De Wedergeboorte van Nederland

Part 4

Chapter 43,499 wordsPublic domain

Intusschen trachtten Rusland en Pruisen ook Oostenrijk tot den afval van Napoleon te bewegen. Den 16den Mei hadden zij onder de grondslagen van den Frankrijk af te dwingen vrede reeds aan Metternich voorgesteld »la séparation de la Hollande de la France", een punt vervolgens overgenomen in het door Oostenrijk aan Napoleon gestelde ultimatum (7 Aug.). Op dit oogenblik waren de vier groote mogendheden het dus nog enkel eens over het feit zelve der onafhankelijkheid van Nederland; de vraag naar de uitgebreidheid van het grondgebied, aan den herstelden staat te geven, bleef nog geheel open. Voor de beantwoording dezer vraag hing zeer veel van Oostenrijk af, dat zich wel 12 Aug. 1813 tegen Napoleon verklaarde, maar toen nog niet gereed was tot eene bespreking van het Belgische vraagstuk. Eerst toen de slag van Leipzig beslist had dat meer land beschikbaar zou komen dan men in het begin van 1813 had durven hopen, achtte Engeland het oogenblik gekomen nadere voorstellen betreffende Nederland aan de bondgenooten te doen. Dit geschiedde bij een memorandum waarvan Lord Castlereagh den Prins 7 Nov. 1813 kennis gaf[42]. »If things", heet het daarin, »can be restored on the side of the Low Countries to a state, similar to that in which they stood at that period, when one of the great military Powers of Germany was interposed as a protection between France and Holland, the British Government will not feel it necessary to press for any departure from the ancient arrangement of limits; but if the course of events should be such as to render this highly desired object unattainable, and the frontier of France should still remain in contact with that of Holland, they feel it essential that Antwerp, with such other extension of territory as may be necessary to give to the United Provinces an adequate military frontier, should be assigned to Holland... The immediate object of this Memorandum is to point to the active and early efforts of the Allies to the recovery of Holland. Whenever matters may be ripe for entering more fully upon its future settlement, the British Government will be prepared to recur to those principles laid down in a despatch to Lord Cathcart of July 5th[43] _with respect to the colonies conquered from Holland since 1803_[44] with a sincere disposition on their part, liberally to strengthen Holland in proportion as that important portion of Europe can be rendered secure by adequate arrangements against the Power of France."

[42] _Gedenkstukken_ VI, 1950.

[43] In het door Castlereagh den Prins gelaten afschrift is deze datum blank; de dépêche van 5 Juli was nl. niet aan hem medegedeeld.

[44] Ik cursiveer.

Wij zien hieruit, dat de vereeniging van Holland en België door de Engelsche politiek niet beschouwd werd als een zeer begeerlijk doel in absoluten zin, maar alleen voor zoover de herplaatsing van een der beide groote militaire mogendheden van Duitschland in eerste linie tegen Frankrijk onbereikbaar mocht blijken. Aan Oostenrijk èn België èn Noord-Italië te bezorgen was buiten kwestie, en als de keus tusschen deze twee zou staan, zou Oostenrijk Italië kiezen. Omgekeerd zou Oostenrijk bezwaar hebben tegen de aanhechting van België aan Pruisen, tenzij Pruisen's macht in het hart van Duitschland een geëvenredigde vermindering onderging, waartegen Pruisen weder op moest komen, dat zich juist tot eene compacte macht in Midden-Duitschland hoopte te kunnen uitbreiden, en aan de verwerving van een land als Saksen boven het occupeeren van den gevaarlijken wachtpost in België ver de voorkeur gaf. Ook in 1798 waren het deze overwegingen alleen die Engeland het plan tot de vereeniging hadden doen opvatten, dat toen een onmiddellijk gevolg was van Oostenrijk's verwerving van Venetië bij den vrede van Campo Formio[45].

[45] Zie het aangehaalde uit Lord Grenville's dépêche aan Sir Charles Whithworth van 16 Nov. 1798 hiervóór, bl. 13.

