De Wedergeboorte van Nederland
Part 27
Zag de natie alzoo hare wenschen vervuld, niet minder was dit het geval met den Souvereinen Vorst, die bovendien in zijne verbeelding zich reeds getooid zag met de koninklijke kroon. Gelukkig echter voor hem, dat werken en zwoegen zijn lust en zijn leven was, want het was er verre van af, dat de tijd van rust en ontspanning voor hem zou zijn gekomen. Den 29sten Maart 1814 was de Grondwet aangenomen. Hiermede was het tusschentijdvak van 's Vorsten onbeperkte heerschappij geëindigd en was de nieuwe orde van zaken verbindend geworden voor Vorst en volk. Maar tusschen de vaststelling eener Grondwet en haar in werking treden ligt nog eene breede kloof. Het was de taak van den Souvereinen Vorst, dat wat op het papier stond, te doen overgaan in het leven. Dat dit zijne taak was, volgde voor een deel uit de uitdrukkelijke bepalingen der Grondwet. Doch ook wanneer de Grondwet hierover zweeg, meende de Souvereine Vorst, dat hij geroepen was om de maatregelen te nemen en de benoemingen te doen, noodig voor de invoering der Grondwet. Eene meening, die geene tegenspraak uitlokte. Ja er was, zooals wij gezien hebben[523], alle grond om aan te nemen, dat ook de Notabelen bij de aanneming der Grondwet van deze voorstelling waren uitgegaan.
[523] Hiervóór, bl. 90.
Eene gewichtige taak stond alzoo den Souvereinen Vorst te wachten. Eéne zaak moest allereerst zijne aandacht trekken. De Grondwet droeg den Souvereinen Vorst op, te bepalen in welke hoofdtakken het Staatsbestuur zoude worden verdeeld; aan te wijzen, welke personen hem bij elk dier takken ter zijde zouden staan. »De Souvereine Vorst", zoo luidde art. 35 der Grondwet, »stelt ministeriëele Departementen in, benoemt derzelver hoofden en ontslaat die naar goedvinden". Aan het hoofd van den Staat één persoon, de Monarch; aan het hoofd van elk der onderscheidene takken van Staatszorg één persoon, de Minister.
Eene inrichting van Staatsbestuur, waaraan wij zoo gewoon zijn geraakt, dat wij ze ons bijna niet anders kunnen denken. Toch was ze--wanneer men let op de organisatie van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, en haar daarmede vergelijkt--eene nieuwigheid: zoo iets eigen was aan de oude Republiek, het was dit, dat niet alleen het stedelijk, niet alleen het provinciaal, maar ook het algemeen bestuur niet geplaatst was in handen van één persoon, maar in die van een collegie. De Staten-Generaal aan het hoofd--maar toch staande onder den invloed van de Staten der gewesten en van de vroedschappen der steden. Collegiën toegerust met _wetgevende_ en _uitvoerende_ macht tevens. Onder die Staten-Generaal stonden voorts collegiën van bestuur alleen, zooals de vijf Admiraliteiten, de Raad van State, de Rekenkamer. Dat er, bij de verbrokkeling der Souvereiniteit, onder de collegiën, die aan het hoofd stonden, en bij de verdere verdeeling van de bestuurstaak onder die ondergeschikte collegiën, nog van het algemeen bestuur iets terecht kwam, was bijna een wonder in de oogen van den Raadpensionaris Slingelandt en andere staatslieden der Republiek. Hogendorp[524], na de revolutie van 1795 nadenkende over die vroegere organisatie, zocht de verklaring van dat wonder hierin, dat er zeer veel geschiedde, wat staatsrechtelijk niet was te verdedigen. Hij spreekt, als van iets onbekend bij de constitutie, van een geheimen raad van het bondgenootschap, bestaande uit den Stadhouder, uit den Raadpensionaris van Holland, uit de ministers of dienaren der Hooge Vergaderingen en Collegiën, en eindelijk uit eenige voorname leden der Staten-Generaal en van de groote Hollandsche steden, welke laatsten, daar zij voortdurend door anderen werden vervangen, echter in invloed bij al de eerstgenoemden achterstonden. Zoo stond de Stadhouder met eenige bekwame ambtenaren eigenlijk aan het hoofd van dezen Raad. Ja, zegt Hogendorp, zoo de Raadpensionaris een man van vernuft en van moed was, kon hij met den Stadhouder schier alles op zich nemen. En dit niettegenstaande deze laatste zelfs geene stem had in de vergadering der Staten-Generaal, en de Raadpensionaris van Holland niets anders was dan de dienaar van één lid van het bondgenootschap en een der gedeputeerden van dit lid in die hoogste vergadering der Unie: de Staten-Generaal. Al wat men echter deed, moest nog de sanctie dezer hoogste Vergadering erlangen of althans door haar niet worden afgekeurd, van die hoogste Vergadering, welke op hare beurt weder afhankelijk was van de zienswijze der provinciale en stedelijke besturen.
