De Wedergeboorte van Nederland
Part 33
De Souvereine Vorst deed dus wat het algemeen bestuur had gedaan: hij liet, behoudens de wijzigingen die hij wenschelijk achtte, de wetgeving zooals hij die vond in wezen. Er waren echter hier te lande, die dit niet hadden begrepen. De Fransche wetgeving had ons iets gebracht, dat reeds onder koning Lodewijk beloofd was, maar nog niet in werking was getreden: de akten van den burgerlijken stand; niet alleen een doeltreffend middel tot verzekering van den staat der personen, maar tevens een niet genoeg te waardeeren wapen tegen de heerschzucht der geestelijkheid. Nu waren er die meenden, dat met de verdrijving van den vreemdeling te dezen opzichte de oude toestand was herleefd. Bij besluit van 16 Februari 1814 (_Staatsblad_ no. 26) moest de Souvereine Vorst een naderen termijn verleenen aan hen, die verzuimd hadden, geboorten, sterfgevallen enz. aan te geven, een verzuim, dat, zeide de Souvereine Vorst, een gevolg was van het »dwalend denkbeeld, dat alle instellingen zonder onderscheid, uit de inlijving met Frankrijk afkomstig, door de gezegende verandering van zaken in dit land, waren komen te vervallen."
Zoo bleef dan de Fransche wetgeving bestaan, voorzoover ze niet door het algemeen bestuur gewijzigd was en later door den Souvereinen Vorst, vóór de aanneming der Grondwet van 29 Maart 1814 door hem alleen, daarna in overleg met de Staten-Generaal, gewijzigd zoude worden.
In hoever heeft vóór en onder de Grondwet van 1814 dit laatste plaats gehad? Het is niet mijne bedoeling deze vraag volledig te beantwoorden; ik wensch mij tot enkele hoofdpunten te bepalen.
Het Staatsbestuur heeft, zal het zijne taak kunnen vervullen, uitgaven te doen. Zij moeten in den nieuwen tijd grootendeels gevonden worden uit de bijdragen der ingezetenen. Een belangrijk gedeelte van de Staatszorg heeft dus betrekking tot de financiën, en in 't bijzonder tot de heffing van belastingen. Men was vóór de inlijving er in geslaagd de belastingen van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, die met eene enkele uitzondering, de convooien en licenten, een provinciaal karakter droegen, te doen vervangen door algemeene belastingen en alzoo uitvoering te geven aan de beloften, reeds gedaan door de Staatsregeling van 1798 (art. 200). Iets wat door Hogendorp nog na de omwenteling van 1798 zoo goed als onmogelijk beschouwd werd[650], was onder Schimmelpenninck door de kunde en energie van den financier der Revolutie, Gogel, tot stand gekomen[651]. Het beginsel der Staatseenheid was dus op dit gebied verwezenlijkt.
De groote maatregel was geslaagd, alleen had de opbrengst der belastingen niet hoog genoeg kunnen worden om de uitgaven te dekken. Men stond onder koning Lodewijk nog telken jare voor een aanzienlijk tekort. Toen nu ons land in het groote Rijk werd ingelijfd, kon een afzonderlijk belastingstelsel moeilijk blijven bestaan. Maar de Fransche belastingen waren lichter; ze zouden dus eene mindere opbrengst geven. De moeilijkheid werd opgelost door de schrapping van 2/3 van de rente der staatsschuld door de zoogenaamde tierceering. Was die maatregel voor de renteheffers een financieele ramp, de daardoor met ongeveer 24 millioen verminderde uitgaven zouden nu door de opbrengst der Fransche belastingen kunnen worden gedekt. Waarom echter met de invoering dezer belastingen gewacht tot 1 Januari 1812?[652]. Dit geschiedde niet alleen om de Hollandsche ambtenaren in staat te stellen, op de hoogte te komen der Fransche inrichtingen; het geschiedde ook, omdat de behoeften van het jaar 1810 en 1811 anders niet voldoende konden worden gedekt. Alleen werden reeds met 1 Januari 1811 de directe belasting op het meubilair en de accijnzen op zeep en vleesch afgeschaft, en werden ook in andere opzichten de belastingen verminderd. Toen nu op 1 Januari 1812 het Fransche belastingstelsel werd ingevoerd, verdwenen daardoor tevens de accijns op het gemaal en die op de brandstoffen. De geldelijke uitkomst van de Fransche belastingen was deze, dat, terwijl de opbrengst der belastingen in 1810 ongeveer 42 millioen gulden had bedragen, zij in 1811 verminderde tot 33-4/10 millioen gulden, om in 1812 tot 61-1/2 millioen franc te dalen[653].
