De Wedergeboorte van Nederland
Part 5
In Maart, vóór de komst van den Prins, was de Rotterdamsche koopman C. P. Gevers naar Londen gekomen met het bericht van de sedert Februari in Holland zichtbare voorteekenen der volksberoering die in April werkelijk heeft plaats gehad. Gevers verzocht een Engelsche landing met Willem VII aan boord;[65] hij verkreeg echter niet anders, dan dat Castlereagh hem als berichtgever aannam omtrent de militaire sterkte en bewegingen der Franschen in Holland. Hij werd tot den 10den Mei te Londen gehouden, doch had van Castlereagh geen verlof zijne aanwezigheid aan den inmiddels aangekomen Prins te openbaren. Den 18den Juni was Gevers met zijn nadere berichten over Holland te Londen terug; ditmaal is hij er tot 4 Sept. gebleven en kort voor zijn vertrek door Castlereagh met den Prins in aanraking gebracht; de berichten die hij nu vervolgens uit Holland zond gingen direct aan den Prins en werden eerst door dezen ter kennis van de Engelsche regeering gebracht. Er zijn er een goed aantal van overgebleven die merkwaardig zijn omdat zij zoo stellig bewijzen dat Gevers in geene betrekking hoegenaamd tot van Hogendorp stond, en diens werk in de verte niet hetzij door Engeland hetzij door den Prins is uitgelokt. De geheele persoon van Gevers is overigens van geringe beteekenis en zijne berichten hebben zeer weinig om het lijf. Intusschen hebben zij bewerkt dat de Prins tot het laatste oogenblik onzeker bleef of hij verstandiger deed zich bij Bernadotte te voegen dan in Engeland den door Gevers gedurig voorspelden spontanen opstand te blijven afwachten, en zijn dus mede oorzaak geweest dat de Prins den zooveel treffender en directer intocht heeft kunnen houden langs den Scheveningschen weg, in plaats van uit de achterhoede der verbondenen;--ook mag men er aan danken dat in October in Engeland 20.000 geweren werden ingescheept[66] om die bij het uitbreken van een opstand onmiddellijk naar Holland te kunnen overbrengen; ook voor een eventueel troepentransport werden maatregelen genomen. Maar geheel onjuist is het, wat de op een plaats in Bosscha's _Staatsomwenteling_ beluste Gevers in 1815 aan dien auteur verzekert: »Ware de revolutie den 15den November niet reeds door eigen kracht begonnen, zoo ware dezelve toch weinige dagen later, door Engelsche macht ondersteund, door onzen Vorst aangevoerd, tot stand gebracht"[67]. Het Engelsche transport heeft zeilorder gekregen den 22sten November, _na_ de aankomst der gezanten van van Hogendorp en _wegens_ hun bericht.
[65] Zie _Ged._ VI, 1894; het stuk van Gevers zelf van 1816 (_Ged._ VI, 1861) durft het ware van deze zaak niet meer mede te deelen.
[66] _Gedenkstukken_ VI, 1947.
[67] _Gedenkstukken_ VI, 1898.
Is dus de opstand in geenen deele het gevolg geweest noch van toebereidselen van den Prins noch van maatregelen der Engelsche regeering, in hoeverre hebben de marschen der verbonden legers dien uitgelokt?
