De Wedergeboorte van Nederland

Part 25

Chapter 253,723 wordsPublic domain

Ik heb er vroeger op gewezen, hoe van den aanvang onzer bevrijding de aandacht van Hogendorp op dit voor de toekomst van ons vaderland zoo gewichtig onderwerp gevestigd was. Zooals blijkt uit den brief, door hem den 28 November 1813 aan Hendrik Fagel geschreven, was het naar zijne meening eene zaak, die van zelve sprak, dat Engeland ons weder in 't bezit van al onze koloniën zoude stellen[479]. Ook de Souvereine Vorst had reeds vroeger--getuige zijn schrijven uit Londen aan H. von Gagern van 11 November 1813[480]--dit punt met de Engelsche regeering besproken, al ging hij ook niet zoo ver als Hogendorp; al vleide hij zich toen nog niet met het volledig herstel van ons koloniaal bezit. Wij hadden toch bijna alles verloren. Had Engeland bij het vredesverdrag, 27 Maart 1802 te Amiens gesloten, zich verbonden, met uitzondering van Ceilon, alles terug te geven wat het na de revolutie van 1795 ons had ontnomen, de vreugde was van korten duur geweest, daar met 1803 de oorlog weder was uitgebarsten, en Engeland zich langzamerhand, evenals van de Fransche, ook van onze koloniën meester had gemaakt. Alleen de nederzetting te Desima in Japan en de forten op de kust van Guinea maakten hierop eene uitzondering. Zoude Engeland genegen zijn, wat het met zijn zwaard had veroverd, geheel of ten deele terug te geven? Het begeerde althans niet alles te behouden. Men leze slechts het Engelsche memorandum kort na den slag van Leipzig, nog vóór onze bevrijding opgesteld[481]. De geheele of gedeeltelijke teruggaaf was echter afhankelijk van ééne voorwaarde. Holland moest krachtig genoeg zijn, om zijn koloniaal bezit te kunnen verdedigen. En in zoover bestond er van den aanvang een nauw verband tusschen dit onderwerp en de vergrooting van Holland, de vereeniging van Noord en Zuid. Van hier, dat de onderhandelingen over de teruggaaf der koloniën eerst werden geopend na de sluiting van het vredesverdrag van Parijs van 30 Mei 1814, ja eerst nadat den 21 Juni 1814 te Londen het protocol over de voorwaarden der vereeniging was vastgesteld. Tot zoolang was wel over deze zaak bij de eene of andere opkomende gelegenheid gesproken; eene eigenlijke onderhandeling was er nog niet gevoerd, en de Engelschen hadden den indruk gekregen, dat de Souvereine Vorst tevreden zoude zijn ook dan, wanneer een gedeelte der koloniën hem niet teruggegeven werd. Bij de komst van Lord Castlereagh in den Haag in 't begin van 1814 werd het behoud van de Kaap door Engeland besproken, waartegen door dit land aan den Souvereinen Vorst eene geldsom zoude worden verstrekt, noodig om bij uitbreiding van grondgebied dit tegenover Frankrijk te versterken. De Souvereine Vorst scheen daartegen geen bezwaar te hebben; hij vond het billijk en redelijk[482]. Het bleef echter hierbij niet. Reeds bij de onderhandelingen te Chaumont zien wij het denkbeeld opkomen, dat wij ook in de West niet alles terug zouden erlangen. De aanleiding hiertoe was het eiland Guadeloupe. Door de Engelschen in 1810 op Frankrijk veroverd, was dit eiland bij art. 5 van het tusschen Engeland en Zweden den 3 Maart 1813 te Stockholm tegen Frankrijk gesloten tractaat aan Zweden afgestaan. Daar het echter, bijaldien het congres