De Wedergeboorte van Nederland
Part 24
Het oorspronkelijk denkbeeld der mogendheden was geweest, dat de voorslagen van den Souvereinen Vorst aan een kleine vergadering van Belgische aanzienlijken zouden worden voorgelegd, om hunne bedenkingen te vernemen. Een voorstel in dezen geest was 16 Mei door Castlereagh naar den Haag afgezonden[452]. De Souvereine Vorst had er dadelijk zooveel bezwaar in gezien, dat hij spoorslags naar Parijs was getrokken om het te verhinderen[453]. De Belgische aanzienlijken waren te Chaumont gehoord, meende hij; dit moest genoeg zijn. Welk nut zou het hebben het resultaat van het onderzoek der daar vernomen bedenkingen nog eens aan de goedkeuring van eenige notabelen te onderwerpen die er toch geen wettigheid aan zouden kunnen verleenen? Vincent meende er voor te kunnen instaan, dat de notabelen, zoo hij ze kiezen mocht, ja zouden zeggen; het nut dat men bij mogelijkheid van dit »ja" zou kunnen trekken kwam niet in vergelijking bij het nadeel dat een altijd mogelijk »neen" zou toebrengen aan eene zaak waartoe de bondgenooten toch reeds waren besloten. »Les Belges, loin d'avoir à se plaindre, se féliciteront de voir enfin le terme de la pénible incertitude où ils sont déjà restés trop longtems, et d'apprendre que le soin d'assurer leur sort et de hâter la réunion sur des bases justes et libérales est définitivement et exclusivement confié au nouveau Souverain dont ils savent bien que les intentions et le caractère[454] seront à la longue une garantie de leur bonheur bien préférable à des stipulations convenues dans un moment comme celui-ci entre le Souverain et quelques-uns de leurs compatriotes"[455].
[452] _Ontstaan_ II, 16.
[453] _Ontstaan_ II, 17.
[454] »Hopende verder eenig personeel vertrouwen te verdienen, en kennis te hebben hoe ver een Protestantsch vorst gaan kan, door mijn oponthoud te Fulda alwaar alles zoo te zeggen de Roomsche godsdienst toegedaan was, en nooit de minste aanstoot of zwarigheid ontstaan is" (S. V. aan van Nagell, 16 Mei 1814; _Ontstaan_ II, 15). Maar Fulda was Vlaanderen niet!
[455] Uit het stuk van den Vorst aan Clancarty van 30 Mei (_Ontstaan_ II, 27).
Noch de Noordnederlandsche souverein, noch het Noordnederlandsche volk, dat tot dit alles, in de personen van Falck, van Nagell, van Hogendorp, zijne medewerking verleende, hebben de Belgen voor vol aangezien. Waren hunne bezwaren, ik zeg niet weerlegd, doch zelfs maar gevat? Wat beteekende het, hun te verzekeren, dat de Katholieken tot iedere landsbetrekking benoembaar waren?[456] Een dergelijke verzekering, gegeven aan een natie voor 99% uit Katholieken bestaande, was alleen al een beleediging aan het gezond verstand. Met het opperen van hun religiebezwaar hadden de Belgen voorzeker niet bedoeld te vragen, of Katholieken in België wel tot landsbetrekkingen benoembaar zouden zijn. De moeilijkheden werden niet opgelost, zij werden genegeerd. De bondgenooten onderteekenden alles, in meer of minder goed vertrouwen op de uitkomst. Eigenlijk kwam een Belgische notabelenvergadering hun toch zeer ongelegen. Zonder twijfel zou die verzocht hebben dat de Belgische landen over de Maas niet van het nieuwe rijk werden gescheiden, en de toewijzing van het gebied tusschen Maas, Rijn en Moezel bleek een der moeilijkste onderwerpen van alle en bleef nog lang onbeslist. Voorloopig maakten zij zich van België af door tegelijk met de onderteekening der acht artikelen te verklaren, dat zij over het land beschikten in het belang van het evenwicht van Europa en krachtens het recht van verovering, en er, tot de feitelijke voltrekking der vereeniging toe, het bestuur over opdroegen aan den Souvereinen Vorst[457]. Deze aanvaardde het den 1sten Augustus met een niet ongeschikte proclamatie, door Falck gesteld, waarin getracht was elk wat wils te geven. De moeilijkheid van de taak echter, die Willem I en Noord-Nederland te wachten stond, werd ook door Falck niet doorzien. Dezelfde gebeurtenis, die het vredestractaat van Parijs had aangekondigd met de woorden: »La Hollande recevra un accroissement de territoire", wordt in deze proclamatie, zooals indertijd Vincent aangeraden had[458], »l'agrandissement de la Belgique" genoemd. Werd Holland uitgebreid, of België? In den gedachtengang van hen die de zaak uitgevonden hadden, Holland. Maar het was een veeg teeken, dat men hiervoor tegenover de nieuwe onderdanen niet uit durfde komen. Een fraaie »vergrooting van België" inderdaad waarbij het, volgens Falck's eigen bekentenis, »te langdradig zoude geweest zijn, de Belgen te raadplegen"![459] De vergrooting was door België bedacht noch goedgekeurd; zij werd ondergaan.
