De Wedergeboorte van Nederland

Part 34

Chapter 343,666 wordsPublic domain

Ik kan niet nalaten op te merken, dat bij deze gelegenheid van Hall en Thorbecke voor het eerst met elkander in botsing kwamen. De eerste verdedigde de wet van 1841, de andere zag er eene rechtsschennis in (De Bosch Kemper, _Geschiedenis na 1830_, IV, aant. 48).

[672] In een onuitgegeven memorie van den beroemden Amsterdamschen advokaat J. D. Meyer, in Sept. 1830 door tusschenkomst van Mr. W. F. Röell aan Koning Willem I medegedeeld en handelende over de Belgische onlusten, wordt van de wet van 1814 gezegd: »Het is buiten bedenking, dat reeds twintig jaren geleden Holland onder een bijna ondragelijken schuldenlast gebukt ging. Het Fransche bestuur had den last door de _tiercering_ verminderd, doch de Hollandsche eerlijkheid droeg die wijze om zich van schulden te ontdoen niet dan met moeite. Na het herstel der onafhankelijkheid wierd de algemeene wensch vereenigd met een financieelen maatregel om zich voor het oogenblik uit den geldelijken nood te redden, en het onzalig denkbeeld van de wet van Juli 1814 belastte het Rijk niet alleen met eene aanzienlijk vermeerderde werkelijke schuld, maar ook nog met den invretenden kanker der uitgestelde schuld, die jaarlijks het bedrag der werkelijke schuld komt vergrooten en de rentebetalingen moeilijker maakt" (Archief van Mr. W. F. Röell).

Ik neem afscheid van het onderwerp, waarbij--hoe onmisbaar ook--de Staat zich niet van de meest populaire zijde laat kennen. Doch het onderwerp dat ik nu ga bespreken, valt zeker niet meer in den smaak. Ik bedoel het krijgswezen. Vooral in die dagen was het met eene zwarte kool geteekend. Zoo iets nog meer gehaat was dan het Fransche douanestelsel, was het zeker de conscriptie. Een last, te drukkender, omdat hij dienstbaar was gemaakt aan de heerschzucht van den vreemdeling. In den aanvang wilde men dan ook hier te lande van gedwongen krijgsdienst niets weten. Men schijnt zelfs begrepen te hebben, dat de daartoe betrekkelijke regeling door de bevrijding van zelve was vervallen. Zoo trachtte dan ook het hierboven vermelde besluit van 6 Dec. 1813 (_Staatsblad_ no. 6), hetwelk de ingezetenen uitnoodigde tot het geven van bijdragen, door de oproeping van vrijwilligers in de behoefte te voorzien. Maar die bron vloeide te schaars om eene gewapende macht samen te stellen, in staat om het grondgebied te bevrijden. Men ziet dan ook reeds veertien dagen later den Souvereinen Vorst de toevlucht nemen tot het opleggen van dwang. Bij een Reglement van 20 December 1813 (_Staatsblad_ no. 14) werd een algemeene volkswapening ingevoerd. Alle weerbare mannen van 17-50 jaren zouden den landstorm uitmaken, die bestemd was om naastbijgelegen vestingen te bezetten, en om de nog door den vijand bezetene vestingen in te sluiten en zijne aanvallen af te slaan. Uit dien landstorm zoude tevens, voor zoover het vereischte getal door vrijwilligers niet verkregen werd, door middel van loting tusschen de ingezetenen van 17-45 jaren eene landmilitie worden getrokken. De plaatsvervanging werd daarbij toegelaten. Langs dezen weg dacht men een militie van 20.000 man (16.000 man infanterie en 4000 man artillerie) te verkrijgen. De krijgsmacht bestond dan ook in de maand April, de eigenlijke landstorm niet medegerekend, uit ongeveer 25.000 man, eene macht waarmede men, zoo Parijs zich intusschen niet had overgegeven, de geallieerden te hulp had kunnen komen[673].

[673] Hogendorp, _Bijdragen_ I, 5.--(Zie echter de aanteekening hierachter).

