De Wedergeboorte van Nederland
Part 26
[505] Lord Castlereagh uit Parijs aan Lord Liverpool, 19 April 1814. (_Ged._ VII, 108): »I still feel great doubts about the acquisition of so many Dutch Colonies. I am sure our reputation on the continent, as a feature of strength, power, and confidence, is of more real moment to us than an acquisition thus made. The British merchant ought to be satisfied, if we secure them a direct import. Holland cannot well refuse this, nor Sweden if she acquires Berbice, which ought to satisfy. More than this I think Holland ought not to lose, even though compensated on the side of the Netherlands."
Er moge zijn bijgekomen, dat in die dagen uitbreiding van het koloniaal bezit _quand même_ bij Engeland niet op den voorgrond stond. Er waren nog andere zaken, waaraan het vooral niet minder waarde hechtte. De beginselen van de gewapende neutraliteit, in het laatst der vorige eeuw door Rusland verkondigd, ten einde in den oorlog ter zee den handel der neutralen te beschermen, de handhaving vooral van den nieuwen volkenrechtelijken regel: vrij schip, vrij goed, waren altijd Engeland een doorn in het oog geweest. De Engelschen meenden, om meester ter zee te blijven, de wapenen van het oude Engelsche zeerecht niet te kunnen missen, en de ondervinding der Napoleontische oorlogen had hen in die zienswijze bevestigd. Van hier, dat bij de regeling van het Europeesche Statenstelsel na den val van Napoleon over het zeerecht niets werd bepaald, de beginselen der gewapende neutraliteit werden doodgezwegen en alzoo het oude zeerecht bleef bestaan[506].
Het omgekeerde was het geval met een ander punt, dat de Engelsche staatslieden niet minder ter harte ging: ik bedoel de afschaffing van den slavenhandel. Onwillekeurig doet men de vraag, wat toch wel de bovendrijvende partij in Engeland, de Tories, bewoog, een strijd op leven en dood te voeren tegen dat menschonteerende bedrijf. Humaniteit was anders niet het zwak van die staatslieden met hun ingeworteld conservatisme. De reden was, dat in de Engelsche natie langzamerhand eene beweging voor de afschaffing van dien handel was ontstaan, zoo sterk, dat de regeering om politieke redenen het geraden achtte, voor haar partij te kiezen. Dit is zeker, dat reeds vóór den val van Napoleon Engeland van Portugal en Zweden de veroordeeling van den slavenhandel wist te verkrijgen, en dat na den val van Napoleon geene gelegenheid ongebruikt werd voorbijgegaan, om van de andere mogendheden hetzelfde te bedingen. Zoo zien wij dan ook den Souvereinen Vorst ter voldoening aan eene nota van Engeland van 15 Juni 1814 een besluit nemen tot wering van den slavenhandel, terwijl ook het verdrag van 13 Augustus 1814 in art. 8 eene uitdrukkelijke verbintenis onzerzijds tenzelfden einde bevat.
[506] Clancarty aan Castlereagh, 14 Dec. 1813 (_Castlereagh's Corr._ IX, 97).--Treitschke (_Deutsche Geschichte_ I, 543) wijst er op, hoe het »glorreiche Albion" reeds op het congres van Châtillon wist gedaan te krijgen, dat het zeerecht niet tot een onderwerp van gemeenschappelijk overleg zou gemaakt worden. Pruisen en Rusland hadden gaarne de grondbeginselen van een menschelijk zeerecht erkend gezien. Maar hunne humaniteit zwichtte voor hunne behoefte aan subsidiën van het niet alleen »glorreiche" maar ook goudrijke Engeland.
