De Wedergeboorte van Nederland
Part 31
De oproeping om zich als secretaris bij het A.B. te vervoegen kwam den 22sten in zijn handen. Hij gaf er niet aanstonds gevolg aan. Er was op het oogenblik iets dringenders te doen: Amsterdam om te zetten. In overleg met den naar die stad overgekomen van der Duyn en zijn metgezel Fannius Scholten besluit Falck een laatste poging te doen tot overreding der provisioneelen; als die mislukt doordat de commandant der nationale garde, van Brienen, hem niet ondersteunt, moet er op dwang worden gezind. Daartoe zijn wel middelen voorhanden. Op zijn eigen compagnie kan Falck vertrouwen, ook wel op enkele medeofficieren. Als zij weten dat het voor Oranje gaat, zullen de Bijltjes zich niet onbetuigd laten, en het patriotsche _Doctrina_, waar de kern van den Amsterdamschen middenstand vergadert, van Hall, Wiselius en de hunnen, zegt dat het van die leus niet zal verschrikken, nu die, naar Scholten's verzekering, niet leiden zal tot een stadhouderlijke restauratie, maar tot het constitutioneele koningschap. Valckenaer heeft zijne vindingrijkheid, Krayenhoff zijn militaire ervaring, ten behoeve van iedere energieke poging gereed. Den 23sten begeeft zich Falck naar den Haag, om van de hoopvolle verwachting kennis te geven. Als hij aankomt, hoort hij dat Kemper en Scholten reeds als commissarissen van het Bestuur naar Amsterdam vertrokken zijn; hij keert nu terug om hunne pogingen met zijne compagnie de noodige kracht te kunnen bijzetten. Na een laatste overleg met Valckenaer laat hij haar aantreden op het Koningsplein en begeeft zich naar het hôtel waar Kemper en Scholten gelogeerd zijn, om hun kennis te geven dat hij tot hun beschikking staat voor de »onaangename middelen" waarmede de Amsterdamsche Raad alleen tot rede kan worden gebracht[601]. Onderweg stuit hij op het troepje kozakken, dat thans de eer genoot van der Hoop c.s. de schroomvalligheid te doen afleggen die beraden Hollanders gereed stonden hun uit te kloppen.
[601] Falck's _Gedenkschriften_, 110.
Zoodra Utrecht ontruimd was zeide Falck den schutterlijken dienst vaarwel en ging zijn post innemen bij het Bestuur (28 Nov.). Changuion had secretariaat gehouden zoo goed het ging, in het beneden zijkamertje van Hogendorp's huis, tegelijk »tot zoeten inval strekkende aan allen die belust waren op eenig nieuws, en ook tot wachtplaats voor hen, die aan het Bestuur iets te berigten of voor te stellen hadden"[602]. Falck nam wat er aan papieren was, van hem over, en vestigde zijn bureau in het logement van Rotterdam op het Plein, waar hij van den 29sten af zetelt. Onmiddellijk vallen nu in de zaken van het Bestuur eene regelmaat en snelheid van afdoening op, die tot dusver uit verklaarbare oorzaken hadden ontbroken. Het eerste werk waaraan hij zich zet, is de organisatie der departementen van algemeen bestuur; 29 Nov. worden financiën en oorlog ingericht, 1 Dec. binnenlandsche zaken. Falck's titel is: »Algemeen Secretaris van het Bestuur".
[602] Aldaar, 113.
De aanstelling van A. Hoynck van Papendrecht, oud-baljuw van Zuid-Holland, tot commissaris-generaal van politie, is van 30 Nov. Het is geheel een tijdelijke maatregel. Van uit Gorkum waren nog herhaaldelijk aanschrijvingen door de Fransche autoriteiten gedaan; men had op verdachten te letten en het briefverkeer te bewaken. Er waren bij de Franschen ook Hollanders als politie-ambtenaren aangesteld geweest, waarvan sommigen thans den opstand dienden als de bekende Ampt in den Haag, een man die door zijn tijdigen overgang een oogenblik een importantie kreeg ver boven zijn bekwaamheden. Hij was alleen voor plaatselijken dienst geschikt doch had, na 23 Nov. te zijn aangesteld tot »directeur van politie in het ressort van den Haag", den 25sten den titel verkregen van »provisioneel intendant-generaal van politie", daar men de behoefte gevoelde aan een centraal punt. Hij wordt nu 30 Nov. tot zijn niet geringe woede vervangen door iemand van hooger maatschappelijken rang, oud-rechterlijk ambtenaar. Handhaving der politie als een zelfstandig Staatsdepartement heeft nimmer in de bedoeling gelegen; 2 Febr. 1814 reeds keert men tot de vaderlandsche traditie terug door de algemeene politie ondergeschikt te maken aan den procureur-generaal.