te Châtillon eenen vredelievenden afloop mocht hebben, weder aan Frankrijk zoude moeten terugkeeren, was reeds in Februari 1814 de vraag gerezen, op welk eene wijze Zweden dan zoude moeten worden schadeloos gesteld. Door eene Hollandsche kolonie in de West, was het antwoord geweest: Holland, dat zoozeer zoude worden vergroot, moest die opoffering zich laten getroosten. Tegelijk met de mededeeling van Ruslands toetreding tot de vergrooting van Holland, terwijl men--zooals wij vroeger hebben gezien--nog de zaak der Russische schuld verzweeg, werd door Clancarty met den Souvereinen Vorst Guadeloupe aangeroerd. De laatste nam den afstand eener kolonie in de West beter op, dan Clancarty zich had voorgesteld; de Souvereine Vorst wenschte alleen, dat de private eigendom in de af te stane kolonie zouden worden geëerbiedigd, en dat die zijner onderdanen, welke aldaar plantages bezaten, rechtstreeks met het moederland handel zouden mogen drijven[483]. Toen dus bij art. 9 van het tractaat van Parijs, onder toestemming van Zweden tengevolge van met zijne geallieerden gemaakte arrangementen, Guadeloupe weder aan Frankrijk werd teruggegeven, kon het voor den Souvereinen Vorst niet onverwacht zijn, bijaldien het bleek dat deze zaak invloed zou uitoefenen op de teruggaaf der West-Indische koloniën. En dit was dan ook het geval, hoewel op eene andere wijze dan men oorspronkelijk zich had voorgesteld. Zweden zoude in geld, door Engeland te betalen, de vergoeding vinden; Engeland zoude daarvoor erlangen de West-Indische koloniën, oorspronkelijk voor Zweden bestemd. Essequebo, Demerary en Berbice, het westelijk gedeelte van Nederlandsch Guyana, waren daarvoor uitgekozen. De omstandigheid, dat in deze kolonie of koloniën veel Britsch kapitaal was vastgezet en tevens dat hier vooral de katoen, noodig voor de Britsche fabrieken, geteeld werd, schijnt de Engelsche regeering te hebben bewogen, nevens de Kaap de Goede Hoop ook deze koloniën te willen behouden[484]. Toen dan de Engelsche regeering het oogenblik gekomen achtte, om tot de regeling van dit onderwerp over te gaan, heeft zij waarschijnlijk niet verwacht, dat die regeling met moeilijkheden zoude gepaard gaan. Ja nog op den vooravond der onderhandelingen meent Lord Clancarty, dat onze minister van buitenlandsche zaken, van Nagell, geen bezwaar zoude vinden in den afstand van alle West-Indische koloniën, mits eene schadeloosstelling in geld daarvoor in de plaats kwam[485]. Het zoude echter spoedig blijken, dat Engelands gezant zich deerlijk had vergist. Den 24sten Juni 1814 zond van Nagell aan onzen gezant te Londen zijne instructiën voor de onderhandelingen betrekkelijk de teruggaaf der koloniën. Onze minister van buitenlandsche zaken was bij het ontwerpen der instructiën uitgegaan van het denkbeeld, dat wij op al de door ons vóór de Revolutie van 1795 bezetene koloniën, zelfs op het bij vredesverdrag afgestane Ceilon, aanspraak konden maken. Het beginsel was dus de teruggaaf van al de koloniën, en voor zoover dit niet mocht geschieden, zooals met de Kaap, moest daarvoor eene schadeloosstelling in geld in de plaats treden. Waarop echter boven alles prijs moest worden gesteld, was de teruggaaf van geheel Nederlandsch Guyana en dus ook van Essequebo, Demerary en Berbice.[486]

