De Wedergeboorte van Nederland

Part 22

Chapter 223,603 wordsPublic domain

Immers niet alleen de souvereinen van Rusland en Pruisen, maar ook de eerste ministers der drie Oostersche mogendheden, Nesselrode, Metternich en Hardenberg, hadden, evenals Castlereagh, in 't begin van Juni Parijs verlaten, en waren naar Engeland overgestoken. Daar was de zaak der vereeniging het onderwerp van het bekende protocol van 21 Juni 1814[395]. Het bezwaar, dat in Maart 1814 waarschijnlijk in den weg had gestaan, om den Souvereinen Vorst het bestuur over België te geven, was weggenomen. Reeds vóór den vrede van Parijs, in 't laatst van April 1814, had het oppercommando van Bernadotte opgehouden en was hij met zijne Zweedsche troepen afgetrokken. Doch ook nu was België nog niet van zijne bevrijders bevrijd. De Pruisische troepen onder Bülow waren na Napoleon's val weder in België teruggekomen, en behandelden het, zonder zich om het gezag van Vincent te bekommeren, geheel en al als een veroverd land[396]. Nu echter ook dezen in de maand Juni waren weggetrokken, stond niets meer in den weg om het bestuur van den Oostenrijkschen Gouverneur-Generaal te doen overgaan op den Souvereinen Vorst. Hiertoe strekte het protocol van 21 Juni 1814. Bij dit protocol verklaarden de geallieerden, met het oog op de vestiging van het Europeesch evenwicht en krachtens hun recht van verovering, tot de vereeniging van België met Holland te besluiten. Zij hoopten tevens door eene volkomene samensmelting van Noord en Zuid het welzijn van beiden te bevorderen, en meenden het middel daartoe te vinden, door als grondslag te nemen de acht bovenvermelde voorwaarden. Dat zij van onze zijde waren in de pen gegeven, werd niet gezegd. Het protocol hield integendeel in dat zij waren ontworpen door Lord Clancarty en goedgekeurd door den Souvereinen Vorst. Zoodra nu deze zoude hebben voldaan aan de uitnoodiging om deze acht voorwaarden ook formeel te bekrachtigen, zoude hij een Gouverneur-Generaal kunnen aanstellen, die het bestuur over België uit handen van Vincent zouden kunnen overnemen. Lord Castlereagh, op wiens aandrang ook dit protocol tot stand kwam[397], meende, met dit te doen, zich gedragen te hebben »en bon Hollandais"[398]. Het was er echter ver van af, dat de Souvereine Vorst dit met hem eens was. Hij zoude wel in het bezit van België komen; hij zoude wel een Gouverneur-Generaal kunnen aanstellen; maar het bestuur zoude nog altijd uit naam der geallieerden worden gevoerd. Het optreden als Souverein, de vereeniging met Holland, moesten wachten op de »arrangements", te maken op het Congres te Weenen. Ik gis, dat de reden van dit uitstel voor een deel gelegen was in de onmogelijkheid om nu reeds het grondgebied van het nieuwe rijk te omschrijven. Het stond vast, dat de Souvereine Vorst zoude heerschen tot den linkeroever der Maas; hoever het gebied zich aan de overzijde zoude uitstrekken, dit hing nog in de lucht. Terwijl Pruisen zelfs er bezwaren in vond, het gezag van den Souvereinen Vorst te erkennen over die landen op den rechteroever, welke vóór de Revolutie aan de Vereenigde Nederlanden hadden behoord, moest toch ook Lord Castlereagh, hoewel hij die bedenking niet deelde, inzien, dat de beschikking over al het andere in verband stond met de regeling der Europeesche aangelegenheden op het Congres van Weenen, en dat men tot zoolang zich tevreden moest stellen met het feitelijk bestuur. Behalve dit punt was er nog één, dat de definitieve afsluiting der zaak in den weg stond. Op het Congres van Weenen zoude volgens het protocol, onder bemiddeling van Engeland, onderhandeld worden over de vorderingen der geallieerden ten laste van Holland en België. Wat bedoelt men hiermede? vroeg de Souvereine Vorst. En zoo werd hij eindelijk tot zijne groote teleurstelling gewaar, dat Rusland van deze gelegenheid wenschte gebruik te maken, om althans voor een deel van zijne Hollandsche schuld bevrijd te worden[399]. Een en ander deden den Souverein aarzelen, tot dit protocol toe te treden. Doch uit den aard der zaak moest toch berusting het einde zijn; van 's Vorsten aanneming zeker, kon Lord Clancarty, bij nota van 20 Juli 1814[400], het protocol officieel aan 's Vorsten Minister van Buitenlandsche Zaken aanbieden, waarop dan den volgenden dag de _Acte_ volgde, waarbij die Minister, onder vermelding der acht voorwaarden, de Souvereiniteit over de Belgische provinciën uit naam van zijnen meester aannam[401]. Tot die berusting heeft voorzeker nog eene andere omstandigheid het hare bijgedragen: terwijl de vereeniging met België te Londen een punt van bespreking uitmaakte, werd tevens tusschen Engeland en ons aldaar onderhandeld over de teruggaaf der koloniën. Ook deze onderhandeling stuitte--zooals wij later hopen uiteen te zetten--bij den Souvereinen Vorst op bezwaren. Dit alles zette kwaad bloed bij de Engelsche regeering, zoodat wij gevaar liepen, dat ook de koloniale kwestie, in plaats van tusschen Engeland en ons beslist te worden, verwezen zou worden naar het Congres van Weenen. De Souvereine Vorst begreep ten slotte het bij zijnen machtigen beschermer niet te moeten verkerven.

