De Wedergeboorte van Nederland
Part 36
_Liberaal._ Beteekende het alleen alles wat lofwaardig was; of had het voor de mannen van dat tijdvak ook nog een meer bepaalden zin? Ik meen van ja en dit wel om de volgende reden. Er waren er ook in die dagen, die er geen eerenaam maar het tegenovergestelde in zagen. Voor Raepsaet, den Belgischen katholiek, gehecht aan het oude régime, zijn de liberalen _de vijanden van troon en altaar_[706]. Daaronder rangschikte hij onder anderen een man als Falck[707]. Het zijn dan de voorstanders der nieuwe begrippen, die daaronder vallen. En nog meer treft men, meen ik, den spijker op den kop, wanneer men onder de tegenstanders der liberalen hen rangschikt, die meenen, dat evenals naar hunne zienswijze de Vorst zijn recht ontleent aan eene bovenmenschelijke Macht, hij ook geroepen is, Gods wetten te doen eerbiedigen: de leer, die in dien tijd door Bonald en de Maistre in Frankrijk, door Bilderdijk ten onzent, later door Stahl in Duitschland verkondigd werd. Van hier, dat ook in onze dagen voor hunnen leerling Groen van Prinsterer het liberalisme de worm was, die ook na de herstelling onzer onafhankelijkheid aan ons volksbestaan bleef knagen. Ook het tijdvak 1813-1830 was voor hem het tijdvak van het liberalisme[708]. Waardeert hij het in den Souvereinen Vorst, dat de wet tot heiliging van den Zondag in 't belang van Godsvrucht en zedelijkheid wordt ingevoerd[709], over 't algemeen wijst hij er op, hoe de regeering zich ongeroepen gevoelt tot de handhaving van de Wetten Gods[710]. De Wetten Gods, die voor Bonald en de zijnen beteekenen, de leeringen der Roomsch-katholieke geestelijkheid; hier te lande daarentegen vervat zijn in het stelsel van Calvijn.
[706] _Oeuvres_, VI, 45: »_Libéraux_ est un nom que les philosophes et les Jacobins ont pris, depuis qu'ayant sous le nom de _philosophes_ bouleversé le trône et l'autel, ce nom est devenu en horreur dans toute l'Europe. Le célèbre lord Castlereagh, premier d'Angleterre, qui avait été à même de bien connaître ce parti, en rendant compte en 1816 au parlement des traités de Paris et du Congrès de Vienne, a dit, que les _libéraux_ étaient de _francs jacobins_". Elders schrijft hij: »Je me rappelle encore que ces mots (_idées libérales_) n'ont acquis leur grande vogue que depuis ce fameux 18 brumaire, parce qu'il semble qu'alors c'était le mot de parti pour se reconnaître. Le but était de donner à la France un gouvernement _libéral_; le nom de _philosophe_ avait perdu de son crédit, et parce qu'on n'osait plus le prononcer et que cependant on était bien déterminé de ne pas renoncer à ce système, il fallait de toute nécessité inventer un mot inintelligible, au moins pour le peuple, et donner ainsi le change à l'opinion, à la faveur d'un mot plus doux et plus agréable. Le mot _libéral_ fut donc adopté". (_Ontstaan_ I, bl. XXVII.)
[707] _Ontstaan_ II, bl. XXXVII: »Falck, le confident principal du Roi, mais du parti des libéraux."
[708] _Geschiedenis des Vaderlands_, § 987 vv.
[709] Aldaar, § 1001.
[710] Aldaar, § 1071.
De tegenstelling tusschen het Goddelijke recht aan de eene en het menschelijk recht aan de andere zijde, kenmerkt mijns inziens hen, die in het liberalisme hunnen vijand zagen en nog zien.
Blijkt het dus, dat ook in die dagen het woord _liberaal_ als een eerenaam beschouwd werd[711], dan is dit weder een bewijs te meer, dat ook hier te lande met de Revolutie niet werd gebroken; integendeel, dat men, bewust of onbewust, in de hoofdzaak voortbouwde op de grondslagen, gelegd in de achttiende eeuw.
[711] Aldaar, § 998: »Bijkans iedereen was liberaal, gelijk bijkans iedereen Oranjegezind was."
