De Wedergeboorte van Nederland
Part 28
Bij eene oppervlakkige beschouwing zoude men meenen, dat ten opzichte van de uitvoering van art. 35 der Grondwet nu alles gezegd was. Immers het Staatsbestuur was in onderscheidene takken verdeeld en aan het hoofd van elk dier takken was één persoon geplaatst. Het gewichtige van een ambt, denkt men wellicht, is gelegen in de taak er aan verbonden. De naam, dien het ambt draagt, zal toch wel onverschillig zijn. Is dit echter wel juist? Ook volwassen mannen blijven groote kinderen. Men hecht aan een naam, aan een titel. Zoowel hij die het ambt bekleedt, als de menigte, die u met dien naam aanspreekt. En naarmate de macht minder is, is de behoefte grooter aan pronk en praal. De Ministers waren volgens de Grondwet van 1814 geen zelfstandige Staatsdienaren: zij voerden den wil van den Vorst uit. Het denkbeeld van ministerieele verantwoordelijkheid in Engelschen zin was vreemd aan ons land. Zoowel onder de Staatsregelingen der Bataafsche Republiek, als onder koning Lodewijk waren de Ministers niets anders geweest dan de dienaren der uitvoerende macht en jegens die macht alleen verantwoordelijk. Aan den aard van dit ambt paste zeer goed de naam van _Agent_, een naam, voorkomende in de Staatsregeling van 1798. Ook nog de naam, gebruikt in de constitutie van 1806, de naam van Minister; dit beteekent immers dienaar. Of men zoude ze ook Commissarissen-Generaal hebben kunnen noemen. De Souvereine Vorst koos echter een anderen, een meer weidschen titel: den titel van _Secretaris van Staat_. Een titel, die niet voor het eerst hier te lande werd toegekend. Men had reeds in het ontwerp der Staatsregeling van 1797 deze dienaren der uitvoerende macht aldus genoemd, doch in de Staatsregeling van 1798 aan den meer eenvoudigen naam van _agent_ de voorkeur gegeven. In de Staatsregelingen van 1801 en 1805 komen die dienaren echter voor als _Secretarissen van Staat_. En zoo had de Souvereine Vorst, zooals wij vroeger hebben opgemerkt, Hogendorp onder dezen titel aan het hoofd der Buitenlandsche Zaken geplaatst. Volgens art. 32 van de Grondwet van 1814 zoude ook de Vice-President van den Raad van State een Secretaris van Staat zijn. Een titel, die hooger geacht werd--zooals ook hieruit blijkt, dat aan Mollerus, die, omdat hij stond onder den Erfprins, den naam kreeg van Commissaris-Generaal voor Oorlog, desniettegenstaande de rang van Secretaris van Staat werd toegekend[539]. Wanneer nu echter, zooals ik geloof, die titel zijnen oorsprong vindt in de Engelsche Monarchie, waar de Secretarissen van Staat geroepen zijn door hunne mede-onderteekening aan de handelingen van de Kroon authenticiteit en kracht te verzekeren, dan betwijfel ik, of wel een van die Ministers tusschen wie het Staatsbestuur verdeeld was, recht op dien titel had. Ja ik zoude meenen, dat dit alleen het geval was met Falck, die, zooals wij gezien hebben, de betrekking van Algemeen Secretaris van Staat bekleedde.
[539] _Staatscourant_ 1814, no. 85.