Summa summarum mag men vaststellen, dat reeds vóór de Prins de regeering aanvaardde, alle belangrijke takken van algemeen bestuur benevens de justitie in handen waren van lieden òf na de revolutie opgekomen òf met de resultaten der revolutie in vroeger ambt vertrouwen geraakt: Canneman, Piepers, van Stralen, van Maanen; terwijl het algemeen secretariaat mede aan een man van na '95 was toevertrouwd.
* * * * *
_Eedgenooten_ (hiervóór, bl. 271).--Dit woord is veel te deftig voor de zaak. Hogendorp's »losse woorden op een wandeling in den tuin" klinkt veel echter[603].
[603] »Ik had ingewilligd dat elk vier vertrouwden zoude kiezen, die van hem alleen weten zouden, en dat elk van die vier wederom denzelfden gang zoude gaan. Maar ik zelf stelde geen prijs hoegenaamd op die aardigheden, en deed er niets aan" (_Br. en Ged._ V, 17).--»Alles bepaalde zich tot de vertrouwelijke woorden welke Singendonck nu en dan over en weer droeg. Het was niet eens een stellige afspraak, veel min een stellige samenzwering" (Falck's _Gedenkschriften_, 77).
* * * * *
_Meer de naam en gezindheid, dan de kunde_ (hiervóór, bl. 271).--Daar is waars in, maar er is een nuance. De keus _moest_ gedaan worden uit officieren van vóór '95, want de andere waren er niet! De Hollanders die onder Napoleon dienden waren mijlen ver, en--zij dienden Napoleon! Hoogstens waren er eenige generaals uit Lodewijk's tijd, waar Napoleon niet van had willen weten, zooals Bruce en van Sandick, thans beiden te Leiden wonende. Hun gedrag aldaar op 22 Nov. toen zij niet te bewegen waren hun diensten aan de goede zaak te verleenen, en den nieuwbakken generaal de Jonge tegen zijn zin naar Woerden lieten trekken, doet niet betreuren dat Hogendorp niet naar hen heeft omgezien. Dan was er Krayenhoff, maar van diens gezindheid kon G. K. op den 18den niets bekend zijn; het is de vraag, of zij het Krayenhoff zelf op dien dag reeds was[604]. Sommige militairen van vóór '95 zijn in den opstand goud waard gebleken: van Stirum en Sweerts, maar de eerste had zijn aangewezen rol in den Haag eerst als plaatselijk gouverneur, vervolgens als commandant-generaal van den opstand en hoofddirecteur der algemeene wapening[605], functiën waartoe hij even wel berekend is gebleken als hij het weinig heeten mocht of wilde voor een ministerspost. Sweerts komt eerst 20 Nov. uit zijn afgelegen landhuis in den Haag opdagen, en neemt dan aanstonds het gewichtig commando tegen Gorkum op zich, waarin hij goed op zijn plaats blijkt. Ik geloof niet dat G. K. uit het personeel dat hem 18 Nov. voor oogen kon staan, een betere keus zou hebben kunnen treffen dan Bentinck, die een goeden naam had zoowel om kunde als om karaktervastheid; hij had in 1794 met onderscheiding gediend, en men wist dat hij bij den Prins gunstig bekend was. Hij is dan ook, toen hij eenmaal in functie was, vooral tegengevallen om de buitengewone moeilijkheid waarin hij was geplaatst: een leger te voorschijn te roepen uit het niet, en in een zóó korten tijd dat het, zooals de bondgenooten verlangden en ook ons eigen belang raadzaam maakte, nog aan de verovering van België deel kon nemen. »Wordt er beweerd dat hij niet voldaan heeft", schrijft Falck, »men bedenke, alvorens liefdeloos te oordeelen, wat het zeggen wil uit zoo ongelijksoortige bestanddeelen als zich bij ons opdeden een leger met zijn toebehooren te vormen, en dat een man talenten hebben kan van geen gewonen stempel zonder juist berekend te zijn voor een werk van dien omvang, en waarbij niet eens ruimte van tijd gegund werd"[606].