[456] »Les Belges jouiront de toute la tolérance religieuse que la constitution des Provinces-Unies établit. Les catholiques sont par là même éligibles à tous les postes". (Uit van Nagell's stuk van 20 Mei).
[457] Protocol van 21 Juni.
[458] Hiervóór, bl. 211.
[459] Aan D.J. van Lennep, 16 Aug. 1814 (Falck's _Brieven_, no. 105.)
De grenzen van het nieuwe koninkrijk zijn pas bij tractaat van 31 Mei 1815 bepaald. Willem I verkreeg daarbij verreweg het grootste gedeelte der over de Maas gelegen oud-Namensche, oud-Luiksche en oud-Limburgsche landen[460]; voorts van Sittard tot Mook de smalle strook, die Pruisen verhindert tot aan de Maas te reiken. Onder bijzondere bepalingen werd aan dit gebied Luxemburg toegevoegd, als een vergoeding voor het verlies der Nassausche erflanden. De verknipping van België was dus voorkomen, maar Holland won geen duimbreed aan den Rijn. De mogendheden hadden zich genoodzaakt gezien aan Pruisen de grootste helft van Saksen te onthouden, doch hadden in ruil aan Pruisens begeerte naar de Rijnlanden in grooter mate toegegeven dan de conventie van Troyes had kunnen doen verwachten. In het oorspronkelijk plan om aan den Souvereinen Vorst den linker Rijnoever toe te deelen van Emmerik tot Keulen, benevens den linker Maasoever van Maastricht tot de Fransche grens, was het denkbeeld eener »uitbreiding van Holland" duidelijker uitgedrukt dan in de nieuwe regeling, die geheel op eene vereeniging van Holland en België nederkwam.
[460] Van Namen waren reeds bij den vrede van Parijs enkele kantons aan Frankrijk gebleven, evenals van Henegouwen. Zij werden terugverworven bij den tweeden vrede van Parijs.--Stavelot kwam aan de Nederlanden maar Malmédy aan Pruisen; eveneens Eupen, Daalhem, 's-Hertogenrade.
* * * * *
_Met het vaste voornemen_ (hiervóór, bl. 198).--Dit leerden wij hierboven, bl. 221, anders.
* * * * *
_Wat er in stond, is niet bekend_ (hiervóór, bl. 203).--Zie thans hierboven, bl. 226.
* * * * *
_De wensch van den Souvereinen Vorst_ (hiervóór bl. 203).--Die ging nog aanmerkelijk verder dan de conventie van Troyes; zie hierboven, bl. 220.