Bij deze betrekking wensch ik nu een oogenblik te blijven stilstaan. Wij vinden haar onder den naam van Algemeen Secretaris in de Staatsregelingen van 1798 (art. 91) en 1801 (art. 32), en onder dien van Algemeen Secretaris van Staat in de Staatsregeling van 1805 (art. 47). Een ambtenaar, die het Uitvoerend Gezag in zijn geheel ter zijde stond en wiens mede-onderteekening voor de geldigheid van de akten van het gouvernement vereischt werd. Wanneer men de instructie van 1 Mei 1805 naleest, zal men zien, dat het na den Raadpensionaris het gewichtigste ambt der Republiek mocht genoemd worden. Mr. C. G. Hultman bekleedde die betrekking onder de Staatsregelingen van 1801 en 1805. Toen koning Lodewijk optrad, benoemde hij in zijne plaats onder den titel van Minister, Secretaris van Staat, Mr. W. F. Röell, dien wij nu hebben zien optreden als Secretaris van Staat voor Binnenlandsche Zaken. Het is opmerkelijk, dat koning Lodewijk langzamerhand begon te vreezen, door Röell te zullen worden overschaduwd. Hij vreesde, dat Röell als eerste minister zoude worden beschouwd, en eerste minister wenschte hij zelf te zijn. Zoo werd in 1808 na het aftreden van Röell de heer Appelius, die hem opvolgde, geen Minister Algemeene Secretaris, maar Staatsraad-Secretaris des Konings, terwijl na diens ontslag in 1809 de geheele betrekking verviel en met een deel der werkzaamheden de Minister van Justitie en Politie belast werd, terwijl een ander deel werd opgedragen aan den heer Verheyen, als Eersten Secretaris van 's Konings Kabinet[540]. Toen dit geschiedde, was Falck, volgens Lodewijk: »_un jeune homme très instruit et d'une grande espérance_", reeds in betrekking, 't laatst Secretaris-Generaal bij het Ministerie van Marine en Koloniën. Was het de herinnering aan hetgeen met Röell was voorgevallen, die hem in 1813, toen hem dit ambt zou worden opgedragen, eerst deed terugdeinzen voor den titel van Algemeen Secretaris van Staat, en hem de voorkeur deed geven aan dien van Raad-Secretaris? Falck, wien het meer om de zaak, dan om den titel te doen was, dacht hierdoor minder naijver op te wekken; hij meende ook, dat deze naam beter overeenkwam met de ideeën van eenvoudigheid en economie, die hij ook elders voortplanten wilde[541]. Onbekend zijn de redenen, die ten slotte toch den titel van Algemeenen Secretaris van Staat hebben doen herleven. Hij stond dus in rang met de overige Ministers gelijk. Het maakt een vreemden indruk, wanneer wij zien, dat Falck's grootste vereerder dit ambt beschouwt als eene ondergeschikte betrekking[542]. Het tijdvak 1813-1818, waarin Falck als zoodanig optreedt, is integendeel het gewichtigste deel van zijn ambtelijk leven. Want hoewel bij het ontbreken der ministerieele verantwoordelijkheid, bij het geheel persoonlijk gouvernement van Willem I de Algemeene Secretaris in gewichtige zaken niets te bevelen had, zoo werd hij toch wegens den aard zijner betrekking in alles gekend, en moesten zijne inzichten in alle zaken van aanbelang ter kennis van den Vorst komen. Zoowel in de buitenlandsche als in de binnenlandsche politiek moest hij meer dan iemand anders invloed uitoefenen. Hij was toch voor een groot deel de trechter tusschen den Vorst en zijne Ministers; hij is het, die, bij 't overbrengen van 's Vorsten wil, de pen voert. Ik heb er vroeger op gewezen[543], hoe, toen in 1814 de onderhandelingen met Engeland over de teruggaaf der koloniën gevaar liepen te mislukken, Falck de man was, die den wagen weder in het rechte spoor bracht. Het was, althans wat de eerste jaren na 1813 betreft, geene ijdele lofuiting, dat Willem I, Falck voorstellende aan Keizer Alexander, tot dezen zeide: »ziehier mijne rechterhand"[544]. Zoo er dus onder de dienaren van den Vorst iemand was, die aanspraak had op den weidschen titel van Secretaris van Staat, dan was het Falck;--Falck, wiens taak het was door mede-onderteekening aan de handelingen van het Souverein Gezag authenticiteit te