[524] _Br. en Ged._ III, 95.
Werd nu door de revolutie van 1795, die het beginsel van staatseenheid invoerde, tevens de collegiale vorm van bestuur verlaten? Ik spreek hier niet van de wetgevende macht, die van de uitvoerende of besturende macht werd gescheiden. Het is de laatste, die hier ter sprake moet komen. Werd nu het voorbeeld gevolgd van Noord-Amerika, en één persoon, de president, aan het hoofd der uitvoerende macht geplaatst? Evenals de vrees voor de monarchie in 1795 in Frankrijk geleid had tot de instelling van het Directoire, zoo was ook hier de vrees voor het eenhoofdig bestuur levendig en wilde men van een president niets weten. De uitvoerende macht werd volgens de staatsregeling van 1798 gesteld in handen van een collegie van 5 leden: _het Uitvoerend Bewind_. Met den collegialen vorm van bestuur werd alzoo niet gebroken. Het moet hierbij echter worden erkend, dat al de moeilijkheden, verbonden aan het bestuur van de Unie, niet zoozeer een gevolg waren van het collegiale van het bestuur, als van de verbrokkeling van het gezag tusschen de leden van het bondgenootschap en de daarmede gepaard gaande onzelfstandigheid van het hoogste collegie: de Staten-Generaal. Men behoefde die bezwaren niet meer te duchten, nu het beginsel van staatseenheid was ingevoerd en de uitvoerende macht in haar geheel in handen van één collegie geplaatst was. Doch er waren er, die nog verder wilden gaan. Er waren er, die, uit een overdreven vrees voor het eenhoofdig gezag, ook nog den collegialen vorm wilden toepassen op de dienaren der uitvoerende macht, bij de verdeeling der verschillende takken van staatsbestuur. Er waren er, die het uitvoerend bewind door comités wenschten te zien geadsisteerd. De meerderheid der Nationale Vergadering verklaarde zich echter voor ministers. Dit beginsel werd eveneens in de staatsregeling van 1798 gehuldigd. Alleen aan het hoofd werd een collegie geplaatst. Het denkbeeld was, dat dit collegie bedaard, ernstig zou raadplegen over de te nemen maatregelen, terwijl de werkelijke uitvoering, de eigenlijke bediening der uitvoerende macht voor elken hoofdtak van staatsbestuur zoude worden opgedragen aan één persoon, aan één minister. Deze had, meende men, niet te beoordeelen de wijsheid of verkeerdheid van de maatregelen der uitvoerende macht, hij had ze alleen uit te voeren in den geest van het collegie. Voor deze uitvoering nu was het wenschelijk één persoon voor zich te hebben, zoowel omdat hij tegenover het uitvoerend bewind zich niet kon verschuilen achter het scherm van een comité en alzoo zijne verantwoordelijkheid illusoir zoude worden, als omdat, waar het op snelheid en gemakkelijkheid van handelen aankwam, de macht in handen van één persoon verre de voorkeur verdiende. Het springt in het oog, dat veel van hetgeen voor het bestaan van ministers pleitte, ook kon worden aangevoerd voor de samentrekking der uitvoerende macht in de handen van één persoon, en dat omgekeerd zoo aan het hoofd een collegie de vereischte taak kon verrichten, er ook argumenten waren aan te voeren voor het collegiaal karakter der meer ondergeschikte macht. Immers de voorstelling was eenzijdig, dat alleen op de hoogste sport deliberatie te pas kwam; ook de handeling van den minister was in de meeste gevallen niet machinaal. »Wilde men," zoo vroeg men in de Nationale Vergadering, »eene vloot doen uitzeilen, eene armee doen marcheeren, zonder te overwegen, of de eerste de noodige victualie en de laatste de vereischte sterkte had[525]?" Het kon dan ook niet bevreemden, dat, toen in 1801 de revolutiekoorts had uitgewoed en er weder heimwee ontstond naar veel van het oude, ook het nieuwe hoofd der uitvoerende macht: het _Staatsbewind_, de vrijheid kreeg, om, met uitzondering van Buitenlandsche Zaken, zich door collegiën te laten bijstaan (art. 32). Dit was echter iets voorbijgaands. Op 't voorbeeld van Frankrijk zette men in 1805 de vrees voor het eenhoofdig gezag ter zijde. Wanneer nu aan het hoofd der uitvoerende macht eerst een Raadpensionaris, daarna in 1806 een erfelijk Koning geplaatst werd, lag het voor de hand, dat ook de bediening van elk der onderscheidene deelen der uitvoerende macht aan één persoon werd opgedragen. Had voorts de staatsregeling van 1805--evenals die van 1798 en 1801--nog zelve de wijze van verdeeling van het staatsbestuur geformuleerd (art. 48), koning Lodewijk besliste zelf over die verdeeling. Hij benoemde niet alleen zijne ministers, hij bepaalde ook hun getal en hunne werkzaamheden (art. 27).