* * * * *
_De zaak was deze_ (hiervóór, bl. 204).--Wat dan volgt is onjuist. De uitnoodiging aan Bernadotte is van 27 Februari; toen was reeds door de feiten beslist dat Castlereagh's verzoek van 27 Januari, den Souvereinen Vorst met het voorloopig bestuur over België te belasten, geen gevolg zou hebben. Dat verzoek was gedaan eer men België bezat; vóór er op beschikt kon worden was België door de Pruisen veroverd en het door hun generaals ingestelde voorloopig bestuur was reeds door de centrale commissie onder Pruisische commissarissen gesteld (zie hierboven, bl. 224). De centrale commissie was evenzeer door de gebeurtenissen verrast als de verschillende mogendheden zelve. Stein's oorspronkelijk plan (in Januari) was geweest, dat de Souvereine Vorst het bestuur zou voeren over de beide Vlaanderens en Antwerpen, Pruisen over Zuid-Brabant en de rest[461]. Toen in Maart bleek dat het bestuur van Lottum en Delius in België weinig populair was, verklaarde Stein zich bereid den Souvereinen Vorst het bestuur over geheel België tot de Maas te laten, op voorwaarde dat een gedeelte der landsinkomsten aan Pruisen werd uitgekeerd[462]; dit is juist tijdens Bernadotte's militair commando, dat geheel tijdelijk is en met de bestuurszaak niets te maken heeft. Sedert 27 Jan. echter was gebleken welke voorwaarden Rusland en Pruisen aan de goedkeuring der »uitbreiding van Holland" verbonden. Dat de aanspraken van den Souvereinen Vorst voor een zoo groot deel met die van Pruisen bleken te concurreeren maakte het onraadzaam 't zij Pruisen 't zij den Vorst in België te veel de vrije hand te laten, of door 's Vorsten bestuur over het nog vol Pruisische troepen gebleven land de mogelijkheid te openen van dagelijksche conflicten. Bovendien wilde men, zooals in Juni gebleken is, den Souvereinen Vorst zelfs niet voorloopig in België plaatsen voor hij zich geschikt zou hebben in de overname der Russische schuld; eene zaak die Castlereagh hem thans niet voorleggen kon daar zij nog in onderzoek was bij de regeering te Londen. In deze omstandigheden was het gouvernement van een Oostenrijker een tijdelijk noodbehelp waarmede ieder zich vereenigen kon, en waarmede men tevens de Belgen in een betere stemming kon terugbrengen dan het bewind der Pruisische commissarissen bij hen had opgewekt. Ziehier de werkelijke redenen waarom de Vorst eerst zoo laat in België is toegelaten.
[461] Stein aan Castlereagh, 27 Jan. en 11 Febr. 1814 (_Ged._ VII, 38, 60).
[462] Stein aan Castlereagh, 6 Maart 1814 (_Ged._ VII, 78).
* * * * *
_Ik durf niet beslissen_ (hiervóór, bl. 206).--Mondeling heeft men het wèl gezegd. »The Emperor", schrijft Castlereagh den 13den aan Clancarty, »has told them plainly that he cannot take them back, and that an Archduke would be no motive with him to risk a war for their sakes; he therefore advised them to look to an incorporation with Holland upon a fair understanding to be guaranteed to them as to religion, commerce, debt, etc".[463] In het schriftelijk stuk daarentegen van den 14den staat over Holland geen woord, en de Belgen bleven hopen tegen hope.[464]
[463] _Ged._ VII, 90.
[464] Capellen 10 Mei (_Ontstaan_ II, 10).
* * * * *
_Lang tijdsverloop_ (hiervóór, bl. 206).--De volte van zaken was aan het hoofdkwartier zóó enorm dat, gelijk herhaaldelijk blijkt, aan velerlei beslissingen eerst uitvoering gegeven werd wanneer de omstandigheden onderwijl al weder veranderd waren. Het besluit om een Oostenrijkschen commissaris te zenden is van den 14den Maart; de opdracht van Metternich aan Vincent is pas van 29 Maart[465]; intusschen was Horst, een tweede en slechter uitgaaf van Lottum en Delius, al in functie. Vincent bevond zich te Luik en schrijft 7 April nog van die plaats[466]; toen hij zich kort daarna te Brussel vertoonde maakte Horst gebruik van een of andere onregelmatigheid in de papieren om de overgave van het bestuur te weigeren. Dientengevolge moest de zaak voor de tweede maal voor de mogendheden komen, en eerst 1 Mei kan Metternich aan Vincent schrijven dat er stellig bevel aan Horst is gezonden tot onmiddellijke bestuursoverdracht[467].