Wat zou nu echter de Grondwet over dit onderwerp bepalen? Zoude zij, evenals de Schets van Hogendorp dit deed, daarover zwijgen? Dit scheen eerst wel het geval te zullen zijn; toen echter het ontwerp der Grondwet zoo goed als gereed was, kwam Repelaer in de zitting van 11 Februari 1814 met het voorstel voor den dag, een of meer artikelen omtrent de landmilitie en de landmacht vast te stellen[674]. Met Röell belast die artikelen te ontwerpen, werd het Hoofdstuk over de defensie, het 6e van de Grondwet van 1814, na eerst aan de goedkeuring van den Souvereinen Vorst onderworpen te zijn[675], in de daaropvolgende zitting, die van 28 Februari, door beide heeren voorgesteld en door de commissie aangenomen.

[674] _Ontstaan_ I, 423.

[675] _Ontstaan_ I, 440, 445.

Wat was de drijfveer der commissie om dit nieuwe Hoofdstuk in de Grondwet te plaatsen? Wanneer men het eerste artikel (art. 121), waarin op voorstel van Hogendorp[676] naar _'s lands oude gewoonte en het grondbeginsel der Unie van Utrecht_ verwezen werd, leest, zou men denken dat het de bedoeling was om de ingezetenen aan hunnen plicht te herinneren, de wapenen op te vatten tot handhaving van de onafhankelijkheid van den Staat. Wanneer men echter in het volgende artikel (122) den Souvereinen Vorst de plicht ziet opgelegd, te zorgen voor eene toereikende zee- en landmacht, door werving van inboorlingen of vreemdelingen te verkrijgen, dan wordt het duidelijk, dat men dien last zoo weinig mogelijk drukkend wenschte te maken. Eerst als aanvulling komt de militie en de schutterij (art. 123-126). De militie, door loting samengesteld uit de ingezetenen van 18-22 jaren, die vijf jaar zullen dienen en in den regel 1 maand 's jaars in den wapenhandel geoefend worden, behoudens het recht van den Souvereinen Vorst om 1/4 van het geheele getal te doen samenblijven, en om in buitengewone omstandigheden dit te doen met de geheele militie; in 't laatste geval echter in nader overleg met de Staten-Generaal. De wet zoude voorts het getal en de inrichting der militie bepalen. En eveneens zoude eene wet gemaakt worden voor de naast of achter de militie geplaatste schutterij, vooral bestemd tot behoud der inwendige rust. Ik leid uit een en ander af, dat het opnemen van dit hoofdstuk in de Grondwet ten doel heeft gehad, het recht van den Staat binnen zekere grenzen te beperken, om tevens daardoor de ingezetenen gerust te stellen, dat het met die gedwongen dienstneming wel zoo'n vaart niet zou loopen.

[676] _Ontstaan_ I, 424.

In dien geest handelde dan ook de Souvereine Vorst, toen hij de werving niet alleen bepaalde tot de ingezetenen, maar ook krachtige pogingen in het werk stelde tot indienstneming van vreemde troepen. Ook hierbij kan men spreken van »als van ouds". Het oog werd daarvoor op Duitschland en Zwitserland gericht. De Nassausche erflanden, in 1813 weder in 't bezit van den Souvereinen Vorst gekomen, leverden 2000 man; het door den anderen tak bezeten Nassau 3000; eenige Zwitsersche kantons 8000. De belangen der soldaten werden door hunne overheid in zoover niet uit het oog verloren, dat zij alleen in geval van nood in Zeeland zouden mogen verblijven en in geen geval naar de Koloniën gezonden mochten worden[677]. Men had dus wel eenige zorg voor de gezondheid der troepen. Alleen de Vorst van Inn- en Kniphausen leverde ± 1000 man voor de Koloniën, tegen f 130 per stuk.

Doch geheel en al konden de ingezetenen toch van den dienstplicht niet worden bevrijd. Noch het in dienst nemen van vreemde troepen, noch het werven van soldaten was in staat eene voldoende legermacht te vormen. Het was dus gelukkig dat de Grondwet eene achterdeur had opengelaten voor de invoering van den gedwongen dienst. De wetten van 27 Februari 1815 (_Staatsblad_ nos. 19, 20) gaven uitvoering aan het zesde hoofdstuk der Grondwet. De eerste betrof de nationale militie, de tweede de schutterijen. De militie werd ongeveer op dezelfde leest geschoeid als de landmilitie van 1813. Het land verdeeld in districten van 100.000 zielen: op elk district een bataillon infanterie en eene afdeeling artillerie, te zamen 1000 man. Dit getal te verkrijgen allereerst door vrijwilligers en daarna door loting uit de ongehuwde ingezetenen van 18 tot 22 jaren. Zij, die niet vrijgeloot waren, hadden, zoo zij zelven niet wilden dienen, het recht, òf hun nummer met dat van een vrijgelote te verwisselen, òf een plaatsvervanger te stellen. Verboden werd het zenden van de militie naar de koloniën, en voor het zenden daarvan buiten de grenzen der Vereenigde Nederlanden was de toestemming der Staten-Generaal noodig. Van 15 Mei tot 15 Juni zoude de militie geoefend worden. Terugkeer tot de haardsteden van minstens 3/4 na afloop dezer oefening. Zoo verkreeg men eene macht van ongeveer 20.000 man, waarvan het waarschijnlijk was, dat een vierde steeds onder de wapenen zoude worden gehouden. Het was de bedoeling, dat van het 3/4 't welk naar huis ging, ook de militie-officieren en onderofficieren, die voor het overige met die van de staande armee werden gelijk gesteld, verlof zouden bekomen.

