De Wedergeboorte van Nederland
Part 30
Minister van Oorlog en Marine: Bentinck van Buckhorst; onder hem Jacob May als commissaris-generaal voor marine, C. F. de Jonge als dito voor oorlog.
Minister van Financiën: Repelaer.
Minister van Koophandel en Koloniën: .................. (blank).
Ambassadeur in Engeland: Jacob Fagel[569].
[569] _Br. en Ged._ IV, 250.--Jacob Fagel is 19 Nov. vertrokken met een geloofsbrief van het Haagsche comité van den 17den, doch had niet het minste voornemen zijn broeder Hendrik te verdringen die niet uit Engeland weg wilde en dus de aangewezen ambassadeur was voor later.
De Staten-Generaal dacht hij zich dus majestueus genoeg, om »ministers" aan te stellen ook in afwezigheid van den Prins.--Maar er kwam niet van; en als hij 21 Nov. met van der Duyn het Algemeen Bestuur in eigen handen genomen heeft maakt hij een nieuw lijstje:
Intendant van Financiën: Canneman.
Commissaris-generaal voor oorlog: C. F. de Jonge; dito voor marine: Job May.
Secretaris van Binnenlandsche Zaken: Changuion.
Secretaris van het Algemeen Bestuur: Falck[570].
[570] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, CLXXXVIII.
Deze »provisioneele aanstellingen" gelijk hij er boven schrijft, zijn niet alle aldus geschied, daar de omstandigheden ieder oogenblik veranderden. Gaan wij ze intusschen één voor één na.
Voor minister van financiën is 18 Nov. Repelaer bestemd. Deze is 21 Nov. niet meer beschikbaar, daar hij met een zelfgegeven opdracht veiligheid had gezocht in Engeland. Daarentegen heeft zich 20 Nov. bij geschrifte met G. K. in betrekking gesteld de ex-patriot en Keizerlijke ambtenaar Canneman[571]; hij wordt op den 21sten 's ochtends door G. K. ontvangen[572], stelt voor hem de proclamatie van ontslag uit den eed van trouw aan Napoleon en de brieven waarbij Gogel en Falck worden opgeroepen zich ter beschikking te stellen van het A.B.
[571] _Br. en Ged._ V, 26; met »eene memorie betoogende de noodzakelijkheid van eene regeering en wapening en de middelen daartoe aanwijzende". Dit stuk is helaas nergens teruggevonden.
[572] Vgl. met de in de vorige noot genoemde plaats _Ged._ VII, 1742, welke brief niet van 22 doch van 21 Nov. is (zie _Ged._ VII, inl. 3e stuk, CCXXV).
Tusschen die proclamatie van 21 Nov.[573] en het plakkaat dat G.K. den 18den had willen doen uitvaardigen door zijne Staten-Generaal[574], ligt eene wereld. In het Plakkaat verzinkt het Keizerlijk Nederland in het niet en duikt dat van vóór 1795 »provisioneel" weder op: »in alle de steden vergaderen de oude Regenten......, ten platten lande de oude Geregten......; alle de Hoven Provintiaal, zooals dezelven bestonden in 1794 en 1795, aanvaarden hun oud Regtsgebied......" Behouden blijven slechts (voorshands) de bestaande belastingen, en er zal worden recht gesproken niet naar de in 1795 gevolgde wetten, maar naar die van 1809. Aan dit plakkaat zullen de hand houden »_onze_ Ministers, Commissarissen, Ambtenaren......"; andere dan die aan de Staten-Generaal hun aanwezen ontleenen zullen er niet meer zijn.
[573] _Br. en Ged._ IV, 258.
[574] _Br. en Ged._ IV, 245.
Canneman's stuk daarentegen ontslaat slechts van den eed en verbiedt correspondentie met de Franschen; het beveelt »alle Hollandsche ambtenaren" (dat is, op enkele weggeloopen Fransche hoofden na, de gansche toestel des Keizerlijken bestuurs) op _hunne_ posten (die van 1811 dagteekenen) te blijven, en stelt hen in de uitoefening hunner ambtsverrichtingen onder de bescherming van alle rechtschapen Nederlanders. Waar een hoofdambtenaar vertrokken is, moet de eerstvolgende in rang diens plaats innemen, en wordt verantwoordelijk gesteld voor alle nadeelen welke, door zijn dralen of verzuimen, uit langeren stilstand der (ex-Keizerlijke) administratie kunnen voortvloeien. De justitie is uit te oefenen volgens de wetten, _thans_ in vigueur.