* * * * *
_Het valt niet gemakkelijk_, enz. (hiervóór, bl. 334).--Afgeschaft zijn de belastingen die impopulair waren: de Fransche douanerechten, benevens het tabaksmonopolie en de overige vereenigde rechten. Van alle zijden gaan onmiddellijk na den opstand de stemmen daartoe op, en bij de instelling van het departement van financiën (29 Nov.) wordt aan Canneman de onverwijlde voordracht van maatregelen tot hun intrekking en de wederinvoering van het oude tarief opgedragen[712]. Het was om deze wederinvoering met den Amsterdamschen handel te bespreken dat Canneman reeds den eigen avond zijn bezoek daar op den 30sten laat aankondigen[713]. De grondbelasting daarentegen bleef op den Franschen voet in stand, daar deze de grondeigenaars minder drukte dan die van Gogel, welke onder koning Lodewijk niet dan onder hevig verzet vooral uit de landprovinciën was ingevoerd[714]. Turf, zeep, gemaal en dergelijke kwamen gemakkelijk terug omdat men er vanouds aan gewend was; zij waren door de Franschen afgeschaft niet omdat zij in Holland moeilijk werden gedragen, maar omdat zij in _hun_ stelsel onbekend waren.
[712] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, bl. XCII.
[713] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, bl. XCIII.--»Onze opinie", schrijft reeds 28 Nov. het Algemeen Bestuur aan Kemper en Scholten, »is dat de douanes geheel weg moeten; dat de lijst van 1725 wederom moet worden ingevoerd" (aldaar, LXXXIX).
[714] Zie mijn _Schimmelpenninck en Koning Lodewijk_, 102-'03.
* * * * *
_Wet van 14 Mei 1814_ (hiervóór, bl. 337).--Vgl. hiervóór, bl. 319.--Over de behandeling in de Staten-Generaal schrijft Gijsbert Karel: »Over de wet van 14 Mei werd nogal uitvoerig geadviseerd. Er waren meen ik 17 stemmen op de 50 tegen. Daaronder de meeste Hollanders, alzoo in Holland de meeste renteniers zijn, en deze de bijlage moesten doen. Ik had dien dag Raad van State en was blij met fatsoen te kunnen wegblijven. In het publiek was de vleug ook niet voor dezen maatregel, en de fondsen daalden gedurig. Naderhand hebben de financiers zich voor den maatregel verklaard, en bekend dat zij de zaak kwalijk ingezien hadden. Toen zijn ook de fondsen merkelijk gerezen. Bij deze deliberatiën stond de heer van Stralen aan het hoofd der oppositie"[715].
[715] _Br. en Ged._ V, 112.
Ook Falck schrijft later, dat hij, hoewel voorstander van »betering van het lot der renteheffers," van het »eeuwigdurend bezwaar op de schatkist," uit de wet van Six voortvloeiende, zeer geschrokken was. Hij troost zich met »het getal millioenen dat het arrosement van 1814 in den loop van weinige maanden in de circulatie en eindelijk in de schatkist bracht"[716].
[716] _Gedenkschriften_, 132.
O. W. Hora Siccama teekent een 9 Nov. 1834 met oom Falck gehouden gesprek aldus op:
»Ik vroeg Oom of er werkelijk noodzaak bestaan had in 1814 om de geheele oude en getiërceerde schuld te erkennen, en in hoeverre het voorgeven gegrond was, dat toch de eigenlijk bij de tiërceering verloren hebbenden, geene vergoeding daarvoor gekregen hadden?