[677] De conventies, door den Souvereinen Vorst in 1814 en in de eerste helft van 1815 gesloten, vindt men bij Lagemans. Zie ook zijne Inleiding, § 59.

De wet van dezelfde dagteekening betrekkelijk de schutterijen, bracht hare sterkte op 3% der bevolking, beschouwde ze als een plaatselijke instelling en verdeelde ze in _dienstdoende_ en _rustende_, de eerste in plaatsen boven de 2500 zielen op te richten, en beide samen te stellen uit de ingezetenen, die den vollen ouderdom van 18 jaren zouden hebben bereikt en het 51ste nog niet waren ingetreden. In tijd van vrede strekten de dienstdoende tot behoud der inwendige rust, en in tijd van oorlog gezamenlijk met de rustende tot verdediging van het vaderland. Om uittemaken, wie tot den schutterlijken dienst zoude worden aangewezen, werd niet de toevlucht genomen tot het lot: de aanwijzing werd overgelaten aan eene commissie, die, daarbij lettende op leeftijd en ongehuwden staat, de meest geschikten moest uitkiezen.

Zoo werden dan, overeenkomstig de Grondwet, ook op het gebied der landsverdediging de Fransche instellingen door nationale vervangen. Ook nog ten opzichte van een hiertoe eveneens behoorend onderwerp. Ik bedoel het militair strafrecht en zijne toepassing.

Zij die, hetzij te land, hetzij te water, geroepen zijn voor de onafhankelijkheid van den Staat te waken, vormen een bijzondere maatschappij. Eene maatschappij, die men in orde tracht te houden door een haar eigen gevoel van eer en een daarmede in verband staand _esprit de corps_. Men moet »eenstemmig tot het welzijn en de eer van een ieder in het bijzonder, van het Korps in het algemeen en dus ook tot het wel betrachten van 's lands dienst medewerken"[678]. Voorzoover dit bij de zwakheid der menschheid niet afdoende werkt, moeten strenge tucht en streng recht het ontbrekende aanvullen. Zoo hebben het leger zoowel als de marine behoefte aan bijzondere regelen ter handhaving van de orde in die militaire maatschappij. Dat in de Fransche wetgeving dergelijke regelen niet ontbraken, sprak van zelf; dat zij voldoende waren, was ook niet te ontkennen; men zou dus verwacht hebben, dat men zich voorloopig met het Fransche militaire strafrecht zoude hebben beholpen. Het schijnt echter, dat, evenals men de wetten op de conscriptie als vervallen beschouwd had, ditzelfde ook het geval is geweest met het militaire strafrecht. Dergelijke ongeregelde toestand kon niet blijven. Men zou hebben gevangenen, gearresteerden, zonder wetboek, zonder rechter. Van hier dat reeds bij besluit van 30 December 1813 (_Staatsblad_ no. 19), voor zoover de qualificatie van misdaden en strafbepalingen aanging, weder ingevoerd werd het Reglement van krijgstucht of Crimineel Wetboek voor de Militie van den Staat van 26 Juni 1799. Met de marine zou men zich intusschen zonder wettelijke regelen trachten te behelpen, in het vertrouwen, dat binnen zeer korten tijd het onderwerp in zijn vollen omvang zoude zijn geregeld. Eene verwachting die hierin haren grond had, dat op het oogenblik der inlijving eene geheel nieuwe militaire strafwetgeving zoo goed als gereed was geweest. De commissie, door den Souvereinen Vorst reeds den 18den December 1813 voor de Armee benoemd, en den 27sten December 1813 voor de Marine aangevuld, gebruikte de aanwezige bouwstoffen, en was zoo spoedig met haar werk gereed, dat de Souvereine Vorst reeds den 10den Juli 1814 aan de Staten-Generaal eene wet over dit onderwerp kon inzenden[679], die, door dit lichaam aangenomen, onder de dagteekening van 20 Juli 1814 in het _Staatsblad_ verscheen. Zij behelsde de vaststelling van vijf wetboeken[680].