[525] Van Zonsbeek in de zitting van 9 Febr. 1797.
Ik keer nu tot 1814 terug. Wat zij in art. 35 opdroeg aan den Souvereinen Vorst, had zich alzoo uit het staatswezen der Revolutie ontwikkeld en had onder koning Lodewijk den vorm gekregen, dien het onderwerp ook nu behield. Toen echter de Souvereine Vorst tot de uitvoering van art. 35 wilde overgaan, vond hij geene _tabula rasa_ meer. Hij had te rekenen met hetgeen er sedert de Novemberdagen van 1813, sedert de optreding van het Algemeen Bestuur en zijne daarop gevolgde aanvaarding der Souvereiniteit, geschied was.
Toen Hogendorp en van der Duyn den 21sten November 1813 het Algemeen Bestuur op zich hadden genomen, waren door hen den 29sten November 1813, dus even vóór de terugkomst van den Prins van Oranje, Commissarissen-Generaal aangesteld voor financien, binnenlandsche zaken, oorlog en politie[526]. Hunne aandacht was gevallen op Elias Canneman, Mr. Hendrik van Stralen, B. H. Bentinck tot Buckhorst en Mr. A. Hoynck van Papendrecht.
[526] Falck, _Brieven_ no. 91.--_Staatscourant_ no. 1.--Hogendorp aan Fagel, 29 Nov. 1813 (_Br. en Ged._ IV, 272): »Nous organisons aujourd'hui les Ministères de la Guerre, de la Marine, des Finances, de l'Intérieur, parce que physiquement nous ne pouvons pas tarder davantage. Nous plaçons à la tête sous le nom de Commissaires Généraux, afin de laisser au Prince l'honneur de nommer des Ministres, M. M. Bentinck, Job May, Canneman, van Stralen". De benoeming van May is echter achterwege gebleven.
Canneman werd Commissaris-Generaal van financien. In 1777 in nederigen stand te Amsterdam geboren, had hij na 1795 de aandacht getrokken van den financier der Revolutie, Gogel, en was hij in 1798 door dezen, toen Agent of Minister van financien, tot chef de bureau benoemd. Sedert was hij door zijne verdiensten tot hoogere betrekkingen geroepen en diende hij na de inlijving het Keizerrijk als directeur der belastingen in het departement van de Monden van de Maas[527]. Dit laatste had hem echter niet belet met Hogendorp bij de omwenteling gemeene zaak te maken. Hij was immers ook de steller der proclamatie van 21 November 1813, waarbij het Algemeen Bestuur de Nederlanders van den eed van trouw en gehoorzaamheid aan den Keizer ontsloeg. Evenmin verhinderde hem de nauwe betrekking waarin hij stond tot Gogel[528], toen Intendant-Generaal van financien hier te lande, om voor Hogendorp een brief te ontwerpen, waarin deze van Gogel onder inroeping zijner verantwoordelijkheid aan de Hollandsche Natie eischte, in dienst van het Algemeen Bestuur over te gaan[529]. Onder deze omstandigheden en bij de weigering van Gogel om den eed aan den Keizer gedaan te verbreken, was het niet vreemd, dat Canneman tot Commissaris-Generaal van financien benoemd werd: Canneman, die, na Gogel, wegens zijne kunde wellicht het meest in aanmerking kwam, en die zich noch door gemoedsbezwaren, noch door vrees had laten terughouden tot het vestigen der onafhankelijkheid mede te werken.