Of Gijsbert Karel de volle draagwijdte van wat hij onderteekende aanstonds begrepen heeft? Men zou er aan willen twijfelen, gelet op eene aanschrijving als hij b.v. 25 Nov. aan een »gewezen baljuw van Delfland" doet, om de stukken van het A. B. te doen publiceeren en affigeeren »waar zulks in Delfland gebruikelijk was[575]". In een stelsel dat de prefecturen en onderprefecturen handhaaft, komt geen baljuwschap Delfland te pas. Doch dit zijn kleine onregelmatigheden, in verband staande met omstandigheden van plaats en oogenblik die wij natuurlijk niet alle meer kunnen nagaan. De algemeene gang van het werk is duidelijk genoeg, en die is niet in de richting dier aanschrijving van 25 Nov. Als Kemper en Scholten informeeren hoever hun gezag als »commissarissen voor Amsterdam en verdere Noordhollandsche steden" eigenlijk gaat, is het ommegaand antwoord: »Heeren commissarissen hebben de macht van den Prefect en stellen aan een onder-commissaris in iedere sous-prefectuur[576]". Zoodra Falck zijne functiën aanvaard heeft en het A. B. voor het eerst over een geordend bureau beschikt, wordt deze wederopneming der Keizerlijke administratie met groote snelheid en regelmaat tot stand gebracht zoover het gezag van het bestuur reikt. Trouwens wie hebben zij aanstonds uit Amsterdam ontboden om hun in zaken van het binnenlandsch bestuur bij te staan? Janssen, chef van divisie, Schneither, chef de bureau der intendance van binnenlandsche zaken, de twee bekwaamste Hollandsche ambtenaren van d'Alphonse; eerstgenoemde diens rechterhand, bewerker van het _Aperçu_[577]!
[575] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, LXXXIV.
[576] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, LXXXVI (27 Nov.; minuut van van der Duyn.)
[577] Aldaar, XL en LVIII.
Men bespeurt dus dat Gijsbert Karel tegelijk zeer illusionnair is en zeer realistisch. Op zijn studeerkamer laat hij zich makkelijk gaan, maar als hij handelen moet weet hij zich zeer wel naar bestaande noodzaak te voegen. Het eerste belang is voor hem de bevrijding des lands, en als hij erkennen moet dat het op _zijne_ wijze niet gaat, gaat hij zonder mokken over tot een andere.
Nu de bestaande bestuurstoestel overeind was gebleven, was het voor de leiders van den opstand een groot belang, zich de medewerking der financieele ambtenaren te verzekeren. De Franschen hadden bij hun vertrek de kassen zooveel mogelijk geleegd; kon men de bestaande organisatie in werking houden, dan zouden zij geheel automatisch weer worden gevuld. Nu bleek, wat een goed gedrild, goed bezoldigd ambtenarencorps voor een regeering waard was, mits die regeering bevelen kon. De keizerlijke ambtenaren hadden het gehoorzamen geleerd en verlangden niet beter dan zich voor de macht te buigen, maar zij waren er niet op gesteld hun aanzienlijke posten te verliezen of de geperfectionneerde techniek hunner administratie te verruilen voor de gebrekkige oud-vaderlandsche methoden uit een tijd waarin het centrale regeeringsgezag òf ontbrak òf slecht bewerktuigd was. Er zijn een vrij groot aantal brieven uit de Novemberdagen bewaard, waarbij ambtenaren aan van Maanen of aan Gogel verslag doen van de moeilijkheden waarin zij verkeeren, en daaronder drie van Canneman zelf. »De positie der publieke ambtenaren is belabberd in deze conjoncture", is het thema van een brief van hem van den 18den aan zijn chef Gogel[578]. Den 19den schrijft hij hem: »Uit vele bijzonderheden is op te maken, dat de Franschen geen plan hebben om terug te keeren. Hier als elders hebben zij alles in confusie gelaten, wie zal de boel aanpakken? Het verwondert mij, dat het provisioneel gouvernement nog geen orders gegeven heeft, want specie is altoos de eerste behoefte...[579]". Die zoo schrijft is in de beste stemming om een bevel te ontvangen; Canneman heeft het zelfs niet afgewacht, maar zich zelf 20 Nov. tot Gijsbert Karel gewend met een opwekking tot het vestigen eener regeering en inrichting eener volkswapening; »nu maar alles opgezet", is zijn gedachtengang geweest, »om de Franschen er beslist uit te houden[580]".