Er waren dus andere zaken, waarop Engeland nog grooteren prijs stelde dan op de uitbreiding van het koloniaal bezit. Wellicht dat Frankrijk nog meer van de verlorene koloniën had kunnen terug erlangen, zoo het, evenals wij, eene uitdrukkelijke verbintenis tot wering van den slavenhandel had willen aangaan[507]. Maar ook zonder dat kreeg zelfs dit land bij het Tractaat van Parijs van 30 Mei 1814 de meeste zijner koloniën terug. Hoeveel te meer moest Engeland dan genegen zijn, dezelfde gedragslijn tegenover ons te volgen, die vroeger wel de verbondenen van Frankrijk waren geweest, maar toch voor en na de inlijving als het slachtoffer van Napoleons heerschzucht moesten worden beschouwd; tegenover ons, die, zoodra de gelegenheid daar was, het Fransche juk hadden afgeschud; tegenover ons, die door de herstelling van het huis van Oranje ons berouw hadden getoond over de afdwalingen der revolutie, en den band met den voorrevolutionairen tijd weder hadden trachten vast te knoopen.
[507] Lord Liverpool aan Wellington, 23 Sept. 1814: »It would be desirable to have some producible record that we had offered to France a pecuniary compensation, or an island, for the immediate abolition of the Slave Trade. Some such proposition is certainly expected by the Abolitionists. I have the less disinclination to the offer of an island for this object, since it has been determined to retain Demerary, Essequibo and Berbice. _The retention of them will add in some degree to the colonial jealousy which exists on the continent of Great Britain_; and I have reason to believe that the planters and merchants interested in the settlements in question _did not expect that we should keep them_. Under these circumstances, I think we can afford to offer a West India colony for the accomplishment of an object which the nation has certainly so much at heart" (_Ged._ VII, 184).
Onze wenschen moesten dus bij Engeland een geopend oor vinden. Wat echter dit land had kunnen weerhouden, terug te geven wat het had veroverd, zoude de vrees zijn geweest, dat wij te zwak waren de heerschappij over de koloniën te handhaven. Maar die vrees trad op den achtergrond, zoodra het zoo goed als zeker was dat door de vereeniging met België een naar men meende krachtig rijk zoude verrijzen. De vrees verdween geheel door de overweging, dat wij voortaan de bondgenooten van Engeland zouden zijn en dus altijd op de Engelsche bescherming zouden kunnen rekenen. Het zal, zeide Lord Castlereagh aan Fagel, een groot voordeel voor het vereenigde Holland en België zijn, dat het zoozeer onder het bereik van Engeland ligt. Bij het minste gevaar kan het Engelsche leger den Souvereinen Vorst te hulp snellen. De Souvereine Vorst kan, meent hij, dat leger beschouwen als te zijner beschikking staande, zonder tot zijnen last te zijn[508]. Toen Engeland aan ons de koloniën teruggaf, deed het dit in de verwachting, dat beide landen door een innigen band zouden zijn en blijven omstrengeld. Eene alliantie zoude reeds toen zijn aangegaan, was men van de Engelsche zijde niet bevreesd geweest, hierdoor den naijver der andere mogendheden op te wekken en daardoor een nadeeligen invloed uit te oefenen op de onderhandelingen, die over de vereeniging van al de Nederlanden nog op het Congres van Weenen moesten worden gevoerd. Maar was dit congres eens afgeloopen, dan zoude er, hierover was men het eens, een alliantie-verdrag worden geteekend[509].
[508] Hendrik Fagel aan den S. V., 12 Aug. 1814: »Le Prince Régent et Lord Castlereagh me firent remarquer tous les avantages que ce nouvel Etat va réunir, et dont ce ne sera pas l'une des moindres, qu'étant pour ainsi dire à la portée de ce pays-ci, l'armée anglaise entière pourra au besoin s'y porter à la moindre apparence de danger. Lord Castlereagh fit l'observation que V. A. R. pourrait considérer toute cette armée comme étant à sa disposition sans être à sa charge".
[509] Hendrik Fagel aan Falck, 13 Aug. 1814: »C'est à son retour dans ce pays après le congrès de Vienne que Lord Castlereagh propose de renvoyer la conclusion d'un traité d'alliance entre les deux Etats, un tel traité, s'il avait lieu dès à présent, pouvant produire des jalousies et des ombrages qui pourraient être nuisibles aux négociations dont la Hollande et la Belgique réunies doivent être l'objet au prochain congrès".