Wat de koloniën betreft wordt door de hier gebruikte formule al dadelijk van de teruggave uitgesloten het niet sedert 1803 veroverde maar bij den vrede van 1802 in Engelands handen verbleven Ceilon. Ziehier een eerste verduidelijking van het »pas toutes" van Castlereagh's antwoord aan den Prins van 18 Mei 1813. Andere verduidelijkingen zouden volgen, maar niet vóór het vertrek van den Prins, wien geen gelegenheid meer is gegeven dit netelig punt met Castlereagh te behandelen: het Engelsche standpunt was, dat de koloniën eerst volgen zouden nadat en naarmate Nederland op het vasteland versterkt kon worden tegen Frankrijk, en dus was eerst die versterking aan de orde--tusschen Engeland en de bondgenooten. Wèl werd den Prins vergund zijn eigen denkbeelden omtrent die versterking aan Castlereagh mede te deelen. Hij deed het onmiddellijk na het verleende verlof, 9 Nov. 1813: en terstond blijkt nu uit dit niet door Fagel herziene stuk hoe enorm 's Prinsen appetijt was. Hij vraagt niet minder dan de gezamenlijke gewezen Oostenrijksche Nederlanden met Luik, benevens al het land dat ingesloten ligt tusschen Maas, Rijn en Moezel, en dit alles moet met de oude Republiek tot een ondeelbaren staat worden gevormd[46]. Lord Castlereagh is op het oogenblik van 's Prinsen vertrek van een andere meening: hij heeft Oostenrijk nog niet uit het hoofd gezet, en voor het geval Oostenrijk onwillig is, laat hij het barrièredenkbeeld boven dat van ineensmelting van Holland en België overwegen, »I find", schrijft hij 30 Nov. aan zijn den Prins naar Holland vergezellenden gezant Lord Clancarty, »I find Lord Malmesbury[47] thinks an arrangement in extension of Holland preferable to giving the Netherlands to a third Power, I doubt this, if Austria would hold it. _Turn your mind to the Barrier Question_[48]. I consider Antwerp and all Holland held before 1792 indispensable. The frontier must then embrace at least Malines, Maestricht, Juliers and so to the Rhine at Cologne or Dusseldorf."[49] En Repelaer, eenige dagen na het uitbreken van den opstand naar Engeland gekomen, kon eenige dagen te voren uit Castlereagh's mond het volgende opteekenen:

»Het lot van België kan nog onmogelijk worden bepaald. Nog na den slag van Leipzig is Metternich in onderhandeling getreden met Napoleon, en heeft hem het behoud van België en van den linker Rijnoever in uitzicht gesteld, mits hij toestemt in het herstel van Nederland als onafhankelijken staat, en alles opgeeft in Italië en over den Rijn. Het antwoord van Napoleon laat echter geen twijfel, dat een vrede op deze voorwaarden niet meer tot stand zal komen. Wat er nu met België gebeuren zal is onzeker; mogelijk zal het aan Oostenrijk terug moeten, of zal er een Duitsch huis in moeten worden geplaatst: dat van Beieren, Baden of een ander. Blijkt het voor ons niet noodig tot een dezer oplossingen mede te werken, dan zijn wij besloten tot de vereeniging van België met Nederland, hoewel wij vreezen dat het zijn zou tegen de Belgische en misschien ook tegen de Nederlandsche volksopinie."[50]

[46] _Gedenkstukken_ VI, 1955.

[47] Die nog steeds over de Nederlandsche zaken min of meer geraadpleegd werd.

[48] Ik cursiveer.

[49] _Gedenkstukken_ VII, 2.

[50] Door Repelaer slechts in punten opgeschreven, doch blijkbaar zóó te verstaan (zie _Ontstaan_ I, bl. LIXV en 17).

