De Wedergeboorte van Nederland

Part 35

Chapter 353,707 wordsPublic domain

Bleven de wijzigingen, ingevoerd bij het besluit van 11 Dec. 1813, zich hiertoe bepalen? In geenen deele. Het Crimineel Wetboek van Lodewijk Napoleon werd opengeslagen en meer dan eene bepaling daaruit weder ingevoerd. De Code pénal was op sommige punten--hoe zal ik het uitdrukken?--minder ouderwetsch dan het Crimineel Wetboek. Beiden kenden de doodstraf. Dat nu de Fransche guillotine weder vervangen werd door de strop en het zwaard, deed minder af: het was eene kwestie van slagerstechniek. Waarom echter niet de strop alleen? Zij werd voor sommige gevallen te schandelijk gehouden; in die gevallen trad--volgens oud gebruik--het onthalzen daarvoor in de plaats (art. 5)[689]; iets, wat echter bij gebrek aan voor die verrichting bevoegde personen, nimmer schijnt te zijn toegepast[690]. Behalve de doodstraf kende de Code pénal slechts nog ééne lijfstraf: die van het brandmerk. Art. 7 van het Besluit voerde tevens weder in de straf van geeseling; en dit niet alleen voor mannen, maar ook voor vrouwen[691].

[689] Volgens den Utrechtschen professor Matthaeus (_de Criminibus_, bl. 901) was de strop voor de _plebeji_, het zwaard voor de _nobiles_. Het laatste was een _honestius supplicium_ (bl. 835). Op het voorbeeld van het Crimineel Wetboek was echter ook in dit besluit de wijze van uitoefening der doodstraf van den stand losgemaakt, doch aan het min of meer schandelijke van het misdrijf vastgeknoopt.

[690] Volgens Modderman, _Hervorming onzer Strafwetgeving_, bl. 140, is wel een enkele maal de veroordeeling tot onthoofding uitgesproken, maar, naar hij vooronderstelt, om den schuldige daardoor zijne begenadiging te verzekeren.

[691] H. V. A. (Mr. A. W. Engelen) _Herinneringen_, bl. 51 schrijft: »Er was in dien tijd (tusschen 1820/25) door het Cour d'Assises te Groningen eene vrouw, eene nog zeer jeugdige vrouw, tot openbare geeseling veroordeeld. De vrouw, een teer en zwak schepsel--wie kan er tegenwoordig zonder siddering aan denken?--onderging dan op de Groote Markt hare straf, en de talrijke toeschouwers, die bij dusdanige gelegenheid nooit ontbraken, hadden allen duidelijk opgemerkt, dat de ongelukkige, die, hoe misdadig zij ook zijn mocht, toch nog een levendig gevoel van eerbaarheid schijnt bezeten te hebben, machtelooze moeite in het werk stelde om hare door den scherprechter ontbloote borst met hare handen te bedekken."

Ik weet niet of het verhaal waar is, dat, toen men te Leeuwarden voor het eerst weder een misdadiger geeselde, het volk »Oranje boven!" riep; dit is echter zeker, dat de meest ervaren mannen in het vak der strafvervolging in latere jaren met angst en beving de gevolgen van de afschaffing dier straf, wat, evenals met het brandmerk, bij de wet van 29 Juni 1854 plaats vond, te gemoet zagen. Alleen voor de geeseling hadden, meenden zij, de boosdoeners een heilzamen schrik. Onschuldiger was zeker de nu ook weder ingevoerde straf van het zwaaien van het zwaard over het hoofd. Was voor den een weggelegd de straf van geeseling met den strop om den hals aan de galg vastgemaakt, benevens die van brandmerk, op een ander kon de rechter ter zake van hetzelfde misdrijf toepassen »de comedievertooning met zwaard, blinddoek en zand".

De straf van dwangarbeid in de bagno's, hetzij altijddurend, hetzij voor een bepaalden tijd, maakte weder plaats voor confinement in een rasp- of tucht- of werkhuis voor niet meer dan 20 of 15 jaren. Ook het Crimineel Wetboek kende geene langere gevangenis dan van 20 jaren. Was dus op dit punt het besluit van den Souvereinen Vorst humaner dan de Code pénal, van nog grooter gewicht in dit opzicht was de bevoegdheid den rechter gegeven, om ook bij misdaden de straf beneden het vastgestelde minimum van 5 jaren, op grond van het bestaan van verzachtende omstandigheden, te bepalen. In zoover een terugkeer tot de beginselen van het Crimineel Wetboek, hetwelk alleen een maximum--geen minimum--van gevangenisstraf kende. Hoe men ook voor het overige over het besluit van 11 December 1813 moge denken, hetgeen er verkeerds in was, werd door deze bepaling van art. 12 voor een goed deel opgewogen. Daarbij moet dan nog gevoegd worden de afschaffing van de door den Code pénal weder ingevoerde algemeene verbeurdverklaring van goederen (art. 2).