[650] _Br. en Ged._ III, 105.
[651] Sillem, _Gogel_, 54.--»Men zou bijna kunnen zeggen: wat thans op financieel gebied te doen valt, bestaat in de consequente toepassing der beginselen, die Gogel heeft uitgesproken, in het doortrekken der groote lijnen van het stelsel van 1805" (N. G. Pierson in _Gids_ 1881, III, 28).
[652] Decreet van 21 October 1811.
[653] Sickenga, _Geschiedenis der Nederlandsche belastingen sedert 1810_, I, 10 vv.
Toen de Souvereine Vorst het bestuur overnam, was hier alzoo het Fransche belastingstelsel in werking. Niettegenstaande hij de kassen ledig vond, meende hij toch maatregelen te mogen nemen, die eene mindere opbrengst der belastingen ten gevolge moesten hebben. Op denzelfden dag, dat hij de Regeering aanvaardde, nam hij een besluit tot verlaging van het recht op de dranken en een en ander van nog grooter gewicht, waarbij het Staatsmonopolie van de tabak, de zoogenaamde regie, werd afgeschaft[654]. Welke denkbeelden den Vorst bezielden, blijke uit den aanhef van dit besluit, waarin hij den koophandel beschouwde, »als de bron van vroegeren luister", elk monopolie verklaarde te zijn onbestaanbaar met zijne grondbeginselen en »strijdig met de liberale denkbeelden, welke de Nederlandsche Regeering steeds hadden gekenmerkt."
[654] Besluiten van 6 December 1813 (_Staatsblad_ no. 5 en 7).
Een besluit van den volgenden dag werkte in diezelfde richting[655]. Het betrof de afschaffing van »het principe" der gehate Fransche douanes en de wederinvoering van de Convooien en Licenten, tegelijk met het buitenlandsch lastgeld op de schepen. De in den tijd der Spaansche troebelen geheven Licenten wegens den handel op den vijand, en de Convooien of geleidegelden, toen geheven voor de bescherming der zeevaart of als afkoop voor plundering en kaperij, waren, nadat de redenen voor de heffing niet meer bestonden, als belasting op den in-, uit- en doorvoer van waren blijven bestaan. Het was tegelijk met het buitenlandsch lastgeld de eenige belasting, die onder de Republiek der Vereenigde Nederlanden voor de Generaliteit werd geheven[656]. Het laatst vastgestelde tarief, dat van 1725[657], was nimmer door een nieuw tarief vervangen; alleen werd het jaarlijks herzien en dan soms gewijzigd. Ook Gogel had deze belasting onaangeroerd gelaten. Zij werd nu door den Souvereinen Vorst hersteld, zooals zij volgens de Wet van 29 December 1809 het laatst was herzien. Men dient bij dat punt niet te vergeten, dat het onder de Fransche overheersching zoo uitgestrekte tolgebied nu weder tot de oude grenzen was ingekrompen, en dat alzoo het behoud van het hooge Fransche tarief dubbel drukkend zoude geweest zijn. Bij hetzelfde besluit, eenige dagen later aangevuld[658], werden tevens hersteld de niet tot de Convooien en Licenten behoorende imposten op onderscheidene buitenlandsche producten, die geheven werden volgens de Wet van 18 December 1805 en hoofdzakelijk moesten dienen tot equivalent van de hier te lande op die goederen gelegde accijnzen.
[655] Besluit van 7 December 1813 (_Staatsblad_ no. 9).
[656] Fruin, _Tien jaren_ (6e druk), 51; Sickenga, _Belastingen der Republiek_, 102, 132; Sillem, _Gogel_, 159.
[657] _Groot Placcaatboek_, VI, blz. 1338.
[658] Besluit van 16 December 1813 (_Staatsblad_ no. 12).