Toen dus de Prins naar Holland ging was nog niets boven het herstel van Nederland binnen zijne oude grenzen verzekerd, en het is eigenaardig Lord Castlereagh onmiddellijk vóór zijn eigen vertrek naar het vasteland nog zooveel twijfel te hooren aan den dag leggen aan de juistheid der oplossing die hij daar ten slotte heeft doorgedreven, en zooveel voorkeur voor eene oplossing als 1831 die gebracht heeft: een Duitsch prins in een eigen Belgischen staat.

* * * * *

_Ici_ (hiervóór, bl. 26). Uit het bovenstaande is duidelijk geworden waarom Castlereagh wenschen moest dat de Prins voorloopig inactief, m.a.w. dat hij in Engeland bleef. Het was in Engelands belang dat zijne verheffing en vergrooting zooveel mogelijk het werk van Engeland zelf zouden wezen. Op het vasteland, waar alles tot na den slag van Leipzig zoo volstrekt onzeker bleef, kon hij maar verstrikt raken in verbindingen die mogelijk niet of niet geheel met Engelands belang zouden strooken.

Den Prins zelf was deze werkeloosheid zeer tegen de borst. Reeds in het onderhoud van 27 April had hij om geld gevraagd ten einde op het vasteland uit Hollandsche krijgsgevangenen en anderen een legercorps te kunnen werven aan welks hoofd hij zich zou stellen »comme le représentant de la nation hollandaise"; hij zou zich dan onder de bevelen van den kroonprins van Zweden in Noordduitschland willen voegen. Castlereagh's antwoord van 18 Mei had ook deze »mesure" als »trop décisive" verdaagd. Eerst eind September liet men hem toe op deze zaak terug te komen en zijn plan nader te ontwikkelen; hij stelde nu (volgens de aanwijzingen van Lord Castlereagh) de werving in Duitschland van een tot twee bataillons te beperken Oranje-legioen onder een door hem aan te wijzen officier voor, welk corps door Engeland zou worden betaald en zich aansluiten zou bij een eveneens door Engeland betaald Duitsch legioen onder Walmoden, dat onder de bevelen van Bernadotte stond.[51] Zelf verlangde hij zich zoo spoedig mogelijk bij deze troepen te voegen, doch zou de machtiging der Engelsche regeering daartoe afwachten. Dit plan werd 4 October door Castlereagh goedgekeurd en heeft vervolgens een begin van uitvoering gekregen. Doch de officier met de werving belast, de Constant-Rebecque, eind October te Berlijn gekomen, ondervond spoedig dat reeds van links en rechts Duitschland was leeggehaald en er bijna geen beschikbare Hollandsche krijgsgevangenen of deserteurs meer over waren: zoo dienden er in het legioen onder Walmoden reeds 1200 die niet te zijner beschikking werden gesteld. Evenmin waren de Hollanders los te krijgen die reeds bij de Pruisen of Russen dienden, en zoo liep de aanmelding langen tijd niet boven de twee of drie man per dag. Eerst de capitulatie van Stettin (5 Dec.) leverde een 1000 man, en in het begin van 1814 eerst konden de bataillons naar Holland oprukken,[52] waar zij toen een welkome aanwinst waren voor het in vorming zijnde Nederlandsche leger. Tot het uitlokken van den opstand zelf heeft dit gansche initiatief van den Prins dus hoegenaamd niets kunnen bijdragen.

[51] _Gedenkstukken_ VI, 1889.

[52] _Gedenkstukken_ VI, 1953.

Toch is het verblijf van den Prins in Engeland in één opzicht voor de ontwikkeling der zaken van zeer groot belang geweest: het heeft er toe geleid, dat de Engelsche regeering alle denkbeeld opgaf om bij een mogelijke restauratie van Oranje in Nederland van den zoon gebruik te maken, met voorbijgang van den vader.