Wij zagen dat het 7 November aan den Prins medegedeelde Engelsche memorandum »the active and early efforts" der bondgenooten tot de bevrijding van Nederland verzocht.[68] Voor eenig effect op het begin van den opstand is die aandrang veel te laat gekomen: toen zij ontvangen werd was de opstand reeds een feit. Doch in het hoofdkwartier der verbondenen was na Leipzig, ook zonder Engelsche noodiging, van Holland wel eenige spraak geweest. De historicus Niebuhr, die Holland kende door zijn verblijf aldaar als Pruisisch gezant ten tijde van Lodewijk Napoleon, en later eenige betrekking had aangeknoopt met Prinses Willemijn, richt 24 Oct. 1813 tot Frederik Willem III het verzoek, met de leiding der bevrijding van Holland te worden belast; hij wenscht als staatkundig adviseur te worden toegevoegd aan een Pruisisch leger dat die bevrijding zal hebben te bewerken.[69] Op dit verzoek is niet beschikt.--Van zijn kant dringt Gneisenau, de werkelijke leider der bewegingen van de Pruisische hoofdmacht onder Blücher, in een stuk van 31 Oct. aan den Koning op de onmiddellijke »verovering van Holland" aan. De hoofdrichting van dat leger is er dan eene op Mainz; hij verzocht verlof deze te veranderen in eene op Keulen en daar den Rijn over te mogen gaan, tot ondersteuning van een inmiddels te ondernemen directen aanval op Holland door Bernadotte.[70] Dit verlof is niet verleend; m. a. w. men hield vast aan het denkbeeld van de rechtlijnige vervolging der Fransche hoofdmacht in de richting van haar vlucht, in plaats van, zooals Gneisenau gewild had, eerst het Hollandsche bastion te laten springen om dan van het Noorden uit Frankrijk binnen te dringen. Ergo bleef voor een eventueele onderneming tegen Holland alleen het leger van Bernadotte beschikbaar, dat uit Russische, Zweedsche en Pruisische troepen (Bülow) bestond. Het korps van Bülow ontving na den slag van Leipzig de bijzondere opdracht tot wederinbezitneming der oud-Pruisische landen in Westfalen: het kwam dus in de vervulling van zijn taak dicht aan de Nederlandsche grenzen, maar had geen bevel die te overschrijden. Bernadotte zelf trok 1 Nov. uit den omtrek van Göttingen noordwaarts op, met het dubbel doel Davoust in Hamburg op te sluiten en de Denen in het oog te houden. Zijn eigenlijke belangstelling was bij de Denen, die hij tot den afstand van Noorwegen te noodzaken had; geenszins bij Nederland, en zijn hoofdkwartier blijft ver van onze grenzen verwijderd. Bij de afwijking naar het Noorden werd aan de Russische afdeeling van Winzingerode de richting op Bremen voorgeschreven; dit was het meest westelijk marcheerende korps. Het onderhoud van zoo groote legers als sedert een jaar Duitschland kaalvraten, maakt een reusachtig deployement noodig: de tot het korps behoorende lichte ruiterij (Kozakken) omzwermde dus de uit geregelde troepen bestaande hoofdmacht op afstanden soms van eenige dagreizen ver, om leeftocht en kleeding te requisitionneeren op alle open plaatsen waar men die vinden kon. Zoo zijn in November herhaaldelijk kleine troepen Kozakken over onze grenzen gekomen, zonder eenig uitdrukkelijk bevel of vast plan. Den 9den November het eerst, in gering getal, bij Gramsbergen. Er vertoonen er zich voor de vestingen Deventer en Coevorden, zonder daar binnen te dringen. Daarentegen worden door de Franschen reeds ontruimde plaatsen als Zwolle en Groningen bezet (15 Nov.); van Groningen uit ook Leeuwarden (18 Nov.). Eerst 19 Nov. overschrijdt een troep den IJsel om op de Veluwe te gaan stroopen; Hogendorp's afgezant van der Hoeven ontmoet in den nacht van 22 op 23 Nov. dezen troep bij Nijkerk en beweegt den kommandant naar Amsterdam door te trekken waar hij, met vermijding van Amersfoort en Naarden, zonder moeite komen kan, en den 24sten zijn de eerste Kozakken te Amsterdam. Den 23sten ontmoet van der Hoeven te Zwolle den kommandant der gezamenlijke Kozakken die thans in het noordoosten des lands rondzwierven, Narischkin; deze belooft op te rukken zoo ver als Amersfoort; Utrecht aan te vallen durft hij niet wagen, voor hij infanterie en artillerie heeft. Van 19 Nov. is het eerste uitdrukkelijk bevel van Bernadotte aan Winzingerode om een gedeelte zijner geregelde troepen meer westelijk te dirigeeren: Benkendorff wordt van Osnabrück verplaatst naar den IJsel, maar nog zonder last om die rivier over te trekken: het geldt een maatregel van observatie. Van der Hoeven ontmoet Benkendorff, die dan pas van Deventer is teruggeslagen, 26 Nov. te Rijssen, maar kan hem niet bewegen den IJsel over te gaan: hij vraagt daartoe eerst vergunning aan Winzingerode, marcheert als hij die ontvangen heeft, en is 1 Dec. te Amsterdam.