De Souvereine Vorst moest echter spoedig inzien, dat althans in de eerste tijden niet aan een verlichting der belastingen, eerder aan verzwaring daarvan zou moeten gedacht worden. Voor de verdrijving der Franschen van het grondgebied waren niet alleen soldaten, er was daarvoor bovendien geld noodig. Toen de Souvereine Vorst bij besluit van 6 December 1813 (_Staatsblad_ no. 6) de Nederlanders te wapen riep, deed hij tegelijk een beroep op hunne beurzen. »Gedwongen leeningen voegden niet aan een volk, dat zijn eigene belangen vrijwillig op zich had genomen". Door vrijwillige bijdragen moest de schatkist worden gevuld. De bron vloeide echter niet ruim genoeg om daarmede de behoefte te kunnen dekken[659]. Evenmin kon aan het oogmerk voldoen, dat de ingezetenen bij besluit van 18 December 1813 (_Staatsblad_ no. 13) werden uitgenoodigd tegen genot van 1/2% per maand voorschotten te doen op de belastingen, door hen over 1814 te betalen. Ook al ware deze maatregel beter geslaagd dan het geval schijnt te zijn geweest, kon hij alleen voor het oogenblik helpen, en dit nog wel ten koste van de inkomsten van het volgende jaar. De Souvereine Vorst moest dus wel zijne toevlucht nemen tot eene nieuwe regeling der belastingen.
[659] Aan vrijwillige giften werd in December 1813 en in de eerste maand van 1814 ruim f 1.200.000 ontvangen (Stuart, _Jaarboek voor 1814_, bl. 194).
»In aanmerking nemende de noodzakelijkheid om ten spoedigste aan 's lands schatkist te verzekeren de geldmiddelen, welke dezelve in staat kunnen stellen om gedurende 1814 te voorzien in de vaste en gewone uitgaven, die, ter voldoening der verschuldigde renten van de nationale schuld, ter bestrijding van de onkosten voor het inwendig Bestuur, voor den Waterstaat, voor de Zeemacht, mitsgaders voor de defensie en de armee van den Staat en derhalve ook, om een krachtdadig deel te nemen in den oorlog, welke voor de onafhankelijkheid der Staten van Europa gevoerd wordt, benoodigd zijn." Zoo luidde de aanhef van 's Vorsten besluit van 23 December 1813[660], aanwijzende de belastingen in 1814 te heffen. Bij dit besluit ging de Souvereine Vorst een stap verder in de richting van de afschaffing der Fransche belastingen en de vervanging daarvan door belastingen volgens het stelsel van Gogel. De zoogenaamde vereenigde rechten maakten plaats voor de accijnzen, op het oogenblik van de inlijving bestaande. Zout, gedistilleerd en wijn werden weder volgens de Hollandsche wetgeving belast; de accijnzen op turf, zeep en gemaal, in het Fransche stelsel niet bekend, traden weder uit het niet te voorschijn. De domaniale, provinciale en watertollen traden in de plaats der _droits de navigation_, eveneens een der vereenigde rechten. Zoo herleefden ook het recht op de waag en op de ronde maat, van oudsher in ons land bekende belastingen, drukkende, met vrijstelling van den kleinhandel, op den verkoop van goederen 't zij bij de maat, 't zij bij het gewicht. Tevens werd weder ingevoerd de belasting op de binnenlandsche scheepvaart, geheven onder den naam van het binnenlandsch last-, water-, plaisier- en passagegeld. De wederinvoering van Gogel's wet op de successie was eenerzijds eene verlichting, doordat het successierecht in de nederdalende lijn, in Frankrijk geheven, hierdoor verdween; anderzijds was het eene verzwaring, daar het tarief van Gogel veel hooger was dan het Fransche[661].
[660] _Staatsblad_ no. 17.
[661] Wet van 4 October 1805. Het recht was 10% van 't saldo der nalatenschap; vrijgesteld waren de nederdalende lijn, en de ouders voor zoover hun aandeel bij versterf betrof; verminderd werd dit recht eveneens voor het aandeel bij versterf, tot 5% voor grootouders en broeders en zusters, tot 7-1/2% voor bloedverwanten in den derden graad. Volgens de wet van 22 frimaire jaar VII bedroeg het recht in de rechte lijn 1/4% van roerende, 1% van onroerende goederen, en in de zijlinie 1-1/4% van roerende, 5% van onroerende goederen. Daar het recht werd geheven van al het goed, zonder aftrek der schulden, zoo was de verzwaring door de wederinvoering der Hollandsche wet niet zoo groot, als het oppervlakkig zou schijnen.
In vele opzichten keerde men dus tot de Hollandsche wetgeving terug. Van de belastingen bleven vooreerst de grondbelasting, een deel der personeele en patentbelasting, benevens de rechten op den waarborg[662] aan de Fransche wetgeving onderworpen, terwijl ook de zegel-, registratie-, griffie- en hypotheekrechten, de drie laatste onbekend in Gogel's stelsel, op denzelfden voet als tot dusver zouden worden geheven.