verzekeren; Falck, die in 't middenpunt van alles stond en dus den gang van zaken in zijn geheel 't best kon overzien. Of was dit wellicht ook het geval met de andere Secretarissen van Staat, had er ook tusschen hen onderlinge raadpleging plaats? De Staatsregeling van 1798 had in art. 96 het vormen van een afzonderlijken Raad door de Agenten uitdrukkelijk verboden; dit nu had de Grondwet van 1814 niet gedaan. Toch lag een dergelijke Raad niet in den geest dezer Grondwet. De Ministers hadden ieder alleen voor zijn eigen departement te zorgen; zij hadden, elk voor zijn eigen departement, uitvoering te geven aan de besluiten van den Vorst. En wanneer Falck spreekt van een Ministers-Conseil, dan is het een raad, waarin de Souvereine Vorst presideert[545]. Het was, zooals men het later noemde, een Kabinetsraad. Daarin hadden, behalve de Ministers, ook andere hooge Staatsdienaren zitting, althans de Vice-President van den Raad van State[546]. Is er in de eerste jaren reeds bovendien een Ministerraad geweest? Ik heb daarvan vóór 1823 geene sporen gevonden[547]. Maar dit is zeker: de taak van dien, 't zij Kabinets-, 't zij Ministerraad, is in elk geval niet van dien aard geweest, dat de Ministers daardoor bekend werden met den gang van het geheele Staatsbestuur. Hoe weinig de Ministers onder de regeering van Willem I met de algemeene staatsbelangen bekend waren, blijkt uit menige omstandigheid. Van Maanen, die meer dan iemand anders in lateren tijd voor het regeeringsstelsel van Willem I aansprakelijk werd gesteld, komt er in 1817 rond voor uit, in de Financiën onwetender te zijn dan de minste leek, en schijnt dit zeer natuurlijk te vinden[548]. Nog sterker is hetgeen voorviel met den Minister van Buitenlandsche Zaken, van Nagell, die, toen in 1818 op aandrang der vreemde mogendheden een wetsontwerp zoude voorgesteld worden tot beteugeling der drukpers, een paar dagen vóór de indiening er van aan den Engelschen gezant moest bekennen, dat hij van dat ontwerp nog niets gezien had, en dat de geheele zaak, met uitsluiting van ieder ander, tusschen den Koning en van Maanen was afgesproken en in orde gebracht[549]. Soms wordt een dergelijke wijze van handelen zelfs van Maanen te kras, en zoo klaagt hij, als de Belgische Revolutie in aantocht is, dat de Vorst zijne Ministers niet bijeenroept tot onderling overleg, zoodat ieder geheel op zich zelven werkt, en zij niets weten van elkander[550].
[540] Lodewijk Bonaparte, _Gedenkstukken_ I, 152, III, 89; vgl. Röell in _Ged._ V, 572.
[541] Aan D. J. van Lennep, 24 Dec. 1813 (_Brieven_, no. 97).
[542] O. W. Hora Siccama in de voorrede der _Ambtsbrieven_, blz. XVI.
[543] Bl. 247.
[544] _Brieven_, 23.--In den ruim een jaar vóór zijn aftreden aan D. J. van Lennep den 26sten Februari 1817 gerichten brief schrijft Falck over zijne verhouding tot Willem I: »Mijne positie is, òf onveranderd gebleven, òf zelfs nog verbeterd. Dezelfde onderscheidende goedheid, dezelfde welwillendheid van de zijde des meesters. Wel geene overeenstemming op alle punten en geen toegeven aan alle mijne denkbeelden of tegenwerpingen, maar dezelfde blijken van innig en onbeperkt vertrouwen, en moet ik mijne meening ronduit uitdrukken, ik ben in te veel en in te velerlei dingen van aanbelang gebruikt om ooit onder deze regeering het slachtoffer te kunnen zijn van iets anders dan van eigene onvoorzichtigheden of van nalatigheid in mijne plichtsbetrachting."
[545] Brief van 7 Dec. 1813 (_Brieven_, no. 92); van 2 Maart 1814 (no. 100).
[546] »M. de Hogendorp, (vice)-president of the council of state, and one of the cabinet ministers" (Chad aan Castlereagh, 12 Juli 1816; _Ged._ VIII, 38).
[547] Thorbecke, _Aanteekening_ I, 186.--_Handleiding tot de kennis van het Staatsbestuur_, II, 5.
[548] Brief van 28 Aug. 1817 aan Röell, toen lid der Eerste Kamer.
[549] Clancarty aan Castlereagh, 3 Febr. 1818 (_Ged._ VIII, 90).
[550] Brief van van Maanen aan Röell van 8 Febr. 1829.