Zoo had dan de herwinning onzer onafhankelijkheid niet de afschaffing van het Fransche rechtswezen ten gevolge, al bleef dit dan ook niet ongewijzigd bestaan. Niet dat men hierin een blijvenden toestand zag; de Souvereine Vorst noemde immers zelf de bepalingen van het besluit van 11 December »provisioneel". Een nationale wetgeving zou spoedig de Fransche vervangen. Zoo zien wij dan ook in de Grondwet van 1814 eene nieuwe wetgeving beloofd (hoofdstuk III, van de Justitie, art. 100). De Grondwet gaf bovendien eenige aanwijzingen betrekkelijk de inrichting der Rechterlijke Macht. Niettegenstaande de man, die aan het hoofd der Justitie stond, en die als eerste president van het Hof in den Haag de Fransche organisatie in de praktijk had zien werken, verklaard had, dat de justitie nimmer beter was geadministreerd dan na de inlijving[692], gebood toch de Grondwet de Fransche instellingen door Nederlandsche te doen vervangen; ja beloofde zij zelfs aan elke provincie een Hof van appèl, in afwijking van de niet ingevoerde wet van koning Lodewijk van 14 Juli 1809; deze had toch het getal Hoven tot slechts vijf bepaald. Het provincialisme liet hier zijnen invloed gelden.

[692] Hiervóór, bl. 180.

Waar ik de vraag behandel, in hoever de herwinning onzer onafhankelijkheid ons tevens verloste van de Fransche beginselen van staatsbestuur, heb ik, wat de Justitie betreft, het meeste gezegd. Hoewel de Souvereine Vorst reeds den 18den April 1814 eene Commissie benoemde tot het ontwerpen eener nationale Wetgeving, met Kemper aan het hoofd, zoo bleef eerst door de vereeniging met België, later door het verschil van gevoelen tusschen Noord en Zuid over dit onderwerp, deze zaak op de lange baan, om eerst na de scheiding met 1 October 1838 den eindpaal te bereiken, met uitzondering nog van het eerst in 1881 vastgestelde, in 1886 ingevoerde Wetboek van Strafrecht.

Bijzondere vermelding verdienen echter twee besluiten van den Souvereinen Vorst, het eene van 26 Maart 1814 (_Staatsblad_ no. 46), het andere van 22 October 1814 (_Staatsblad_ no. 103), die beide met dit onderwerp in verband staan. Het eerste, dat tot herstel der voormalige heerlijke rechten, is reeds vroeger door mij besproken[693]. Het herstelde onder anderen de heerlijke rechten van de jacht en visscherij. Deze inbreuk op de vrijheid van den grond, eene van de weldaden der revolutie, werd vooral wat het jachtrecht betreft nader uitgewerkt door de in overleg met de Staten-Generaal vastgestelde wet van 11 Juli 1814 (_Staatsblad_ no. 79) op het stuk der jacht en visscherij. Een ieder, die zich het jachtgebied niet had voorbehouden en dit niet had laten registreeren, moest gedoogen, dat op zijn grond de jacht door derden werd uitgeoefend, ook dan wanneer een heerlijk jachtrecht op dien grond niet kleefde. Eerst na de herziening der Grondwet in 1848 werd bij de nieuwe jachtwet van 6 Maart 1852 niet alleen het reeds in art. 641 van het Burgerlijk Wetboek verscholen beginsel gehuldigd, dat het jachtrecht en ook het vischrecht niet mochten worden afgescheiden van den grond, maar werd tevens bepaald, dat niemand op eens anders grond zonder diens toestemming mocht jagen of visschen, terwijl de gelegenheid tot afkoop van de rechten door derden bezeten door de wet werd geopend.

[693] Bl. 134.

