De Wedergeboorte van Nederland

Part 29

Chapter 293,771 wordsPublic domain

Ik noem hen vertegenwoordigers van den Vorst. De residentie kon zich vermeien in al den praal en luister, aan een hofhouding verbonden. Zoude het voor het monarchaal beginsel niet wenschelijk zijn, zoo de provincie zich ook kon verheugen in iets dat op eene hofhouding geleek? Daarom werd de Gouverneur ruim bezoldigd en bewoonde hij een paleisje. En in dat paleisje kon men gaan buigen en met eenigen goeden wil zich inbeelden, dat men ten hove was. Zoo kon het gebeuren, dat de menigte in dezen ambtenaar bij voorkeur iemand zag, die door costuum had te schitteren en door nederbuigende goedheid de menschen aan zich had te verbinden. Zoo kon het licht gebeuren, dat men voorbijzag, hoe deze ambtenaar ook eene gewichtige taak te verrichten had. Was dit laatste ook den Souvereinen Vorst bij het vervullen dezer betrekking ontgaan? Ik meen van neen. Van Imhoff, vóór 1795 oranjeman, in 1813 lid van het Fransche Wetgevend Lichaam, werd gouverneur van Groningen; Hofstede, eveneens oranjeman, maar in den Franschen tijd 's Keizers prefect, werd gouverneur van Drente; Hultman, een dienaar van de Bataafsche Republiek reeds in hare eerste jaren, en tot het einde der Fransche heerschappij eveneens prefect, werd gouverneur van Brabant. Moet bij deze benoemingen niet hunne bekwaamheid den doorslag hebben gegeven?

Tot dusver heb ik gehandeld over de invoering der Grondwet, voor zoover die, volgens uitdrukkelijke bepalingen, aan den Souvereinen Vorst was opgedragen. Doch er waren andere keuzen te doen, waarbij dit niet het geval was. De collegiën moesten worden samengesteld, die, nog meer dan de Raad van State, de waarborg moesten zijn voor een goed staatsbestuur. Allereerst komen in aanmerking de Staten-Generaal. Niet de Staten-Generaal van voorheen, niet meer de afgezanten der Souvereine gewesten, maar eene vergadering, door welker oprichting geofferd werd aan de goden van den nieuwen tijd. Eene vergadering, die evenals het hoogste collegie in de staatsregeling van 1798, het volk zoude vertegenwoordigen, en welker leden eveneens vrij en onafhankelijk zouden zijn in het uitbrengen hunner stem (art. 52, 62). Zonder haar zouden geene wetten worden vastgesteld; met haar zouden de financiën worden geregeld (art. 46, 70, 72). Bij de samenstelling van dit lichaam kwam het dus op personen aan, die het vertrouwen des volks, juist niet dat des Vorsten, genoten. De Grondwet had de keuze aan de Staten der gewesten opgedragen. Maar deze Staten moesten nog geboren worden. Wie zoude nu de eerste keuze doen? Zoo er nog eenig bewijs voor het gemis van alle publiek leven noodig was, het zou wel dit zijn, dat de Vorst zich bij het zwijgen der Grondwet geroepen achtte de eerste keuze te doen, en dat dit denkbeeld bij niemand eenige afkeuring ontmoette. Hoe heeft nu Willem I die taak vervuld? Welke leidende beginselen zijn bij deze keuze gevolgd? Wij vinden onder de leden Hogendorp, die moeilijk kon worden voorbijgegaan. Wij vinden er onder vier leden der grondwetcommissie: van Aylva, van Heerdt, van Lynden tot Blitterswijk, van Tuyll van Serooskerken. Ook de overige leden zijn bijna allen mannen van aanzienlijke geboorte, die een jaar later op de lijst der edelen staan geboekt. Het was menschelijk, dat de Vorst hierop meer lette dan op kunde en zelfstandigheid. Men beschouwde die benoeming dan ook als de ontvangst eener weldaad. Het was een begeerlijk baantje. Versierd met den titel van Edelmogende, begiftigd met eene bezoldiging van f 2500, had men niets anders te doen, dan een paar maanden des jaars genoegelijk in de residentie door te brengen. Toen van Stralen de portefeuille van Binnenlandsche Zaken moest vaarwel zeggen, verkreeg hij als pleister op de wonde eene plaats in 't gerechtshof voor zijnen zoon, een pensioen van f 3000 en het lidmaatschap van de Staten-Generaal voor zich zelven. Hij betuigt aan den Souvereinen Vorst, dat door het een zoowel als door het ander de dankbaarheid en verplichting jegens dezen vermeerderd zijn[558]. Het was dan ook te verwachten, dat dit collegie den Souvereinen Vorst geene bezwaren in den weg zou leggen. Is die verwachting beschaamd? De Staten-Generaal vergaderden achter gesloten deuren; hierdoor wordt het moeilijk een juist oordeel over dit lichaam te vellen. Mij is echter niet bekend, dat het ooit eene wet heeft afgestemd, terwijl de stormpas, waarmede de gewichtigste ontwerpen werden aangenomen, doet vermoeden, dat er weinig kracht in dit collegie zat. Een sterk sprekend voorbeeld van zijne volgzaamheid vindt men in de regeling der Nationale Schuld; eene regeling, waardoor onze financiën voor eeuwen zouden worden verbonden. Den 6den Mei 1814 werd het ontwerp ingediend; den 14den Mei verscheen het als wet in het Staatsblad. Dat het een collegie was, zooals een Vorst die zelf in alles zijn zin wilde hebben zich zoude wenschen, wordt bevestigd door het oordeel, dat een jaar later door Falck is uitgesproken. Toen tengevolge der vereeniging met België het tweekamerstelsel werd ingevoerd, en de keuze der Tweede Kamer voor de eerste reis ook weder aan den Koning was toevertrouwd, verzocht Falck zijnen vriend D. J. van Lennep hem eenige knappe lieden op te geven, die hij den Koning kon aanbevelen, lieden, die niet alleen in naam het volk vertegenwoordigden, zooals »de zwijgende Staten-Generaal", waarvan men toen stond afscheid te nemen. »Patriciërs", zegt Falck, »zijn er genoeg, en ook adellijken. Op Plebejers komt het aan, of ten minste op menschen, die het volk kennen en van hetzelve gekend worden"[559].