[578] _Ged._ VII, 1523.
[579] Aldaar, 1525.
[580] Aldaar, 1526.
Naar aanleiding van zijn stuk, laat G. K. hem 21 Nov. roepen[581] en biedt hem het opperbestuur der financiën aan. Canneman's persoonlijke verhouding tot Gogel laat niet toe, zulk een post aan te nemen zoolang Gogel zelf dien niet geweigerd heeft; hij stelt dus een oproepingsbrief aan Gogel die door G. K. wordt geteekend[582]. Als den 23sten Gogel's bericht is ontvangen dat hij op die oproeping »de orders vraagt van het (Fransche) gouvernement", wordt Canneman 24 Nov. benoemd tot »commissaris voor de financiën, om ons bij alle voorkomende zaken van advies te dienen[583]", en 29 Nov., op een door hemzelf geschreven instructie, tot commissaris-generaal van financiën[584]. Een overleg met Hogendorp omtrent de wederinvoering van het oude tarief brengt hem 30 Nov. op diens studeerkamer, op het belangrijk oogenblik der nadering van den Prins[585].
[581] »Zondagmorgen ben ik geroepen bij den heer G. K. van Hogendorp", schrijft Canneman 24 Nov. aan Gogel (aldaar, 1541); G. K. schrijft: »ik ontving hem", doch hij schrijft dit eerst in 1817.
[582] _Br. en Ged._ IV, 337.
[583] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, LXXXII.
[584] Aldaar, XCII.
[585] Hiervóór, bl. 67.
Voor oorlog en marine zien wij 18 Nov. Bentinck van Buckhorst aangewezen, van wien Hogendorp in den zomer van 1813 »een belangrijk bezoek" ontvangen had; »wandelende in mijnen tuin gaf hij mij ongemeen veel licht door losse woorden, met dat onbepaald vertrouwen, welk de vrienden van het Vaderland toen aan elkander bond"[586]. Bentinck was toen juist uit de gevangenis ontslagen, waarin de Fransche politie hem geworpen had wegens de onderschepping van een brief, waarbij Willem VI hem kennis gaf van zijn vertrek naar Engeland[587]. De Russen hadden hem kort na hun verschijning te Zwolle tot gouverneur van Overijsel aangesteld, waar hij zich nu vooralsnog onmisbaar hield. Dat hij op het lijstje van 21 Nov. niet voorkomt beteekent niet dat Gijsbert Karel hem niet langer tot minister bestemde; dat lijstje is er een van oogenblikkelijk te doene aanstellingen, en Bentinck was nog niet aanwezig.
[586] _Br. en Ged._ V, 14.
[587] Deze ontdekking had plaats op een oogenblik dat de naam Bentinck bij de politie in een kwaad gerucht stond wegens de gedragingen van den bekenden graaf Bentinck van Rhoon, toen maire van Varel, bij den boerenopstand in Oostfriesland (_Ged._ VI, 264).--Bentinck van Buckhorst kwam vrij door de voorspraak van zijn provinciegenoot R. J. Schimmelpenninck bij den minister van politie te Parijs (aldaar, 662).