Dit denkbeeld heeft wel bestaan, maar was nog geenszins gerijpt tot een vast besluit. Willem VI was in Engeland nimmer populair geweest. In 1795, na dien winterveldtocht waarbij de troepen van den hertog van York zich met schande overladen hadden, had de toenmalige Erfprins, opperbevelhebber van het geslagen Nederlandsche leger, zijn ergernis niet kunnen verkroppen. Over de acte van inbewaargeving der koloniën en den brief van Kew had hij zijn vader menig hard woord gegeven. In de volgende jaren had hij zijn heil bij Pruisen gezocht in plaats van bij Engeland, en toen de omstandigheden er in 1799 toe leidden dat ook hij weder bij Engeland te biecht moest komen, was de verhouding niet hartelijker geworden; integendeel. De Erfprins werd buiten de gansche voorbereiding der expeditie gelaten en mocht alleen als toeschouwer in den Helder verschijnen; een toeschouwer, die de zaak van zijn huis door de ongeschikte handen van den hertog van York opnieuw zag verbrodden. Met de geslagen Engelsche troepen naar Yarmouth gekomen, liet hij zich daar aan vertrouwden of die hij daarvoor hield buitengemeen heftig tegen alles wat Engelsch was uit; het werd alles overgebriefd aan de Engelsche regeering.[53] De aandrang door den Erfprins in 1802 gebruikt om de gunst van Napoleon te verwerven kon door Engeland, dat zelf aan die wending schuld had, moeilijk openlijk tegen hem worden aangevoerd, maar stak er toch zeer. Daarna hadden de omstandigheden er toe geleid dat Engeland hem aan een zilveren band kon leggen; hartelijkheid van wederzijdsche gevoelens werd er eerder door tegengehouden dan bevorderd. Een uitstekenden indruk daarentegen had in Engeland gemaakt 's Prinsen niet verwachte keus, zijn oudsten zoon voor de voltooiing zijner opvoeding naar Oxford te zenden. Dat besluit was genomen na Tilsit, toen Pruisen bijna vernietigd was, Rusland in verbond trad met den Keizer, en het waanzin zou geweest zijn voor het huis van Oranje, nog op iemand anders dan Engeland te bouwen. De oude Prinses Willemijn was hiervan zóó overtuigd, dat zij er ondanks haar jaren over gedacht heeft zelf naar Engeland te gaan, opdat het huis daar niet geheel in het vergeetboek zou geraken. Haar zoon, vreesde zij, zou er na al het gebeurde kwalijk worden ontvangen. »Il ne reste plus que moi qui peut encore veiller à vos intérêts; convenons que sans l'Angleterre nous serions réduits à la besace"[54]. De Prins wilde daar niet van hooren maar begreep ook dat de tijdsomstandigheden er niet naar waren dat hij zelf iets van belang in Engeland zou hebben kunnen uitrichten; van hem is het denkbeeld, er zijn zoon op studie te leggen. De Prins-Regent had geen zoon, en maar één dochter, en vreemde prinsen waren in deze jaren van gesloten verkeer en van Napoleon's suprematie over alle hoven van continentaal Europa, in Engeland zoo zeldzaam geworden als een witte raaf. Ook deze omstandigheid vergat de Prins bij zijn besluit niet[55]. Nu èn Nederland èn Nassau èn Fulda verloren waren, wat beter toekomst kon de in 1792 geboren Willem wenschen dan die van Engelsch prins-gemaal?

[53] _Gedenkstukken_ III, 1103.

[54] _Gedenkstukken_ V, 778.

[55] _Gedenkstukken_ V, 784.