[465] _Ged._ VII, 329.
[466] _Ged._ VII, 331.
[467] _Ged._ VII, 333.
* * * * *
_Te Gratz bezocht_ (hiervóór, bl. 210).--Capellen bleef, als alle Hollandsche ministers, tot 31 Dec. 1810 in functie; daarna weigerde hij een plaats in het Wetgevend Lichaam te Parijs[468] en ging te Maarsen »vegeteeren", zooals Lebrun het uitdrukt[469]. In den zomer van 1811 gaf hij gehoor aan eene uitnoodiging van den graaf van Saint-Leu om dezen te Gratz te bezoeken, bleef er nagenoeg een jaar, en corrigeerde er, tot zijn verdriet, de proeven van Lodewijks zouteloozen roman _Marie ou les Peines de l'Amour_. Toen hij naar huis begon te verlangen verdacht de ex-koning hem dat hij toch zijn hof zou gaan maken bij de Franschen, zoodat de vrienden in onmin scheidden. Het tweede halfjaar van 1812 en het grootste gedeelte van 1813 verbleef Capellen weer te Maarsen, maar toen hij bemerkte door de politie op last van de Celles te worden gesurveilleerd, nam hij het besluit het land voorgoed vaarwel te zeggen en ging met zijne vrouw te Mannheim wonen (Sept. 1813)[470]. Op het bericht der omwenteling keerde hij naar Holland terug, waar hij midden December aankwam.
[468] Grovestins, _Notice_ 418.
[469] _Ged._ VI, 110.
[470] Vgl. over de Hollanders aldaar en elders aan den Rijn Falck's _Gedenkschriften_, 67 en 335.
* * * * *
_Alleen door den invloed van Falck_ (hiervóór, bl. 210).--Neen, ook van Capellens zwager van der Duyn[471].
[471] Falck's _Gedenkschriften_, 126.--»M. van der Duyn me présenta au Prince" (_Notice_, 428).
* * * * *
_Eene gemengde commissie_ (hiervóór, bl. 212).--Daarvan spreekt inderdaad Castlereagh in zijn brief van 16 Mei: »a commission to prepare for the approbation of the Sovereigns a project[472] for the reunion of the Belgic Provinces with Holland; this commission may be assembled according to mutual convenience either at Brussels or the Hague, and should consist of an equal number of Dutch and Belgian members; possibly three of each might be sufficient".--Clancarty daarentegen in zijn stuk van den 25sten zegt: »Si ces principes [de door hem uit van Nagell's stuk getrokken, bekende principes van den Vorst] paraissent fondés, on pense qu'il serait convenable de transmettre au gouverneur général de la Belgique [Vincent] les articles qui en résultent, et dont la rédaction ne peut pas avoir de grandes difficultés. Le gouverneur devra les communiquer _à ceux des notables de ce pays_[473] qu'il trouvera bon de choisir, et dans la vue d'obtenir leur adhésion qui, dans l'opinion du gouverneur général lui-même, n'est pas douteuse". Het is tegen dezen voorslag dat de Vorst bij zijn hiervóór, bl. 233 aangehaalde woorden van 30 Mei opkomt.
[472] In _Ontstaan_ II, 16 is voor »project" verkeerdelijk gedrukt »subject".
[473] Ik cursiveer.