Het antwoord was: »Het is gemakkelijk na zooveel jaren te zeggen: je hebt verkeerd gedaan, maar op 't oogenblik zelf te decideeren, dat 's anders." Dat men vooral noodig had, bij de herstelling der zaken, het crediet weder te winnen; dat de kapitalisten zeer ten achteren waren; dat hoewel vele familiën, den slag der tiërceering vreezende, een gedeelte hunner bezittingen ook in vreemde effecten belegd hadden, velen echter uit gehechtheid aan het bestaande, uit te groot vertrouwen enz. het meerendeel hunner fortuinen in Hollandsche fondsen hadden; dat vooral de openbare instellingen, weeshuizen, armengestichten enz. alle[717] Hollandsche effecten bezeten hadden; dat ieder die effecten na de tiërceering wel had moeten houden, omdat ze bijna geen waarde meer hadden. De verlegenheid om geld had dus de verpligting opgelegd om de getiërceerde schuld te erkennen, waardoor die effecten dadelijk weder in waarde rezen en het lot der houders op staanden voet verbeterde. Wel had men vooruitgezien dat men zich in geen 80 jaren van deze ontzaglijke schuld zou kunnen ontheffen, maar de volgende geslachten mogten wel iets tot de wederverkregen onafhankelijkheid bijdragen. De vooruitzigten op de toekomst mogten hoop inboezemen. De wet van 1814 heeft dan ook behalve de dadelijke hulp dit voordeel aangebracht, dat men bij de vereeniging met België dit niet dadelijk heeft behoeven aantespreken, en [er] twee volle jaren geene verhooging van belasting op te leggen, hetgeen toen van veel belang was om in dit opzigt niet van den beginne af ontevredenheid op te wekken. Ook moet men in 't oog houden welk eene zware kosten er noodig waren tot in stand brengen van leger en vloot, en voorziening in zoo menigerlei behoefte op zulk een tijdstip[718]."
[717] »Alle" niet te verbinden met »effecten", maar met »instellingen."
[718] Appendix achter Falck's _Gedenkschriften_, bl. 652.
* * * * *
_Vooral in die dagen was het met een zwarte kool geteekend_ (hiervóór, bl. 341).--In het liberale Groningen van 1884 ook nog, naar men uit Tellegen's toon kan opmaken.
* * * * *
_Algemeene volkswapening_ (hiervóór, bl. 341).--Tellegen begaat hier de fout, het voor te stellen alsof deze min of meer voor het leger _in de plaats_ kwam, en wel als »toevlucht" omdat het met het leger niets werd. Dit nu is geheel onjuist. Beide denkbeelden: leger en militie, hebben reeds vóór de regeeringsaanvaarding van den S. V. bestaan, maar natuurlijk is het militieplan eerst veel later tot uitvoering gekomen, daar de invoering eener militie een uitgebreid stel van administratieve maatregelen vereischt, die uit den aard der zaak eerst mogelijk werden toen de nieuwe bestuursorganisatie zich voldoende over het geheele land had kunnen vertakken. Tot het bijeenbrengen van een vrijwilligersleger daarentegen is niets dan werving noodig; daarmede kon men onmiddellijk beginnen;--met de militie niet.
De werving begint 20 Nov. in den Haag[719]; overal waar het gezag van het A. B. wordt erkend ziet men er onmiddellijk mede aanvangen. 25 Nov. publiceert het A. B.: »Wij doen van nu af gereed maken de organisatie van een leger van 25.000 man; dezer dagen zullen wij alomme de wervingen openen[720]". Dagelijks gaan deze maatregelen voort; nog 5 Dec., den dag vóór zijn aftreden, gelast het A. B. Bentinck van Buckhorst, om vóór zijn overkomst naar den Haag in de provinciën aan gene zijde van den IJsel een corps infanterie op te richten en werfofficiers aan te stellen[721]. Het zijn deze maatregelen van het A. B. die de S. V. 6 Dec. bevestigt en uitbreidt, en het denkbeeld, op deze wijze een vrijwilligersleger van 25.000 man te verkrijgen, is door het reglement van 20 Dec. volstrekt niet op den achtergrond geschoven: bij besluit van 9 Jan. 1814 wordt voor dit leger eene organisatie bepaald, op de genoemde sterkte berekend[722]. Natuurlijk werd die sterkte niet aanstonds bereikt: de volkselementen die voor vrijwillige dienstneming bij een staand leger in aanmerking kwamen waren reeds voor het overgroote deel door Napoleons conscriptie (waarbij plaatsvervanging toegelaten was) opgezogen, en voor zoover zij niet in den oorlog omgekomen waren, kwamen er van deze lieden in Noordduitschland, Boheme en elders wel dag voor dag vrij, maar zij waren niet in een oogwenk weder in Holland terug. Desniettemin waren er van de bij de organisatie van 9 Jan. 1814 verlangde 22 bataljons infanterie van linie voor het einde van 1813 reeds 6 compleet en 4 in formatie; van de 4 regimenten cavalerie bestonden er reeds 2[723]. Eind Februari wezen de sterktelijsten aan 21.415 man in totaal[724], waarvan 5.755 militie en 1.062 vreemdelingen (Nassauers), de rest Nederlandsche vrijwilligers, waarvan 11.884 geworven in Nederland zelf en 2.714 in Duitschland[725]. De in Nederland geworvenen waren echter over het algemeen van een slecht gehalte; ook was de troep ongeoefend, gebrekkig uitgerust, ellendig geëncadreerd; een werkelijk leger viel nu eenmaal in een van zijn beste krachten beroofd land niet uit den grond te stampen. Als de minister van oorlog, door de bondgenooten aangepord, eind Februari verzekert, op 1 April aan den oorlog te velde te zullen kunnen deelnemen met 25.000 man[726], komt deze verwachting bedrogen uit; als April in het land is zijn er nog maar 11 à 12.000 werkelijk gereed over de grenzen te trekken[727], al hoopt men eerlang, naarmate de militie beschikbaar komt, dit getal te kunnen vergrooten.
