De Wedergeboorte van Nederland
Part 3
Met de Bataafsche Republiek was een andere rekening uitstaande. Deze had, bij het tractaat van den Haag (16 Mei 1795) de door Frankrijk als veroverd goed beschouwde domeinen van het huis verkregen _titulo oneroso_, en was dus zeer weinig geneigd nogmaals de beurs te openen om ze aan Oranje te betalen. Toen nu art. 18 van den vrede van Amiens het huis eene schadevergoeding toezeide voor de verliezen geleden »zoo aan particuliere bezittingen als ten gevolge van de verandering van constitutie", verklaarde de Bataafsche gezant Schimmelpenninck zich buiten staat hierin toe te treden tenzij zijne Republiek door Frankrijk gevrijwaard tegen alle aanspraken, uit het artikel voortvloeiende; en bij afzonderlijke overeenkomst, onderteekend op den dag der totstandkoming van het traktaat, gaf Frankrijk de verlangde toestemming. Aan het huis van Oranje werd dan nu beduid dat Fulda, Corvey etc. als schadevergoeding zoowel van het verlies van het stadhouderschap als van de onroerende goederen waren te beschouwen. Nu bleven echter nog over de roerende goederen: door het huis van Oranje bezeten schuldbrieven ten laste van den Staat. Deze waren nimmer verbeurd verklaard, maar gesequestreerd met inhouding der rente; zij konden dus niet onder de _verliezen_ worden gerekend, waarvoor vergoeding uitgekeerd was krachtens art. 18 van het verdrag van Amiens. In het najaar van 1802 werd door den Prins getracht, eene onderhandeling met de Bataafsche Republiek op gang te brengen betreffende deze niet vervallen aanspraken. De Republiek echter was zeer ontsticht, dat haar de schepen van Story ontgaan waren en de waarde daarvan, zij het onder een anderen naam, door Engeland feitelijk aan den Prins van Oranje werd uitgekeerd aan wien zij nimmer hadden behoord; bovendien brak spoedig na den aanvang der onderhandeling de oorlog met Engeland weder uit, en was hunne kas weldra berooider dan ooit, terwijl Bonaparte meende dat zij hun geld liever aan de marine dan aan een afkomst met Oranje, thans pensioentrekker van Engeland, moesten besteden. Ondervindende dat de zaak in den Haag niet verder kwam, besloot de Prins in het begin van 1804, op raad van Pruisen, haar te doen bevorderen te Parijs. Zijn gezant d'Yvoy kocht daar voor een half millioen Hollandsch, te verdeelen tusschen Talleyrand en den Franschen gezant in den Haag, Sémonville, de belofte dat men het Staatsbewind zou noodzaken het ultimatum van den Prins aan te nemen: uitkeering der rente van 23 Mei 1802 af, en verrekening van alle andere wederzijdsche pretensiën met een saldo van 5 millioen ten voordeele van het huis. Onder pressie van de Fransche en Pruisische gezanten gaf het Staatsbewind nu eindelijk toe, maar te elfder ure mislukte nog alles. Talleyrand en Sémonville hadden zich willen bevoordeelen buiten weten van den Keizer; toen deze er achter kwam verbood hij de ratificatie van het reeds gesloten tractaat[27], en van de gansche afrekening is nooit iets gekomen. Het huis van Oranje behield zijn aanspraken, maar is niet meer in het geval gekomen ze te kunnen verzilveren.
[27] _Gedenkstukken_ IV, bl. XXIX.
Kort na het machtwoord gesproken te hebben, waarmede hij de afdoening verhinderde, verscheen de Keizer te Mainz (Sept. 1804), en de naburige Duitsche vorsten daagden op om hun nieuwen broeder te huldigen en hunne particuliere belangen bij hem aan te bevelen. De vorsten van Oranje-Dillenburg en van Oranje-Fulda ontbraken op het appèl: bij de schamelheid hunner territoriale inkomsten en na de mislukking der Bataafsche onderhandeling was het Engelsche jaargeld het in bedrag en vastheid voornaamste bestanddeel hunner inkomsten geworden. Napoleon heeft den Erfprins zijn wegblijven bij deze gelegenheid nimmer vergeven en hem van toen af zooveel schade berokkend als hij kon. Aan Gagern, den agent van het Gesammthaus Nassau te Parijs, gaf hij te kennen dat hij voor het minst een nieuwen voetval van den Erfprins in de Tuilerieën verlangde, en toen deze uitbleef werd hij van de lijst der candidaten voor het Rijnverbond geschrapt en had voortaan geen plaats meer dan in de voorhoede van elke anti-Napoleontische coalitie. Daarentegen maakte Engeland nu geen bezwaar, na den dood van Willem V (9 April 1806) het jaargeld aan zijn zoon te blijven uitkeeren; hij heeft het tot 1814 genoten.