De Engelsche Regeering schijnt niet te hebben gevreesd, dat--zooals later is gebleken--uitstel wel eens afstel zoude kunnen zijn.
Met het oog op dit alles heeft Engeland er geen bezwaar in gezien, zich bij de formuleering van het tractaat op dit standpunt te plaatsen, dat het, met uitzondering van Ceilon, alles teruggaf, hetzij in natura, hetzij in andere equivalenten. Tegenover de vereeniging van België stond de afstand van een deel van Guyana aan Zweden, en, daar dit Rijk van Engeland daarvoor een millioen pond sterling ontving, de overdracht daarvan aan Engeland. Tegenover de Kaap de Goede Hoop stonden de 5 millioen pond als maximum te betalen voor den vestingbouw en de Russische schuld. De draad, die door alles liep, was dus de vereeniging met België. Na 1830 is ten onzent gezegd, dat »de gedwongene Belgische bruid ons reeds, als beginsel der smarten, vier allerbelangrijkste koloniën kostte"[510]. Als men het tractaat van 13 Augustus 1814 alleen leest, is dit beweren juist. Wanneer men echter meer achter de schermen ziet, dan wordt met meer recht de zaak aldus voorgesteld, dat de vereeniging met België de prijs is geweest, waarvoor wij de teruggaaf der koloniën hebben gekocht.
[510] Van Kampen, _Geschiedenis der Nederlanders buiten Europa_, III (1833), bl. 516.
Over de zaak van de teruggave der koloniën bestaat thans een uitgebreide literatuur: van Deventer, _Ned. gezag over Java sedert 1811_ (den Haag, 1891); Heeres, _De afstand der Kaap de Goede Hoop aan Engeland_ (Hand. en Meded. Ned. Mij. van Letterk., 1896-'97); Heeres, _De overgang der Kaapkolonie van Nederlands in Engelands bezit_ (Ind. Genootschap, verg. van 29 Oct. 1901); van der Kemp, _De sluiting van het Londensch tractaat van 13 Aug. 1814_ (Bijdr. Ind. Inst. 6e volgreeks, deel III); van der Kemp, _De teruggave der O. I. Koloniën_ (den Haag, 1910). De heldere voorstelling van Tellegen kan echter bijna op alle punten worden gehandhaafd.
* * * * *
_Demerary etc._ (hiervóór, bl. 243).--Reeds in eene brochure van 1806, toen er sterke geruchten van vrede liepen: »Letter to the Right Hon. Charles James Fox on the importance of the Colonies situated on the Coast of Guiana, by a British Merchant[511]", wordt, met cijfers, op de groote waarde gewezen welke deze koloniën reeds voor Engeland verkregen hebben. »You cannot be ignorant, Sir, that the colonies of Surinam, Berbice and Demerary even in their present unimproved state, contain more estates and negroes, and send more produce of sugars, coffee, cotton, and cocoa to Europe, than all the old British islands in the West Indies together, Jamaica excepted; that in case these colonies should unfortunately be restored to the Dutch, we should be obliged to receive from them nearly three-fourths of the cotton produced by these colonies for the use of our own manufactories, who have introduced them, since the first possession last war, into so many branches of that lucrative trade, that they cannot do without them. The revenue will tell you what immense duties the produce of these colonies pay.... Threi-fourthe of the colony of Demerary, and nearly as much of the colony of Berbice, belong to British owners. In Surinam, the most important of these colonies, British capital in less engaged, but soon will be so, whenever this colony will continue to be a part of the British Empire. I may venture to add, from what happened during the last short interval of peace, that the French and Dutch, who are destitute of ships and seamen, will be obliged to deprive us of our ships, by purchase or a freightment, and engage our seamen into their service to carry on their trade; whereas now we navigate to these very colonies with some of the ships captured from them, and have many hundreds of Dutch seamen in our merchant service, to supply the want of British.... By giving up these colonies, we lose first a very large revenue to the State; second, the employ of 30.000 tons of shipping annually, and more: third, employ of 2500 to 3000 seamen; fourth, an export annually of £ 5 or 600.000 of British merchandise to these colonies only; fifth, the immense re-exportation of coffee and sugar to the continent; and sixth, the additional employ of shipping for these re-exports and the profits attached to the same...."
