napoleon aanbevolen tiërceering ontkomen, dan was de eenige redding gelegen in de onverwijlde schepping van een nationaal belastingstelsel, dat de kleinere provinciën aan belastingen onderwierp van minstens gelijke zwaarte als die Holland sinds lang had gedragen. Al teerde ons volk op zijn oud vermogen in, vele particulieren waren nog rijk; het gold nu middelen te vinden om het geld te halen waar het was. Ook tot deze hervorming wist het Staatsbewind, beheerscht als het was door provinciale en plutocratische invloeden, zich niet te vermannen, en Napoleon schafte daarom de aanzienlijkenregeering af en beproefde het met een eenhoofdig bestuur, eerst nog dat van een Nederlander. Hij gaf Schimmelpenninck volstrekte koningsmacht, onder den bij die macht niet passenden titel van Raadpensionaris.
[91] _Gedenkstukken_ IV, 473-'74.
De stilstand, door de staatsregeling van 1801 in den loop der Revolutie veroorzaakt, komt daarmede aan een eind. De eenheid van belastingen en de nationale schoolwet worden aanstonds tot stand gebracht; de eenheid van recht krachtiger voorbereid dan te voren. Maar Schimmelpenninck kan al dat goeds verrichten alleen omdat en zoolang hij den Keizer behaagt. Hij is in zijn ambt gesteld opdat er kracht zal worden bijgezet aan de expeditie tegen Engeland. Na de nederlaag van Trafalgar echter ziet de Keizer in dat hij in geen jaren het Kanaal zal beheerschen, en verandert van tactiek. Engeland zal worden uitgehongerd, nu het niet kan worden besprongen. Daartoe is noodig de volstrekte beheersching van het vasteland, opdat alle havens voor den Engelschen invoer kunnen worden gesloten. Deze verandering van tactiek bracht den nekslag toe aan wat er nog over was gebleven van de Nederlandsche onafhankelijkheid. Zoolang het landingsplan bestond, was het in Napoleon's belang dat er een bevriende Bataafsche Republiek in wezen bleef: geen meester zijnde van het nauw van Calais, kon hij de Nederlandsche havens niet gebruiken als operatiebasis van zijn eigen oorlogschepen, en moest dus wel genoegen nemen met een zij het zwakken waarborg, dat onze havens en werven althans niet geheel ongebruikt zouden worden gelaten. Bij een frontaanval tegen Engeland kon een zelfstandige Bataafsche Republiek eenige diensten bewijzen; in het uithongeringssysteem was haar zelfstandigheid erger dan onnut: douaniers kon hij immers naar Nederland zenden zooveel hij wilde. Hij zendt er in 1806 een van keizerlijken bloede: zijn eigen broeder Lodewijk.