Het valt niet gemakkelijk na te gaan, wat den Souvereinen Vorst heeft bewogen van de Fransche belastingen deze te behouden, gene af te schaffen. Voorzeker waren het niet altijd redenen uit het belang der schatkist geput, die tot het een of ander hadden doen besluiten. Dat bij de afschaffing der tabaksregie een ander doel beoogd werd, sprong ook, al ware dit niet uitdrukkelijk gezegd, duidelijk in het oog. Soortgelijke redenen werkten ook mede bij de wederinvoering van de Convooien en Licenten. Zij waren, voorzoover dit van eenige belasting kan gezegd worden, steeds populair geweest. Was de reden hiervan gelegen in de lage rechten? Maar toen de Souvereine Vorst de Convooien en Licenten herstelde, trad daardoor weder in 't leven het tarief, zooals dit bij de wet van 1809 herzien was. En dit tarief ademde een protectionistisch karakter. »De zee", zegt Hogendorp[663], »was toen gesloten, de koophandel scheen vernietigd en men zocht eenige vonken van welvaart op te wekken uit fabrieken, die om verbod of bezwaar van invoer van vreemde goederen verzochten. De vergunningen toen verleend en op de wijze van den tijd verleend, d. i. met drift en zonder vooruitzicht, bleken thans, bij den herrezen koophandel, zeer nadeelig te zijn. De belemmeringen aan den algemeenen handel toegebracht, strekten veel meer tot verachtering der nationale welvaart, dan de flauwe opbeuring van eenige fabrieken er goed aan doen kon." Dit was dan ook de reden dat men niet staan bleef bij de in December 1813 weder ingevoerde Convooien en Licenten, zooals die volgens de wet van 1809 geheven werden. De zucht »om den herlevenden koophandel te begunstigen", leidde er toe om na de invoering der Grondwet van 1814 en dus nu in overleg met de Staten-Generaal bij de wet van 25 Juni 1814 (_Staatsblad_ no. 70) het tarief in vele opzichten te verlagen. Er was echter iets anders wat bij de Convooien en Licenten opgemerkt dient te worden. »Het was", zegt Hogendorp, »eene oude gewoonte, dat de koopman verklaarde onzeker te zijn omtrent de hoeveelheid en waarde der goederen, en dat diensvolgens eene overeenkomst werd getroffen tusschen hem en den ontvanger aangaande de verschuldigde som." Hiervan was het gevolg, dat in werkelijkheid de betaalde rechten minder bedroegen dan volgens het tarief verschuldigd was. Dit vooral was het, wat deze belasting populair bij den handel had gemaakt; het was echter geen noodzakelijk gevolg van deze heffing. Men zag dan ook spoedig in, dat dit misbruik niet mocht blijven bestaan. Toen kort daarna, bij de wet van 1 December 1814 (_Staatsblad_ no. 109) de zoogenaamde premie bedragende 2% van de inkomende en 1% van de uitgaande goederen werd afgeschaft, maakte men van de gelegenheid gebruik om tevens de bepalingen van het placcaat van 1725 (art. 40-42) waarin dat misbruik geworteld was, te doen vervallen.
[662] Besluit van 26 December 1813 (_Staatsblad_ no. 18).
[663] _Bijdragen_, I, 9.
Zoo was dan voor het jaar 1814, grootendeels door maatregelen van den Souvereinen Vorst alleen uitgegaan, het belastingstelsel geregeld. Had de inlijving ons vermindering van belasting gebracht, de herstelling deed het tegenovergestelde. »De _droits réunis_," zegt Hogendorp[664], »waren afgeschaft, het monopolie van den tabak was vernietigd; maar men stelde in de plaats vroegere belastingen, (waaronder het gemaal), die veel meer opbrachten. Doch alzoo er een geduchte oorlog te voeren, de troepen der bondgenooten te voorzien, een leger op de been te brengen en een ruim materieel aan te schaffen waren, begreep de natie, dat er ook geduchte oorlogslasten tot bescherming der onafhankelijkheid moesten gedragen worden". In den loop van het jaar 1814 was echter aan den oorlog een einde gekomen en mocht men zich vleien, dat een toestand van vrede ons voortaan beschoren zoude zijn. Zoo kon men dan ook voor het jaar 1815 op vermindering van belasting bedacht zijn. Bij de wet 1 December 1814 (_Staatsblad_ no. 109) werd niet alleen de premie of het veilgeld afgeschaft, maar werden tevens de transitorechten in 1802 ingevoerd, weder op de helft gebracht, en de rechten op den indigo verlaagd. Een andere vermindering betrof de belasting op de dienstboden en paarden ten bedrage van 10%, en de afschaffing van het proportioneele recht op de patenten. Tevens werd in de eerste maanden van 1815 de belasting op paarden en dienstboden, en op de patenten, door eene geheel nieuwe regeling vervangen, waarbij weder de wetgeving van Gogel tot voorbeeld werd genomen[665].