[527] Toen tengevolge van de staatsregeling van 1801 Gogel voorloopig van het staatstooneel aftrad, werd Canneman griffier van den Raad van Financiën. Dit verstoorde echter beider vriendschap niet. Men vindt Canneman onder koning Lodewijk als secretaris-generaal aan het departement van Financiën, terwijl Gogel minister is.
[528] Sillem, _Gogel_, 314.
[529] _Br. en Ged._ IV, 337; V, 27.--Sillem, _Gogel_, 111.
Gewichtig was--vooral bij eene ledige schatkist--het Commissariaat-Generaal van financien. Niet minder dat voor binnenlandsche zaken. De man, die hiermede werd belast, Mr. Hendrik van Stralen, was geen medewerker tot de omwenteling geweest. En dit niettegenstaande door haar zijne vurigste wenschen zouden worden vervuld. In 1751 te Hoorn uit eene patricische familie geboren, behoorde hij met Hogendorp vóór 1795 tot de meest verkleefde aanhangers van het huis van Oranje; evenals Hogendorp was ook hij aan de zege der Oranjepartij in 1787 veel verschuldigd. Door de Revolutie van 1795 ambteloos burger geworden, was hij in 1799 bij den inval der Russen en Engelschen in Noord-Holland en bij de aankomst van den toenmaligen Erfprins, de raadsman van dezen geweest, en was het alleen aan een gelukkige samenloop van omstandigheden te danken, dat een tegen hem te dier zake aangevangen strafproces gesmoord werd. Maar hij was sedert--wat met Hogendorp wel het geval was--niet ambteloos gebleven; integendeel, met autorisatie van den voormaligen Stadhouder was hij, evenals zoovele anderen zijner partijgenooten, in 1802 in den dienst der Bataafsche Republiek overgegaan. Onder Schimmelpenninck is hij zelfs Secretaris van Staat voor binnenlandsche zaken. Lodewijk benoemt hem tot lid van het wetgevend lichaam; onder het keizerrijk trekt hij een pensioen van fr. 6000. Hij was voorzeker niet minder dan Hogendorp gestemd voor de afschudding van het fransche juk en den terugkeer van het huis van Oranje. Toch behoorde hij onder dat groote getal van oud-regenten, die voor eene kloeke daad terugdeinsden. Zeker niet om gemoedsbezwaren; maar de herinnering aan de bange dagen van 1799, de vrees voor de gevolgen weerhielden den 62-jarigen man, een werkzaam aandeel aan de omwenteling te nemen. Dit belette Hogendorp niet, van Stralen, die in het binnenlandsch bestuur doorkneed was, de betrekking van Commissaris-Generaal op te dragen[530].
[530] Van Akerlaken, _Hendrik van Stralen_, 253 vv.
Wat te zeggen van de Commissarissen voor Oorlog en de Politie? Minder gewichtig was het ambt van den laatste. Immers het kon de bedoeling niet zijn, de geheime politie, onder welke men gedurende de fransche heerschappij zoo gezucht had, te laten voortduren; men meende echter, terwijl de vijand nog in het land was en men wellicht niet overal van den geest der bevolking zeker was, vooreerst een algemeenen Commissaris van politie noodig te hebben. Waarom daartoe Mr. Antony Hoynck van Papendrecht werd uitgekozen, is mij onbekend. Gewichtiger dan deze betrekking was voorzeker het Commissariaat van Oorlog. Deze taak werd aanvaard door een Overijselsch edelman, B. H. Bentinck van Buckhorst. Geboren in 1751, page van Willem V, later officier, in 1795 uitgeweken, in 1801 teruggekeerd, was hij zijne oude liefde voor het huis van Oranje getrouw gebleven en ontsnapte hij tijdens de fransche heerschappij alleen door den invloed van Schimmelpenninck aan eene vervolging wegens eene geheime briefwisseling met den Prins. Hij behoorde dan ook tot de eedgenooten, die na den oorlog met Rusland zich hadden verbonden om voor de afschudding van het vreemde juk werkzaam te zijn. Ik vermoed, dat meer de naam en de gezindheid van Bentinck, dan de kunde van den man de aandacht op hem hebben doen vestigen.