[511] Naar den hoofdinhoud overgedrukt, _Ged._ VII, 146.
Deze beschouwingen worden herhaald in een request aan Castlereagh van John Robert Gladstone en 42 andere Liverpoolsche firma's, door Canning, afgevaardigde voor Liverpool in het Lagerhuis, 9 Juni 1814 bij den minister ingezonden met een krachtig woord van aanbeveling: »they venture to derive some hopes of its success from the very generally prevailing notion among the inhabitants that it has been long intended finally to annex these colonies to the British Empire." Het request vestigt er de aandacht op, dat alles in Demerary, Essequebo en Berbice Engelsch is geworden, dat de Nederlandsche taal er bij de rechtbanken reeds is afgeschaft. »Should H. M. think it right to restore the important colony of Surinam to Holland, the same disadvantages wil not be felt there in that event, as the population and capital remain chiefly Dutch".[512]
[512] _Ged._ VII, 142 vv.
De verovering van Essequebo en de in 1746 door den energieken commandeur Storm van 's-Gravesande gestichte dochterkolonie Demerary (die weldra de moeder over het hoofd zou groeien) door Engelsch kapitaal en Engelsche werkkrachten, was aan de militaire verovering voorafgegaan. De bodem, vooral in Demerary, bleek voor de cultuur van suiker en koffie zóó geschikt, dat de waarde van den grond er tusschen 1759 en 1769 meer dan vertienvoudigde. Maar het waren meer en meer Engelschen van de naburige eilanden, die op deze cultures afkwamen. In 1762 telt het oudere Essequebo 68 plantages, waarvan er 8 in Engelsche handen zijn; het voorspoediger Demerary 93, waarvan er 34 aan Engelschen toebehooren. In 1769 zijn er in Demerary reeds 206 plantages, waarvan er 56 aan Engelschen toekomen. Op de plantages die eigendom van Nederlanders waren, moeten vele Engelschen als administrateurs enz. zijn werkzaam geweest; immers Storm bericht in een brief van 1760, dat onder de blanke bevolking van Demerary de Engelsch-sprekenden in de meerderheid zijn. Na Storm's tijd (hij vertrok in 1772) is hierin geen verandering gekomen; eerder is het verergerd.
Het wordt, bij deze wetenschap, beter verklaarbaar, dat Demerary en Essequebo zoo zonder slag of stoot, in 1781, in 1796, in 1803, aan de Engelsche krijgsmacht zijn overgegeven, terwijl Suriname, dat zuiver Nederlandsch was, zich toch altijd nog eenigermate verdedigde. Dat in 1814 Demerary feitelijk geheel Engelsch geweest moet zijn, is reeds af te leiden uit de bevolkingscijfers van de hoofdplaats Stabroek, in 1812 verdoopt in Georgetown. Kort vóór de Engelsche occupatie in 1796 woonden daar 250 blanken; in 1807, na tien jaar slechts even onderbroken Engelsch bestuur, 1500[513]. Ik geloof dat het Nederland van 1814 geheel onmachtig zou zijn gebleken, tegelijk deze Engelschen in Demerary weer te overvleugelen en de Engelschen uit den Maleischen Archipel te werken. Het is voor onze toekomst een groot voordeel geweest, dat Engeland een stuk van de West behield en niet de Oost; maar het verval van de West was toen onmogelijk te voorzien.
Het belang dat Nederland nog bij Demerary had, bestond hierin dat een goed deel der vóór 1796 reeds bestaande plantages waren verhypothekeerd aan Amsterdamsche geldschieters, die, ware de kolonie weder Nederlandsch geworden, het dus wel in de macht zouden hebben gehad, het vervoer der producten voor een deel naar Nederland te leiden. Doch ook het Engelsche kapitaal was sedert 1796 in die mate direct bij Demerary betrokken geraakt, dat het den strijd nimmer zou hebben opgegeven, en het had, door het overwicht der Engelsche bevolking ginds en de veel hooger ontwikkeling der Engelsche scheepvaart, de betere kansen vóór zich.