Terwijl nu bij de oprichting van het Rijnverbond (16 Juli 1806) de Nassausche erflanden van Willem VI aan anderen werden toegewezen, zag hij de aanwinst van 1802 (Fulda enz.) verbeurd verklaren bij den vrede van Tilsit (9 Juli 1807). Sedert zwierf hij rond zonder huis en hof, een werkzaam deelnemer aan allerlei anti-Napoleontische plannen. Koortsachtig bovenal is zijne werkzaamheid in het jaar 1809 geweest, toen hij zijn best heeft gedaan, Pruisen tot aansluiting aan Oostenrijk te bewegen op de (nimmer vervulde) toezegging van een Engelsch hulpcorps in Noordduitschland. In plaats van naar Noordduitschland, ging Engeland toen echter naar Walcheren; een verandering van richting, die de Prins uit de courant moest vernemen! Zoo weinig had men er aan gedacht, gebruik te maken van de betrekkingen, die hij in Nederland mocht hebben onderhouden.
Trouwens indien al Engeland bij zijn onderneming, die alleen van een Nederlandschen riviermond gebruik maakte doch gericht was tegen Antwerpen, van den Prins had willen gebruik maken (des neen), zou gebleken zijn hoe weinig betrekkingen waarop hij rekenen kon, deze in Nederland had overgehouden. Op een enkelen eenzame als Gijsbert Karel na, had ieder zijn vrede gemaakt met het nieuwe bewind, zoo goed hij kon. Oranje zelf had daartoe het sein gegeven, toen bij den brief van Oranienstein (26 Dec. 1801) de oude Prins, op aandrang van Pruisen en den Erfprins, die daardoor de indemniteitsvooruitzichten van het huis hoopten te verbeteren, aan zijn aanhangers had doen weten dat hij het niemand kwalijk nemen zou, zoo hij een ambt aannam onder de nieuwe staatsregeling van 1801. In de regeeringslichamen van dien tijd hadden dan ook tal van oranjelieden zitting genomen, en er zich leeren verdragen met lieden van patriotschen huize. Vooral toen de dood van Willem V samenviel met de vestiging van den monarchalen regeeringsvorm in Nederland, gingen de gewezen stadhoudersgezinden in massa tot de nieuwe orde van zaken over; de dagelijksche omgeving van Lodewijk Napoleon was bovenal uit gewezen prinslui samengesteld. Toen dan ook in Mei 1809 de Prins een zijner huisbedienden, Willem van Dijk geheeten, naar Holland zond op kondschap wat er te doen zou zijn als Engeland zijn beloofde landing in Noordduitschland ondernam, kwam deze met een zeer karakteristiek rapport terug. Hij was geadresseerd geweest aan Bentinck van Buckhorst, op wiens landgoed bij Zwolle hij den 10den Juni 1809 was aangekomen. Maar Bentinck had hem aanstonds onderricht, »dat aangezien de omstandigheden zoo volkomen veranderd waren en het grootste gedeelte der aanzienlijken welke voorheen de wettige constitutie hadden aangekleefd, thans in 's Konings dienst waren aangesteld, en de nieuwe orde van zaken, tenminste uiterlijk, zeer toegedaan schenen te zijn, men om zich niet te compromitteeren aan niemand eenige directe ouvertures doen konde." Van Dijk werd dus door hem verwezen naar »zijn (van Dijk's) eigen kennissen en vrienden", die hij dan ook persoonlijk opzocht te Amsterdam, Rotterdam, den Haag en elders, en waaronder hij »weldenkende en ijverige voorstanders der oude constitutie" aantrof, die »niets hartelijker wenschten dan tot herstel der goede zaak te kunnen medewerken," maar hunne namen aan niemand bekend wilden hebben, »voor en aleer het gelukkig tijdstip geboren wierd dat zij zich werkzaam konden toonen. Dan daar de Engelsche expeditie ondernomen is geworden zonder dat men eigenlijk het ware oogmerk daarvan kende en voor zoover mij bewust is zonder voorkennis van Uwe Hoogheid, zoo heeft men aan niemand eenig teeken kunnen geven...."[28]
[28] _Gedenkstukken_ V, 813.