Niet minder bedenkelijk was het tweede besluit. Daarbij verviel het Keizerlijk Decreet van 22 Januari 1813, waarbij de tiendplichtige de bevoegdheid erlangde de tienden aftekoopen. Het Wetboek Lodewijk Napoleon had dit niet toegestaan, het had alleen eenig uitzicht geopend op soortgelijke regeling (art. 528). In den »Conseil pour les affaires de Hollande" den 22sten Juli 1810 door den Keizer ingesteld, om hem te dienen van advies over de maatregelen ten gevolge der inlijving te nemen, was door van Maanen uit naam der sectie van wetgeving de wensch uitgesproken, dat dergelijke bevoegdheid tot afkoop niet mocht worden toegestaan[694]. Dit rapport was echter niet zonder tegenspraak gebleven. Men wees op het belang van den landbouw en op de beginselen der Fransche wetgeving die het tegendeel vereischten[695]. Napoleon hakte bij zijn decreet van 22 Januari 1813 den knoop door en regelde de afkoopbaarheid der tienden. Dit besluit, zeide in lateren tijd een onzer rechtsgeleerden[696], behoorde tot de belangrijkste en voortreffelijkste verordeningen onder Napoleons bestuur uitgevaardigd. Daar het eene regeling betrof betrekkelijk het burgerlijk recht, hetwelk volgens art. 100 der Grondwet bij de wet moest worden vastgesteld, zoude men verwacht hebben, dat in dit onderwerp alleen bij de wet verandering kon gebracht worden. De Souvereine Vorst echter, met de ruime opvatting zijner bevoegdheid, stelde het decreet zonder gemeen overleg met de Staten-Generaal buiten werking, terwijl hij voor de nadere regeling verwees naar het vast te stellen Burgerlijk Wetboek. Dit Wetboek heeft, zooals bekend is, dit onderwerp geen stap verder gebracht. Eerst bij de wet van 11 April 1872 (_Staatsblad_ no. 25) gelukte het, door het recht van afkoop den tiendplichtige gegeven, den landbouw deze weldaad, elders reeds lang bewezen, deelachtig te doen worden.

[694] _Ged._ VI, 1443.

[695] Jorissen in Fruin's _Bijdragen_, 2e reeks IX, 90.

[696] Fortuyn, _Verzameling van Fransche Wetten_ III, 538.

Zal men hetzelfde ongunstig oordeel moeten uitspreken over de regeling van een onderwerp van eene geheel andere natuur, dan waarover in het laatst is gehandeld? Ik bedoel de wet van 1 Maart 1815 (_Staatsblad_ no. 21)[697], houdende voorschriften ter viering der dagen aan den openbaren Christelijken Godsdienst toegewijd. Eene wet, die moest strekken om »op het voetspoor onzer godsdienstige voorvaderen, de pligtmatige viering van den dag des Heeren en andere dagen, den openbaren Christelijken Godsdienst toegewijd, te verzekeren". Uit dezen aanhef der wet blijkt reeds, dat men op het oog had de herstelling van een vroegeren toestand. De vrijheid der ingezetenen moest weder aan banden worden gelegd; de bedoeling was, hen dientengevolge tot kerkgang te nopen. Onder de Fransche heerschappij, wellicht reeds sedert de staatsregeling van 1798, had op dit stuk--in tegenoverstelling van vroeger--volledige vrijheid geheerscht. Zoo iets was niet in den geest van de in 1814 hier en elders bovendrijvende denkbeelden. Mocht men al niet terugkeeren tot eene staatskerk, mocht ook al in hoofdzaak aan alle kerkgenootschappen gelijke bescherming blijven verleend, het scheen toch tot de roeping van den Staat te behooren, op de belijders der onderscheidene Christelijke Genootschappen een zachten dwang uit te oefenen in 't belang van het vieren van den openbaren eeredienst. Had men vroeger in vele opzichten Frankrijk als voorbeeld gevolgd, men deed het ook thans weder; echter nu in tegenovergestelde richting. Reeds bij ordonnance de police van 7 Juni 1814[698] werden in Frankrijk bepalingen gemaakt, ten einde de viering van den Zondag enz. te bevorderen. Eveneens had dit de Souvereine Vorst voor België gedaan. Den 1sten October 1814 had hij zoodanig besluit genomen--zooals de aanhef luidde--»tot herstel van de zedelijkheid en de openbare orde". Zoo kon men verwachten, dat ook hier te lande iets dergelijks zoude plaatsvinden. Er bestond daarvoor nog deze bijzondere reden, dat na de verdrijving der Franschen reeds in onderscheidene provinciën en steden dergelijke verordeningen waren vastgesteld, zoodat het wenschelijk was, deze door ééne algemeene regeling te vervangen. Zoo kwam dan ook zonder tegenstand de wet van 1 Maart 1815 tot stand. In die wet zal niemand het wraken, dat alle hinderlijke geruchten in de nabijheid der kerken op die dagen worden verboden (art. 5). Velen zijn er, die evenmin bezwaar hebben tegen de bepalingen, waarbij de vrijheid van arbeid op die dagen wordt aan banden gelegd (art. 1, 2), uitgaande van het denkbeeld, dat één dag rust op de zeven door het belang der maatschappij, vooral door dat der arbeidende klasse, wordt gevorderd; en dat zonder den steun der wet die arbeidende klasse geene kracht genoeg in zich zelve bezit, om zich die rust te verzekeren. Maar aan die consideratie dacht, geloof ik, in die dagen niemand. Had men daaraan wel gedacht, men had, tegelijk met den arbeid, de vrijheid om zich te ontspannen niet belemmerd. Men had geen oog voor hetgeen de Sismondi korten tijd daarna (1818) schreef: »Ce repos a été prescrit à l'homme pour qu'il connût le délassement et la joie, pour que la douce gaîté, pour que la danse, le chant, tous les plaisirs honnêtes dont l'homme sent le besoin, fussent aussi de temps en temps à portée de l'esclave et de l'ouvrier"[699].