[678] § 3 van de Inleiding tot het Reglement van krijgstucht voor het krijgsvolk te lande, van 15 Maart 1815.

[679] De man, die den grootsten invloed op deze zaak heeft uitgeoefend, was F. H. Moorrees, vroeger onder koning Lodewijk lid der Hooge Militaire Vierschaar, thans lid van het Hooggerechtshof en benoemd tot president der Commissie. De man was geen optimist. In een advies aan van Maanen van 28 December 1813 schrijft hij: »Nu wil alles vegten, elk loopt te wapen, kundig of onkundig, en pas op, het geringste, dat er gebeurt, gaan ze loopen als hazen; den eenen Commandant zondigt uit doldriftigheid, den ander uit onkunde, den derden, omdat hij nog geen genoegzame kennis met de kogels gemaakt heeft, een vierde pleegt groote verzuimen uit onagtzaamheid, enz.; dus ik zie binnen weinig tijd, als de vijand ons meer ontrust, handen vol werk, en hoe dan? dan zul je misdaden hebben--gevangenen, gearresteerden--zonder Wetboek, zonder Regter; waar zal dat heen? Ik houde dus het acheveren van dit stuk in 't ogenblik waarin wij zijn, alzoo pressant als de constitutie, want ik voorzie nog wel, dat er een krabbelvuistje zal voorvallen" (te vinden bij Mr. H. van der Hoeven, _Onze Militaire Strafwetgeving_, 28).

[680] 1. Een crimineel wetboek voor het krijgsvolk te water; 2. een reglement van discipline voor het krijgsvolk te water; 3. de rechtspleging voor het krijgsvolk te water; 4. de rechtspleging voor het krijgsvolk te lande; 5. eene provisioneele instructie voor het Hoog Militair gerechtshof.

Deze regelden echter niet het geheele onderwerp. De Wet van 1799 bleef voorloopig gehandhaafd. De ontwerpen betrekkelijk het crimineel wetboek voor het krijgsvolk te lande, en het reglement van discipline voor hetzelfde krijgsvolk, moesten nog aan een nader onderzoek worden onderworpen. Waarom? De moeilijkheid zat niet in de vraag, of ook de gemeene misdrijven aan de militaire jurisdictie zouden worden onderworpen. Dit onder de Republiek der Vereenigde Nederlanden zoo betwiste punt was na de omwenteling van 1795[681] in ontkennenden zin beslist. Reeds koning Lodewijk had gewenscht, dat hierop zoude worden teruggekomen[682]; zijne aftreding verhinderde echter de uitvoering van dit voornemen; nu was het de Fransche wetgeving die het na de Revolutie gehuldigde beginsel weder ter zij zette. Hierin bracht de verdrijving der Fransche heerschappij geene wijziging. Immers art. 115 der Grondwet van 1814 onderwierp ook de gemeene delicten aan de militaire rechtspleging. Dit kon dus bij de vaststelling der nieuwe regeling geene aanleiding tot bezwaar opleveren. Waarin zat het bezwaar dan? In de vraag, of krijgstucht kon gehandhaafd worden zonder lichamelijke tuchtiging; iets, wat door velen werd betwijfeld. Bij de Marine meende men vrij algemeen het kielhalen en laarzen, het uit de ra vallen en laarzen, het slaan met handdaggen niet te kunnen missen. Zij kregen dan ook hunne plaats in het Crimineel Wetboek voor de zeemacht (art. 22). Ten opzichte van de Armee had echter Koning Lodewijk de stokslagen en de slagen met de sabel afgeschaft[683]. Overeenkomstig de ontwerpen van Koning Lodewijk en met toestemming van den Souvereinen Vorst had men dan ook in de Commissie deze straffen bij de Armee weggelaten. De Erfprins, wiens militaire ondervinding gewicht in de schaal moest leggen en die dit middel bij het Engelsche leger had zien werken, vreesde dat de discipline zonder die tuchtmiddelen niet kon worden gehandhaafd. Eveneens de Raad van State, in wiens handen de ontwerpen om advies waren gesteld. Men wees op de nauwe betrekking tusschen deze zaak en den geest der tijden; in de laatste helft der vorige eeuw was het slaan in zwang geraakt, uit Duitschland in Frankrijk overgebracht en tot een uiterste gedreven. Na de Fransche revolutie werd het afgeschaft uit vrees dat de militaire geest er door zoude worden uitgedoofd. De Raad meende echter zeker te weten, dat men zelfs in de Fransche armee daarop was teruggekomen; een kapitein kon een soldaat binnensmuurs met rietjes doen slaan, onder den naam van _correction paternelle_, en als 't ware met zijne toestemming, ten einde een toegewezen onteerende straf te ontgaan[684]. Het gevolg was, dat in de bij de wet van 15 Maart 1815 (_Staatsblad_ no. 26) bekrachtigde twee ontwerpen[685], overeenkomstig het Reglement van 1799 de slagen onder zekere waarborgen in eere hersteld werden. Zij bleven bestaan totdat de wetten van 14 November 1879 (_Staatsblad_ no. 191-194) zoowel voor het krijgsvolk te water als te lande lichamelijke tuchtiging afschaften.