[68] Hiervóór, bl. 28-29.
[69] _Gedenkstukken_ VI, 1863.
[70] Pertz, _Gneisenau_ III, 508 vv.
De Russen hebben dus in de oostelijke provinciën bezet wat open lag, en zijn niet naar Amsterdam gekomen voor zij bespeurd hadden dat ook dit open lag, en zij er als broeders werden verwacht. Voor zoover zij versterkte plaatsen hebben aangevallen zijn zij afgeslagen, behalve te Kampen, dat 20 Nov. aan hen overging met hulp der bevolking.
Meer opzettelijk, maar in tijdsorde veel later komend, is de marsch van Bülow geweest, die zich van het begin af voorgenomen had Holland aan te vallen ook zonder bevelen van zijn koning of van Bernadotte. Zijne orders van laatstgenoemden hebben geluid, te trekken naar Minden (1 Nov.), naar Munster (5 Nov.), naar den Rijn, om die rivier te bezetten van Wezel tot het scheidingspunt van Rijn en IJsel (19 Nov.)[71]. Toen de laatste order ontvangen werd bereidde Bülow reeds iets anders voor. Den 19den Nov. stond zijne voorhoede onder Oppen reeds dicht aan de Nederlandsche grens, bij Borken; den 23sten, nadat Bülow bericht had gekregen van het ontruimen van Amsterdam, is die voorhoede de grens overgetrokken en heeft Doesburg en (24 Nov.) Zutfen genomen; 25-27 Nov. heeft Bülow, thans van allerlei zijden omtrent den Hollandschen opstand ingelicht, zijn hoofdmacht zelf in beweging gesteld, heeft 30 Nov. Arnhem bij storm genomen en is voortgerukt naar Utrecht, dat onderwijl reeds 28 Nov. door Molitor ontruimd was, en waar dus de tenzelven dage ingerukte Russen van Narischkin en de 29 Nov. aangekomen Hollanders, afgezonden door Krayenhoff, de Pruisen zijn voor geweest.
[71] Vgl. de order van 19 Nov. aan Winzingerode (zie boven).
Het is dus volkomen duidelijk dat niet de bewegingen der verbondenen _op Nederlandsch grondgebied_ de aanleidende oorzaak van den opstand zijn geweest; van die bewegingen was 15 Nov. te Amsterdam en 17 Nov. in den Haag nog niets zekers bekend. Het sein tot den opstand was te Amsterdam het vertrek der Fransche troepen, in den Haag het vertrek der Fransche ambtenaren. Beide waren uitgelokt door de begin November aangevangen algemeene vlucht der Franschen uit Noordwest-Duitschland, die ook de Franschen in Nederland demoraliseerde en hen de wijk deed nemen in de richting op Utrecht-Gorkum-Breda, de verzekerde verbindingslijn met Antwerpen en met Frankrijk. Daarbuiten bleven alleen enkele vaste punten bezet: den Helder, Naarden, Deventer, Coevorden, Delfzijl. Natuurlijk dat het voortrukken der verbonden legers na Leipzig de algemeene oorzaak van alles geweest is, maar daarom kan men nog niet spreken (zooals herhaaldelijk van Pruisische, nimmer van Russische zijde gedaan is) van de »verovering" van Holland. Toen de wapenfeiten voorvielen, die dan de »verovering" zouden moeten uitmaken, bevond zich in het hart des lands sinds lang geen vijand meer, en was daar integendeel een bestuur gevestigd dat de »veroveraars", soms met sterken aandrang, overtuigen moest dat zij veilig binnen konden rukken.[72]
* * * * *
_Surtout si ce changement pouvait s'opérer conformément au voeu de la nation_ (hiervóór, bl. 26). Hoe zou zich de natie uiten? Hiervan kon vóór het uitbreken van den opstand zelf niets zekers blijken. Gedachtenwisseling omtrent den regeeringsvorm heeft er na 18 Mei tusschen Castlereagh en den Prins niet plaats gehad, maar dat Castlereagh's gedachten in de richting gingen die spoedig zou blijken de juiste te zijn, blijkt uit zijn onderhoud met den Pruisischen gezant Jacobi, aan wien hij te kennen gaf »que les défauts et inconvéniens de l'ancienne constitution feraient désirer d'établir les changemens requis pour donner plus de force et d'énergie à la marche du gouvernement, et qu'en conséquence sa forme devrait être plus monarchique" (1 Nov.)[73]. Er was geen gevaar dat de Engelsche regeering moeilijkheden tegen eene opdracht der souvereiniteit door het volk in den weg zou leggen. »If the Nation call the Prince of Orange to the Sovereignty," oordeelde ook Lord Malmesbury, »it would be the height of folly to reject it"[74].