Welk een verschil tusschen den staatsrechtelijken toestand van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, zonder voldoende kracht in het centrum en met de verdeeling van macht tusschen allerlei collegiën, en den toestand, zooals hij door deze nieuwe orde van zaken werd gevestigd. De Vorst mocht der Revolutie van 1795 dankbaar zijn, die al deze hindernissen had opgeruimd en het terrein voor hem had effen gemaakt. Maar welk een afstand lag er ook tusschen het tijdvak der Bataafsche Republiek, toen men uit vrees voor de overmacht van één persoon, van geen president, alleen van een collegie van bestuur wilde weten, en tusschen dit oogenblik, toen de geheele macht van bestuur geconcentreerd werd in één en nog wel in een door het toeval der geboorte aangewezen persoon? Het waren de gulden dagen van het monarchaal bijgeloof. Meende men dan bij de uitoefening van het Staatsbestuur inderdaad alles aan dien eenen persoon te kunnen overlaten? Dit te beweren, zoude niet vrij van overdrijving zijn. Men greep naar een middel, dat, evenals het ministerieel bestuur, door de Bataafsche Republiek was in praktijk gebracht. Ik bedoel den Raad van State. Zoolang de uitvoerende macht aan één collegie, eerst het Uitvoerend, later het Staatsbewind (1798, 1801) was toevertrouwd en onderlinge raadpleging en besluit in een en 't zelfde lichaam waren vereenigd, zoolang kon geen afzonderlijke Raad van State te pas komen. Toen echter in 1805 en 1806 het gouvernement onder Franschen invloed eenhoofdig werd, werd ook hier op het voorbeeld van Frankrijk een Staatsraad ingesteld, ter bevordering van het overleg, dat de gewichtigste daden van Staatsbestuur behoorde vooraf te gaan. Een collegie, dat echter niet het gewicht had, 't welk het in Frankrijk bezat, waar het niet alleen optrad als adviseur in zaken van bestuur, maar ook tevens de hoeksteen was der administratieve rechtspraak, en bovendien een beslissenden invloed op de samenstelling der wetten en reglementen uitoefende, ja welks adviezen, mits door den Keizer goedgekeurd, in rechtskracht de wet evenaarden. Niet alzoo bij ons. In de constitutie van 1805 en 1806 was het hoofd van het uitvoerend gezag alleen verplicht het collegie te hooren over ontwerpen van wet, en was het hooren er van verder aan zijn goedvinden overgelaten (1805 art. 45; 1806 art. 31). Werd nu het eene of het andere voorbeeld door de Grondwet van 1814 gevolgd? Ik meen geen van beide. De Raad van State kreeg een zuiver adviseerend karakter, en in zoover onderscheidde hij zich van den Franschen Staatsraad, maar hij moest gehoord worden over alle daden der Souvereine waardigheid, en alzoo was zijne taak ruimer dan die van den Staatsraad onder Schimmelpenninck of onder koning Lodewijk. Bij het ontbreken der ministerieele verantwoordelijkheid en in de vooronderstelling dat een Vorst het goede wil en dat hij tevens wat goed is, weet te onderscheiden, kon in een dergelijk collegie voorzeker een waarborg liggen voor een goed Staatsbestuur, een collegie, dat zijn advies moest geven, voordat de Souvereine Vorst eenig besluit nam. Was de benoeming der Secretarissen van Staat eene zaak geweest, die met nauwgezetheid behoorde te worden behandeld, het was zeker geen minder gewichtige taak de instructie voor den Raad van State te ontwerpen en tevens aan te wijzen, wie in dit collegie zitting zouden nemen. De instructie werd den 6den April 1814, denzelfden dag, waarop de ministers benoemd werden, vastgesteld[551]. Zij regelde de wijze van werken van het collegie en maakte geen inbreuk op het zuiver adviseerend karakter door de Grondwet daaraan toegekend. Het zoude den Vorst dienen van consideratiën en advies over alle stukken en zaken, door hem aan hetzelve toegezonden (art. 5). Opmerkelijk alleen is de bepaling van art. 18, waarbij de Souvereine Vorst zich de bevoegdheid voorbehield, een of meer leden dienstbaar te maken aan het Staatsbestuur, door hun de uitvoering van eene commissie op te dragen; eene taak, die eerder viel binnen den werkkring der ministers.
[551] Voor het eerst gedrukt in den _Tijdgenoot_, III, 707.