[697] Proefschrift van F. W. Smit over de Zondagswet, Leiden, 1867.

[698] Kort daarna vervangen door de wet van 18 November 1814.

[699] Smit, bl. 142.

Had men daarvoor eenig oog gehad, men had niet bepaald, dat de openbare vermakelijkheden op die dagen in den regel niet zouden worden gedoogd (art. 4); men had evenmin verboden het kolven, balslaan, enz., gedurende den tijd voor de openbare godsdienstoefening bestemd (art. 3). Was voor het eerste nog aan het plaatselijk bestuur toegestaan, bij uitzondering daarvan dispensatie te verleenen, het tweede was een onverbiddelijke regel. De bedoeling was duidelijk: èn door belemmering van den arbeid, èn door het niet toelaten van eenige openbare uitspanning, zoude men de ingezetenen nopen ter kerke te gaan. Het valt mij bezwaarlijk op deze wet als op een gelukkig voortbrengsel van wetgeving te wijzen; alleen moet men erkennen, dat niettegenstaande al de vellen druks, die in betrekking tot deze wet later zijn volgeschreven, niettegenstaande de maatschappij zelve aan die wet geheel en al is ontgroeid, dat niettegenstaande dit alles de Nederlandsche wetgever tot dusver onmachtig is gebleven haar òf af schaffen, òf door eene betere wet te vervangen. Moge het oogenblik daarvoor niet te laat zijn!

Zal ik nu de pen nederleggen en den lezer wellicht onder een ongunstigen indruk van hetgeen toen ter tijd geschied is, laten gaan? Of zijn er andere onderwerpen, tot dusver niet besproken, op welker regeling in die dagen men met welgevallen kan wijzen?

Er is zeker geen onderwerp dat na de Justitie meer verdient de aandacht te trekken, dan dat van het Onderwijs--het lager zoowel als het hooger. De wet van 3 April 1806 op het Lager Schoolwezen was in hoofdzaak onder het Fransche bestuur blijven werken. De Souvereine Vorst had dan ook niet anders te doen, dan dat hij bij besluit van 20 Maart 1814 (_Staatsblad_ no. 39) die wet verklaarde bij voortduring te zullen zijn de grondslag der Nederlandsche schoolinrichtingen, met invoering daarvan in die gedeelten van den Staat, welke na 1806 zich daarvan afgescheurd hadden bevonden. Op dit stuk alzoo--zoo verwaarloosd onder de Republiek--bleef men de vruchten van de omwenteling plukken. Zooals de minister Röell het in zijn verslag van 7 November 1814 uitdrukte: »men wilde de nagedachtenis der voorvaderen niet beleedigen, maar terwijl men op hunne wijsheid staarde, mocht men voor alle nieuw licht het oog niet sluiten, maar moest men daar waar verbetering te vinden was, verbetering zoeken"[700]. Het openbaar onderwijs bleef alzoo een onderwerp van overheidszorg, bleef onttrokken aan den invloed der kerk. Het is de vraag of de Souvereine Vorst in de behartiging dezer zaak nog niet een stap verder zoude hebben willen gaan. In datzelfde verslag werd er op gewezen, hoe de Souvereine Vorst, als regent van Corvey en Fulda, aldaar den leerplicht, en naar het schijnt ook kosteloos onderwijs, had ingevoerd. Noch van het een, noch van het ander is intusschen hier te lande iets gekomen. Evenmin echter--wat ons in den tijd dien wij beleven, vreemd in de ooren klinkt--is de vrijheid van onderwijs gehuldigd. Niemand schijnt haar in die dagen te hebben verlangd[701].