[72] Zie vooral het militaire Koolemans Beynen in _Gedenkboek_ I 70 vv., benevens de inleiding op het 3de stuk van _Gedenkstukken_ VI.
[73] _Gedenkstukken_ VI, 1949.
[74] _Ontstaan_ I, 22.
Om te beter de aarzeling te begrijpen die de Prins aan den dag gelegd heeft en die bij het volgende hoofdstuk ter sprake zal komen, verdient het vermelding dat aan de waarschijnlijkheid eener uitroeping tot de souvereiniteit door sommigen in Engeland zeer sterk getwijfeld werd, o. a. door Lord Grenville, die zich herinnerd zal hebben welk een verwarrenden indruk in Holland de uitdrukking had gemaakt, die zich (tegen alle bedoeling der toenmalige Engelsche regeering) in 1799 de admiraal Duncan had laten ontvallen, toen hij in zijn opeisching aan Story den Prins van Oranje diens »souverain légitime" genoemd had.[75] Lord Grenville schreef waarschuwingsbrieven aan Fagel en kondigde zelfs aan dat hij er in het Hoogerhuis over zou spreken; welk voornemen hij heeft laten varen toen hij na 2 Dec. erkennen moest dat men met een werkelijken volkswensch in Holland te doen had. Hij heeft toen nog aangeraden dat de Souvereine Vorst aan de notabelenvergadering een soort excuus zou maken voor zijn onmiddellijke aanvaarding der souvereiniteit,[76] een denkbeeld dat wijselijk niet is gevolgd. Toen in de _London Gazette_ van 11 Dec. was medegedeeld dat Lord Clancarty een credentiaal had ontvangen bij de regeering _van den Souvereinen Vorst_, werden er zoowel in het Lagerhuis (door Sir James Mackintosh) als in het Hoogerhuis (door Lord Holland) stekelige opmerkingen gemaakt, waaruit echter meer de animositeit van beroepsopposanten tegen de Engelsche regeering spreekt dan kennis ten toon wordt gespreid der Nederlandsche verhoudingen van 1813.[77] Alle _bona fide_ twijfel had opgehouden na de gebeurtenis van 2 December.
[75] _Gedenkstukken_ III, 393; vgl. _Ontstaan_ I, bl. XXXVII en 20.
[76] _Ontstaan_ I, 65.
[77] _Ontstaan_ I, bl. LVII vv.
In Duitschland voelde zich Niebuhr geroepen tot voorlichting van den Prins en van het Nederlandsche volk.[78] Na het onbeantwoord blijven van zijn aanbod aan zijn koning om als staatkundig adviseur een Pruisisch leger naar Holland te vergezellen, trok hij zich op zijn studeerkamer terug en schreef daar eene constitutie voor het herboren Nederland, met een ampele toelichting. Het stuk is begonnen in de laatste dagen van November en afgesloten 2 à 5 Dec., vóór de auteur van de opdracht der souvereiniteit kennis droeg. Het curieuse opstel beoogt eene verbetering van de constitutie der oude Republiek, verheft daarbij den Prins tot gelijke van de Staten, maar stelt hem nergens boven dezen; te zamen verbeelden zij den souverein. Bijzonder sterk is het federalistisch karakter van Niebuhr's ontwerp: het recht, de waterstaat, de religie (!), de universiteiten zullen provinciaal zijn, slechts diplomatie en defensie nationaal. Terwijl Hogendorp een verjongde Bourgondische monarchie wil, waarin de souvereiniteit uitdrukkelijk aan de Staten wordt ontnomen, handhaaft (doch corrigeert) Niebuhr de Republiek. Het is geheel onjuist, wat Niebuhr's zoon in 1852 heeft laten drukken, dat het stuk geschreven is »auf Veranlassung des hochseligen Königs Wilhelm I"; alleen had deze, op een hem door zijn moeder overgebrachte, vage dienstaanbieding van Niebuhr uit het voorjaar van 1813, in even vage termen geantwoord dat hij Niebuhr voor een bekwaam man hield, maar niet zou weten te bepalen waartoe hem te gebruiken.