[664] _Bijdragen_, I, 7.
[665] Wetten van 10 Februari (_Staatsbl._ no. 12, 13) en wet van 10 Maart 1815 (_Staatsbl._ no. 22).
Zoo was dan de Fransche wetgeving ten opzichte der belastingen voor verreweg het grootste deel weder vervangen door hetgeen hier te lande in 1805 en 1806 of vroeger was ingevoerd. Het waren alzoo nog alleen de grondbelasting, de belasting op den waarborg en de zegel-, registratie-, griffie- en hypotheekrechten, die aan de vreemde overheersching bleven herinneren.[666]
[666] De Fransche bepalingen op den waarborg verdwenen eerst geheel en al door de wet van 18 September 1852, die op de grondbelasting door de wet van 26 Mei 1870, die op het zegel door de wet van 3 October 1843. De griffierechten verdwenen bij de wet van 31 December 1856. Bij de registratie- en hypotheekrechten zijn de laatste sporen der vreemde overheersching eerst in 1893 uitgewischt.
Voordat ik van dit onderwerp afstap, wensch ik nog op één punt de aandacht te vestigen, dat met den omvang der toenmalige belastingen in nauw verband staat. Men had in 1814 noodig gehad f 59.800.000, terwijl de gewone inkomsten f 38.400.000 hadden bedragen. Dit moest dus over het jaar 1814 hebben gegeven een tekort van meer dan 10 millioen. Toch was er bij den aanvang van het volgend jaar een overschot van ruim 10 millioen. Van waar dit verschijnsel? Het liet zich slechts voor een klein deel verklaren door hetgeen aan vrijwillige giften was binnengekomen. De hoofdzaak lag in de 28 millioen, die ten gevolge van de wet van 14 Mei 1814 (_Staatsblad_ no. 58) in de kas waren gevloeid; de wet, die tot opschrift had: _herstel der Nationale schuld en vinding der fondsen, benoodigd tot stijving van 's lands kas_. De titel wijst aan, dat deze wet in betrekking stond tot den harden maatregel door Napoleon genomen, tot de tierceering der rente, en dat het hare bedoeling was, daarop terug te komen. Echter niet voor het geheel, maar in zoover, zeide de wet, »als de billijkheid in de tegenwoordige omstandigheden gedoogde en medebracht." Van onderscheidene zijden is sedert lang erkend, dat, had de inlijving geene plaats gevonden, het Staatsbankroet toch had moeten worden uitgesproken. Het bestond feitelijk reeds lang. Men is er echter dankbaar voor, dat het noodlot den Keizer en niet een onzer eigen vorsten tot die uitspraak dwong[667]. Men keurt het echter af, dat toen de Keizer Holland met zijne lusten opnam in het groote Rijk, hij ook niet de lasten, d. i. de volle rente voor Frankrijks rekening nam[668]. Doch dat hij dit niet gedaan had, ook daarvoor mocht de Souvereine Vorst hem dankbaar zijn. Immers zoo tijdens de Fransche heerschappij de volle rente betaald was, zoude de financieele toestand bij onze herleving veel moeielijker voor den Souvereinen Vorst zijn geweest. Dan had deze moeten voortgaan òf die volle rente te betalen, wat onmogelijk was, òf zelf een soortgelijken maatregel als dien van Napoleon moeten nemen, en dus zijne regeering met een staatsbankroet moeten inwijden[669]. De tierceering van Napoleon stelde hem nu echter in de gelegenheid, of, om zonder ergernis te verwekken, het eenmaal bestaande te eerbiedigen, of, indien hij, ook maar voor een gedeelte, op dien harden maatregel terugkwam, als hersteller van onrecht op te treden. Wat anders spoliatie zoude zijn geweest, zou nu eene weldaad worden. En als zoodanig werd dan nu beschouwd de wet van 14 Mei 1814. Zij sprak als hare bedoeling uit, de ramp te verzachten, die de renteheffers getroffen had. De maatregel, waardoor dit beoogd werd, kwam in 't kort hierop neder. De nationale schuld zoude voortaan alleen bestaan uit ééne soort effecten, 2-1/2% rente dragende. Zij die b.v. in 't bezit waren van effecten op dat oogenblik gevende f 45 rente, konden daarvoor krijgen een kapitaal van f 6000, waarvan f 2000 werkelijke, d. i. dadelijk rentegevende schuld zoude zijn, terwijl f 4000 onder de uitgestelde schuld zoude behooren. Dat is: deze zoude geene rente dragen, zoolang zij niet in de Werkelijke Schuld was overgegaan. Dit laatste zoude door middel van uitloting jaarlijks tot een bedrag van minstens 4 millioen gulden plaats vinden; iets wat tot voortdurende vermeerdering der rentegevende schuld zoude hebben moeten leiden, ware het niet, dat van deze ook jaarlijks tot een gelijk bedrag zoude worden geamortiseerd. Nu zou het alleen ten gevolge hebben, dat niettegenstaande de voortdurende amortisatie de rentedragende schuld op dezelfde hoogte bleef[670].