[681] Art. 298 Staatsr. van 1798, art. 86 Staatsr. van 1801, art. 75 Staatsr. van 1805, art. 70 Constitutie van 1806. Zoo ook Reglement van 1799, afd. 2, Hoofdstuk _b_, art. 1.

[682] Van der Hoeven, bl. 6. Art. 70 der Constitutie had dan moeten worden gewijzigd.

[683] Van der Hoeven, 8.

[684] Van der Hoeven, 62, 173.

[685] Bij deze wet werden vastgesteld: 1. een crimineel wetboek voor het krijgsvolk te lande; 2. een reglement van discipline voor hetzelve krijgsvolk.

Uit het voorgaande blijkt tevens, dat bij de wetgeving van 20 Juli 1814 tevens uitvoering was gegeven aan art. 115 van de Grondwet, hetwelk voorschreef de oprichting van een Hoog Militair Gerechtshof.

Zoo waren dan het militaire strafrecht en de militaire rechtspleging binnen één jaar na de invoering der Grondwet opnieuw geregeld, in harmonie met de op dat tijdstip hier te lande bovendrijvende meening[686].

[686] Bij dit onderwerp behoort nog de strafwet van 25 Juni 1814 (_Staatsbl._ no. 72), aangevuld door de wet van 19 November 1814 (_Staatsbl._ no. 107) tegen de begunstiging van desertie van het krijgsvolk van den Staat. Het werd uitgevaardigd tegelijk met het generaal pardon voor de deserteurs der landmacht (besluit van 25 Juni 1814, _Staatsbl._ no. 71). Men denkt aan het gezegde van Moorrees (hierboven bl. 347), wanneer men in den aanhef van dit besluit hoort spreken van »menigvuldige manspersonen, welke in de eerste dagen van de gelukkige omwenteling dienst genomen hebben of ook tot de landmilitie opgeroepen zijnde, veelal door onbedachtzaamheid en losheid hun corps hebben verlaten."

Het is meteen een geschikte overgang tot hetgeen ik nu wensch uiteen te zetten. Ook de gewone maatschappij heeft behoefte aan wetgeving en rechtspraak. Dit onderwerp, reeds vroeger meer dan eens door mij aangeroerd, verdient eenige nadere bespreking.