[395] _Ontstaan_ II, 32.

[396] _Ged._ VII, 136, 147, 153.--Reeds 10 Mei 1814 schrijft Capellen aan van Nagell: »Les Prussiens à ce que j'ai pu remarquer, sont ceux qu'on craint le plus ici et qui se sont le plus mal conduits".

[397] Castlereagh aan Clancarty, 26 Juni 1814 (_Ged._ VII, 153): »I have prevailed upon the Ministers of the Powers to give him forthwith the provisional administration of Belgium".

[398] Hendrik Fagel aan van Nagell, 23 Juni 1814.

[399] Op het Congres van Weenen heeft dan ook de Souvereine Vorst een deel dier schuld ten laste van Nederland moeten nemen.

[400] _Ontstaan_ II, 44.

[401] _Ontstaan_ II, 46.

Er verliepen slechts weinige dagen tusschen 21 Juli 1814 en de inbezitneming van België door den Souvereinen Vorst. Bij proclamatie, gedagteekend 31 Juli, nam de baron Vincent afscheid van de Belgen: de Souvereine Vorst trad op met eene in 't Hollandsch en Fransch gestelde publicatie, de dagteekening dragende van den volgenden dag. Beide stukken werden geplaatst in het Belgische _Journal officiel_[402]. In overleg met zijne raadslieden en volgens den wensch der Engelsche regeering, was de Vorst zelf naar Brussel getogen, om het bestuur te organiseeren. Deze organisatie volgde bij besluit van 14 Augustus 1814[403]. Wij missen bij die organisatie, zonder dat de reden daarvan bekend is, de benoeming van een Gouverneur-Generaal, zooals volgens het protocol van 21 Juni 1814 had moeten geschieden. De Souvereine Vorst behield het bestuur in zijne eigene handen, en liet het uitoefenen door ministerieele departementen, een Geheimen Raad en een Secretaris van Staat. Het zoude ons te ver leiden, zoo wij ons in dit alles wilden verdiepen: alleen zij opgemerkt, dat de betrekking van Secretaris van Staat werd opgedragen aan Capellen, die, zoo men een Hollander wilde, hiervoor op dat oogenblik de aangewezen persoon was, en die in den eersten tijd[404] voor België bij den Souvereinen Vorst eene wellicht nog invloedrijker positie innam dan zijn vriend Falck ten opzichte van het Noorden.

[402] 1814, I, no. 244. no. 245.

[403] _Journal officiel_, 1814, I, no. 250.

[404] Capellen, »dien", zooals Falck zeide (brief aan Elout van 9 Sept. 1814, _Brieven_ no. 106) »de Brabanders kennen en eerbiedigen", werd in Oct. 1814 uit Brussel teruggeroepen, om zich voor te bereiden voor het Gouverneur-Generaalschap van Nederlandsch-Indië. Hij trad echter na de terugkomst van Napoleon uit Elba, in 't voorjaar van 1815, weder tijdelijk als Secretaris van Staat voor het Zuiden op en bleef dit totdat in Augustus 1815 Falck ook voor België zijne plaats innam.