Die jonge Willem was een knaap van gunstig voorkomen en innemende manieren; een zoo vorstelijke verschijning als zijn vader het weinig was. Hij trok werkelijk in Engeland zeer de aandacht. Toen zijn studietijd te Oxford om was en het vooruitzicht op het vasteland nog hoegenaamd niet ten voordeele van het huis veranderd, meende zijn vader niet beter te kunnen doen dan hem voor adjudant van Wellington bij het leger in Spanje aan te bieden[56], een denkbeeld dat in Engeland zeer in den smaak viel; en het kwam uit dat de jonge prins, die aanvankelijk voor die bestemming zeer weinig voorliefde toonde, er ook genoegen in kreeg toen hij eenmaal te velde was, en zich uitstekend gedroeg, zoodat hij menigmaal in Wellingtons bulletins met lof kon worden vermeld. Zoo was, in 1812 en begin 1813, »Willem VII" zooals hij in de wandeling heette, eigenlijk veel meer een publiek persoon in Europa dan zijn driekwart vergeten vader, die ook wel vrij dikwijls in het vuur was geweest (nog in 1806 en 1809), maar altijd bij ongelukkige affaires, en als militair nooit eenigen indruk had kunnen maken. Tegelijkertijd verdichtten zich de steeds meer loopende geruchten eener aanstaande verloving van den jongen prins met Charlotte, een plan dat in Engeland warme voorstanders vond, hoewel ook eenige tegenstrevers; de toestanden in de Engelsche koninklijke familie waren niet van dien aard, dat haar leden het over eenig punt gemakkelijk eens werden, en vooral niet over zoo een.

[56] _Gedenkstukken_ VI, 1808.

Zoodra nu Napoleon's nederlaag in Rusland bekend werd, begreep men in Engeland zeer wel dat tot de zaken die binnen het bereik der practische politiek kwamen te liggen, voortaan ook het herstel van het Oranjehuis in Nederland behoorde. Niet dat men het mogelijk achtte daartoe aanstonds eene poging te doen, maar het behoorde tot de aangelegenheden waaromtrent men zijne gedachten had te bepalen om niet door de omstandigheden te worden verrast. Zou eene poging tot restauratie niet beter kansen opleveren indien men den jongen Willem VII vooruitschoof, wiens bedrijf voorzeker ook in Nederland de aandacht moest hebben getrokken, en die de oude Republiek met haar erfenis van verbitterden partijstrijd nimmer gekend had? Zou hij niet geschikter zijn als nationaal vereenigingspunt te dienen dan zijn stroeve vader? De vraag is gesteld, door plannenmakers in Engeland[57] en in Nederland[58]; ook door leden der Engelsche regeering. »It may perhaps be desirable", schrijft de minister van oorlog, Lord Bathurst, 16 Dec. 1812 aan Wellington, »to have the young Prince of Orange in England, if the times should prove eventful".[59] Den 20sten April 1813, een paar dagen vóór de aankomst van Willem VI in Engeland, schrijft hij: »The Prince of Orange has left Berlin for Stockholm, probably with an intention of coming here. His son is much more popular in Holland; and if any stir should be made, he would be the best person to go there instead of his father".[60] En nog 28 April: »The Prince of Orange arrived here three days ago, not invited or expected by us ... I gave Fagel to understand that the son was the person to push forward, if anything was to be done."[61] Ook Lord Malmesbury wordt door de komst van den Prins onaangenaam verrast; hij had door Fagel van het plan tot de reis vernomen en het afgeraden; »he had much better turn his whole thoughts to Austria and endeavour through the means of that court to recover his German territories."[62] Stelt men zich dus Willem VI voor als in de toekomst te Dillenburg herplaatst, zijn zoon is de man »to unite (as King William did) this throne and the Stadtholderate."[63] De eenige reden dat men den jongen prins nog in Spanje liet was, dat men den tijd tot eene Engelsche onderneming naar de zijde van Holland nog niet gekomen achtte. Het maakte nu indruk op de regeering, dat Willem VI niet zonder voorspraak verscheen: Keizer Alexander en Frederik Willem III hadden van de reis geweten en haar oogmerk goedgekeurd; het ging niet aan, hem zonder meer de deur te wijzen. Evenmin werd het wenschelijk geacht, hem als met eene volmacht der Engelsche regeering voorzien naar het vasteland terug te zenden. Men hield hem dus te Londen zoo te zeggen in reserve, maar het feit zelf van zijne aanwezigheid en gedurigen aandrang kon onmogelijk nalaten de Engelsche bewindslieden met het denkbeeld van zijn herstel in Nederland meer vertrouwd te maken. Ware er, bij 's Prinsen afwezigheid op het vasteland en de aanwezigheid van zijn zoon te Londen, iets in Holland uitgebroken, men zou zeker zich gehaast hebben Willem VII daarheen te zenden. Maar geheel anders was de zaak, nu de jonge prins op uitnoodiging van zijn vader zelf in Augustus in Engeland verscheen op een oogenblik dat de volksbeweging, die in April in Holland gaande was geweest, lang in bloed was gesmoord, en er niet het geringste voornemen bij de Engelsche regeering meer bestond iets onmiddellijks tot verdrijving der Franschen uit ons land te beproeven. Hem nu, tegen allen zin van den vader aan, in diens plaats te stellen, moest iets worden als een Europeesch schandaal; en welke voordeelen zou het opleveren? Voor wie vader en zoon naast elkander zag bleef het geen geheim dat de zoon nog een kind was, van een wel aantrekkelijk maar uitermate zwak karakter; dat Wellington juist had gezien, toen hij op Bathurst's boven medegedeelde brieven had geantwoord: »he is very young, and can have no experience in business, particularly in the business of revolutions; he is very shy and diffident; and I do not know that it will not be a disadvantage to him to place him in a situation in which he is to be at the head of great concerns of this description. Too much is not be expected from him."[64] Na een verblijf van drie weken in Engeland verlangde de jonge man zelf naar Spanje terug, en men kon met goede houding niets tegen dit voornemen inbrengen. Sedert was Willem VI veilig voor de mededinging van zijn zoon (een mededinging, nimmer van het kind zelf uitgegaan). Eind Augustus vindt Castlereagh geen zwarigheid meer, den Prins in het vertrouwen te nemen van het weinige dat Engeland reeds op eigen hand ten behoeve van de voorbereiding der omwenteling in Holland had gedaan, en bij de voortzetting van dat werk den Prins zelven te gebruiken.

