De Wedergeboorte van Nederland

Part 37

Chapter 373,223 wordsPublic domain

De Staatsregeling van 1798 had, in haar 28ste artikel, een nationaal wetboek verlangd »zoowel van burgerlijke, als van lijfstraffelijke wetten, tegelijk met de wijze van rechtsvordering", en de invoering daarvan voorgeschreven uiterlijk binnen twee jaren. Ter uitvoering van dit voorschrift had het Vertegenwoordigend Lichaam bij besluit van 5 Sept. 1798 het Uitvoerend Bewind gelast, eene commissie van twaalf rechtsgeleerden te benoemen om dit algemeen wetboek te ontwerpen. Deze commissie (Bondt, Walraven, Farjon, Cras, Elout, Donker Curtius e.a.) kwam het eerst met de manier van procedeeren gereed, die daarop bij decreet 22 Augustus 1799 is vastgesteld, doch waarvan de invoering wachten moest op de nieuwe organisatie der rechterlijke macht, die nimmer heeft plaats gehad. Met het algemeen burgerlijk en lijfstraffelijk wetboek was men na jaren nog niet verder gevorderd, dan dat daarvan 25 April 1801 een »plan van verdeeling" aan het Bewind kon worden opgegeven, krachtens hetwelk het wetboek zou worden geopend met »eene inleiding nopens het recht in het algemeen", en vervolgens in vier deelen zou zijn gesplitst, »in welker eerste van het recht der personen, in het tweede van het recht omtrent zaken, in het derde van de rechtsmacht en rechtspleging, en in het vierde van misdaden en straffen zou gehandeld worden". Spoedig daarna werd de staatsregeling van 1798 door die van 1801 vervangen, welke het Staatsbewind belastte met de zorg, een algemeen civiel en crimineel wetboek, nadat op de daarvan gemaakte ontwerpen der consideratiën van het Hoog Nationaal Gerechtshof zouden zijn ingenomen, ten spoedigste aan het Wetgevend Lichaam ter bekrachtiging aan te bieden. Nadat opnieuw eenige jaren waren voorbijgegaan zonder dat de nog altijd bestaande en zich in leerstellige kwestiën verdiepende commissie-Cras met haar werk gereed kwam, gaf het Staatsbewind haar bij besluit van 26 April 1803 den wensch te kennen allereerst een ontwerp van crimineel wetboek te mogen ontvangen. De commissie, thans inziende »dat het verband tusschen alle de deelen van het geheel wetboek eenigszints wierd verstoord," was bedacht »op welke wijze zij dit gebrek zou verhelpen." Zij bood, 3 Oct. 1804, niet slechts het verlangde lijfstraffelijk wetboek aan, maar ook die gedeelten van het gedroomde algemeen wetboek, »die tot het straffend recht eene onmiddellijke betrekking hadden," zijnde de inleiding, »van het recht in het algemeen," en uit de derde hoofdafdeeling een ontwerp van »wetten omtrent het bewijs." Dit alles werd, overeenkomstig het voorschrift der Staatsregeling, in handen van het Hoog Nationaal Gerechtshof (president: Reuvens) gesteld, dat met zijn onderzoek nog niet gereed was toen Schimmelpenninck het Staatsbewind, en evenmin, toen Lodewijk Schimmelpenninck verving. Eerst 24 Oct. 1806 werd zijn advies bij den koning ingezonden; het was in alle hoofdzaken van Reuvens afkomstig.

Het advies keurt af, dat de commissie »aan afgetrokken denkbeelden of regelen uiterlijke kracht van wet wil geven, zoolang niet tegelijk de toepassing daarvan op het vastgesteld recht in alle gevolgen kan doorzien en overwogen worden...... Het is ons voorgekomen, dat aan de commissie opgedragen geweest zijnde het ontwerpen van een _wetboek_, hetzelve niet meer noch minder had behooren te bevatten dan stellige wetten, en geenszins eene opgave en ontwikkeling van wijsgeerige of rechtsgeleerde grondbeginselen, bepalingen en verdeelingen, over welke in de scholen der geleerden wordt gehandeld. Wij meenen dat dit alles in een wetboek behoort vermijd te worden, zoo omdat zulks veelal de vatbaarheid van het grootste aantal menschen te boven gaat, als omdat hetzelve bezwaarlijk zoo kan worden uitgedrukt, dat het in alle gevallen tot richtsnoer kan verstrekken, en niet integendeel lichtelijk aanleiding geven tot overtredingen of spitsvondige twisten. Over het geheel komt het ons ongeraden voor het oordeel van den rechter aan afgetrokken voorschriften (in plaats van aan concrete bepalingen) te binden."