[558] Van Akerlaken, _Hendrik van Stralen_, 279.

[559] 11 Aug. 1815, (_Brieven_, no. 116).

Zoo werd door Falck de volksvertegenwoordiging geteekend, waarmede Willem I zijne regeering aanving.

Wat er, met deze inzichten, van de besturen, van de vertegenwoordiging der deelen worden zou, valt gemakkelijk te gissen. Ook de eerste keuze van de Provinciale Staten ging eveneens--hoewel 't niet was bepaald--van den Vorst uit. Eerst met 1817 zoude toch het beginsel van verkiezing door Ridderschappen, stedelijke besturen en eigenerfden of landeigenaren beginnen te werken[560]. Hier kon dus de Vorst een nog grooter aantal zijner onderdanen door dankbaarheid aan zich verbinden. Hetzelfde was het geval met de samenstelling der Ridderschappen en met de eerste vervulling der stedelijke besturen, ja met de eerste benoeming der kiezers voor den stedelijken raad. Dat de Vorst dit alles deed, sprak, meende men, van zelf[561].

[560] Hiervóór, bl. 185.

[561] Vgl. de circulaire van den Gouverneur van Zuid-Holland van 9 Aug. 1814, _Bijv. t. h. Staatsblad_ 1814, bl. 1623.

Dat men alzoo niet alleen de benoeming van griffier als eene gunst beschouwde, maar eveneens het lidmaatschap zelf, blijkt uit de menigte rekwesten, ingekomen om lid der Staten, om Gedeputeerde Staat te worden[562]. De nieuw benoemde Gouverneurs waren de mannen, die hierover den Minister van Binnenlandsche Zaken moesten adviseeren. Wanneer men nu op de personen let, die tot Gouverneur benoemd waren, dan is het natuurlijk, dat men in de Provinciale Staten dezelfde klasse in hoofdzaak zou zien vertegenwoordigd, die de grondstof voor de Staten-Generaal had opgeleverd. Men werd door gunst vertegenwoordiger der Provincie, ja zelfs erlangde men langs dezen weg het bezoldigde ambt van Gedeputeerden Staat. Van dergelijke collegiën was wel volgzaamheid, geene zelfstandigheid te verwachten, en zoo laat het zich dan ook verklaren, dat de kiemen van zelfregeering der deelen in de Grondwet van 1814 nedergelegd, en in die van 1815 overgenomen, eerst in veel lateren tijd, vooral na 1848, tot wasdom zijn gekomen.

[562] Brief van Falck aan Röell van 10 Aug. 1814.