[79] Prinses Willemijn heeft het stuk in Januari 1814 naar Holland meegebracht, waar de Souvereine Vorst het ter zijde heeft gelegd: van eenigen invloed van Niebuhr's tekst op 's Vorsten eigen deelneming aan het constitutiewerk is geen spoor te bekennen, en noch aan de commissie als zoodanig, noch aan een der leden in het particulier, is die tekst ooit medegedeeld. Het stuk staat _naast_ de Nederlandsche werkelijkheid; daarentegen _in_ Niebuhr's ideeënwereld, die op zichzelf belangwekkend genoeg is. Hij had haar gevormd onder de studie voor zijn _Römische Geschichte_, waarvan de eerste deelen verschenen waren in 1811 en 1812, en waarin opmerkelijke voorliefde voor aristocratische instellingen is uitgedrukt en even groote afkeer van bonapartistisch nivellement. Het ontwerp onthoudt Nederland wat het in 1813 het meest noodig had: bevestiging der nationale eenheid langs den toen eenig mogelijken weg van sterke vorstenmacht. Zijn invoering zou niet de waarborg maar het graf der Nederlandsche vrijheid zijn geweest: een zóó georganiseerd Nederland ware tot slavernij vervallen van zijn eigen slechte hartstochten en slechte gewoonten.
[78] _Ontstaan_ I, bl. XIX vv. (bespreking) en _Ged_. VI, 1902 vv. (tekst).
[79] _Gedenkstukken_ VI, 1881.
II.
DE OPDRACHT VAN DE SOUVEREINITEIT DER VEREENIGDE NEDERLANDEN AAN DEN PRINS.
21 Nov. 1813. Aanvaarding van het algemeen bestuur der Vereenigde Nederlanden door van der Duyn van Maasdam en G. K. van Hogendorp, in naam van den prins van Oranje.
30 » » Terugkomst van den prins.
1 Dec. » Opdracht der souvereiniteit door J. M. Kemper en Fannius Scholten.
2 » » Aanneming der souvereiniteit.
6 » » Aanvaarding der regeering door den souvereinen vorst.
De Vereenigde Nederlanden herleefden en met hen het grondgebied, zooals dit in 1795 door die republiek bezeten was. Zoude het met hare instellingen evenzoo gaan? Zoude ook hier hetzelfde plaats vinden, als in Zwitserland, Sardinië, Rome, waar de gewrochten der revolutie onder den voet werden gehaald, waar inderdaad eene restauratie tot stand kwam? Zoo er hier te lande geweest mogen zijn, die zoo iets wenschten, de prins behoorde niet onder hen. Hogendorp tot eene zekere hoogte evenmin. Hoezeer geen van beiden onder de bewonderaars van den nieuweren tijd kon gerangschikt worden, wisten zij toch beiden te goed, dat de oude republiek dringend behoefte had gehad aan hervorming, en dat de kracht had ontbroken, die behoefte zelfs op de meest bescheidene wijze te bevredigen. Eene herstelling van dien toestand zoude op het verderf van het vaderland uitloopen. Er moest zijn eenheid in het bestuur der buitenlandsche betrekkingen, en dit eischte van zelf eenheid in de beschikking over het krijgswezen en in de financiën. Zoowel het een als het ander had in de oude republiek ontbroken; noch de Staten-Generaal, noch de Stadhouder hadden daarvoor de voldoende macht ter hunner beschikking gehad.