Licht komt er nu eerst na den veldtocht in Rusland. De Prins, die om de relatie met Engeland te versterken, er zijn zoon op studie had gezonden maar overigens in geen geregeld verkeer met de Engelsche regeering was gebleven--trouwens alle geregeld briefverkeer tusschen Engeland en het vasteland, waar de Prins om de familiebetrekkingen zijner Pruisische gemalin liefst verbleef, was sedert de inlijving van Holland en van Hamburg bij het Fransche Keizerrijk hoogst bezwaarlijk geworden--de Prins begeeft zich in het voorjaar van 1813, op eigen initiatief maar met voorkennis der souvereinen van Rusland en van Pruisen, over Zweden naar Engeland, waar men hem niet verwachtte en met zijne komst in zekere mate verlegen was. Men had er het huis van Oranje natuurlijk niet van de lei geschrapt, maar was geenszins gereed, vaste bedingen omtrent de toekomst van dat huis aan te gaan.
In den oorlog die in 1803 weder was uitgebarsten en nog onafgebroken voortduurde, had Engeland zich van alle Nederlandsche koloniën meester gemaakt, ook van die welke in den vorigen oorlog behouden waren gebleven, met de enkele uitzonderingen van het kantoor op Desima en van de nederzettingen op de Goudkust, op welke beide plaatsen, daar ook de Franschen er zich nimmer hebben vertoond, de Nederlandsche vlag geen oogenblik is neergehaald. De voorwaardelijke belofte van teruggave, in 1795 afgelegd, kon thans door Oranje bezwaarlijk tegen Engeland worden ingeroepen: immers zoowel Engeland als Oranje zelf hadden in 1802 en vervolgens met de Bataafsche Republiek tractaten gesloten of trachten te sluiten, en dus het in 1795 op den voorgrond gestelde begrip der »onwettigheid" van dat lichaam in de practijk losgelaten. De geheele situatie van 1795 was door de teruggave der koloniën aan de Bataafsche Republiek veranderd; op haar of het in hare rechten tredend Frankrijk waren zij sedert 1803 opnieuw veroverd als op een gewonen vijand, zonder dat ooit daarbij aan iemand de geringste toezegging van voorwaardelijke teruggave was gedaan. Eveneens, en geheel op denzelfden voet, waren de koloniën van Frankrijk zelf en van Denemarken in Engelands handen gevallen. Het middel nu om na eene overwinning der coalitielegers op het vasteland eene nieuwe gedaante van het vastelandsch Europa te verkrijgen die voor Engeland wenschelijk en aannemelijk was, zou blijkbaar moeten zijn de _vrijwillige_ voorwaardelijke teruggave der veroverde koloniën, op voorwaarden door Engeland te stellen, en voor zoover het behoud dier veroveringen niet onontbeerlijk werd geacht voor de welvaart van Engeland zelf. De Kaap en Ceilon, zooals de Prins uit de geschiedenis van 1797 en 1799 zeer goed wist, zou Engeland nimmer vrijwillig afstaan. Het liefst zou Engeland zich van eenige koloniën ten bate van een hersteld Nederland weder ontdoen, wanneer dat herstelde Nederland op het vasteland sterk genoeg werd om zich tegen Frankrijk te handhaven niet alleen, maar ook om Frankrijk binnen de grenzen van 1792 opgesloten te houden. M. a. w. Java zou de prijs voor een bewakingsdienst zijn, door Nederland te Antwerpen en Oostende te verrichten. Of het evenwel mogelijk zou zijn België in zijn geheel of ten deele aan Nederland te brengen, moest van het succes der coalitiewapenen afhangen, en zelfs niet alleen van het succes naar den Nederlandsch-Belgischen kant; immers of Oostenrijk ook thans van België af zou willen zien, zou er van afhangen welk land beschikbaar kwam in Italië. Van de vraag of zij alleen voor Nederland zou behoeven te dienen dan ook voor België, hing in Engelands oogen weder eenigermate af welke vorm aan de nieuwe Nederlandsche regeering ware te geven. Nimmer zou Engeland zich van iets ontblooten eer op al deze vragen een beslist antwoord te geven was, en dit was in April 1813, toen de Prins te Londen verscheen, nog in geenen deele het geval. Zijne vraag aan Lord Castlereagh (wier gelukkige redactie men aan Hendrik Fagel, den oud-griffier der Staten-Generaal dankt), luidt dan ook bescheiden:
»Il s'agirait pour le Prince d'Orange de savoir jusqu'à quel point on croirait utile de rétablir en tout ou en partie l'ancienne constitution stadhoudérienne, _ou bien d'y substituer un autre système de gouvernement qui conciliât le voeu_ de la nation hollandaise avec les vues des puissances appelées à influer si puissamment sur les destinées futures de cette nation;
jusqu'à quel point on pourrait donner à la Hollande soit par une extension de ses frontières (par une sorte de nouvelle _Barrière_ plus efficace que l'ancienne), soit par la réunion de quelques portions du territoire voisin de l'ancienne République, une consistance et une solidité qui rendraient cet état plus propre qu'autrefois à contribuer à servir de boulevard à l'indépendance et à la tranquillité de l'Europe; dans quel sens une pareille augmentation de territoire (si elle avait lieu) devrait influer sur la constitution à donner à ce nouvel Etat;
enfin jusqu'à quel point l'Angleterre croirait convenable à ses propres intérêts de se dessaisir en faveur de cet Etat régénéré des colonies hollandaises dont elle a fait la conquête pendant la guerre."[29]
[29] »Minute des principaux points touchés par le Prince d'Orange dans son entretien avec Lord Castlereagh, le 27 avril 1813" (_Ged._ VI, 1876).
* * * * *
Bezien wij elke drie leden dezer vraag wat nader.
Het eerste lid legt, in den vorm waarin het boven voorkomt, geen voorkeur hetzij voor het erfstadhouderschap hetzij voor het koningschap aan den dag. Fagels oorspronkelijke redactie had dat wèl gedaan: daarin had in de plaats der boven cursief gedrukte woorden gestaan: »ou bien d'y substituer un système de gouvernement _plus analogue_ et pour le fond et pour la forme aux circonstances et _aux besoins impérieux de l'époque présente_, aux secousses que l'Europe entière et la Hollande en particulier ont éprouvées, un système qui pût concilier le voeu", enz. De Prins had deze woorden geschrapt en door de kleurloozer redactie vervangen. »D'avoir l'_air_ de solliciter la royauté", had zijn moeder hem nog vóór het vertrek op het hart gebonden, »c'est ce que je ne conseillerais jamais";--maar aan die woorden gaat onmiddellijk vooraf: »si par un mouvement spontané on vous appelle _au trône_, je suppose que vous ne vous refuserez pas".[30] De vóór 1795 herhaaldelijk geuite beschuldiging van naar de souvereiniteit te staan, was toenmaals door het huis van Oranje steeds met energie teruggewezen; dat het volk zelf de omstandigheden nu geheel veranderd achtte, mocht worden vermoed, maar wilden de Prins en ook Lord Castlereagh eerst zien blijken.--»The omission proposed by the Prince", oordeelt na het lezen van Fagel's minuut Lord Malmesbury (de oude vriend van het huis uit de dagen van 1787) »is certainly a proper one as far as _he_ is personally concerned, but the sentiment contained in it, highly important as to the general arrangement".[31] Zoo heeft Fagel het in November begrepen en in dezen zin onmiddellijk aan Hogendorp geschreven[32], met volle instemming, _toen_, van den zich in April op dit punt nog niet uitlatenden Lord Castlereagh.
[30] Prinses Willemijn aan den Prins, 5 Maart 1813 (_Ged._ VI, 1859).