Vóór het einde van 1814 was het groote werk volbracht. De Grondwet van 1814 was zoowel wat betreft het algemeen bestuur, als dat der deelen, ingevoerd. Er was niet alleen eene uitvoerende of besturende macht, er was ook eene vertegenwoordiging van Rijk, Provincie en Stad--al was het er ook eene, die gekozen was door hen, wien zij geroepen was te controleeren. Dit was vreemd, maar 't was nu eenmaal niet anders, en wie vond er eenig bezwaar in? Evenmin was dit het geval met de samenstelling der Rekenkamer, het collegie, dat waken moest tegen financieel wanbeheer. Zoo ergens zelfstandigheid tegenover de Regeering een eerste vereischte was, 't was voorzeker hier. Overeenkomstig art. 120 der Grondwet zoude de Souvereine Vorst dan ook de leden van dit collegie kiezen uit eene door de Staten-Generaal op te maken nominatie. Toch werd voor de eerste samenstelling van dit collegie geene nominatie opgemaakt. Waarom niet? Omdat de Grondwet in art. 120 alleen van nominatie bij eene vacature gesproken had; hier nu was geene vacature--er kwam een geheel nieuw collegie. Dit was nu de reden dat, niettegenstaande de Staten-Generaal er reeds waren, de wet van 9 Juli 1814 (_Staatsblad_ no. 76) den Vorst voor de eerste benoeming aan geene nominatie bond. Evenmin geschiedde dit met de eerste benoeming van Raden en Generaalmeesters van de Munt, voor wie art. 119 der Grondwet hetzelfde had bepaald. Ook hier gaf de wet van 11 Juli 1814 (_Staatsblad_ no. 78) voor de eerste benoeming de vrije keus aan den Souvereinen Vorst.

Ik zoude hier mijne beschouwingen over de maatregelen genomen ter invoering der Grondwet van 1814 kunnen eindigen, ware het niet, dat de adel een aandeel aan het Staatsbestuur zoude hebben, en dat dus over de organisatie dezer instelling een woord dient gezegd te worden. Uitdrukkelijk, zooals vroeger reeds is vermeld[563], had de Grondwet in art. 58 bepaald, dat het aan den Souvereinen Vorst bleef voorbehouden eene wet voor te dragen, waardoor aan de edelen of Ridderschappen een evenredig aandeel onder het getal der leden van de Staten-Generaal zoude worden verzekerd. Doch voor de toepassing dezer bepaling was alzoo eerst eene wet noodig, eene wet, die niet is tot stand gekomen, zelfs niet is voorgesteld. Dit aandeel in het Staatsbestuur ontging dus den adel. Wat echter de Grondwet wel niet uitdrukkelijk bepaald had, maar toch in de bedoeling zoowel van den Souvereinen Vorst als van de Commissie had gelegen, was dat de adel een aandeel zoude hebben in de verkiezing van de leden der Provinciale Staten. Van Maanen wees in zijne toespraak aan de Notabelen er op, hoe in de Staten der Provinciën onze oude, edele, aanzienlijke geslachten naast de vertegenwoordigers der steden en die van het platteland plaats zouden nemen. Het was dus geheel en al overeenkomstig die bedoeling, toen de Souvereine Vorst in de Reglementen, den 26sten Augustus 1814 over de samenstelling der provinciale Staten ter uitvoering van art. 74 der Grondwet vastgesteld, aan den adel in elke provincie een aandeel in de verkiezing van of verkiesbaarheid voor de Staten toekende. Bij die reglementen werd tevens de vraag beslist, in welke provincie de Edelen op zich zelven zouden staan, in welke zij eene Ridderschap, een lichaam van Edelen zouden uitmaken. Voorshands werden hiervan alleen uitgesloten Zeeland en Friesland. In Zeeland was--zooals bekend is--vóór de revolutie van 1795 het hoofd van het Huis van Oranje de eenige Edele. Er was dus in 1814 in Zeeland weinig stof voor een lichaam van Edelen. Dit zal wel de reden zijn geweest, dat men aan de Edelen in Zeeland geen kiesrecht toekende, maar alleen bepaalde dat de kiezers 6 leden der Staten uit den stand der Edelen moesten kiezen. Voor Friesland kan zoo iets de reden niet geweest zijn. Er waren oude Edelen in voldoenden getale; edelen, wier recht wel niet rustte op brieven van adeldom, wier recht alleen in verjaring gegrond was, maar die daarom vóór de revolutie van 1795 niet minder als zoodanig waren erkend. Immers elke grietenij vaardigde één edele en één eigenerfde ter Statenvergadering af. Waarom dan in Friesland niet, in het daarnaast gelegen Groningen wel eene Ridderschap ingesteld? In Groningen wel, waar vóór 1795 wel de bezitters der regeeringsrechten ten platten lande uit courtoisie jonkers genoemd werden, maar waar aan eenen adel als zoodanig geene rechten waren toegekend, waar iets dergelijks noch krachtens vorstelijke opdracht, noch krachtens verjaring had bestaan? Zoude de reden niet deze geweest zijn, dat men de gehechtheid der Friezen aan hunne vroegere instellingen wilde eerbiedigen en daarom in plaats van eene afzonderlijke Ridderschap in te stellen, de stemgerechtigden in elke grietenij, evenals van ouds, een edelman en een eigenerfde liet verkiezen? Daar nu in de overige gewesten eene Ridderschap als kiescollegie werd ingesteld, bleven Zeeland en Friesland in dit opzicht voorloopig een bijzondere positie innemen[564].