[719] _Ged._ VI, inl. 3e stuk LXXVIII.
[720] Aldaar, LXXXV.--Werving in Friesland, aldaar, XXV; te Alkmaar, aldaar CLIII; te Amsterdam, aldaar CLXXVI enz., enz.
[721] Aldaar, XCIX.
[722] Koolemans Beynen in _Gedenkboek 1813_, I, 179.
[723] Aldaar, 218.
[724] _Ged._ VII, 73.
[725] Het Oranje-legioen vermeld hiervóór, bl. 31-32.
[726] _Br. en Ged._ V, 458; vgl. _Ged._ VII, 74.
[727] _Ged._ VII, 97-103.
Dat men nu het Bestuur aanvankelijk uitsluitend met de vorming van een staand leger bezig ziet, beteekent niet dat men zich niet tevens een militie en landstorm als noodzakelijke aanvulling voorstelde. Zóóveel hadden de tijden ook aan Nederland goddank wel geleerd, dat men de landsverdediging niet op huurlingen alleen meer mocht laten aankomen. Reeds 20 Nov. brengt Canneman de zaak der volkswapening bij Gijsbert Karel ter sprake[728]; en nauwelijks is 6 Dec. de Kabinetsraad gevormd, of Canneman wordt, bij afwezigheid van Bentinck, met het ontwerpen eener wettelijke regeling belast, die evenwel, toen zij gereed was, te draconisch voorkwam, en moest worden »verzacht"[729]. Eerst het opstellen van dit stuk (een militie- en landstormregeling in 63 artikelen), vervolgens het onderzoek door Vorst en militairen, zal eenigen tijd gevorderd hebben, maar althans 17 Dec. heeft het reglement van 20 Dec. in alle hoofdtrekken reeds vastgestaan[730]. Van de geheele voorstelling, als zou dat reglement het gevolg zijn van teleurstelling over de resultaten der oproeping van den 6den, blijft dus niets over. Die resultaten kunnen eerst bekend zijn geweest op een oogenblik waarop de voorbereiding der andere zaak reeds in vollen gang was.
[728] _Br. en Ged._ V, 26.
[729] _Br. en Ged._ V, 46.--Canneman's ontwerp, schrijft G. K., »eischte vier maal zooveel volk als eene Fransche conscriptie."
[730] Falck's _Brieven_, no. 96.
Dat, in navolging der Fransche conscriptie, bij de militie de plaatsvervanging was toegelaten, wreekte zich natuurlijk onmiddellijk op den toeloop voor het staande leger. De kolonel S. J. graaf van Limburg Stirum, met de werving te Arnhem belast, schrijft 19 Jan. 1814 aan Oorlog: »Sedert de loting een aanvang genomen heeft, staat de Werving niet alleen stil, maar de desertie neemt toe. De luiden worden verleid door groote premies om als remplaçanten zich te engageeren"[731]. Het begin der ondervinding, dat het militiebeginsel, eens aangenomen, geen staand leger nevens zich verdraagt!
[731] Bij Koolemans Beynen, _Gedenkboek_ I, 219.