[479] _Br. en Ged._ IV, 269 (de datum is daar misdrukt tot 25 Nov.).

[480] _Ged._ VI, 1958.

[481] Hiervóór, bl. 29.

[482] Castlereagh aan Liverpool, 8 Jan. 1814 (_Ged._ VII, 25); S. V. aan Hendrik Fagel, 8 Jan. 1814 (_Ged._ VII).

[483] Clancarty aan Castlereagh, 13 Maart 1814 (_Ged._ VII, 89).

[484] Edward Cooke onder-staatssecretaris van buitenlandsche zaken, aan Lord Castlereagh (17 Febr. 1814): »The cessions will be much felt, chiefly Demerary and Berbice, which are Anglicized" (_Ged._ VII, 61). Lord Liverpool aan Wellington, 23 Sept. 1814: »These settlements are most valuable to us, not only as they are occupied almost exclusively by British proprietors, but likewise as they contain the principal cotton establishments in America for the use of our manufactures" (_Ged._ VII, 185).

[485] Clancarty aan Castlereagh, 17 Juni 1814 (_Ged._ VII, 150).

[486] De instructie zelve is gedrukt bij van der Kemp, _Tractaat 1814_, bl. 60; de begeleidende missive aldaar, 64.

Fagel, die met de inzichten der Engelsche bewindslieden nauwkeurig bekend was en zijnen chef daarvan ook niet onkundig had gelaten, schrikte, toen hij die instructiën met de daarbij gevoegde toelichtende missive van 24 Juni 1814 ontving. Hij kon dan ook niet nalaten bij brief van 30 Juni 1814 aan van Nagell te kennen te geven, dat van Ceilon, afgestaan bij den vrede van Amiens, in 't geheel geen sprake kon zijn, en dat Engeland evenmin de bedoeling had, al de etablissementen van Guyana terug te geven. Bij dergelijk verschil van inzichten wanhoopte hij aan den goeden uitslag der onderhandelingen[487]. En hij had hierin niet misgezien. Terwijl, zooals wij vroeger hebben medegedeeld, Engeland reeds ontevreden was over de wijze waarop hetgeen de geallieerden over België besloten hadden, door den Souvereinen Vorst was opgenomen, werd die ontevredenheid vermeerderd door onze eischen betrekkelijk de koloniën. Fagel moest dan ook den 15den Juli 1814 aan van Nagell schrijven, dat de onderhandelingen daarover om zoo te zeggen waren afgebroken, voordat zij begonnen waren, en dat Lord Castlereagh zich genoopt zag ons te verwijzen naar het congres van Weenen. Het doet mij leed, schrijft Fagel, maar bevreemden doet het mij niet. Gij zult, zegt hij, u herinneren, dat ik er een voorgevoel van heb gehad, en het zelfs bijna heb voorspeld, toen de instructiën van 24 Juni mij zijn geworden. Moge, voegt hij niet zonder ironie er bij, deze zaak te Weenen aan bekwamer handen dan de mijne toevertrouwd en met een beteren uitslag bekroond worden: te Weenen, waar de onderhandelingen niet meer tusschen de beide gouvernementen alleen in een geest van wederzijdsche inschikkelijkheid zullen kunnen gevoerd worden, maar onder den invloed van aan deze zaak vreemde belangen. Maar mag ik dan, schreef de Souvereine Vorst den 22 Juli 1814 aan Fagel, onze beste koloniën opofferen of bederven en de blaam op mij laden, dit gedaan te hebben als prijs voor de vereeniging met België en alzoo de glorie van mijn huis hooger te hebben gesteld dan het welzijn van den Staat[488]?

[487] Van der Kemp, _Tractaat 1814_, bl. 22.

[488] De brieven van 15 Juli en 22 Juli 1814 worden afgedrukt in _Ged._ VII.

Wellicht dat het op den lezer een vreemden indruk maakt, zoo te hooren spreken over onze bezittingen op het vasteland van Zuid-Amerika. Wij zijn er zoo gewoon aan geraakt, de waarde van ons koloniaal bezit hoofdzakelijk, zoo niet alleen, in de Oost te zoeken; ja zijn er niet, die al onze West-Indische koloniën als een lastpost beschouwen? Dit was echter in vroegere tijden de overtuiging niet. Mocht men al in 1814 twijfel hebben gekoesterd over de vraag, of het bezit der West-Indische eilanden voor ons nog wel van zooveel belang was als vroeger, ten opzichte van Guyana bestond die twijfel niet. Wat de schrijver van _Le Commerce de la Hollande_[489] in 't midden der vorige eeuw, en na hem, nog even vóór de revolutie, Kluit[490] beweerd hadden, dat alleen Suriname van meer nut zou zijn voor de Republiek der Vereenigde Nederlanden, dan de handel op de Oost, schijnt ook nog in 1814 ten opzichte van Suriname met Essequebo, Demerary en Berbice de zienswijze van velen te zijn geweest. Dit is zeker, dat de Souvereine Vorst niet alleen, maar ook zijn minister van buitenlandsche zaken al hunne krachten meenden te moeten inspannen, om den afstand van Essequebo, Demerary en Berbice en dus de verbrokkeling van Nederlandsch Guyana te beletten. Men deinsde vooral voor de ontevredenheid terug, die deze maatregel te Amsterdam zoude veroorzaken.

[489] I, 256.

[490] _Historia foederum_, § 390.