Deze voor den geheelen opzet van het werk van 1798 vernietigende kritiek maakte in den Staatsraad grooten indruk. Den 14den en 19den Februari 1807 werd zij daar, onder voorzitterschap des konings, besproken.

Donker Curtius, in de vergadering aanwezig, gaf eene verklaring hoe de commissie, onder leiding van Cras, tot haar doctrinaire omdolingen was gekomen: zij had zich oorspronkelijk niet voorgesteld een crimineel wetboek te zullen schrijven, »maar een _Rechtsboek_, geschreven voornamelijk voor den rechter, en in het algemeen voor alle denkende koppen; voor wijsgeeren en voor rechtskundigen, en niet zoozeer voor den gemeenen man; waarom dan ook de commissie had begrepen, dat daarin behoorde een _systema juris_, en wijsgeerige regels en principes."

De Staatsraad was van een ander gevoelen, stelde aanstonds de geheele inleiding, »van het recht in het algemeen," ter zijde, en begon het ontwerp-lijfstraffelijk wetboek van alle leerstellige artikelen te zuiveren. Het gevolg was de benoeming, bij koninklijk besluit van 18 Nov. 1807, eener kleine commissie (Reuvens, Elout, van Musschenbroek), om met inachtneming der critiek van den Staatsraad een nieuw ontwerp van lijfstraffelijk wetboek in te dienen. Reeds 25 Jan. 1808 kon deze commissie de hoofdtrekken van haar ontwerp den koning ter goedkeuring aanbieden, welke goedkeuring onthouden werd aan één der onderdeelen: de bekrachtiging die het ontwerp gaf aan het oud-vaderlandsche stelsel van _transactie_, »van afkoop en verdrag, niet wegens misdaden en overtredingen waarover reeds eene rechterlijke veroordeeling zoude gegaan zijn, maar wegens beschuldigingen welker uitslag nog onzeker kon geacht worden." De commissie wilde aan dit stelsel, waaraan de officieren van justitie hier te lande buitengemeen gehecht waren doch dat aanleiding had gegeven tot diep ingevreten misbruiken, vasthouden; »de ondervinding leert," zeide zij, »dat langs dien weg vele overtredingen geboet worden, waarover de beschuldigde, hoezeer waarlijk schuldig, bij gebrek aan bewijs wellicht niet zoude kunnen worden veroordeeld, behalve dat in sommige zaken de oplegging van straffen bij rechterlijk vonnis, hoe zacht dezelve ook zouden mogen zijn, inconvenienten na zich sleept, welke ten nutte der maatschappij beter vermijd worden." De Staatsraad, aan welken dit punt vervolgens in het bijzonder werd onderworpen, was van een gelijk gevoelen, maar de koning, die het beginsel van rechtsgelijkheid boven alles stelde en van de schromelijke misbruiken, welke de transactie veelal hadden vergezeld, volkomen was ingelicht, gaf aan de commissie kortweg te kennen, »dat geenerhande afkoop ter zake van misdaden zal kunnen plaats hebben" (5 Febr. 1808). Den 29sten Maart 1808 werd nu het definitief ontwerp der drie heeren aan den koning ingediend, die aan het onderzoek daarvan door den Staatsraad persoonlijk deelnam[737] en de deliberatiën, over het ontwerp gevoerd, in openbaren druk liet uitgaan. De koning verdedigde daarbij zeer energiek en levendig de beginselen van rechtsgelijkheid, in die mate dat hij zich (zonder gevolg) tegen het opnemen der geldboete in de straffenreeks verzette, uit vrees dat daaruit aanleiding zou worden genomen tot gunstbetoon aan door de fortuin bevoorrechten. Hij bereikte, dat de vrijheid om geldboeten op te leggen beperkt bleef tot gevallen uitdrukkelijk in de wet genoemd.