[57] Zie de stukken van Dumouriez van Dec. 1812 en Maart 1813, _Gedenkstukken_ VI, 1854 en 1868.

[58] Zie hiervoor talrijke bewijzen in _Ged_. VI, 240, 271, 336, 417, 423, 440, 443, 444, 469, 506, 586, 601, 617, 618, 621, 654, 681, 706, 719. Dit gedeelte der zaak vereischt uitvoeriger bespreking dan hier gegeven kan worden; ik verwijs er voor naar mijn eerlang uit te geven geschrift _Ondergang en Herstel_. De plannen gingen _niet_ uit van Hogendorp en de zijnen; integendeel het gebruik van den naam van Willem VII bij de volksbeweging van April gemaakt, heeft er Hogendorp toe gebracht door zijn vrienden uitdrukkelijk te doen vaststellen dat men voor Willem VI, niet voor Willem VII zou werken (_Br. en Ged._ V, 11). Daarentegen heeft zoo goed als zeker met deze plannen in verband estaan de komst van C. P. Gevers in Engeland in Maart 1813; hij heeft Castlereagh zoeken te bewegen tot het ondernemen eener landing op de Hollandsche kust met Willem VII aan boord; in dat geval voorspelde hij een volksopstand. Zie ook voor deze zaak: _Ondergang en Herstel_. Castlereagh hield aanvankelijk Gevers en Willem VI zorgvuldig gescheiden en bracht hen eerst in Augustus met elkander in aanraking; sedert werkte Gevers voor Willem VI.

[59] _Gedenkstukken_ VI, 1850.

[60] _Gedenkstukken_ VI, 1872.

[61] _Gedenkstukken_ VI, 1878.

[62] _Gedenkstukken_ VI, 1860 (11 Maart 1813).

[63] _Gedenkstukken_ VI, 1879.

[64] _Gedenkstukken_ VI, 1883 (18 Mei 1813).