Onder hem worden op het lijstje van 18 Nov. aangewezen de gewezen majoor C. F. de Jonge als commissaris van oorlog en de gewezen kapitein ter zee Job May als commissaris van marine. De Jonge was de broeder van F. C. de Jonge, het weldra naar Engeland uitgeweken lid van het Haagsche opstandscomité. De hem op het lijstje van 21 Nov. wederom toegedachte bestemming van commissaris van oorlog wordt tenzelfden dage vervangen door eene benoeming tot »generaal van het leger tegen Utrecht", in welke kwaliteit hij te Woerden in den vroegen morgen van den 24sten de bekende nederlaag lijdt. Het A.B. heeft hem toen 25 Nov. inderdaad tot commissaris van oorlog benoemd en Krayenhoff tot generaal van het leger tegen Utrecht; daar Kemper en Scholten echter meenen, Krayenhoff te Amsterdam te moeten houden, blijft de Jonge in zijn commando en treedt niet aan het hoofd van het bureau van oorlog op, dat inmiddels toch gevormd wordt onder van Stirum, bijgestaan (zonder titel) door Piepers, den gewezen secretaris-generaal van het oorlogsdepartement onder koning Lodewijk[588]. Den 29sten Nov. wordt Bentinck van Buckhorst formeel benoemd tot commissaris-generaal van oorlog, en tot hij uit Overijsel over zal komen de waarneming van het departement opgedragen aan de Jonge, die 30 Nov. aanschrijving krijgt, zijn bevel te Leiden over te dragen aan den in rang volgenden officier, gelijk hij 1 Dec. doet; hij is echter nimmer in zijn post van waarnemend minister opgetreden, maar 6 Dec. met een nieuw commando te Alkmaar, tegen Verhuell belast. Onderwijl heeft van Stirum het departement van oorlog waargenomen tot de komst van Bentinck op 12 December.
[588] »Piepers wil volstrekt niet paraisseeren maar gaarne medewerken en is de ziel van alles" (Falck aan Kemper, 29 Nov. 1813; _Brieven_ no. 91).--Piepers, zoon van een huisschilder uit Middelburg, was in den bureaudienst opgeklommen. »Mij is verhaald", schrijft de Bosch Kemper, »dat hem die afkomst eens door een adellijke, in den nog zeer patricischen tijd van 1815, op onaangename wijze werd herinnerd, hetgeen Willem I zeer kwalijk nam" (_Letterk. Aant._, 504).
Job May, zoowel 18 als 21 Nov. tot commissaris van marine bestemd, is niet als zoodanig opgetreden; hij verschijnt 21 Nov. in den Haag maar wordt den volgenden dag uitgezonden om de Engelsche oorlogsschepen, die in zee mochten zijn, naar de Maas te dirigeeren. Deze zending brengt hem tot in Engeland, vanwaar hij in December terugkeert om dan den post op zich te nemen van secretaris-generaal van het inmiddels (7 Dec.) opgerichte departement van marine onder van der Hoop. Dat deze de benoeming aannam was eigenlijk een tegenvaller; de Vorst meende hem niet voorbij te kunnen gaan maar was niet aangenaam verrast toen op Falck's polsingsbrief per omgaande een toestemmend antwoord inliep.[589] Canneman had Falck zelven den aangewezen minister van marine genoemd (hij was secretaris-generaal van dit departement geweest onder Lodewijk), en Falck zou bij weigering van van der Hoop de benoeming wel niet zijn ontloopen, daar de Vorst Falck's naam onder zijn besluiten (om de woorden van G. K. te gebruiken)[590] aanvankelijk »te gemeen" vond, en eigenlijk den nog in Engeland verblijvenden Jacob Fagel tot Algemeenen Secretaris van Staat doodverfde. Toen deze echter, uit Engeland terug, gansch niet belust bleek op dien drukken post, nam de Vorst Falck voor goed aan, wiens buitengemeene talenten hij onderwijl had leeren op prijs stellen.
[589] Falck's _Gedenkschriften_, 125.
[590] _Br. en Ged._ V, 44.