[31] Lord Malmesbury aan Fagel, 4 Mei 1813 (_Ged._ VI, 1880).
[32] Fagel aan Hogendorp, 22 Nov. 1813 (_Br. en Ged._ IV, 265).
Het tweede lid is al even voorzichtig gesteld. De niet uitgesproken voorkeur van den Prins gaat niet uit naar de nieuwe barrièresteden, maar naar de aanhechting van een zoo uitgebreid mogelijk grondgebied, zooals spoedig zou blijken;--en uit de slotwoorden is voor den goeden verstaander te lezen dat voor zulk een vergrooten en met een militaire functie ten dienste van Europa belasten staat de monarchale regeeringsvorm aangewezen schijnt.
Het derde lid doet, in volkomen juist begrip der situatie, een beroep op Engeland's belang, en vermijdt te spreken van de acte van 1795, als thans niet langer toepasselijk.
* * * * *
Het mondeling antwoord dat Lord Castlereagh 18 Mei 1813 aan den Prins en Fagel uitbracht, legt met zoo groote duidelijkheid de inzichten der Engelsche regeering open, dat wij het hier tekstueel mededeelen[33]:
[33] Het werd, onmiddellijk na het onderhoud, in schrift gebracht door den uitmuntenden redacteur Fagel. »In Fagel deed mij eens een bevoegd regter--Lord St. Helens--de gave opmerken om al het verhandelde in eene conferentie of Staats-Besogne even klaar en nauwkeurig als sierlijk aan zijne committenten mede te deelen" (Falck's _Gedenkschriften_, 150).--Lord St. Helens was de laatste gezant van Engeland geweest bij de oude Republiek.
»Lord Castlereagh commença par observer que la délivrance de la Hollande, son entière séparation d'avec la France, et le rétablissement de la maison d'Orange en Hollande, étaient des objets qui seraient toujours regardés par ce pays-ci comme étant pour lui d'un intérêt majeur, tant sous le rapport de la digue à opposer par ce moyen au pouvoir de la France, que sous celui des anciennes relations de ce pays-ci avec la maison d'Orange, dont on s'était pendant si longtems trouvé bien, et dont on avait contracté une sorte d'habitude; que par conséquent on serait certainement très disposé ici à concourir à atteindre ce but pour autant que les moyens de ce pays pouvaient le permettre; mais que, pour le moment, on croyait consulter le mieux les intérêts du Prince lui-même en différant de lui faire une réponse plus officielle jusqu'à ce qu'on se fût concerté avec ses alliés; que d'après cela Lord Castlereagh communiquerait sans délai à ceux-ci _et nommément à l'Empereur de Russie_[34] les ouvertures faites par le Prince, et que dès qu'on aurait reçu la réponse, on aurait avec S. A. S. des communications ultérieures et plus précises. Lord Castlereagh donna à connaître aussi dans le cours de la conversation qu'il lui paraissait nécessaire que le Prince d'Orange attendît _ici_[35] cette réponse et la communication ministérielle qui pourrait en être la suite.
[34] Ik cursiveer.
[35] Onderstreept in Fagel's handschrift.
Passant ensuite comme de lui-même et non-officiellement à quelques-uns des points touchés par le Prince dans son entretien du 27 avril, Lord Castlereagh remarqua que l'Angleterre (le moment opportun étant arrivé) serait certainement toujours disposée à concourir à tout ce qui pourrait tendre à faire de la Hollande un pouvoir plus indépendant de la France et plus en état de lui résister; que sous ce rapport on ne saurait avoir d'objection ici à donner à la Hollande une frontière plus forte et plus compacte, mais que l'accomplissement de cet object devait naturellement dépendre de circonstances qu'il n'était pas encore possible de prévoir, bien moins de diriger;
que ce raisonnement s'appliquait également aux changemens éventuels à faire à l'ancienne constitution dont on ne pouvait se dissimuler les imperfections, et que tout ce qui pouvait tendre à donner à la Hollande et à son gouvernement plus de force, de solidité et de consistance que par le passé était a désirer, _surtout si ce changement pouvait s'opérer de gré et conformément au voeu de la nation_;[36]
[36] Ik cursiveer.