[604] Zijn afzegbrief aan Napoleon is eerst van den 19den.
[605] Zoodra er 21 Nov. generaals zijn aangesteld krijgt van Stirum (22 Nov.) eene plaats boven hen, als »gouverneur-generaal over de gewapende magt in Holland" (_Ged._ VI, inl. 3e stuk, LXXIX).
[606] Falck's _Gedenkschriften_, 124.
Dit voor de keus van Bentinck--op 18 Nov. Intusschen werd kort daarna in den Haag bekend dat hij als gouverneur van Overijsel was opgetreden onder de Russen. Als zoodanig nam hij tegenover de Haagsche heeren een zeer zelfstandige houding aan; hij wilde zich volstrekt niet onder het A.B. schikken, integendeel als de volkomen gelijke van dat Bestuur beschouwd worden tot de Prins in het land zou zijn[607]. Juist deze omstandigheid droeg er toe bij, dat hij ondanks zijn afwezigheid 29 Nov. zonder verder verwijl tot commissaris-generaal van oorlog benoemd werd; men hoopte op deze wijze hem naar den Haag te lokken, en zoo te voorkomen dat zijn voorbeeld een ongunstigen invloed had op Friesland en Groningen, die ook nog aarzelden zich bij het A. B. aan te sluiten. Tegelijk met Bentinck's aanstelling werden twee commissarissen benoemd om de provincie Overijsel op naam van het A. B. van hem over te nemen[608]. Hij weigerde ze te erkennen en beschouwde ook zijn aanstelling tot commissaris-generaal als nul en van geener waarde[609]. Eerst toen de Vorst de aanschrijving van het Bestuur herhaalde heeft hij zich onderworpen en is naar den Haag gekomen.
[607] Bentinck aan C. F. de Jonge, 21 Nov. 1813 (_Ged._ VI, inl. 3e stuk, CXC).
[608] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, XCII.
[609] Aldaar, CLXVII en CLXXVI; vgl. _Br. en Ged._ IV, 389.
* * * * *
_Secretaris van Staat voor Buitenlandsche Zaken_ (hiervóór, bl. 271).--Ten onrechte is het voorgesteld[610] alsof dit een zeer zonderlinge benoeming was van den Vorst en een man als G. K. natuurlijk Binnenlandsche Zaken had moeten hebben. Ten eerste was dit departement al voorzien; maar bovendien was de combinatie van zaken die G. K. nu in handen kreeg: 1o. het presidiaat der commissie die over zijne _Schets_ zou beraadslagen, en 2o. de leiding der buitenlandsche betrekkingen van den pas herboren staat op het oogenblik dat diens erkenning en het lot van België aan de orde moesten komen, veel gewichtiger dan de opvolging, voor eenige maanden, van van Stralen het in de omstandigheden van medio December 1813 met mogelijkheid kon worden. Natuurlijk was alles provisioneel en nam G. K. zich niet voor op den duur in dien post te blijven. Hij hoopte dat de Grondwet hem het Raadpensionarisschap zou bezorgen en heeft later, als vergoeding, ontvangen wat daar het dichtste bij kwam: het voorzitterschap der Staten-Generaal vereenigd met het vice-voorzitterschap van den Raad van State.
[610] Door Byvanck in _Gids_ 1890, II, 296.