Zoowel op 18 als op 21 Nov. neemt G. K. zich voor, een departement van binnenlandsche zaken in te richten. De naam van den titularis is 18 Nov. niet ingevuld; voor een voorloopige benoeming brengt G. K. 21 Nov. in aanmerking Changuion, den eenige van het comité van 17 Nov., die, met van der Duyn, hem onder alle omstandigheden was trouw gebleven. Changuion was een even bescheiden als standvastig man, en kende zich tot den post niet geschikt. Hij vergenoegde zich het Bestuur tot de aankomst van Falck als secretaris te dienen, en is vervolgens 29 Nov. benoemd tot commissaris bij de te dien dage gelande Engelsche hulptroepen. Onderwijl bracht Canneman[591] Hendrik van Stralen aan voor den post van commissaris-generaal van binnenlandsche zaken; hij is er 1 Dec. toe benoemd. Dit departement omvat ook den waterstaat[592], die echter 8 Jan. 1814 door den S. V. weder zelfstandig gemaakt is en in April tot een ministerieel departement werd verheven. »De C.-G." heet het in het besluit van 1 Dec., »zal zorg dragen dat de eeredienst, het hooger en lager onderwijs, de kunsten en wetenschappen, de geneeskundige staatsregeling, de landbouw, de fabrieken en trafieken, het armwezen, provisioneel beheerd blijven op den tegenwoordigen voet"[593]. Op de vergadering van den 18den had Hogendorp zich over de medewerking van van Stralen niet zeer te verheugen gehad, die toen met den onsterfelijken voorslag gekomen was, Hogendorp's voorstellen...... »commissoriaal te maken"![594] Doch dit was geschied om zijn bezwaar tegen Hogendorp's opzet: »moest er tegen regeeringloosheid worden gezorgd, dan behoorde daaromtrent te worden gehandeld met notabele leden zonder onderscheid van staatkundige of godsdienstige gevoelens"[595]. Minder te verdedigen was zijn houding geweest den 20sten, toen aan die voorwaarde voldaan was: ook toen had hij niet dan uitstel weten te pleiten[596]. Maar Hogendorp hield niemand zijn houding op dien dag na, tevreden zoo zij medewerken wilden nu het A. B. er was. Van Stralen was iemand die reeds tijdens Schimmelpenninck wel met de nieuwe beginselen van regeeringsbeleid verzoend was geraakt, maar in zijn persoonlijk optreden nog alles van de oude breedsprakige regentengewichtigheid had behouden, zoodat het niet verwonderen kan dat Canneman liever Capellen zou hebben gehad, ware deze reeds beschikbaar geweest. Wij hebben reeds vermeld dat ambtenaren van d'Alphonse's bureau naar den Haag waren ontboden, zoodat van Stralen aanstonds goede en met de administratie der laatste jaren vertrouwde hulp had.
[591] _Br. en Ged._ V, 38. »Naarmate de heer Canneman aan het werk ging, ondervond hij de noodzakelijkheid van een binnenlandsch ministerie, en bragt mij den heer van Stralen, als den eenigsten bekwamen man daartoe bij afwezigheid van den heer van der Capellen". Van Stralen was de minister van dit departement geweest onder Schimmelpenninck; van der Capellen onder koning Lodewijk. Van Stralen zal aan Canneman hierom vooral welkom zijn geweest, wijl hij zich een warm voorstander had betoond der belastinghervorming van Gogel, en in 1805 de reorganisatie der departementale en gemeentebesturen had tot stand gebracht die tot het welslagen van Gogels plannen de noodzakelijke voorwaarde was (zie mijn _Schimmelpenninck en Koning Lodewijk_, 43).
[592] Onder continuatie der bestaande directie (Mollerus).
[593] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, XCVII.
[594] Aanteekening van Falck op van der Palm (bl. XXXIII der inleiding op mijn uitgave van diens _Gedenkschrift_); vgl. Falck's _Gedenkschriften_, 99.
[595] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, LXXII.
[596] Aldaar, LXXIII.