[737] Van Hamel in _Tijdschrift voor Strafrecht_, III, 1-23.

Zeer was de koning gekant tegen het behoud der doodstraf, doch zonder de staatsraden tot zijn humanitaire gevoelens te kunnen bekeeren. Hij verkreeg echter de schrapping van het afzichtelijk afschrikkingsmiddel, de tentoonstelling der lijken op het galgenveld; ook eene verlaging van het strafmaximum voor kinderen.

Het Crimineel Wetboek, 30 Nov. 1808 bij het Wetgevend Lichaam ingediend, werd 1 Febr. 1809 ingevoerd. Het onderscheidde zich van den Franschen Code Pénal door eenvoud in het stelsel der vrijheidsstraffen (enkel opsluiting, geen deportatie of dwangarbeid), en ruime bevoegdheid van den rechter in de bepaling der strafmaat[738]. Het sloot zich aan bij Nederlandsche traditiën, doch corrigeerde deze in belangrijke mate.

[738] In deze beide opzichten keert het besluit van 11 Dec. 1813 tot de vaderlandsche traditie terug: zie hiervóór, bl. 354.--Zie over dit besluit (van van Maanen, Philipse en van Gennep afkomstig) van der Hoeven in _Verh. K.Akad. afd. Letterkunde_ 4e reeks VII, 245 vv.

Ook de redactie van een Burgerlijk Wetboek werd aan een kleine commissie opgedragen (van Gennep, van Wesele Scholten en Loke), doch deze kreeg in opdracht zich tot eene omwerking van den code Napoleon te bepalen, daar de Keizer zich reeds zeer ongeduldig had betoond dat men dezen niet eenvoudig voor Holland overnam. Het »Wetboek Napoleon, ingerigt voor het koninkrijk Holland" (9 Dec. 1808 ingediend bij het Wetgevend Lichaam, 1 Mei 1809 ingevoerd), vertoont dan ook slechts geringe afwijkingen van het Fransche origineel.

* * * * *

_Jachtwet van 11 Juli 1814_ (hiervóór, bl. 356).--_Br. en Ged._ V, 111: »Er was bij gelegenheid van deze wet zeer veel te doen, zooals altijd op dit stuk, omdat de liefhebbers zig driftig maken. Deze reis was er levendigheid onder de Staten-Generaal, en elk had in den mond, dat de wet zou verworpen worden. Het rapport van de commissie was tegen. Ik merkte aan den Prins in den Kabinetsraad, dat het hem verdroot. Ik nam daarop voor de wet te verdedigen, en deed dit met zulk een onverwagten uitslag, dat zij met de meerderheid van ééne stem doorging".

* * * * *

_Afkoopbaarstelling van tienden_ (hiervóór, bl. 357).--Tot mijn leedwezen heb ik hiervóór, bl. 151, het keizerlijk decreet van 22 Jan. 1813 over het hoofd gezien. De woorden: »Tot zoodanige afkoopbaarstelling is het evenwel onder het Fransche bestuur niet meer gekomen," moeten worden geschrapt, en vervangen door deze andere: »Deze afkoopbaarstelling is inderdaad ingevoerd bij keizerlijk decreet van 22 Jan. 1813 (Fortuyn III, 539), doch door den Souvereinen Vorst weder te niet gedaan bij besluit van 22 Oct. 1814 (_Staatsblad_ no. 103)."