* * * * *
_Verschil over de beginselen van Staatsbestuur_ (hiervóór, bl. 274).--Dit is weer veel te deftig uitgedrukt. Waaruit is dat verschil in »beginselen" dan gebleken? De zaak was lager bij den grond. »Wij waren nog niet aan het einde der eerste maand", schrijft Falck, »of het was voor mij al duidelijk dat Z. H. noch met Canneman in zijn schik was noch met Heintje van Stralen. Deze, te dier tijd door Changuion met den bijnaam van de Baker vereerd, omdat hij een ieder met wien hij te doen had, den Prins niet uitgezonderd, met zijne onmetelijke armen omvademde en als het ware inpakte onder de breedsprakige verzekering, dat hij voor alles zorgen, den boel aan kant helpen zoude--van Stralen, zeg ik, was Minister van Binnenlandsche Zaken zonder dat iemand de eer of de verantwoordelijkheid wilde aannemen van hem te hebben aanbevolen[611]. In oogenblikken zoo oneindig kostbaar voor het in orde brengen der algemeene zaken was hij gestadig in de weer voor allerlei kleine belangen. Daar ik wel zag dat wij niet lang met hem opgescheept zouden zijn, begon ik al vroeg de aandacht van Z. H. op Röell te vestigen, door wiens keuze tot een Ministerie, om nu niet van de aanwinst van zoo beproefde bekwaamheden te gewagen, te gemoet zou worden gekomen aan het bezwaar dat de eerste stad van het land bij het algemeen bestuur geen invloed of aanblijvenden woordvoerder had. Canneman, namelijk, wilde men niet als Amsterdammer laten gelden, en de Souverein was niet van zins hem lang aan het hoofd der Financiën te laten. Zijne knapheid was onbetwistbaar, maar hij benadeelde zich zelven door al te veel praten. Vluchtige denkbeelden werden dus geopperd waaraan geenerhande gevolg gegeven werd; half bekookte ontwerpen van welke men naderhand niets meer hoorde. Elk _travail_ met den Prins wist hij wel te vullen met zaken van meer of minder aanbelang, maar zelden met die welke Z. H. verwachtte of waarvoor hij gestemd was, en zoo kreeg zijn doen en laten een schijn van wanorde, de fout die aan dat hooge kantoor van alle fouten de onbehagelijkste was"[612].
[611] Dit had Canneman gedaan (hiervóór, bl. 305), die hem dus weldra moet zijn afgevallen.
[612] Falck's _Gedenkschriften_, 120-'21.--»Zijn eigen ambtenaren klaagden, dat hij altemets in geen drie dagen voor hen zichtbaar was" (_Br. en Ged._ V, 193).
Mollerus en Six waren oude kennissen van den Vorst: Mollerus vóór '95 als secretaris van den Raad van State met den toenmaligen Erfprins als opperbevelhebber van het leger in gedurige aanraking; Six had dien opperbevelhebber in den veldtocht van 1794 ter zijde gestaan als commissaris der Staten-Generaal. Zij waren bij het uitbreken van den opstand beiden in Franschen dienst, de eerste als directeur-generaal van bruggen en wegen, de tweede als directeur der publieke schuld, en Kemper en Scholten hadden vrij veel moeite gehad hen tot aansluiting bij het Bestuur te bewegen. Beiden werden zeer duidelijk aangewezen in de brochures die Valckenaer in December schrijven liet om Vorst en volk tegen de gewezen Keizerlijke ambtenaren op te zetten[613]. Die beweging liep evenwel op niets uit; de leus: uitsluiting van Napoleonsdienaars, pakte niet, en de Vorst was te minder geneigd er gehoor aan te geven, wijl zulk een uitsluiting zoovelen treffen zou die hem persoonlijk van vroeger bekend waren en als zoodanig hem aangenamer moesten zijn dan anderen. Zoodra het geschreeuw dan ook wat verstomd was zien wij hem Mollerus en Six naar voren brengen, waartoe de invoering der Grondwet goede gelegenheid gaf. Mollerus was wel iemand die verdiend had in de grondwetcommissie te zitten eerder dan b.v. Lampsins of van Heerdt; maar juist toen de commissie benoemd werd was het geschreeuw tegen hem op het hoogst. Officieus heeft de Vorst Mollerus wèl over de Grondwet geraadpleegd: zie _Ontstaan_ II, CXI vv.
[613] Falck's _Gedenkschriften_, 120; vgl. Sillem, _Valckenaer_ II, 340 vv. en _Ged._ VII.
Ook van Nagell, gezant der oude Republiek te Londen op het oogenblik der aankomst van de stadhouderlijke familie in 1795, en gedurende eenige jaren tusschenpersoon tusschen die familie en de Engelsche regeering, was een oude kennis van den Vorst. Hogendorp had als zijn opvolger van Spaen van Voorstonde voorgedragen, maar de Vorst verkoos van Nagell ook omdat deze hem zoo goed voldaan had door zijn vast in de hand houden der notabelenvergadering te Amsterdam[614].
[614] _Br. en Ged._ V, 68.