Tot secretaris van de Staten-Generaal had G. K. den 18den Falck bestemd, geen oud-regent, maar plachten ook niet tijdens de Republiek juist door de poort der penvoerderij _homines novi_ hun intrede te doen in den geheiligden kring? Hogendorp had Falck nooit ontmoet, maar had reeds eenigen tijd verstandhouding met hem door Repelaer, een zwager van Falck's zwager Singendonck, die vóór 15 Nov. eenige malen tusschen den Haag en Amsterdam heen en weer ging[597]. Repelaer, staatsraad onder Lodewijk Napoleon, kende Falck's reeds toen vermaarde buitengemeene penvaardigheid[598], en uit Singendonck vernam men zijn goeden geest en voornemen, om te Amsterdam te doen wat hij kon. Het optreden der provisioneele regeering in de groote stad is dan ook bovenal Falck's werk geweest, maar hij wist dat lichaam niet met zijn eigen voortvarendheid te bezielen. Grootendeels was het vrees voor Molitor die de Amsterdammers weerhield, kleur te bekennen; gedeeltelijk ook wantrouwen in »het Haagsche werk". Uit wat hij van Singendonck vernam, was het ook Falck reeds vóór den opstand duidelijk geworden dat hij van Hogendorp in denkbeelden veel verschilde en diens plannen niet geheel zou kunnen ondersteunen. Het amalgama van partijen waartegen Hogendorp geen bezwaar had mits het geschiedde onder den zegen zijner Staten-Generaal, had Falck in zijn Amsterdamsche regeering aanstonds tot stand gebracht. »Vereeniging van alle weldenkenden welke ook de Staatspartij wezen mogt waartoe men vroeger behoord had, was bij Hogendorp, evenzeer als bij ons te Amsterdam, een voornaam oogmerk: maar tengevolge van dat gebrek aan menschenkennis dat zijne uitmuntende gaven en zuivere bedoelingen zoo dikwijls nutteloos heeft gemaakt voor de maatschappij, had hij èn zich zelven èn zijn Haagsche medestanders overreed dat dit doel bereikbaar zoude zijn ook zonder een onverwijld en onmiddellijk ineenslaan aller handen[599]". Het geviel echter dat toen Falck op de vergadering van den 18den verscheen, hij Hogendorp op dit punt niet sterk meer behoefde tegen te spreken: het Staten-Generaalplan was door de flauwhartigheid der opgeroepen regenten toen reeds van zelf verdwenen. Daarentegen viel hij Hogendorp bij in alles wat strekken kon om den opstand zelf door te zetten en algemeen te maken, en keerde naar Amsterdam terug in den hoop deze stad tot toetreding te zullen bewegen, zoodra uit de vergadering van 20 Nov. een algemeene landsregeering, uit prinsgezinden en patriotten samengesteld, was voortgekomen. Daar hij vóór zijn vertrek wist dat tot die vergadering zijn vrienden Kemper en Elout zouden worden genoodigd, zal hij het minder betreurd hebben, toen den 19den bleek dat hij daar zelf niet aanwezig kon zijn: de Amsterdammers, in vrees voor Molitor bevangen, waren »volstrekt onbeweegbaar", en liever dan van hun stemming verslag te moeten doen, bleef hij geheel weg[600]. Doch ook Kemper en Elout hadden den 20sten geen wonderen verricht; het allegaartje bleek geen zier moediger dan de oude heeren van twee dagen geleden. Nu bleek eindelijk dat nòch in een regentenbewind _qua talis_, nòch in een pijnlijk afgewogen politiek amalgama _qua talis_, heil gelegen was, maar slechts in het naar voren treden van mannen die verantwoordelijkheid aandurfden en door _daden_ toonen zouden dat zij niets dan het nationaal belang bedoelden. Die mannen zijn Hogendorp en van der Duyn geweest, en zoowel oud-oranjelui als oud-patriotten hebben zich onder hen geschaard: van Stirum en Changuion en Fannius Scholten, maar ook Canneman en Kemper en Falck.
[597] _Br. en Ged._ V, 20, waar voor »Repelaer vond hem bij mij" gelezen moet worden »zond hem bij mij"; Falck's _Gedenkschriften_, 76.
[598] Deze is inderdaad bijna onbegrensd geweest. In minuten van zijne hand, ook over de ingewikkeldste zaken, vindt men bijna nooit een doorhaling.
[599] Falck's _Gedenkschriften_, 99.
[600] _Br. en Ged._ IV, 256.