* * * * *
_Zesde hoofdstuk der Grondwet_ (hiervóór, bl. 342). Toen Hogendorp in 1812 de _Schets_ opstelde, heeft hij aan eene militie stellig nog niet gedacht, doch nu deze was ingevoerd kwam het wenschelijk voor aan de zaak een »grondwettigen ondergrond" te geven, tot verzekering der nieuwe instelling zoowel als tot bescherming der ingezetenen. Als men dus de Grondwet door is en de president vraagt of iemand nog iets te proponeeren heeft, komt Repelaer met de opmerking, »dat de Staten-Generaal zich zullen verlegen vinden, indien omtrent de landmilitie en den landstorm niets in de Grondwet gevonden wordt". De bedoeling dezer opmerking blijkt uit den inhoud van het voorstel dat hij er op volgen laat, en dat den hoofdinhoud van het reglement van 20 Dec. (landmilitie uit vrijwilligers, bij ongenoegzaam aanbod loting uit de ongehuwden van 17-45 jaar, met plaatsvervanging) in de Grondwet brengt, doch tevens bepaalt dat de 20.000 man een _fixum_ zijn, »voor geene vermeerdering of vermindering vatbaar dan in gevalle van vermeerdering of vermindering van territoir." De president wordt door Repelaer's opmerking niet verrast; immers hij zelf blijkt ook reeds een hoofdstuk over de defensie in petto te hebben. Dit verschilt van Repelaer's voorstel in hoofdzaak hierin, dat het eene herinnering aan het bekende artikel der Unie van Utrecht in den voorgevel heeft, en ook, wat Repelaer aan de wet overliet, den diensttijd der militie bepaalt (op vijf jaar, te verlengen bij de wet in geval van nood). Na een niet zeer diepgaande maar niet onwelwillende beraadslaging worden de voorstellen-Repelaer en Hogendorp in bewerking gegeven aan Repelaer en Röell. Wat zij er van gemaakt hebben is niet bewaard, doch op te maken uit de aanmerkingen van den Souvereinen Vorst[732]. Hun hoofdstuk moet hebben ingehouden:
[732] _Ontstaan_ I, 440, 444; II, bl. CXXI.
1o. Vaste zee- en landmacht, bestaande uit vrijwilligers, 't zij inboorlingen of vreemden, voor den dienst zoowel in als buiten Europa.
2o. Landmilitie, bestemd uitsluitend ter verdediging van het grondgebied, bestaande 1o. uit vrijwilligers; 2o. uit lotelingen uit de ongehuwden van 17-45 jaar. Sterkte 20.000 man; dienstplicht 5 jaar. In vredestijd doet slechts een klein gedeelte dienst.
3o. In de steden herstel der schutterijen; in oorlogstijd ook schutterijen op het platteland, die dan, met de stedelijke schutterijen vereenigd, een landstorm vormen.
4o. Overige voorschriften betreffende deze materie te geven bij de wet.
De Souvereine Vorst stelt hier tegen over:
1o, 3o en 4o als boven.
2o. Militie uit de mannen van 18-22 jaar; sterkte niet in de Grondwet. Dienst 5 jaar; jaarlijks valt 1/5 af, dat door nieuwe loting wordt aangevuld. _De geheele militie komt jaarlijks éénmaal samen_ om gedurende een maand of daaromtrent geoefend te worden; en de S. V. heeft de bevoegdheid, zoo lang hij zulks noodig oordeelt 1/4 van het geheel te doen samenblijven. De _geheele_ militie blijft niet samen dan op machtiging der Staten-Generaal. Geen vrijwilligers; en de plaatsvervanging niet in de Grondwet te noemen.