[700] Stuart, _Jaarboeken 1814_, bl. 265.

[701] _Ontstaan_ I, 300.

Met niet minder welgevallen rust de blik op de regeling van het andere gedeelte van dit onderwerp: het Hooger Onderwijs. Te dezen opzichte ging de regeling met grootere bezwaren gepaard. Had de Revolutie ten opzichte van het Lager Onderwijs ons de wet van 1806 geschonken, ten opzichte van het Hooger had zij de oude organisatie laten bestaan. Er waren in wezen gebleven de vijf provinciale Hoogescholen: Leiden, Utrecht, Groningen, Franeker en Harderwijk. De Fransche inlijving maakte van Leiden en Groningen faculteitsscholen, van Utrecht eene école secondaire, alle ondergeschikt aan het alles centraliseerende lichaam van Onderwijs: _l' Université_. Franeker en Harderwijk werden opgeheven. Deze Fransche inrichting kon niet blijven. Evenmin was het met het beginsel van staatseenheid te rijmen, de vroegere provinciale inrichtingen weder in 't leven te roepen. Zoo zien wij dan ook den Souvereinen Vorst reeds bij besluit van 18 Januari 1814 eene Commissie benoemen, met last om eene organisatie van het Hooger Onderwijs te ontwerpen. Naar aanleiding van haar rapport werd door den Souvereinen Vorst den 2den Augustus 1815 de nieuwe organisatie van het Hooger Onderwijs vastgesteld, inhoudende zoowel eene regeling der Latijnsche scholen als van het Hooger Onderwijs in engeren zin.

De Commissie had volgens hare opdracht moeten letten zoowel op onzen landaard en de gehechtheid aan voorouderlijke instellingen, als op de maatregelen van den nieuweren tijd. Aan het eerste was het voorzeker toe te schrijven, dat zij de drie Hoogescholen, Leiden, Utrecht en Groningen, in wezen liet, en ook Franeker en Harderwijk als Athenaea met een meer bescheiden werkkring deed voortleven. Wat was echter het nieuwe, dat meer in 't bijzonder de aandacht trekt? Eene schaduwzijde van de vroegere inrichtingen was voorzeker geweest de band, die ze vastklonk aan de denkbeelden van Calvijn. De rechtzinnigheid drukte als eene nachtmerrie op den beoefenaar der wetenschap. Niet alleen dat hierdoor uitstekende mannen van den leerstoel geweerd werden; het was bovendien een blok aan het been voor hen, met wie dit niet het geval was. Zij moesten zich in allerlei bochten wringen, om de ketterjacht van predikanten en kerkeraden te ontkomen. Dat zij, die daarvoor te zelfstandig waren, dit met het verlies van hun ambt moesten boeten, bewijst nog de afzetting van den Groningschen hoogleeraar in de rechten, Frederik Adolf van der Marck, in 1773. Deze slavernij der wetenschap was met de beginselen der revolutie, met de scheiding van Kerk en Staat in strijd. De vrijheid der professoren was alzoo aan de nieuwe beginselen te danken[702], en nu mogen wij er dankbaar voor zijn, dat ook de nieuwe regeling volgens het besluit van 2 Augustus 1815 in waarheid gaf eene vrije Universiteit. »Het was", zegt een bevoegd beoordeelaar, »op liberale grondslagen gebouwd"[703]. Noch de professoren, noch de studenten werden ten opzichte van de resultaten hunner studiën aan banden gelegd. Het zou ons te ver leiden, wanneer wij dit geheele besluit uit het oogpunt van de vrijheid _docendi_ en _discendi_ gingen beschouwen en waardeeren. Ik heb echter gemeend, niet met stilzwijgen te mogen voorbijgaan, dat wat de revolutie ons gebracht had, in dat besluit is overgegaan. Deze regeling is sedert vervangen door de wet van 28 April 1876 (_Staatsblad_ no. 102). Moge het oordeel van den nakomeling over de wet even gunstig luiden, als aan het besluit van 1815 nog na verloop van eene halve eeuw is ten deel gevallen[704].