* * * * *
_Van Nagell laat de onderhandelingen glippen_ (hiervóór, bl. 246).--De koerier die Fagel's schrijven van 30 Juli aan van Nagell overbracht, was een Engelsche koerier, met dépêches van Castlereagh aan Clancarty belast, die zich, evenals de Vorst en Falck, te Brussel bevond. De koerier nam zijn weg over den Haag, om daar Fagel's brief aan van Nagell af te geven, maar had ook een afschrift daarvan bij zich voor den Vorst, en zou, naar Fagel meldde, in ieder geval direct van Brussel met het antwoord moeten terugkeeren. De eenige manier dus voor van Nagell om invloed op de beslissing uit te oefenen, ware geweest onmiddellijk naar Brussel mede te reizen; hij zendt echter alles aan den Vorst door, »sans se permettre aucune réflexion"[514] (2 Aug.) en blijft in den Haag. Den 4den schrijft hij dan wel een langen brief van bezwaar aan den Vorst, maar op denzelfden 4den Augustus is te Brussel de beslissing reeds gevallen en de koerier met het door Falck op last van den Vorst gesteld toestemmend antwoord aan Fagel teruggezonden.
[513] Harris en de Villiers, _Storm van 's-Gravesande_ (London 1911).
[514] Falck's _Gedenkschriften_, 355.
* * * * *
_Banka_ (hiervóór, bl. 247).--Clancarty aan Castlereagh, 4 Aug. 1814: »M. Falck as well as the Prince is of opinion that the exchange of Cochin for the island of Banca will be advantageous to the Dutch, but the Secretary of State doubts (not invidiously however) our title to Banca, and has waited upon me to enquire upon what it is founded. I have answered him: »upon unlitigated possession", which he admits to be sufficient if the fact of possession is established"[515]. Van Deventer[516] en van der Kemp[517] werpen Falck naar het hoofd, dat hij niet wist dat Banka en Billiton zich bij contract van 10 Juli 1668 onder de bescherming van het Nederlandsch gezag hadden gesteld. Clancarty, de Vorst en Falck vormden op 4 Aug. 1814 evenwel geen studieclub ter beoefening van de geschiedenis der O. I. C., maar een gezelschap dat de voorwaarden besprak waaronder _de sedert 1 Jan. 1803 op Nederland veroverde bezittingen_ zouden worden teruggegeven. Hieronder vielen nòch Banka nòch Billiton, waar in 1803 geen spoor van Nederlandsche gezagsuitoefening viel te ontdekken. De Engelschen bezaten beide eilanden krachtens hun contract met den sultan van Palembang van 17 Mei 1812. Wèl is het een fout geweest, dat niet gesproken is van »Banka en onderhoorigheden", zoodat de Engelschen bij de onderhandeling van 1824 zich nog eene verdienste van hun afzien van Billiton hebben kunnen maken.
[515] _Ged._ VII, 172.
[516] _Ned. Gezag_, CCVII.
[517] _Tractaat 1814_, bl. 78.
* * * * *
_Geschreeuw op de beurs?_ (hiervóór, bl. 249).--Jawel, want de Engelsche couranten hadden aanstonds berichten ingehouden, waaruit de afstand van Demerary, Essequebo en Berbice aan Engeland met genoegzame zekerheid viel af te leiden. »La nouvelle donnée par le _Times_", schrijft Falck aan Fagel, 12 Sept. 1814, »de la cession de quelques-unes de nos colonies a fait à la Bourse d'Amsterdam une plus grande sensation qu'on ne devait attendre d'un article de gazette. Une députation des principaux intéressés est venue jusqu'à Bruxelles pour solliciter qu'une cession éventuelle fût du moins accompagnée de stipulations favorables à leurs intérêts[518]". Hiertoe strekte de conventie van 12 Aug. 1815, door Tellegen vermeld hiervóór, bl. 248.