Zoo vond de Prins den toestand, toen hij den 2den December 1813 de Souvereiniteit aanvaardde en den 6den December 1813 het bestuur overnam. Hij liet de titularissen in functie, doch benoemde Hogendorp tot zijnen Secretaris van Staat voor Buitenlandsche Zaken, en den 71-jarigen oud-regent Mr. J. C. van der Hoop tot Commissaris-Generaal voor de Marine. Vroeger Raad en Advocaat-fiscaal van de Admiraliteit te Amsterdam, had hij sedert de revolutie van 1795 zich geheel van het werkzame leven teruggetrokken. In de Novemberdagen van 1813 ontmoet men hem weder en nu als voorzitter van het provisioneel bestuur te Amsterdam. Onttrok hij zich alzoo niet, zooals van Stralen, aan de beweging, het was niet om de vaan des opstands omhoog te heffen, integendeel om in een stillen geest werkzaam te zijn tot behoud van orde en rust[531]. Had men, bij de weigerachtigheid van Gogel, tot Canneman zijne toevlucht moeten nemen, de halsstarrigheid van den Vice-Admiraal Verhuell in het getrouw blijven aan den Keizer mag de reden zijn geweest dat de keuze werd gevestigd op een man, aanbevelenswaardig, door zijne Oranjegezindheid zoowel als door zijne vroegere betrekkingen bij de Marine, maar die in de laatste 18 jaar buiten alle rechtstreeksche aanraking met dit vak gebleven was.
[531] _Br. en Ged._ IV, 309.
Alzoo waren de hoofdtakken van Staatsbestuur: Binnenlandsche Zaken, Financien, Oorlog, Marine, benevens Politie, elk onder een eigen hoofd gesteld. Waar bleef de Justitie? De hoogste rechterlijke ambtenaar hier te lande was Mr. C. F. van Maanen, de eerste president van het Hoog Gerechtshof, de man, die hoewel een kind der revolutie, evenals Gogel, den Keizer met groote toewijding gediend had.--Van Maanen had tot aan de komst van den Prins hier te lande van deelneming aan de omwenteling niets willen weten. Is er in die dagen recht gesproken, 't moet geweest zijn in naam des Keizers. Toen de Prins echter den 30sten November 1813 was teruggekomen, volgde het besluit van het Algemeen Bestuur van 1 December 1813, waarbij al de rechterlijke autoriteiten werden ontbonden, doch te gelijkertijd weder bij provisie in werking gebracht, om nu in naam der Hooge Overheid in plaats van in naam des Keizers recht te spreken. Ook van Maanen ging nu over in dienst van het nieuwe bestuur. Doch niet alleen dit. Hij kreeg ook van den Souvereinen Vorst zonder den titel de functie van Minister van Justitie, zoodat al de voordrachten, het justitiewezen betreffende, voortaan door hem zouden gedaan worden[532]. Daarentegen werd het afzonderlijke Departement van Politie na de bevestiging van den staat van zaken bij besluit van 2 Februari 1814 hier te lande opgeheven, en de Procureur-Generaal bij het Hoog Gerechtshof[533] met de zorg voor de Politie belast[534].
[532] Falck aan Canneman, 7 Dec. 1813 (_Brieven_, no. 92; de uitgever dateert verkeerdelijk 23 Nov.)--_Staatscourant_ 1814, no. 1, 2.
[533] A. W. Philipse, Advocaat-Generaal onder Napoleon.
[534] _Staatscourant_ 1814, no. 36.
Alzoo was in het tijdvak van December 1813 tot 30 Maart 1814, het gewichtige tusschentijdvak, waarin de Prins als Souvereine Vorst de onbeperkte macht uitoefende, het bestuur onder den Vorst geplaatst in handen van van Hogendorp, van Stralen, van Maanen, Canneman, Bentinck en van der Hoop. Naast, zoo niet boven die allen, stond nog A. R. Falck, die, in 1777 geboren, en dus in 1813 nog slechts 36 jaren oud, door zijn kloekmoedig gedrag in de dagen der omwenteling op den voorgrond was gekomen, en alzoo was geroepen om eerst het Algemeen Bestuur, later den Souvereinen Vorst als Secretaris ter zijde te staan, totdat hij 31 December 1813 benoemd werd tot Algemeen Secretaris van Staat[535], eene betrekking, waarop ik later terugkom.