Wij waren echter machteloos tegenover Engeland. De Engelsche regeering had, nadat de Souvereine Vorst getoond had, in het protocol van 21 Juni 1814 over België te willen berusten, zich genegen verklaard, de onderhandelingen over de koloniën te hervatten, geenszins echter van de eens gedane eischen afstand te doen. Het staat, zeide Lord Castlereagh, aan ons te beoordeelen, wat het ons belieft te behouden, wat terug te geven[491]. En nu heeft er eene gebeurtenis plaats, die men, lettende zoowel op de Grondwet als op de latere geschiedenis van de regeering van Willem I, niet zoude hebben verwacht. Van Nagell laat de onderhandelingen uit zijne handen glippen, en het is Falck, de Algemeene Secretaris, die ze weder opneemt. Onwillekeurig herinnert men zich bij dit feit, wat van Nagell als voorzitter der groote vergadering bij de inhuldiging van den Souvereinen Vorst gezegd had. Gedachtig aan hetgeen hij in den tijd zijner ballingschap in Engeland gezien had, en niet aan den inhoud der Grondwet, meende hij, dat de vorst in zijne betrekkingen tot zijn volk nimmer verdacht kon worden, daar de ministers voor al hunne verrichtingen verantwoordelijk bleven[492]. Zoo kan ook hier het besef zijner verantwoordelijkheid de reden zijn geweest, waarom hij de verdere behandeling dezer zaak aan een ander overliet. Falck, die, om de woorden van Lord Castlereagh te gebruiken[493], de »bekrompen inzichten" van van Nagell niet deelde, zag er geen bezwaar in, de verantwoordelijkheid voor het sluiten van een tractaat met Engeland op de door dit land bepaalde grondslagen op zich te nemen, al voorzag hij ook het geschreeuw dat de afstand van de West-Indische koloniën op de beurs zoude veroorzaken. Want, meende hij, de teruggave van dit alles zoude van de Engelschen een _effort de générosité_ zijn geweest, dat men niet konde verwachten, noch in redelijkheid kon vergen[494]. Wij zien dan ook dat bij brief van Falck aan Fagel, van 4 Augustus 1814, deze gemachtigd wordt in den afstand van Essequebo, Demerary en Berbice toe te stemmen en tot de sluiting van het tractaat op de grondslagen, door Fagel in zijne laatste depêche van 29 Juli[495] neergelegd, over te gaan. Onzerzijds worden nog over eenige ondergeschikte punten eenige wenken medegedeeld, zonder dat van hunne inwilliging de sluiting van het tractaat afhankelijk werd gemaakt. En zoo werd dan na eenige dagen, den 13den Augustus 1814, het tractaat tusschen Groot-Brittanië en de Vereenigde Nederlanden over hunne koloniën te Londen geteekend[496].

[491] Fagel aan van Nagell, 30 Juli 1814 (Falck's _Gedenkschriften_, 354).

[492] Van Nagell bij Metelerkamp.

[493] Aan Clancarty, 14 Aug. 1814 (_Ged._ VII, 176).

[494] Falck aan D. J. van Lennep, 16 Aug. 1814 (_Brieven_ no. 105); Falck aan Röell, 20 Aug. 1814 (Falck's _Gedenkschriften_, 366).

[495] Falck's _Gedenkschriften_, 351.

[496] Lagemans I, no. 9.

Wat zouden wij dientengevolge van ons vroeger koloniaal bezit behouden, wat zou door ons worden afgestaan? In Afrika waren en bleven de forten op de kust van Guinea van zelf in ons bezit. Wij verloren echter de Kaap de Goede Hoop. In de Oost werd ons alles teruggeven. Niet alleen de eilanden, maar ook de kantoren op het vasteland van Azië keerden tot ons terug. Eene uitzondering maakte daarop het kleine district Bernagore in de buurt van Calcutta, dat aan Engeland verbleef; eveneens Cochin op de kust van Malabar, waarvoor wij echter het tinrijke eiland Banka in ruil erlangden. Het is eenigszins bevreemdend, dat, terwijl Engeland zich genegen betoonde, aan ons dat belangrijke eiland wegens de nabijheid van Java en de Molukken af te staan, het er niet op aandrong al onze etablissementen op het vasteland te behouden, en dat te meer, omdat onzerzijds, vooral wanneer er geldelijke vergoeding voor gegeven werd, tegen den afstand daarvan niet veel bezwaar zoude zijn gemaakt, gelijk wij dan ook later, in 1824, in dien afstand hebben toegestemd. Engeland vergenoegde zich echter met de bepaling, waarbij de Souvereine Vorst zich verbond in die etablissementen geene versterkingen op te richten, ten einde de goede verstandhouding tusschen beide landen niet zoude worden verstoord. In Amerika eindelijk moesten wij alleen het westelijk gedeelte van Nederlandsch Guyana derven; voor het overige zoude de Hollandsche vlag weder wapperen zoowel op het vasteland als op de eilanden. Aan den wensch van Engeland, om Essequebo, Demerary en Berbice te behouden, was alzoo voldaan. Het gelukte echter onze diplomatie, voor de onderdanen van den Souvereinen Vorst, bezitters van plantages aldaar, te bedingen, dat hun zoude worden veroorloofd _de naviguer et de trafiquer entre les dits etablissements_ en het moederland. Eene bepaling, die bij het tractaat van den 12den Augustus 1815[497] nader werd uitgewerkt. Eene concessie van de zijde van Engeland, die niet zonder gewicht was, als men in aanmerking neemt, dat naar de zienswijze dier dagen het voordeel der koloniën hoofdzakelijk geacht werd te bestaan in de mogelijkheid, om van de vaart daarop en den handel daarmede de vreemdelingen te kunnen uitsluiten. Lord Clancarty meende zelfs, dat door dergelijke inbreuk op het koloniaal stelsel de afstand eener kolonie eerder een voordeel dan een nadeel was, daar men in 't genot bleef van de vaart en den handel en bevrijd werd van de kosten noodig voor de verdediging en het bestuur[498].