[563] Bl. 129.

[564] In Zeeland werd echter reeds in 1816, in Friesland in 1825 eene Ridderschap ingesteld.

Wie zouden echter tot die Edelen of Ridderschappen behooren? Het antwoord ligt voor de hand. Men moest van _adel_ zijn. Maar wie was van adel? De Grondwet bepaalde in art. 42, dat de Souvereine Vorst in den adelstand verhief. En art. 77 bepaalde, dat de eerste bijeenroeping en admissie tot de Edelen of Ridderschappen door den Vorst overeenkomstig de omstandigheden zoude geschieden. Toen men, om aan de bepalingen van de reglementen van 26 Augustus 1814 werking te verzekeren, zoude overgaan tot de uitvoering van dit art. 77, kwam de vraag op, of de Souvereine Vorst niet eerst gebruik moest maken van zijn prerogatief, vervat in art. 42, en daarna de alzoo geadelden moest oproepen en admitteeren. De Minister van Binnenlandsche Zaken, Röell, toen hij zag, dat men die verheffing in den adelstand niet wilde laten voorafgaan, deed die vraag aan den Algemeenen Secretaris van Staat. Waarom zoude dit noodig zijn? antwoordde Falck. Admissie tot de Ridderschap was volgens hem verheffing in den adelstand, gelijk het mindere in het meerdere was begrepen. Men zoude, meende Falck, door den anderen weg in te slaan, ook stuiten op het bezwaar, dat eenigen, hij noemde van der Dussen, van Leyden, zouden beweren, die verheffing niet noodig te hebben, dat wil zeggen: zij zouden beweren reeds van adel te zijn. Daar lag dus in de erkenning van Falck, dat, wanneer de Grondwet den Souverein het recht toekende, iemand in den adelstand te verheffen, er reeds buiten de Grondwet zoodanige stand bestond, en dat die er toe behoorden, geene verheffing meer noodig hadden.

Dit was ook in den geest van de wetgeving van koning Lodewijk. Toen deze bij de wet van 22 April 1809 de instelling van den adel in het Koninkrijk invoerde, had hij vooral den ouden adel van ons land op het oog. Deze had--in tegenstelling tot de personen, die de Koning in den adelstand zou _verheffen_--alleen _bevestiging_ noodig. Daaronder zouden volgens het besluit van 1 October 1809 niet alleen vallen de geslachten, vóór de Revolutie van 1795 in de Ridderschap beschreven, maar ook de zoodanigen, die bewijzen konden, steeds voor inlandschen adel te zijn gehouden, ja zelfs die, welke vroeger tot den adel van het land hadden behoord, doch later er geen effect van hadden genoten. Er waren dus _twee_ categoriën; geslachten, die in den adelstand _bevestigd_, en geslachten, die er in _verheven_ werden. Hierbij kwam nu nog eene derde categorie: _de vreemde adeldom_. Geslachten, hier, te lande gevestigd, die konden aantoonen van een uitheemsch adellijk geslacht te zijn of brieven van adeldom van uitheemsche Keizers en Koningen minstens 25 jaar geleden te hebben verkregen, konden door den Koning in den adel worden _ingelijfd_. Er was dus bevestiging, verheffing en inlijving.