* * * * *
_Falck in rang met de overige ministers gelijk_ (hiervóór, bl. 278). Dit is onjuist; Tellegen heeft den brief van Falck aan D. J. van Lennep van 24 Dec. 1813 niet begrepen. Falck schrijft daar, dat hij, »om bij een eventueelen val zich minder te bezeeren", den titel Raad Secretaris [van Staat] boven dien van Minister Secretaris van Staat verkiest. Welnu, hij wordt 31 Dec. ook niet benoemd tot Minister Secretaris van Staat, maar tot »Algemeen Secretaris van Staat", zooals hij 21 Nov. benoemd was tot »Algemeen Secretaris van het A. B." Deze titel sluit den ministersrang niet in; Falck heeft toegang tot den Kabinetsraad, maar alleen als »penvoerder"[615]. Ook bij de correspondentie tusschen Falck en den Koning in 1817 en 1818 gevoerd[616] over zijn door Z. M. gewenschte verwijdering van de Staatssecretarie, blijkt duidelijk dat zoowel de Koning als Falck zelf den overgang tot het ministersambt _formeel_ als een bevordering beschouwen, ook al is Falck op die bevordering niet gesteld.
[615] _Br. en Ged._ V, 46.--»Zijn titel", schrijft G. K. in 1817, »was eerst Algemeen Secretaris [van het Bestuur], hij werd later [Algemeen] Secretaris van Staat en is nog niet Minister" (_Br. en Ged._ V, 45).
[616] Falck's _Gedenkschriften_, 404 vv.
Falck wist zijne positie inderdaad tot een zeer belangrijke te maken. Dit lag niet aan het ambt zelf, dat na hem (aanvankelijk onder een bescheidener titel) door de Mey van Streefkerk bekleed, nimmer meer politiek gewicht verkregen heeft. Het trechter zijn tusschen een alles regelend vorst en ministers wien de koninklijke beslissingen worden ingegoten is op zich zelf niets gewichtigs. Dat Falck meer was dan trechter ligt aan drie oorzaken: 1o. dat de Vorst aanvankelijk vreemd tegenover zaken en personen stond en zich in 1813 en 1814 lang niet zoo zeker van zichzelf voelen kon als in 1818; 2o. aan den aard der voorkomende zaken, die toen alles nog moest worden ingericht veel meer noodzaakten tot overleg dan toen op gelegde grondslagen werd voortgearbeid; 3o. aan het aanpassingsvermogen, de vlugheid en staatsmansgaven van Falck zelf. Na de geringschatting der allereerste dagen is de Vorst, »die knap bediend wilde zijn"[617], zeer spoedig met hem ingenomen; in 1814 en 1815 stijgt zijn invloed zeer hoog naarmate die van den als minister onder een man als Willem I onbruikbaren Hogendorp afneemt. Als alles gereed is krijgt de Koning argwaan; wanneer Falck in 1816 voor een badkuur naar Aken vertrekt zijn zijn vrienden al bevreesd dat hij bij zijn terugkeer zijn plaats door een ander ingenomen zal vinden[618]. Falck lacht hen dan uit; intusschen zal de volgzame de Mey, die Falck gedurende zijn verlof vervangen had, den koning meer naar de hand zijn geweest; hij had het onderscheid nu kunnen voelen, en een paar maanden na Falck's gerusten brief aan van Lennep, hiervóór bl. 278 noot door Tellegen aangehaald, poogt de Koning reeds hem kwijt te raken; hij ontsnapt er aan, doch voor niet langer dan een half jaar, wanneer het aanbod van een ministerie wordt herhaald in een vorm die, zoo al weigering, in ieder geval geen behoud van het bezeten ambt meer toelaat, immers de Koning verklaart dit op te heffen[619].
[617] _Br. en Ged._ V, 44.
[618] Falck's _Gedenkschriften_, 175-176.
[619] Loutere schijn, want de Mey krijgt onder den titel van »Staatsraad belast met directie der Staatssecretarie" precies hetzelfde als Falck te doen. (Aldaar, 203 en 408).