* * * * *

_Onderwijs_ (hiervóór, bl. 360).--Over dit onderwerp was onder Lodewijk vrij wat te doen geweest. Wat het lager onderwijs betreft viel slechts op de wet van Schimmelpenninck voort te bouwen, maar het hooger onderwijs, misschien het meest de veel te talrijke, latijnsche scholen, eischte dringend herziening. De koning is aanvankelijk niet vreemd geweest aan het denkbeeld de Leidsche hoogeschool (aan welke hij het praedicaat van Koninklijke verleende) tot de centrale hoogeronderwijsinstelling van het land te maken, maar liet dit plan spoedig varen toen zich daartegen, uit Utrecht en Franeker vooral, een krachtig verzet openbaarde. Bij besluit van 15 Aug. 1809 werd aan eene commissie van vier leden (van Swinden, Bennet, Valckenaer, van Beeck Calkoen) de indiening van een algemeen reorganisatieplan van het onderwijs in al zijn geledingen opgedragen. Haar rapport (22 April 1809) is vooral merkwaardig wegens de daarin ontworpen schakel tusschen lager en hooger onderwijs. De Commissie denkt zich tusschen die beide een »tweede of middelbaar onderwijs," dat niet enkel de voorbereiding tot het hooger onderwijs (en dus de latijnsche scholen) omvat, maar ook bestemd moet zijn »tot vorming en opvoeding van den meer beschaafden mensch." Ten tijde dat de latijnsche scholen voor het eerst werden opgericht, zegt de commissie, »waren de menschen, om zoo te spreken, verdeeld in twee zeer onderscheiden klassen, in die der geleerden en der ongeleerden. Deze laatsten bemoeiden zich niet om kundigheden te verkrijgen die eenige oefening vereischten; de handwerken, fabrieken, kunsten en vele andere beroepen bestonden slechts in het blind volgen van een oud gebruik. Thans echter heeft men er zich toe gezet over alle voorwerpen onzer kundigheden in hedendaagsche talen te schrijven; de natuurkundige wetenschappen zijn beoefend geworden; oude gewoonten hebben plaats gemaakt voor beredeneerde handelwijze en inrichtingen. Alles rondom ons is veranderd, behalve het onderwijs op de latijnsche scholen, 't welk hetzelfde gebleven is, geschikt voor één enkele klasse van menschen. Maar het is thans niet langer te doen om alleen grieksch en latijn te verstaan, het komt er op aan op de hoogte zijner eeuw te zijn, en die kundigheden te bezitten, welke den mensch geschikt maken voor allerlei slag van zaken."

Het rapport ging naar den Staatsraad, die 14 Dec. 1809 gunstig verslag uitbracht; tot wetgeving is het tijdens 's konings regeering niet meer gekomen.

Het rapport der beide commissarissen, na de inlijving naar Holland gezonden om de aansluiting bij de Fransche Universiteit voor te bereiden, Cuvier en Noël, luidt voor de latijnsche scholen ook zeer ongunstig, en concludeert tot hunne vervanging door middelbare scholen van het Fransche model[739], die ook bij decreet van 22 Oct. 1811 werden voorgeschreven maar bij den opstand nog nergens waren tot stand gekomen.

De commissie van 18 Jan. 1814 heeft zoowel het rapport-van Swinden als dat van Cuvier en Noël gebruikt. Haar voorstellen tot reorganisatie der latijnsche scholen zijn aan het lid D. J. van Lennep te danken[740].

[739] _Ged._ VI, inl. 2e stuk, XLV.--Het rapport verscheen bij den drukker der Universiteit en werd in Holland bekend.

[740] _Leven van D. J. van Lennep_ II, 1.--Eischen gesteld aan de benoembaarheid tot leeraar (onder het oude regime hing de aanstelling alleen af van de gunst van onkundige curatoren); staatsinspectie; verruiming van het leerplan.

Over de practijk van dit gedeelte van het reglement van 2 Aug. 1815 deelt Falck, die als minister van onderwijs jaren lang daarmede te maken had, het volgende mede:

»De verbetering der Latijnsche scholen ging zeer langzaam. Hoewel er allengskens meerdere ruimte kwam voor de keuze van meesters, men bleef echter verlegen met de verwijdering der in functie zijnde welke van den ouden slenter òf niet wilden òf niet meer konden afgaan. Al was dus op een paar klassen het onderwijs doelmatig ingerigt en vrugtbaar, wat op dezelven aangeleerd en gewonnen was bleef op de volgende meestal zonder ontwikkeling. Ministerieele aanschrijvingen, op de rapporten en voordragten van den inspecteur gegrond, vermogten weinig ten goede, want evenals de bezorging der benoodigde gelden was ook het eigentlijke beheer, het dagelijksche toezicht een plaatselijke aangelegenheid, en zelden mogt het ons gebeuren Curatoren te ontmoeten die met echte en duurzame belangstelling werkzaam verkozen te zijn in den geest van het reglement. Ik weet, dat door gedurig aanhouden en vermanen de resultaten in de laatste jaren[741] gunstiger zijn geworden dan in mijnen tijd, maar komt het eens tot de wettelijke bepaling van een algemeen stelsel van onderwijs, dan zal al hetgene tot het Lagere en Hoogere behoort minder moeilijk vallen dan de regeling van dit tusschenvak"[742].

[741] Falck schrijft dit in 1835.

[742] Falck's _Gedenkschriften_, 217.

Voor de hoogescholen trachtte de commissie, die in hoofdzaak uit professoren bestond, zooveel zelfstandigheid te verwerven als bij de nieuwe verhouding tot het centrale gezag maar eenigszins oirbaar was:

»De waarheid is (schrijft Falck) dat schier een ieder toen leefde onder den invloed van eenen geest van reactie die men, daar hij personen spaarde, des te vrijer met zaken en instellingen begaan liet. Napoleon's regeering had den stand der onderwijzers verwaarloosd. Natuurlijk dus dat men na haren val niet te veel meende te kunnen doen om denzelven te verheffen en als het ware schadeloos te stellen. De vreemdelingen hadden de hand geligt met de van ouds bestaande wetten en inrichtingen; wat wonder dat men van hen ontslagen zijnde, schier onwillekeurig en juist omdat die wetten en inrigtingen oud waren, tot dezelve terug kwam? _Ut vitent homines vitia in contraria currunt._ A. G. Camper ijverde niet minder om Franeker wederom met eene hoogeschool te begiftigen dan Hofstede aangedrongen had om Drenthe als een afzonderlijke provincie behandeld te zien. Ten laatste liet hij zich met een Rijks-Athenaeum tevreden stellen. Billijkheidshalve had men begrepen voor Harderwijk niet minder te mogen doen dan voor Franeker, maar daar bleef alles zoo achterlijk dat ik mij al in de eerste maanden na de aanvaarding van het ministerie onbezwaard vond om de afschaffing van het Geldersche Athenaeum aan te raden, en deze vond dan ook plaats _nemine contradicente_. Zelfs verzuimde ik, zooals ik nu onlangs gewaar worden ben, om den Koning het advies te doen vragen van den Raad van State. Welk een leven zoude er daarentegen geweest zijn, en wat al bedenkingen bij Z. M., indien mijn voorstel de vrije Friezen betroffen had!......

Weinigen van onze professoren verwaarloozen hunnen plicht geheel en al, maar weinigen ook kwijten zich van denzelven in zijn geheelen omvang. De meesten leven en leeren naar hunnen zin, bekorten hunne lessen en den geheelen cursus zooals het hun goeddunkt, en besteden de altijd eenige dagen vervroegde en verlengde vacantiën tot alles behalve het voortbrengen van zulke geschriften en het doen van zulke nasporingen als waardoor hunne Duitsche ambtgenooten zoo gestadig aan grondige wetenschap bevorderlijk zijn, en zoo vaak zich zelven een Europeeschen naam verwerven. Ten deele is zulks toe te schrijven--en hier meen ik dat het Reglement meest voor berisping vatbaar is--aan de onafhankelijkheid waarmede het hoogleeraarsambt is begiftigd geworden. De professor, eens benoemd, is zeker van zijn niet onaanzienlijke jaarwedde; zeker van collegie- en promotiegelden die in meer dan ééne faculteit tot een alterum tantum der jaarwedde oploopen; zeker eindelijk van na dertigjarigen dienst eene verhooging van een vierde te bekomen, van welk voorregt in geene andere loopbaan eenig voorbeeld bestaat. Het genot van zoodanige voordeelen had ten minste behooren te worden in verband gebracht met de redenen van tevredenheid die de bevoordeelden door aanhoudende vlijt en werkzaamheid aan Curatoren geven zouden. Edoch deze Curatoren zelve! Hebben zij zich genoegzaam toegelegd op het gadeslaan van den gang der studiën, bestendig op de oordeelkundige naleving van het Reglement gewaakt, hun gezag tegen nalatige of eigenzinnige hoogleeraren naar behooren doen gelden? Ik vrees van neen; ik vrees meer: ik vrees dat deze collegiën niet zijn wat zij zijn moesten: een doelmatig intermediair tusschen de regeering en de hoogescholen. Dezelve werden oudtijds samengesteld uit leden van den Provincialen Souverein. Zij beschikten over de inkomsten. Bij hun was de bevoegdheid tot beroepen, tot bevorderen. In eene monarchie, wanneer de universiteiten staatsinstellingen zijn in welker geldelijke behoeften uit de schatkist moet worden voorzien, is dit alles geheel anders. Het wezen der zaak moest worden opgegeven; waarom dan de benaming behouden? Om den onwillekeurigen indruk der zucht voor het oude, die ik zeide dat in de eerste jaren van 's lands herstelling allerwege heerschende was......"[743].