Doch, zooals ik reeds heb opgemerkt, het kwam bij de samenstelling van dezen grondwettigen regeeringsraad niet minder dan bij de benoeming der ministers, op de keuze der leden aan. De Souvereine Vorst was hierin niet geheel vrij. Zooveel mogelijk moesten zij uit al de provinciën of landschappen gekozen worden, en hun getal mocht dat van 12 niet te boven gaan. De Souvereine Vorst bepaalde zich voorshands tot de keuze van elf. Het waren A. F. van der Duyn van Maasdam, F. S. van Bylandt-Halt, Mr. C. T. Elout, E. Canneman, J. H. van Lynden van Lunenburg, W. H. van Hambroick van Weleveld, Jacob Fagel, Mr. W. Queysen, G. W. J. van Lamsweerde, E. J. Alberda en S. J. G. J. van Burmania Rengers.--Althans de meesten hunner waren slachtoffers geweest van de omwenteling van 1795; onder hen waren echter slechts enkelen, zooals Jacob Fagel en van der Duyn, die de opvolgende besturen niet hadden gediend. Dat het behoord hebben tot de oude Oranjepartij niet een volstrekt vereischte voor de benoeming was geweest, bewijst de keuze van den patriot Queysen en van Canneman. En de keuze van dezen laatste bewijst tevens, dat oppositie tegen de zienswijze van den Vorst, mits daarvan slechts niets bleek in 't openbaar, geene reden was voor volslagen ongenade. Doch behalve die elf leden, behoorde tot dit collegie ook de vice-president; 't is waar, de Souvereine Vorst kon zijn Raad presideeren, maar het zou hem wel niet mogelijk zijn in de dikwijls te houden vergaderingen tegenwoordig te zijn. Vandaar dat de Grondwet de bevoegdheid gaf een vice-president met den titel van Secretaris van Staat aan te stellen. Ik heb reeds vroeger er op gewezen, dat aan die bepaling uitvoering gegeven werd en dat de keuze viel op Hogendorp. Het was een geniaal en energiek, eer- en heerschzuchtig man als Gijsbert Karel, de man bovendien, wiens verdiensten ten opzichte van de herleving van ons volksbestaan die van alle anderen in de schaduw stelden; het was dezen niet kwalijk te nemen, zoo hij er meende aanspraak op te hebben eene gewichtige plaats in het Nederlandsche Staatsbestuur in te nemen. Het ambt van Raadpensionaris, in zijne Schets eener Grondwet opgenomen, was door het niet overnemen daarvan in de Grondwet, hem reeds ontgaan. Hij kwam nu aan het hoofd te staan van den grondwettigen Regeeringsraad: den Raad van State. Hij werd bovendien de president van de eerste gewone vergadering der Staten-Generaal. Hij heeft zich voorzeker gevleid eene plaats te zullen innemen, die, zoo zij al niet gelijk stond met die van den Souvereinen Vorst, toch van eene zelfstandige en invloedrijke natuur was. Evenals de Vorst gaf ook Hogendorp elke week audientie[552]. Hij zal echter spoedig hebben ontwaard, dat er naast Willem I, den regent door geboorte, voor hem den geboren regent geene ruimte was. Hij heeft het spoedig moeten ondervinden, dat aan de bepaling den Raad van State over alle daden der Souvereine waardigheid te hooren, de hand niet gehouden werd; dat integendeel de Souvereine Vorst ten opzichte hiervan naar zijn welgevallen te werk ging. Over diplomatieke aangelegenheden werd de Raad van State niet gehoord; over zaken van specialen aard evenmin. Wat er overbleef waren zaken van algemeene strekking, betreffende het binnenlandsch en koloniaal bestuur[553], en dan waarschijnlijk nog alleen voor zoover de Souvereine Vorst het oirbaar achtte. Doch ook al ware aan dit onbeperkte, in de praktijk moeilijk op te volgen voorschrift de hand gehouden, zou het de vraag zijn geweest, of Hogendorp zich op den duur had kunnen schikken in een toestand, waarin hij toch volgens de Grondwet niets anders kon zijn dan het invloedrijkste lid van een zuiver adviseerend collegie, waarin hij alzoo geene actieve rol konde spelen. Die positie veranderde niet van aard door zijne deelneming aan den Kabinetsraad, waarvan hij tevens, zooals wij gezien hebben, lid was. Het zij hoe het zij, spoedig kon het worden voorzien, dat er eene botsing moest ontstaan tusschen de beide overheerschende persoonlijkheden, den Vorst en het hoofd der omwenteling--en dat Hogendorp voor een meer kneedbaar individu zoude moeten plaats maken. Zijn presidium der Staten-Generaal duurt slechts voor ééne zitting; het vice-presidentschap van den Raad van State overleeft slechts korten tijd de vereeniging met België; het houdt op met den herfst van 1816[554]. In eene monarchie als die van Willem I was voor een man als Hogendorp geene plaats dan in de rijen der oppositie.