[518] Falck's _Gedenkschriften_, 366.
* * * * *
_Russische schuld_ (hiervóór, bl. 250).--Engelands eerste minister tilde hieraan nog zeer zwaar. »The continuance of the American war[519]", schrijft hij 2 Nov. 1814 aan Castlereagh, »will entail upon us a prodigious expense, much more than we had any idea of; and I cannot, therefore, avoid pressing upon you the importance of not entailing upon us any part of the Russian debt to Holland if you can avoid it. Consider only what this charge will be in addition to our war expenditure and to our pecuniary obligations to Holland and Sweden. It would be in principle one of the most difficult questions to defend that ever was brought forward in Parliament. If we had been in peace with all the world, and the arrangements to be made at Vienna were likely to contain anything very gratifying to the feelings of this country, we might have met the question with some degree of confidence; but as matters now stand, everything that is really valuable will be considered _as having been gained before_[520], and we shall be asked whether we can really meet such a charge in addition to all the burthens which the American war will bring upon us[521]".
[519] De vrede van Gent werd geteekend 24 Dec. 1814, maar in November scheen er op de totstandkoming van dien vrede weinig kans.
[520] Ik cursiveer.
[521] _Ged._ VII, 210.
Of het ook in ons voordeel is geweest dat de koloniën-zaak vóór Weenen is afgedaan! Daar Rusland van de schuldoverdracht niet afzag en Ruslands handteekening onvermijdelijk noodig was voor de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden, zouden wij gevaar geloopen hebben dat in deze stemming Engeland b.v. ook nog op Suriname aanspraak had gemaakt.
* * * * *
_Genoopt was_ (hiervóór, bl. 252). Engeland behoefde niet meer te worden genoopt: het had zich verbonden. Wij weten dat Engeland van het begin af de zaak uit aldus had voorgesteld, dat de teruggave van koloniën, op Frankrijk, Nederland, Denemarken veroverd, in ruil zou moeten staan tegenover het verkrijgen eener zoodanige regeling van zaken op het continent waarmede Engeland genoegen zou kunnen nemen. Zie hiervóór bl. 225 het medegedeelde uit Castlereagh's correspondentie met Liverpool.
* * * * *
_Wel eens afstel zou kunnen zijn_ (hiervóór, bl. 256). In het systeem der Heilige Alliantie, waartoe Engeland na den tweeden vrede van Parijs toetrad, was voor een bijzondere alliantie tusschen Engeland en Nederland geen ruimte; zij is dan ook in het geheel niet meer ter sprake gekomen.
VIII.
DE INVOERING DER GRONDWET.
Zoo was dan Nederland niet alleen weder opgenomen in de rij der onafhankelijke volken; het herrees ook als koloniale mogendheid; ja het was bovendien zoo goed als verzekerd van een aanzienlijke uitbreiding van grondgebied. Een gevoel van verademing, een gevoel van dankbaarheid doortintelde de geheele natie. »Zij erkende", zoo sprak men in die dagen, »in den Vorst den redder door de Voorzienigheid gegeven. Oranje was het middenpunt, waarom allen zich schaarden, het eenige rustpunt, waarop men de toekomst veilig kon te gemoet zien." »Onze redding", riep men uit, »is volkomen; een algemeene vrede schenkt rust aan de aarde, opent al onze bronnen van welvaart en hergeeft ons niet alleen landen sedert twintig jaren van ons afgescheurd, maar verzekert ons zelfs eene vermeerdering van grondgebied en macht, waardoor deze nauwelijks herboren Staat, tot een hoogeren rang onder de Mogendheden verheven, de krachten zal erlangen, om dien rang, onder Goddelijken zegen, tot ons behoud en de rust van Europa met waarde te handhaven"[522].
[522] Besluit van 22 Juni 1814, bevelende een algemeenen dankdag.--Verslag den 7 November 1813 door den Minister van Binnenlandsche Zaken, Mr. W. F. Röell, gedaan aan de Staten-Generaal (Stuart, _Jaarboeken_ van 1814, bl. 211, 248.)