De commissie van redactie (Aylva, Repelaer, Elout, Röell) die dit tegenvoorstel van den S. V. ontvangt, heeft tegen de beperking tot de mannen van 18-22 jaar en de jaarlijksche aanvulling en oefening groot bezwaar: »de populatie schijnt zulks weinig toe te laten, vooral bij herleving van zeevaart en koophandel, alsook bij het terugbekomen der koloniën"[733]. Haar president Aylva ontvangt dan, bij schrijven van 23 Februari, een uitvoerige uiteenzetting van 's Vorsten denkbeelden. »Om de verdediging van 't land op de medewerking der Landmilitie te gronden, moet dezelve bij het begin van oorlog in den kortst mogelijken tijd op de been en disponibel zijn. Wanneer alsdan eerst tot completeering derzelve vrijwilligers opgeroepen worden, eene loting voorgenomen en remplaçanten afgewacht, kan een gedeelte des grondgebieds de rampen des oorlogs ondervinden, voor wij in staat zijn de noodige middelen te verzamelen om hetzelve te beschermen. Ik ken daartoe geen ander middel, dan in tijd van vrede eene permanente militie te hebben, even sterk als in tijd van oorlog. Gedurende eenige weken in 't jaar blijft dezelve te zamen om geoefend te worden. Een vijfde der manschappen wordt jaarlijks ontslagen, en de noodige manschappen tot completeering uit de aankomende jeugd door loting genomen. Tot een diergelijke permanente mesure kan niet van de 17 tot 45 jaar geloot worden. Eenen militairen geest aan te kweeken, de grootste economie voor de financiën, en het verzekeren der middelen van verdediging, is al wat ik beooge. De situatie van Europa moeten wij daarbij in 't oog houden; bij het militair zijn van alle natiën is de rust der naburen in grooter gevaar, en vereischt middelen welke vroeger niet noodig waren".
[733] _Ontstaan_ I, 444.
Bij de mondelinge conferentie op 25 Februari, waarin de nog uitstaande punten moesten worden »geapplaneerd", heeft de S. V., op de vrijwilligers na, er zijn denkbeelden door gekregen. Op de woorden »zooveel mogelijk uit vrijwilligers" na, zijn artt. 123 en 124 der Grondwet dus van hèm. De Vorst zal voorzien hebben, dat die »vrijwilligers" verkapte remplaçanten zouden zijn, zooals het volgende jaar ook uitgekomen is. »Gij weet", schrijft 4 April 1815 Kemper aan Falck, »dat bij de wet op de landmilitie[734] de vrijheid aan de stedelijke besturen wordt gelaten, om eene zekere som te besteden tot bekomen van vrijwilligers en alzoo de loting overbodig te maken. Men heeft in het vorig jaar deze premiën gevonden door vrijwillige inschrijvingen[735], en in kalme tijden is deze mesure zeker de beste om de gemoederen langzamerhand aan dezen hier te lande nieuwen maatregel te gewennen, maar in een oogenblik als dit, waarop menschen van alle standen verklaren zich vrijwillig aan te bieden, _publica autoritate_ inschrijvingsbiljetten te laten rondbrengen, niet tot stijving van 's lands kas, niet tot verdediging onzer grenzen, niet tot voorziening in het lot der vrouwen en kinderen van hen die uittrekken, maar tot kooping van remplaçanten voor eenloopende jonge menschen, die door de wet tot de wapenen geroepen worden, is toch waarlijk wat heel gek. Het geheele doel eener nationale militie gaat er door verloren, en alle wervingen voor de staande armee worden er òf krachteloos òf ten minste veel kostbaarder door gemaakt"[736].
[734] Van 27 Febr. 1815 (hiervóór, bl. 344).
[735] Vgl. de wijze waarop men zich in den zomer van 1813 in den Haag door »vrijwilligers" vervangen liet voor de nationale garde: _Ged._ VI, 1664.
[736] Falck's _Gedenkschriften_, 375.
* * * * *
_Wetboek van Koophandel_ (hiervóór, bl. 350).--Het ontwerp-van Gennep c.s. onderscheidde zich van den Franschen Code de Commerce van 1807 op het belangrijk punt der (in den Franschen Code verboden, in den Hollandschen, in navolging der stedelijke ordonnantiën van Amsterdam, toegelaten) verzekering op ingebeelde winst. Het ontwerp is, met inbegrip van dit punt, grootendeels herleefd in het nog geldende Wetboek van Koophandel van 1838.
* * * * *
_Meer voorliefde_ (hiervóór, bl. 350).--Deze meerdere voorliefde voor het Crimineel Wetboek was zeer natuurlijk, als men de voorgeschiedenis der wetgeving van Lodewijk Napoleon nagaat. Het Crimineel Wetboek was in veel grootere mate dan het Wetboek Lodewijk Napoleon een Nederlandsch product.