[552] _Staatscourant_ 1814, no. 106.
[553] Elout in de grondwetcommissie van 1815, zitting van 20 Mei: »de Koning consulteert thans den Raad van State over koloniezaken" (_Ontstaan_ II, 185).
[554] Uit een brief van Chad aan Lord Castlereagh van 12 Juli 1816 (_Ged._ VIII, 38), blijkt, dat Hogendorp zich niet ontzag instructies aan den gezant te Weenen te geven, wat natuurlijk niet op zijnen weg lag.--Vgl. over deze zaak _Br. en Ged._ VI, 363; Hogendorp had aan van Spaen geschreven over eene particuliere zaak die niet aan hem doch aan van Nagell gerenvoyeerd was.
Zoo hebben wij dan de aandacht gevestigd op de benoeming der Ministers en op de samenstelling van den Raad van State.
Dezelfde 6 April 1814 zoude zich echter hiertoe niet bepalen. Er werd ook gezorgd voor het bestuur der deelen. Onder het Fransche régime bestonden voor de departementen een _préfet_, een _conseil de préfecture_ en een _conseil général du département_[555]. De taak dezer beide collegiën was echter van zeer ondergeschikten aard. Het geheele bestuur was toevertrouwd aan den prefect. Onder het Keizerrijk was Frankrijk een aan de krijgstucht onderworpen leger, gecommandeerd door burgerlijke officieren, die jegens niemand anders dan jegens den Keizer plichten te vervullen hadden. Dit gold van de gemeente, dit gold ook van de departementen. Toen nu de Franschen waren afgetrokken, werden door den Souvereinen Vorst Commissarissen-Generaal voor de departementen aangesteld, die in de plaats traden der vroegere prefecten. Wat had echter de Grondwet bepaald? Zij had, in de verte navolgende de Schets van Hogendorp, aan de deelen zelfbestuur willen toekennen; maar een zelfbestuur gecontroleerd door het algemeen bestuur, en, voor zoover het gewestelijk bestuur belast werd met de behartiging van het algemeen rijksbelang, handelende naar de zienswijze van het centraal gezag. Een noodzakelijk gevolg hiervan was, dat er een ambtenaar des Vorsten in elk gewest diende te zijn, die kon waken voor de algemeene belangen. Art. 76 had dan ook, zooals wij gezien hebben[556], bepaald, dat er in alle provinciën of landschappen Commissarissen van den Souvereinen Vorst zouden zijn, op eene instructie door dezen vast te stellen. Hogendorp had hun in zijne schets den titel van Stadhouder gegeven. Maar die naam herinnerde te veel aan het ambt, door de Prinsen van Oranje zelven bekleed. De Grondwet liet de keuze van de benaming aan den Vorst zelven over, en zoo werden zij getooid met den weidschen, ook in de Republiek der Vereenigde Nederlanden gebruikelijken titel van Gouverneur. Hoewel de Grondwet er van zweeg, liet de Souvereine Vorst bij de vervulling dezer betrekkingen zich zooveel mogelijk leiden door het beginsel, aan het hoofd van elke provincie een gewestgenoot te plaatsen. J. C. E. van Lynden trad op in Gelderland, F. van Leyden van Westbarendrecht in Zuid-Holland, J. H. Schorer in Zeeland[557], J. M. van Tuyll van Serooskerken in Utrecht, I. Aebinga van Humalda in Friesland, B. H. Bentinck van Buckhorst in Overijsel, G. W. van Imhoff in Groningen, P. Hofstede in Drente. Alleen de keuze van Mr. A. W. N. van Tets van Goudriaan, geboren te Dordrecht, voor Noord-Holland, en die van Mr. C. G. Hultman, geboren te Zutphen, voor Brabant, maakten hierop eene uitzondering. Het trekt de aandacht, dat nog meer dan bij den Raad van State aanzienlijke geboorte bij de keuze op den voorgrond heeft gestaan. Niet vreemd, als men in aanmerking neemt, dat deze Gouverneurs den Vorst in de provincie moesten vertegenwoordigen.
[555] Loi du 17 févr. 1800 (28 pluv. an VIII); Fortuyn II, 101.
[556] Bl. 177.
[557] Schorer werd, daar Zeeland eerst in Mei van de Franschen verlost werd, eenigen tijd later benoemd.