De positie van het huis van Oranje was onder de oude republiek zeer uitstekend geweest. Niemand zal dit loochenen, die zich herinnert, wat niet al in den persoon van Willem V vereenigd was. Erfstadhouder van al de gewesten, kapitein-generaal en admiraal van de unie, opperbewindhebber en oppergouverneur-generaal van de Oost- en West-Indische Compagnie, eerste edele van Gelderland, eenige edele van Zeeland, met groote macht bekleed in de bestelling der regenten van vele steden, in 't bezit van eene menigte heerlijkheden, kon hij door dit alles een grooten invloed uitoefenen op het staatsbestuur, te meer omdat hij, wat hij dan ook hier te lande rechtens mocht wezen, in de oogen der menigte in waarheid de vorst was, en dit vorstelijk prestige in menig opzicht aanvulde, wat hem aan wettelijke macht ontbrak. Toch, hoe schitterend en uitstekend ook de plaats was, die de stadhouder in ons vaderland innam, zijne macht ging niet zoover, om tegenover het buitenland met voldoende kracht te kunnen optreden. De hoogste macht van het bondgenootschap bleef niettegenstaande dit alles gevestigd in de Staten-Generaal. En wat de stadhouder niet kon, daartoe waren zij evenmin in staat. Zij konden de algemeene regeering van het bondgenootschap niet naar eisch uitoefenen, daar zij weder afhankelijk waren van de Staten der gewesten, die op hunne beurt weder te rade moesten gaan met de stemhebbende steden, zoodat zoowel voor het nemen als voor het uitvoeren van gewichtige besluiten, elk deel als het ware de wet konde stellen aan het geheel.
De revolutie had een einde gemaakt aan dien onhoudbaren toestand--en niemand, die nadacht, kon wenschen dien te herstellen. Zoude de behoefte aan meerdere eenheid vervuld worden door de denkbeelden te volgen, die Hogendorp in eene kort na de revolutie van 1795 opgestelde memorie ontwikkeld had[80]? Door het oppergezag van den staat toe te vertrouwen aan eene vergadering, bestaande uit leden, hoewel gekozen door de staten der provinciën, toch vrij in het uitbrengen hunner stem, eene vergadering met voldoende macht bekleed om over de middelen der defensie te kunnen beschikken en tevens voorzien van eene goede kas; eene vergadering, die het land tegenover de buitenlandsche mogendheden kon vertegenwoordigen, en die door den steun van een hooggerechtshof in staat was zoowel de verdragen als de verdere besluiten te doen nakomen binnen's lands? Een staatsregeling waarin, welke hooge positie Hogendorp ook aan den stadhouder wilde toekennen, toch het republikeinsch karakter bewaard bleef?
[80] _Br. en Ged._ III, 87.
Neen, op die wijze kon de behoefte niet worden vervuld. Ook in hunnen afkeer van de republikeinsche instellingen waren de oppermachtige geallieerden geestverwanten van den overwonnen keizer. Wat de engelsche minister van buitenlandsche zaken in de eerste dagen van November 1813 aan den prins zeide[81], dat de regeeringsvorm meer monarchaal moest zijn, dat was de zienswijze van al de mogendheden, van wier wil het lot van Europa in die dagen afhing. Allen in merg en been monarchaal en niet gezind in hun eigen land hun eenhoofdig gezag te laten beperken. Eene herstelling van iets, dat naar eene republiek zweemde, zoude zijn, alsof wij hunne volkeren wilden prediken, dat men onder een monarchaal gezag niet vrij kon zijn. Zoo sprak van der Palm[82]. En wat met het oog op het buitenland zoo goed als noodzakelijk kon geacht worden, werd ook hier te lande niet anders gewenscht. Hogendorp zelf deelde in 1813 niet meer de denkbeelden, door hem in 1795 ontwikkeld. Van den aanvang der revolutie van 1813 af, zoo al niet sedert 1801, stond het bij hem vast, dat den prins de _hooge overheid_ moest worden opgedragen, een ander woord voor _souvereiniteit_. Toen Kemper en Fannius Scholten den 1sten December 1813 te Amsterdam den prins tot souverein uitriepen deden zij niets anders, dan wat aller wensch en verlangen was. Onregelmatig was die handeling, en die onregelmatigheid werd gevoeld; maar dit belette niet dat de prins den 2den December 1813 de _souvereiniteit_ aannam en den 6den December 1813 het bestuur uit de handen van het den 21sten November 1813 opgetreden algemeen bestuur, uit handen van Hogendorp en van der Duyn aanvaardde.
[81] _Gedenkstukken_ VI, 1949 (hetzelfde als aan Jacobi).
[82] Van der Palm, _Gedenkschrift_ 81.