* * * * *
_Kabinetsraad_; _Raad van State_ (hiervóór, bl. 279 vv).--Er is vóór 1823 geen Ministerraad geweest: die is juist ingesteld na de afschaffing van den Kabinetsraad, waarin de Koning presideerde. Falck schrijft omtrent dien Kabinetsraad het volgende:
»Moeite had ik, den Prins over te halen tot het geregeld houden van een Kabinetsraad[620]. Veelligt hinderde hem het denkbeeld dat hij aldaar de plichten van Voorzitter zoude te vervullen hebben. Doch een paar proeven waren genoegzaam om hem te doen zien dat deze taak zoo moeilijk niet was. Wij hadden dus sedert alle Woensdagen Kabinetsraad[621], maar mijne hoop om door dit middel aan de zaken eene eenparige behandeling en gang te verzekeren en de Ministers zoowel als den Vorst gelegenheid te verschaffen om zich onderling te orienteeren en zich over en weder een algemeen overzigt te geven van hetgene ieder vak van bestuur merkwaardigs opleverde--deze hoop is nimmer verwezenlijkt geworden. De notulen van die vergaderingen bevinden zich onder de papieren die ik als mijn eigendom beschouw[622], omdat ik, bij mijn scheiden van de Staats-Secretarie, geen blijk heb willen achterlaten van al het onbeduidende met welk ambtenaren van dat kaliber zich gemeenschappelijk bezig hielden en van het gebrek dat zij doorgaans geleden hebben aan onderwerpen van waarachtig belang. Röell weet ik dat zich heeft uitgelaten alsof de schuld daarvan bij mij gezocht worden moest, die liever de zaken met den Prins tusschen vier oogen afdeed en meer kans had om ze dus naar mijn zin te krijgen, dan indien men er eerst stellig over beraadslaagd had en gestemd. Maar deze zijne meening is niet juist. Heb ik, nu en dan, over opkomende voordragten of vragen een besluit doen nemen, welk het meer eigenaardig geweest ware door eene discussie in den Kabinetsraad te doen voorafgaan, zoo ben ik daartoe waarschijnlijk verleid geworden door de, ik zoude haast zeggen, plichtmatige zucht om met den stroom der dagelijksche bezigheden gelijk te blijven, en zoo kort mogelijk in mijn portefeuille te houden wat voor beslissing en afdoening rijp scheen. De hoofden der departementen zullen om soortgelijke redenen hunne respective maatregelen bespoedigd, en voor den Kabinetsraad slechts zoodanige vraagpunten ter zijde gelegd hebben omtrent welker vertraging en eindelijke beantwoording zij zich onverschillig gevoelden; en de Souvereine Vorst zelve mag de ruime toelichting en nauwkeurig onderzoek, voor welke het hem zeker niet aan smaak ontbrak, liever in schrifturen aangetroffen hebben die hij op den hem gelegen tijd met koelen hoofde overwegen kon, dan in de gedachten- en woordenwisseling zijner meest vertrouwde raadslieden. Kortom, anderen beschuldig ik even weinig als ik zelve beschuldigd worden wil. De daadzaak slechts heb ik willen vermelden. De Mey's notulen zullen van geen belangrijker inhoud geweest zijn dan de mijne, en na eene verveling van bijkans tien jaren heeft de Koning opgehouden den Kabinetsraad bij te wonen en denzelven afgeschaft[623]".
[620] De eerste blijkt gehouden 8 Dec. 1813 (Falck's _Brieven_, no. 90, welke brief, enkel gedateerd »Dinsdagavond", door den uitgever ten onrechte op 23 Nov. gebracht is in plaats van op 7 Dec.)
[621] In den aanvang vaker; zie hierachter den brief van den S. V. aan Hogendorp van 8 April 1814.
[622] Zij zijn een tien- of twaalftal jaren geleden door wijlen Mevrouw de weduwe Falck-Crommelin te Utrecht aan het Kabinet der Koningin ten geschenke gegeven waar zij nog berusten, en bevestigen wat Falck omtrent het karakter van den Kabinetsraad mededeelt; bovendien zijn zij zóó summier dat een ander dan de man die ze schreef er nagenoeg niets aan heeft.--Voorbeeld Falck's _Gedenkschriften_, 348; ander voorbeeld: _Ontstaan_ II, bl. XCI. Het waren dan ook geen notulen die in de volgende vergadering werden gelezen en goedgekeurd; zie Hogendorp hierachter.
[623] Falck's _Gedenkschriften_, 127-128.
Uit G. K.'s gedenkschriften blijkt dat zeer belangrijke zaken buiten den Kabinetsraad zijn afgedaan; zoo is b.v. van Nagell's ontwerp van instructiën aan Hendrik Fagel omtrent de teruggave der koloniën niet daar behandeld, maar in een door den Vorst bijeengeroepen conseil, uit G. K., van Nagell, Falck en Janssens (als oud-gouverneur-generaal) bestaande[624]; zoo is de lijst van tot lid der Staten-Generaal te benoemen personen in Maart 1814 (reeds vóór de reis naar Amsterdam) opgemaakt door den Vorst, G. K. en Falck[625].
[624] _Br. en Ged._ V, 72.
[625] Aldaar, V, 93.--Te Amsterdam werden er veranderingen in gemaakt.