[667] Buys, _Nederlandsche Staatsschuld_, 17.
[668] Betz, _Bijdragen tot het Staatsbestuur_, IV, 241.
[669] Van Akerlaken, _Hendrik van Stralen_, 281.
[670] Wat de wijze van uitloting door middel der zoogenaamde _kansbilletten_ betreft, verwijs ik naar Betz, _Bijdragen_ V, 17.
Hoe bracht echter deze maatregel geld in kas? Hierdoor, dat aan de bezitters der Nederlandsche effecten de bezwarende voorwaarde was opgelegd, om, ter verkrijging van eene hoeveelheid schuld, dadelijk rentedragende f 45, eene som van f 100 in contanten te moeten bijpassen. Het gevolg hiervan was, dat alzoo eene som van 28 millioen gulden in de schatkist vloeide. Maar het gevolg was tevens, dat door de conversie, in eenerlei effect van 2-1/2 pct., het kapitaal der schuld van 1250 millioen steeg tot 1726 millioen, waarvan f 575.350.000 werkelijke en f 1.150.700.000 uitgestelde schuld. Aan eene latere verlaging der rente zou nu voortaan niet meer te denken zijn. Er zoude echter ten gevolge der verplichte jaarlijksche amortisatie, nooit meer rente behoeven betaald te worden dan van de 575 millioen. Na verloop van hoogstens 290 jaren zoude dan de uitgestelde schuld zijn verdwenen en alleen de werkelijke schuld tot dat bedrag overblijven. Het is hier de plaats niet, over de uitkomsten van dien maatregel te spreken; alleen zij herinnerd, dat, terwijl onder de regeering van Willem I er voortdurend nieuwe schuld werd aangegaan, van de uitgestelde schuld eene grootere hoeveelheid vernietigd werd, dan waartoe men volgens de wet van 1814 verplicht was, zoodat, toen men in 1841 zich genoodzaakt zag op den maatregel van 1814 terug te komen, en men de houders der uitgestelde schuld noodzaakte zich met dadelijke betaling van »de innerlijke waarde" tevreden te stellen, er van die schuld niet meer dan een kapitaal van 893 millioen in wezen was, waarvan de aflossing den Staat op 71 millioen te staan kwam[671]. »Hoe lofwaardig", zeide de memorie van toelichting op de wet van 17 September 1841, »ook de bedoeling moge geweest zijn, de ondervinding heeft geleerd, dat de genomen maatregel het voorgestelde doel niet heeft bereikt." Ook niet ten opzichte van de door de herziening getroffen renteheffers. »Zij die het meest door de herziening der rentebetaling geleden hadden, waren doorgaans het minst bij machte het aan hen gegeven renteloos fonds tot eene eventueele uitloting onaangeroerd te laten liggen; ja velen waren genoodzaakt hetzelve voor een gedeelte al dadelijk te gelde te maken, om hun aandeel in de aan de conversie verbondene bijlage te voldoen." Alleen in zoover trof die maatregel wel doel, dat hij, zonder dat men tot eene gedwongene leening de toevlucht behoefde te nemen, 28 millioen in kas bracht[672].
[671] Wet van 27 September 1841 (_Staatsblad_ no. 35). Voor duizend gulden uitgestelde schuld, benevens een nog onuitgeloot kansbillet, ook van f 1000, kreeg men in contanten f 68.