In denzelfden geest werd gehandeld door den Souvereinen Vorst onder de Grondwet van 1814. Den 24sten Juni 1814 werd een Hooge Raad van Adel opgericht. Hij zoude den Souvereinen Vorst als adviseerend lichaam ter zijde staan. Op zijn advies werd uitvoering gegeven aan art. 77 der Grondwet en werden bij onderscheidene besluiten de personen aangewezen, die--zonder dat er eene uitdrukkelijke verheffing in den adelstand plaats vond--tot de Edelen of Ridderschappen in elke provincie geadmitteerd werden[565]. Dat echter voor de toekomst de beginselen van de wetgeving van koning Lodewijk zouden gevolgd worden, bleek uit het besluit van den Souvereinen Vorst van 13 Februari 1815 (_Staatsblad_ no. 15). Het werd genomen op voordracht van den Hoogen Raad van Adel en op advies van den Raad van State. Volgens dat besluit zouden niet alleen tot den adelstand behooren die door den Souvereinen Vorst in de Ridderschappen of Edelen benoemd en geadmitteerd waren, maar bovendien, die bij vervolg door Hem in den adelstand zouden worden erkend, ingelijfd of verheven. Tevens zouden, wat volgens de regeling van koning Lodewijk niet het geval was, alle hunne wettelijke afstammelingen ook tot den adelstand behooren.

[565] Besluiten van den Souvereinen Vorst van 28 Augustus, 17 September, 7 en 22 October, 1, 9 en 11 December 1814 (Stuart, _Jaarboeken_ 1814, bl. 220).

Hiermede had dan ook de instelling van den adel hare organisatie ontvangen. Terwijl de Grondwet--behoudens de eerste admissie volgens art. 77--alleen sprak van _verheffing_ in den adelstand, zag men er geen bezwaar in de deur open te stellen voor twee andere categoriën. De eerste werd gevormd door de personen uit de oude adellijke geslachten van ons land, die bij de eerste admissie konden geacht worden vergeten te zijn. Daartegen bestond weinig of geen bezwaar. Meer bedenkelijk was de toelating der tweede categorie, waardoor de nationale adeldom toegankelijk is gemaakt voor zoovelen, die hun recht ontleenden aan het gunstbetoon van een of ander vreemden Souverein. Bedenkelijk vooral om deze reden. Wanneer men in den adelstand verheven werd, zoude men verwachten, dat dit geschiedde wegens diensten, aan het vaderland bewezen. Wanneer men tot den Nederlandschen adel bracht die geslachten, die ook vroeger als zoodanig erkend waren, dan was het de herstelling van een vroegeren toestand, en bestond er althans een vermoeden, dat de verdiensten van de voorouders de grond daarvan waren geweest. Maar nu men ook vreemden adeldom als grond van verheffing boven zijne medeburgers ging erkennen, nu werd de adel geheel en al losgemaakt van verdienste. Een poging in de commissie voor het ontwerpen der Grondwet van 1815 gedaan, om althans de verheffing in den adelstand met diensten, aan den Staat bewezen, in verband te brengen, stuitte dan ook af op de beslissing van den Vorst[566].

[566] _Ontstaan_ II, 110, 117, 152 (waar voor »voegelijk" het woord »niet" is uitgevallen), 412, 417, 420, 426.--»Omtrent de verheffing in den adel", schrijft de Koning, »dient geen conditie gesteld te worden. Het spreekt van zelvers, dat gecenseerd wordt dat het alleen geschiedt om bewezen diensten te beloonen, dog daar deze van verschillenden aart kunnen zijn, die niet altoos erkend worden, zoude het niet voeglijk zijn, den Koning te exponeeren van aan de Grondwet te mankeeren, wanneer zijne keuzen niet goed waren".

Tot dit alles heeft voorzeker medegewerkt het voorbeeld van koning Lodewijk. Wellicht echter nog meer het politiek recht aan den adel verbonden. De oude adel was in sommige gewesten bijna uitgestorven, in andere had hij niet bestaan. In elke provincie moest nu een aanzienlijk getal edelen aanwezig zijn, hetzij om als kiescollegie dienst te doen, hetzij om er uit te kunnen kiezen. Daarom moesten de deuren zoo wijd mogelijk worden opengezet. Daardoor laat zich ook de mildheid verklaren, waarmede Willem I in het verleenen dezer gunst te werk ging. Eindelijk ook, met afwijking van het beginsel van koning Lodewijk, de bepaling, dat de adel op al de wettelijke afstammelingen zoude overgaan. Ware de toestand geweest, zooals hij nu is, er zoude met deze sociale distinctie niet zoo zijn gemorst, als onder de werking der Grondwet van 1814 en vooral onder die van 1815 het geval is geweest.