[497] Lagemans I, no. 31.

[498] Aan Castlereagh, 13 Maart 1814 (_Ged._ VII, 89).

Tegenover het behoud dier koloniën door Engeland, stonden geldelijke opofferingen van grooten omvang. Een millioen pond sterling door Engeland te betalen aan Zweden voor Guadeloupe; twee millioen, om met een gelijk bedrag, dat de Souvereine Vorst zoude geven, te dienen voor den vestingbouw in België; eindelijk de helft--tot een maximum van 3 millioen pond--van de kosten door Holland te betalen _dans le but de consolider et d'établir finalement d'une manière satisfaisante l'union des Pays-Bas avec la Hollande sous la domination de la Maison d'Orange Nassau_. Met andere woorden: Engeland zoude, voor het geval Rusland van zijne Hollandsche schuld geheel of ten deele werd bevrijd, een deel daarvan voor zijne rekening nemen.

Ontstond er nu geschreeuw op de beurs? Dit kon moeilijk, daar aan het tractaat geen ruchtbaarheid werd gegeven; een deel der overeenkomst was zelfs in geheime artikelen opgenomen. In het hoofdtractaat zelf werd de teruggaaf van al de koloniën en de ruil van Cochin tegen Banka uitgesproken; alleen werd ten opzichte van de Kaap de Goede Hoop en van Demerary, Essequebo en Berbice verwezen naar eene supplementaire overeenkomst, die, zooals het heette, later zoude worden gesloten. En om den goeden indruk niet te verzwakken, was zelfs de afstand van het onbeteekenende Bernagore naar de geheime artikelen verwezen. In die geheime artikelen vond men voorts nader geregeld wat er met de Kaap en Guyana zoude geschieden, en waren tevens de geldelijke verbintenissen opgenomen, die Engeland daartegenover op zich nam. Engeland had, wanneer men het verlangde, geen bezwaar in de openbaarmaking van het tractaat, mits de inhoud der geheime artikelen geheim bleef. Waarom? Die artikelen stonden in een te nauw verband met de nog tusschen de mogendheden te sluiten overeenkomst over het nieuwe Rijk der Nederlanden; maar bovendien was het wenschelijk dat Rusland niet wist, tot welk eene som Engeland zich verbond voor de overname der Russische schuld. Wanneer, zooals later het geval bleek te zijn[499], de edelmoedige keizer aller Russen met eene mindere som dan 6 millioen pond sterling tevreden kon worden gesteld, dan behoefde ook Engeland minder dan 3 millioen voor die zaak bij te passen. Ook was het wenschelijk dat het Parlement vooreerst onkundig werd gelaten van de zware geldelijke verplichtingen, die Engeland op zich nam. De Souvereine Vorst was waarschijnlijk evenmin op openbaarheid gesteld. Hij die krachtens art. 38 der Grondwet voor geen tractaat hoegenaamd de toestemming der Vertegenwoordiging noodig had, schijnt zelfs geene behoefte hebben gevoeld het hoofdtractaat ter kennis des volks te brengen. Eerst den 7den November 1814[500] in de aanspraak, door den Souvereinen Vorst bij de opening van de vergadering der Staten-Generaal gedaan, wordt gezinspeeld op dit tractaat en op de teruggaaf van het aanzienlijkste gedeelte van Nederlands aloude bezittingen, in 't bijzonder van het onschatbare Java. In het verslag, gedurende dezelfde zitting uitgebracht door den Secretaris van Staat voor de Binnenlandsche Zaken, wordt medegedeeld, dat het nog van nadere onderhandelingen moet afhangen, welke van de West-Indische koloniën aan ons zouden terugkomen[501]. Nog in Mei van het volgende jaar was de inhoud van het tractaat onbekend, en moest Hogendorp van den Souvereinen Vorst de machtiging vragen het mede te deelen aan de leden der commissie voor het ontwerpen der Grondwet voor het nieuwe koninkrijk[502]. Eerst in Juni 1815 werd de inhoud der overeenkomst van 13 Augustus 1814 wereldkundig door de overlegging er van aan het Parlement[503]. De redenen van geheimhouding waren vervallen. Immers op het Congres van Weenen waren de grenzen van het nieuwe Rijk bij tractaat van 31 Mei 1815 voor goed vastgesteld, terwijl bij tractaat den 19 Mei 1815 te Londen door Rusland met ons en Engeland gesloten de zaak der Russische schuld geregeld was[504].