[743] Falck's _Gedenkschriften_, 231-'22.

* * * * *

_Dit bleef echter meer_, enz. (hiervóór, bl. 363).--Hier meen ik dat Tellegen zich vergist. _Censuur_, d.w.z. preventief toezicht, is bij mijn weten tusschen 1795 en de inlijving hier te lande niet uitgeoefend. Wel af en toe sterke repressie, tot verbod van bepaalde bladen toe[744]; maar dit is iets anders dan censuur.

[744] Zie b.v. Falck's _Gedenkschriften_, 427.

* * * * *

_Liberaal_ (hiervóór, bl. 365).--In Frankrijk en België, waar een hevige katholieke reactie aan den gang is, wordt er bovenal mede bedoeld anti-clericaal; in dit Belgische spraakgebruik wordt eerlang ook Koning Willem I bij de liberalen ingelijfd op een tijd dat Falck hem reeds minder »liberaal" begint te vinden. Bij Falck is het een vage term voor »ruimdenkend"; zelfs de bisschop van Namen heet bij hem in 1814, in tegenstelling tot de Broglie, »braaf en liberaal"[745]; (in het volgende jaar teekende hij het _Jugement doctrinal_). Het woord beteekent bij Falck dunkt mij zooveel als »niet blind voor de voordeelen van het nieuwe; niet doodblijvend op de oude letter." Men was dus bij ons in 1813-'14 liberaal, door zoo weinig mogelijk af te knibbelen van de nalatenschap van Bonaparte. Later gaan andere begrippen, van politieken en economischen aard, den leeg geworden term vullen, maar in 1813-'14 heeft die nòch met de quaestie van volksrechten tegen oppermacht, nòch met die van particulier initiatief tegenover staatsvoogdij, iets in het minst te maken.

[745] Falck's _Brieven_, no. 105.

DRUKFOUTEN EN VERBETERINGEN.

Bl. 12 reg. 12 v. b. _staat_ Ambonia; _lees_ Amboina.

» 28 » 1 v. o. » te Allies; » the Allies.

» 30 » 17 v. b. » _Barier_; » _Barrier_.

» 34 » 4 v. o. » parhaps; » perhaps.

» 34 noot.--Het werk, hier betiteld »Ondergang en Herstel", zal uitkomen onder den titel: »Inlijving en Opstand."

» 35 reg. 6 v. b. _staat_ aso; _lees_ ago.

» 36 » 5 v. b. » stry; » shy.

» 42 » 1 v. b. » stuk; » het stuk.

» 63 » 19 v. b. » staatskundige; » staatkundige.

» 69 » 14 v. b. » aangenomen; » aangeboden.

» 134 » 5 v. b. » den vrijheid; » de vrijheid.

» 151 » 7 v. o. » Schrap de woorden: »Tot... gekomen", en vervang ze door die, vermeld op bl. 377.

» 154 reg. 14 v. b. _staat_ leven; _lees_ huwen.

» 162 » 7 v. o. » tweedekamerstelsel; » tweekamerstelsel.