[702] Zoo werd in 1801 onder de werking der staatsregeling van 1798 te Groningen de verplichting der professoren afgeschaft, om vóór de aanvaarding van hun vak de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, den Heidelbergschen Catechismus en de Canones der Dordtsche Synode te onderteekenen. Curatoren overwogen den 16den Augustus 1801, dat, nu »bij den veranderden staat van zaken is gedecreteerd de afscheiding der Kerk van den Staat", zij van oordeel waren, »dat even hierdoor de verplichting bij het vorig Gouvernement opgelegd, geheel en al kwam te cesseren, en dus deze onderteekening in het vervolg niet meer behoorde te worden geëischt". (Jonckbloet, _Gedenkboek_, 268). Aan de andere hoogescholen had hetzelfde plaats. Voor Franeker zie men Boelens, _Frieslands Hoogeschool_, I, 327.

[703] Vissering in _Gids_ 1867, III, 196.

[704] Vissering in _Gids_ 1867, III, 194: »Ik schat de deugden van het Besluit zoo hoog, dat ik uit den grond des harten wensch, maar nauwelijks durf hopen, dat de nieuwe wettelijke regeling, die wij nu in het vooruitzicht hebben, niet ongunstig daarbij afsteken zal."

Het was mij aangenaam op deze lichtpunten in de wetgeving van 1814 en 1815 te kunnen wijzen. Met het onderwijs staat echter nog in nauw verband de drukpers. Feitelijk had zij onder de oude Republiek eene grootere mate van vrijheid genoten, dan elders op het vasteland haar was geschonken, maar dit was meer een gevolg van de verbrokkeling der Souvereiniteit en van de toegevendheid der regenten, dan van de wetgeving; de censuur immers bestond ook hier te lande. Door de Staatsregeling van 1798 (Inl. art. 16) en die van 1801 (art. 3) werd zij veroordeeld. Dit bleef echter meer op het papier uitgesproken, dan dat het in de werkelijkheid veel gaf. Met de inlijving daarenboven werd de toestand nog veel erger dan hij ooit te voren geweest was. Van een vrije drukpers was schijn noch schaduw overgebleven. Wat zou de onafhankelijkheid ons brengen? Reeds bij besluit van 24 Januari 1814 (_Staatsblad_ no. 17) werden de Fransche wetten en besluiten betrekkelijk de boekdrukkerij en den boekhandel, daaronder de nieuwspapieren begrepen, afgeschaft, en zoo verdween hierdoor de censuur voor goed van onzen bodem.

Men moge er over glimlachen, wanneer in het besluit gezegd wordt, dat de bestaande regeling ten eenenmale strijdig was met de liberale denkwijze, die het gouvernement dezer landen steeds had gekenmerkt. Men moge er op wijzen, dat het stellen van het repressieve toezicht in de plaats van de censuur geen Nederlandsch denkbeeld was, maar dat het te danken was aan de beginselen, in de 18de eeuw verkondigd. Dit alles neemt echter niet weg, dat men dankbaar moet zijn aan de ontwerpers van dit besluit, die in de censuur zagen een beletsel voor den voortgang der verlichting, en in hare afschaffing een uitvloeisel van de liberale denkwijze.

Het trekt de aandacht hoe in die dagen, niettegenstaande de in vele opzichten bestaande voorliefde voor het oude, toch het woord _liberaal_ als 't ware vanzelf op de lippen kwam, wanneer men op iets goeds, iets aanbevelenswaardigs, iets onbekrompens wilde wijzen.

_Liberaal_ is de maatregel, waarbij het tabaksmonopolie wordt afgeschaft. _Liberaal_ is de afschaffing der censuur. Wanneer de Souvereine Vorst over de Schets van Hogendorp een gunstig oordeel uitspreekt, noemt hij haar een uitvloeisel van 's mans _liberale_ denkwijze. Zoo meent ook Falck èn Hogendorp èn den Souvereinen Vorst niet beter te kunnen prijzen, dan door te wijzen op hun _liberalisme_. »Hogendorp is de _liberaliteit_ zelve", schrijft hij 6 December 1813 aan D. J. van Lennep. En van den Souvereinen Vorst zegt hij eenige dagen later: »Al wat _goed_ en _liberaal_ is, neemt hij gereedelijk over, en meestal is hij de eerste om dit te bedenken"[705].

[705] Besluiten van den Souvereinen Vorst van 6 December 1813, 21 December 1813 en 24 Januari 1814. Brieven van Falck aan D. J. van Lennep van 6 December en 24 December 1813. (_Brieven_, nos. 95, 97).