[499] Tractaat van 19 Mei 1815 (Lagemans, I, no. 27).

[500] Stuart, _Jaarboeken_ van 1814, bl. 245.

[501] Stuart, bl. 252-253.

[502] _Ontstaan_ II, 77.

[503] Stuart, 391.--Volgens de _Times_ van 12 Juni 1815 had die overlegging plaats den 9den Juni.

[504] Lagemans, I, no. 28, 27.

Men had zich echter vergist in het tijdstip, waarop de conventie van 13 Augustus 1814 tot uitvoering zoude komen. Binnen drie weken zoude het tractaat door den Prins-Regent en den Souvereinen Vorst worden geratificeerd (art. 9) en binnen drie maanden daarna de bezittingen in de West, binnen zes maanden die in de Oost weder worden gesteld in ons bezit. Het geheele jaar 1815 moest echter voorbijgaan, zonder dat van dit alles iets kwam. De vertraging was voor een deel teweeggebracht door den langen duur van het Weener Congres, voor een deel ook door Napoleons terugkomst uit Elba, die het noodzakelijk maakte, dat de troepen voor de Indiën bestemd, vooreerst hier bleven ter verdediging van het Rijk in Europa. Eerst in Januari 1816 ging de West, in Augustus 1816 de Oost uit de handen van Engeland in de onze over.

Wij zagen, dat van Nagell en anderen niet tevreden waren over de gedragslijn van Engeland, omdat het niet alles teruggaf. Opmerkelijk is het, dat, terwijl men niet het minste bezwaar zag in de toepassing van het recht van verovering op België en in het beroep op dat recht door de geallieerden bij het Londensche protocol van 21 Juni 1814 gedaan, men het Engeland ten kwade duidde, toen het iets wilde behouden van hetgeen het in den tienjarigen oorlog van 1803 tot 1814 met zijn zwaard had verkregen. Wanneer men echter let op de opofferingen, die Engeland zich in den langdurigen oorlogstijd had getroost, dan zoude de volledige teruggaaf, ik ben het met Falck eens, een buitengemeen, niet te vergen en niet te verwachten _effort de générosité_ van de zijde van Engeland zijn geweest. Ik kan dan ook in die afkeuring van Engelands gedrag niet deelen, en dit te minder, als ik denk aan de zware geldelijke verplichtingen, die Engeland als equivalent voor de door ons afgestane koloniën op zich nam. Eerder zoude de vraag kunnen gedaan worden, waaraan wij het te danken hebben, dat wij zonder eenige inspanning onzerzijds weder in 't bezit kwamen van het grootste gedeelte onzer koloniën?

Men heeft beweerd, dat Engeland door zijne bondgenooten tot die teruggaaf genoopt was. Ik meen ten onrechte. Het blijkt niet, dat eene der andere mogendheden op de sluiting van het tractaat van 13 Augustus 1814 eenigen invloed had uitgeoefend; integendeel bestond juist, zooals wij vroeger gezien hebben, bij Fagel de groote vrees, dat de koloniale kwestie niet tusschen Engeland en ons alleen zoude worden beslist, maar dat zij, ter behandeling verwezen naar het Congres van Weenen, vermengd zou worden met al de netelige vraagstukken der Europeesche politiek. Alleen in zoover hebben de geallieerden invloed ten onzen gunste uitgeoefend, dat Engeland door te veel te behouden zijne reputatie op het continent vreesde te zullen bederven en daardoor zijne zedelijke kracht te zullen verzwakken[505].