Had het beginsel der staatseenheid moeite gehad vóór 1810 op het gebied der belastingen te zegevieren, op het oogenblik der inlijving was het nog niet gelukt, eenheid van recht en rechtspraak hier te lande te vestigen. Had koning Lodewijk een paar jaren langer kunnen regeeren, hij zoude dit hebben tot stand gebracht. Nu waren, zooals reeds hierboven is opgemerkt[687], alleen ingevoerd het Crimineel Wetboek en het Burgerlijk Wetboek, het eerste den 1sten Februari 1809, het tweede den 1sten Mei 1809. Vastgesteld waren de wetboeken betreffende de rechterlijke instellingen en de burgerlijke rechts- en strafvordering, maar zij waren nog niet in werking getreden. Het door van Gennep, Asser en van der Linden ontworpen Wetboek van Koophandel was ontwerp gebleven. Midden in dien wetgevenden arbeid was de inlijving gekomen en zij had ons de Fransche Codes gebracht: le Code Napoléon, le Code de procédure civile, le Code de commerce, le Code d'instruction criminelle en le Code pénal. Deze wetboeken waren den 1sten Maart 1811 ingevoerd en zij hadden dus meer dan twee jaren gewerkt. Een wederinvoering van het Wetboek Lodewijk Napoleon kwam minder in aanmerking, daar het in de hoofdzaak overeenkwam met den Code Napoléon. Meer voorliefde schijnt men gehad te hebben voor het Crimineel Wetboek, doch om dit te doen werken zoude ook de Code d'instruction criminelle hebben moeten worden vervangen door de Strafvordering van koning Lodewijk, die eene doode letter was gebleven. Daar het Crimineel Wetboek de Fransche verdeeling in misdaden, wanbedrijven en overtredingen niet kende, zou men de Fransche Instruction Criminelle niet hebben kunnen laten bestaan naast dat Crimineel Wetboek. Hetzelfde was het geval met de Rechterlijke Organisatie, tusschen welke en de Wetboeken een nauw verband bestond; ook die van koning Lodewijk, hoewel nimmer ingevoerd, had dan moeten in werking treden. Het was dus zeer verklaarbaar, dat, welk eene innige betrekking er ook geacht worde te bestaan tusschen het rechtswezen en den nationalen geest, de Fransche wetgeving bleef voortbestaan, althans tot punt van uitgang werd genomen. Want geheel ongewijzigd bleef zij niet. Het beroep op het Hof van Cassatie te Parijs vervallende, bleef het Hooggerechtshof in den Haag het hoogste rechterlijk collegie hier te lande. Het besluit van 11 December 1813 (_Staatsblad_ no. 10) maakte van dit Hooggerechtshof het eenig collegie van hooger beroep voor het geheele land; het beroep in cassatie verviel dus, behoudens dat bij de berechting van misdaden dit Hof ongeveer dezelfde taak te vervullen kreeg, die vroeger rustte op de Cour de Cassation te Parijs (art. 19, 20, 26). Soortgelijke regeling--benevens eenige overgangsbepalingen--was niet te vermijden. Men ging echter verder. Bij datzelfde besluit toch werd de jury afgeschaft; de Hoven van assises, bestaande uit leden der rechtbank en uit een lid van het Hooggerechtshof, zouden voortaan niet alleen over de toepassing der wet, maar ook over schuld of onschuld uitspraak doen (art. 16). Dat men nu, zonder eenige ontevredenheid te wekken, de jury kon ter zijde zetten, is niet alleen hieraan toe te schrijven, dat de vreemdeling ons die instelling had gebracht. De latere geschiedenis heeft toch het tegendeel bewezen. Terwijl wij van alle zijden omringd zijn door volken, die zelven deelnemen in de strafrechtspraak, heeft de jury ook in lateren tijd bij ons geen ingang kunnen vinden--hetzij dan om het groote vertrouwen dat men stelt in den Nederlandschen rechter, hetzij wegens de weinige opgewektheid hier te lande, om zich met de publieke zaak te bemoeien. Eveneens kon men zonder bezwaar de publiciteit bij de straf zittingen besnoeien. Alleen de pleidooien zouden voortaan in het openbaar gehouden worden, en de vonnissen in het openbaar worden uitgesproken. Doch wat aan de pleidooien en aan het vonnis voorafging, datgene dus waaraan zoowel het een als het ander moest worden getoetst, werd, in strijd met de Fransche regeling, aan de kennisneming van het publiek onttrokken. Eerst de Wet op de Rechterlijke Inrichting voerde 1 October 1838 de openbaarheid der terechtzittingen ook in strafzaken weder in. Deze beperking der openbaarheid schijnt evenmin als de afschaffing der jury in 1813 afkeuring gevonden te hebben. Vreemd is het niet, wanneer men zich herinnert, dat de Staten-Generaal volgens de kort daarna vastgestelde Grondwet eveneens in het geheim vergaderen zouden, en dat, toen in 1815 de openbaarheid van de zittingen der Tweede Kamer werd voorgesteld, deze nieuwigheid het eenige bezwaar was, dat de Staten-Generaal tegen de Grondwet van 1815 inbrachten[688]. Publiciteit was in die dagen niet nationaal.

[687] Bl. 327.

[688] _Ontstaan_ II, 606.