Zoo waren dan binnen het tijdsverloop van één jaar de maatregelen genomen, noodig voor de invoering der staatsregeling van het herboren vaderland. Eene zaak van gewicht moet hiervan echter worden uitgezonderd. Het geheele vierde hoofdstuk: _van de Justitie_, bleef onuitgevoerd. Niet alleen wat de beloofde nieuwe burgerlijke- en strafwetgeving, maar tevens wat de eveneens voorgeschreven nieuwe samenstelling der Rechterlijke Macht betreft. Ten opzichte van het laatste onderwerp had men zich dit niet voorgesteld. Had toch niet de grondwetcommissie bij art. 4 van het besluit van 21 December 1813 de opdracht gekregen reeds vóór de indiening van het ontwerp der Grondwet een voorloopig rapport over de regeling der judicieele administratie aan den Souvereinen Vorst in te dienen; blijkbaar met het doel dezen in staat te stellen de noodige maatregelen voor eene nieuwe samenstelling der Rechterlijke Macht voor te bereiden? Aan die opdracht had de commissie door de afzonderlijke aanbieding van het vierde hoofdstuk voldaan[567]. Doch na de invoering der Grondwet en onder hare werking kwam er niets tot stand. Behoudens de bij het besluit van 11 December 1813 reeds ingevoerde wijzigingen, bleven de Fransche rechterlijke instellingen bestaan, en het duurde tot 1 October 1838 voordat de belofte, ook gedaan door de Grondwet van 1815, vervuld werd en het daarin voorkomende vijfde hoofdstuk: van de Justitie, tot uitvoering kwam--altijd nog zonder de vaststelling van een Nederlandsch Strafwetboek. Is het behoud der Fransche rechterlijke organisatie gedurende zoo langen tijd alleen een gevolg geweest van de moeilijkheid van het onderwerp, of lag de reden ook tevens hierin, dat men tegen de afschaffing van het sedert de inlijving hier bestaande stelsel opzag? De man, die als hoofd der justitie den meesten invloed op dit onderwerp uitoefende, van Maanen, was een verklaard voorstander van dat stelsel. In de zitting der grondwetcommissie van 19 Januari 1814 hoorden wij hem zeggen, dat de oude rechtspleging monstrueus was en dat de justitie zeker nimmer beter was geadministreerd dan op dat oogenblik[568]. Wij mogen dus aannemen, dat de drang naar de invoering der grondwettelijke bepalingen bij de machthebbenden niet sterk is geweest.

[567] Zie hierboven bl. 81.

[568] Bl. 180.

Op één punt echter begreep de Souvereine Vorst, dat door de invoering der Grondwet wijziging in de Fransche wetgeving gekomen was. De Fransche constitutie van het jaar VIII had in art. 75 bepaald, dat geen agenten van het gouvernement wegens daden betrekkelijk hunne functiën konden worden vervolgd dan krachtens eene beslissing van den Staatsraad. De Souvereine Vorst gaf bij besluit van 22 September 1814 te kennen, dat door de invoering der Grondwet deze bepaling der Fransche constitutie vervallen was. Men zoude dus voortaan bij ondervonden willekeur een ambtenaar zonder vergunning van het hooge bestuur voor den rechter kunnen dagen. Eene bescherming tegen willekeur, die echter meer zoude gebaat hebben wanneer de Fransche wetgeving over de rechterlijke macht tevens was vervallen. Zoo bleef het hier te lande executoir verklaarde art. 13 der wet van 24 Augustus 1790 van kracht, hetwelk luidde: »Les fonctions judiciaires sont distinctes et demeureront toujours séparées des fonctions administratives. Les juges ne pourront, à peine de forfaiture, troubler de quelque manière que ce soit les opérations des corps administratifs, ni citer devant eux les administrateurs pour raison de leurs fonctions". Het slot van dit artikel nam veel weg van de waarde van het besluit van 22 September 1814. De annalen onzer rechtspleging zouden, indien ik mij niet bedrieg, dit kunnen bewijzen.

Doch ik loop vooruit op hetgeen ik in de volgende bladzijden wensch te behandelen.

_Ministers van het Algemeen Bestuur_ (hiervóór, bl. 268).--18 November, als hij hoopt omringd te worden door zijne Staten-Generaal, heeft Gijsbert Karel het volgende lijstje van door dit lichaam te doene politieke aanstellingen in den zak:

President van de Staten-Generaal: van der Duyn.

Raadpensionaris van de Staten-Generaal: Hogendorp.

Secretaris van de Staten-Generaal: Falck.

Minister van Buitenlandsche Zaken: Hendrik Fagel.

Minister van Binnenlandsche Zaken: .................. (blank).