De dépêche van Vincent aan Metternich, waarop Clancarty zijne verzekering grondt dat de aanneming in België volgens Vincent zelven niet twijfelachtig is, indien hij maar de notabelen mag kiezen, geeft inderdaad tot die verzekering geen recht; eer het tegendeel. Vincent toch schrijft letterlijk het volgende (21 Mei): »J'avouerai à V. A. qu'il m'eût paru préférable qui la réunion fût prononcée et définie par les plénipotentiaires des alliés plutôt que préparée par le concours des deux nations. Vingt-cinq années d'exagération et de fausse direction dans les esprits ont remué trop de passions pour qu'il ne soit pas plus facile de commander d'en haut l'accord des volontés que de le faire sortir de tout concours de représentans. En partant de cette persuasion je regarderais du moins comme un devoir de hâter cette mesure transitoire, en désignant (s'il en est question) tout de suite et directement les personnes, pour ne pas s'exposer à des inconvéniens trop graves en faisant un appel dangereux à des délibérations tumultueuses."[474]--7 Juni schrijft hij: »En considérant la disposition générale de esprits, qui n'est que trop contraire à la Hollande, soite par un suite de l'esprit de parti constitutionnaire[475] réveillé par la réaction contre la France, soit par une exubérance des prétentions nationales de la Belgique, il me devient de plus en plus évident que les clauses de la réunion des deux pays doivent être décidées d'autorité et de la part des hautes puissances. Il importe que les clauses portant garantie en faveur des Belges de leur sûreté, de leur religion et de leur commerce, soient toutes définies dans la transaction qui transmettra la souveraineté au Prince d'Orange, car si l'on permet de s'établir une délibération, on peut être assuré que le nouvel état _n'aura ni l'unité_[476] ni la force nécessaire pour exclure les machinations françaises, et qu'ainsi le but que les hautes puissances alliées ont en vue sera contrarié par les prétentions d'isolement et de provincialisme des Belges[477]."
[474] _Ged._ VII, 335.
[475] Zoo noemt Vincent de voorkeur voor de oude constitutie, die hij opmerkt bij de aanzienlijken waar hij meest mede omging. Maar ook de talrijke Franschen en Franschgezinden in België waren tegen de vereeniging.
[476] Ik cursiveer.--Vgl. het antwoord van van Hogendorp aan Röell, toen deze hem de afzonderlijke huishouding onder één hoofd aanbeval: »het doel der vereeniging, kracht en sterkte voor den nieuwen staat, kan niet bereikt worden dan door éénheid" (_Ontstaan_ II, 8).
[477] _Ged._ VII, 337.
* * * * *
_Het bezwaar_ (_Bernadotte_) (hiervóór, bl. 214).--Niet juist; het bezwaar was de Russische schuld, tegen de overname waarvan Lord Liverpool tot in Juni bezwaar maakte.
* * * * *
_Ik gis_ (hiervóór, bl. 215).--Juist, maar het is maar één der redenen. Pruisen zou niets geteekend hebben vóór de grens vaststond; Rusland niets, eer het zijn tractaat van schuldoverdracht in den zak had. Trouwens »les arrangemens qui doivent compléter les dispositions du présent traité", waaronder de oprichting van het koninkrijk der Nederlanden stellig behoorde, waren uitdrukkelijk bij art. 32 van het tractaat van Parijs aan het congres van Weenen voorbehouden. De vaststelling der acht artikelen te Londen beantwoordde aan het eerste _geheim_ artikel van het Parijsche tractaat: »Les dispositions à faire des territoires auxquels Sa Majesté très chrétienne renonce seront réglées au congrès, _sur les bases arrêtées par les puissances alliées entre elles_."
* * * * *
_Terwijl Pruisen_ (hiervóór, bl. 216).--Bij conventie tusschen de geallieerden (Bazel, 12 Jan. 1814) was nl. het voorloopig bestuur der landen tot de Maas aan Pruisen toevertrouwd, dat daartoe een gouvernement-generaal vormde te Aken. In plaatsen als Maastricht en Venlo kwam dit gouvernement-generaal in botsing met de commissarissen van den Souvereinen Vorst, die in last hadden onmiddellijk weder bezit te nemen van alles wat eenmaal tot de Vereenigde Nederlanden behoord had[478].
[478] Vgl. von Geusau in _Publications de Limbourg_ XXXVI, 233 vv.
VII.
DE TERUGGAAF DER KOLONIËN.
(Tractaat van 13 Augustus 1814).