qu'enfin la même chose était encore applicable à ce que le Prince avait mis en avant relativement aux colonies, et que quoique sûrement S. A. S. Elle-même ne s'attendît pas que ce pays-ci put vouloir se dessaisir de _toutes_[37] celles qui avaient autrefois appartenu à la Hollande, le degré de ces restitutions dépendrait naturellement (indépendamment d'autres circonstances) du plus ou moins de moyens de résistance que cet Etat une fois arraché à la France pourrait opposer à celle-ci, et du plus ou moins de cordialité avec lequel on se rapprocherait de l'Angleterre, et témoignerait le désir de renouer les anciennes relations avec elle"[38].
[37] Onderstreept in Fagel's handschrift.
[38] _Gedenkstukken_ VI, 1881.
* * * * *
Bij elk der 't zij door Fagel, 't zij door mij gecursiveerde woorden voegt eenige toelichting.
_Nommément à l'Empereur de Russie._ Overleg tusschen Engeland en Rusland omtrent het lot van Nederland en België was geene zaak van gisteren; zie hiervóór bl. 13. Rusland had reeds in 1798 het denkbeeld der vereeniging van die twee landen goedgekeurd, en had ook in 1805 toegestemd dat het in de groote Engelsch-Russische alliantie van dat jaar werd opgenomen. Een bijzonder artikel van dat alliantietractaat (11 April 1805) bepaalt: »Les hautes parties contractantes sont convenues qu'il entre dans le but du présent concert de procurer à la Hollande et à la Suisse, d'après les circonstances, des arrondissemens convenables, tels que les ci-devant Pays-Bas autrichiens en tout ou en partie à la première, l'Etat de Genève ou la Savoie à la seconde"[39]. Austerlitz had de verwachtingen van 1805 te schande gemaakt; Rusland verwijderde zich van Engeland, en het duurde tot 18 Juli 1812 eer er een vredesverdrag tusschen deze beide volken kon worden gesloten. Bij deze gelegenheid was het dat Rusland voor het eerst als prijs voor zijne medewerking tot het herstel en de vergrooting van Nederland de overneming door Engeland eener schuld van f 87.100.000 vroeg, die Rusland bij Amsterdamsche bankiers had aangegaan;--een eisch toen door Engeland afgewezen, maar waarop Rusland zich voornam te gelegener tijd terug te komen. Sedert 28 Febr. 1813 was ook Pruisen met Rusland verbonden, en 3 Maart 1813 sloot Engeland met Zweden een verdrag, waarbij Bernadotte zich verplichtte de operatiën der Russen in Duitschland te ondersteunen, tegen toezegging van een Engelsch subsidie, van de verwerving van het aan Napoleon's bondgenoot Denemarken toebehoorende Noorwegen, en van het door Engeland op Frankrijk veroverde eiland Guadeloupe.
[39] Martens' _Recueil_ II, 433.--Vgl. het artikel van Bussemaker, _De diplomatieke geschiedenis der herstelling van Neerlands onafhankelijkheid_, in _Gedenkboek der Herstelling_ I, 43 vv.
Zoover waren de zaken gekomen toen het onderhoud van 27 April tusschen den Prins en Lord Castlereagh plaats had. Intusschen verliep de oorlog in Duitschland aanvankelijk voor de bondgenooten niet zeer fortuinlijk; eerst toen Rusland en Pruisen zich bij verdragen van 14 en 15 Juni door zware Engelsche subsidiën tot volhouden hadden laten overhalen, heeft Lord Castlereagh, bij dépêche aan zijn gezant bij Alexander (Lord Cathcart) van 5 Juli 1813, een algemeen programma voor den Europeeschen vrede medegedeeld, waarvan de onafhankelijkheid van Nederland[40] deel uitmaakt, en, in zeer voorzichtige bewoordingen, Engelands gewilligheid betuigd wordt om tot verwezenlijking der programpunten door teruggave van koloniën mede te werken[41].
[40] »The reestablishment of Holland as an independent Power" (Bussemaker in _Gedenkboek_ I, 56).
[41] »As H. R. H. has contended for the common safety, so He will be prepared, as far as His separate interests are concerned, to negociate in the same spirit" (Bussemaker t. a. p.).