[535] _Staatscourant_ 1814, no. 4.
Welke verandering zoude in dit alles komen door de uitvoering, die de Souvereine Vorst moest geven aan art. 35 der Grondwet? Vóór hare aanneming was die vraag reeds beslist. Immers reeds den 20sten Maart 1814 wist Mr. H. van Stralen, dat hij het veld moest ruimen voor een ander, en reeds den 23sten Maart 1814 was het zeker, wie zijn opvolger zoude zijn[536]. De besluiten van de benoeming der Ministers dragen echter de dagteekening van 6 April 1814[537]. Behalve van Stralen, werden ook Hogendorp, Canneman en Bentinck door anderen vervangen. In de inrichting van het Staatsbestuur kwam overigens geene verandering dan dat de Waterstaat van het departement van Binnenlandsche Zaken afgescheiden en een afzonderlijke tak van bestuur werd, terwijl met het oog op de te verwachten teruggaaf der Koloniën een nieuw departement voor Koophandel en Koloniën werd opgericht.
[536] Van Akerlaken, _Hendrik van Stralen_, 278.
[537] _Staatscourant_ 1814, no. 84.
Het Staatsbestuur was alsnu op de volgende wijze verdeeld: Oorlog: Mr. J. H. Mollerus, onder de opperdirectie van den Erfprins, Generaal en Chef der Nederlandsche Armee; Buitenlandsche Zaken: A. W. C. van Nagell tot Ampsen; Marine: Mr. J. C. van der Hoop; Binnenlandsche Zaken: Mr. W. F. Röell; Financiën: Mr. C. C. Six tot Oterleek; Koophandel en Koloniën: G. A. G. P. van der Capellen; Waterstaat: Mr. O. Repelaer van Driel. De zorg voor de Justitie bleef opgedragen aan 's Hofs Eersten president, evenals die voor de Politie aan den procureur-generaal[538]. Falck bleef eveneens Algemeen Secretaris van Staat.
[538] Hierdoor laat zich ook verklaren, dat op de begrooting der uitgaven over 1815 geen afzonderlijke post voor de _Justitie_ voorkomt. Deze uitgaven komen voor onder die van het Departement van Binnenlandsche Zaken.
Er waren er dus, die 't zij door het Algemeen Bestuur, hetzij door den Souvereinen Vorst benoemd, niet overgingen in het nieuwe Ministerie. Dat Hogendorp als Minister van Buitenlandsche Zaken vervangen werd, laat zich gereedelijk hieruit verklaren, dat de hem opgedragene betrekking van vice-president van den Raad van State moeilijk met het beheer der Buitenlandsche Zaken vereenigbaar was. Aan Bentinck viel de taak van Minister van Oorlog te zwaar; hij was dankbaar naar Overijsel, naar zijn geboorteland te kunnen verhuizen, om aldaar als Gouverneur aan het hoofd te worden geplaatst. Dat van Stralen en Canneman het veld moesten ruimen, was zeker niet een gevolg hunner politieke antecedenten, want de eerste was een der slachtoffers van 1795, de tweede had wel alles aan de omwenteling te danken, maar hij was in 1795 te jong om onder de patriotten te kunnen worden gerekend. In verschil tusschen den Souvereinen Vorst en deze beide Staatslieden over de beginselen van Staatsbestuur schijnt de oorzaak te moeten worden gezocht. Waarom nu juist Mollerus, van Nagell, Röell, Six, Repelaer en van der Capellen werden benoemd, lag, behalve in de bekwaamheid en ondervinding van de meesten hunner, wellicht hierin, dat met uitzondering van van der Capellen, een loot uit een aanzienlijk patriottisch geslacht, allen behoorden tot de oude Oranjepartij, al waren dan ook slechts twee hunner, van der Hoop en van Nagell, in de bange jaren 1795-1813 ambteloos gebleven. Dat de overigen zich hadden verzoend met de revolutionaire besturen, was echter geen bezwaar, daar dit geschied was onder uitdrukkelijke of stilzwijgende goedkeuring van 's Vorsten vader. Bij allen echter trekt het de aandacht, dat zij zich kenschetsen door adellijke of patricische geboorte, van Maanen alleen uitgezonderd, die, evenals Canneman, door de revolutie zijn fortuin had gemaakt.