Het was niet alles gekomen, zooals de Souvereine Vorst gewenscht en verwacht had. Hij moest zich nog geruimen tijd, tot in het voorjaar van 1815, dien voorloopigen toestand laten welgevallen, en zich er van spenen, om als Souverein over België op te treden en dit land met Holland te vereenigen. Ook op een ander punt werd hij teleurgesteld. In de maand Juni 1814 was het huwelijk tusschen Prinses Charlotte met onzen Erfprins afgesprongen[405]. Die teleurstelling was echter te boven te komen, mits het voor Engeland slechts geene reden werd, zich minder voor ons in de bres te stellen dan het dit tot dusver gedaan had. Hiervoor nu scheen vooreerst geen gevaar te bestaan. De Souvereine Vorst kon zich blijven vleien met de hoop, dat op het Congres van Weenen al zijne wenschen zouden worden vervuld; dat hij zijnen oudsten zoon niet alleen de regeering zoude kunnen nalaten over een aanzienlijk rijk, maar dat ook voor den tweeden zoon als regent over de Nassausche erflanden een positie zoude zijn geschapen[406]. En ééne zaak was op dat oogenblik reeds zoo goed als zeker. Wat schreef de gezant Hendrik Fagel den 29sten Juli 1814 aan zijnen meester? Dat de Prins-Regent nu voor het eerst hem gezegd had, hoe de vereeniging met België de aanneming van den koningstitel noodzakelijk maakte, en dat de titel van Koning der Nederlanden daarvoor de meest eigenaardige was, terwijl de erfgenaam der kroon Prins van Oranje zoude kunnen genoemd worden[407]. De luister van het koningschap zoude dus afstralen op den Souvereinen Vorst en zijn geslacht. Er was dus veel, dat den Souvereinen Vorst tot tevredenheid en dankbaarheid moest stemmen, hem met vertrouwen de toekomst moest doen tegemoet zien. En de vraag die ons, met de uitkomsten der latere jaren bekend, op de lippen komt, zal hem niet hebben verontrust; de vraag: zoude die koningskroon ook eene doornenkroon blijken te zijn?

[405] _Ged._ VII, 149.

[406] Den 4den April 1814, dus kort na de afspraken te Chaumont, had de oudste zoon van den Souvereinen Vorst ten behoeve van zijnen broeder afstand gedaan van zijn recht van erfopvolging in de Nassausche erflanden. Ik herinner dat door den afstand dezer landen aan Pruisen bij de onderhandelingen van het Weener Congres de wensch van den Souvereinen Vorst niet is vervuld en prins Frederik voor de verijdeling zijner hoop schadeloos is gesteld door de hem bij de wet van 25 Mei 1816 (_Staatsblad_ no. 25) toegekende domeingoederen.

[407] Men vergelijke de proclamatie van Willem I van 16 Maart 1815 (_Staatsblad_ no. 27), waarbij dit denkbeeld is gevolgd.

* * * * *

_Nassausche erflanden_ (hiervóór, bl. 195). Zij werden in December 1813 door H. von Gagern voor den Vorst in bezit genomen; zie Schliephake-Menzel, _Geschichte von Nassau_ VII, 762. De Prins had reeds in 1813 aan Hardenberg en Metternich verzocht, dat hij bij het herstel der zaken in Duitschland wederom als hoofd van het gansche huis Nassau zou worden erkend.[408] Hoezeer hij ook op die waardigheid gesteld was, hij is niet vreemd geweest aan het denkbeeld, de Nassausche erflanden tegen ander gebied te ruilen. Wij hebben gezien[409], dat hij het geheele gebied tusschen Maas, Moezel en Rijn hoopte te verkrijgen. In dat geval gaf de verwerving van een gebied op den rechter Rijnoever, doch meer stroomafwaarts gelegen, veel beter afronding dan het bezit der Nassausche erflanden. Kon hij dus het hertogdom Berg verkrijgen, hij zou van Nassau afstand hebben willen doen.[410] Daar echter bleek dat Pruisen dit gebied voor zich verlangde, hield hij later weer te krampachtiger aan Nassau vast, ook om een brug te hebben voor het verkeer met de landen waaruit hij Duitsche huurtroepen voor Nederland hoopte te trekken, en was zeer ontsticht toen zijn erflanden hem toch nog ontgingen. Pruisen, dat er te Weenen de beschikking over kreeg, behield Siegen, maar stond Dillenburg, Dietz en Hadamar aan Nassau-Weilburg af, in ruil voor de door dat huis bezeten landen tusschen Lahn en Sieg.

[408] _Ged._ VI, 1870-'71.

[409] Hiervóór, bl. 30.

* * * * *

_De vereeniging te Amsterdam impopulair_ (hiervóór, bl. 197). Zie het stuk van den Amsterdammer Röell in Ontstaan II, 5, doch tevens zijne aanteekening aldaar, bl. LXXXV, waar hij erkennen moet, »dat dezelve in de toenmalige Vereenigde Nederlanden over het algemeen geene afkeuring vond. Het innemend denkbeeld eener vergrooting van grondgebied en eener gelijke draging der publieke schuld konde niet missen de gemoederen der menigte weg te sleepen."--»De Hollanders", schrijft Falck, »konden den Souverein hunner keuze niet anders dan gaarne zien klimmen in aanzien en waardigheid. Hoe meer invloed en magt hem verschaft werd naar buiten, hoe grooter bescherming zij verwachten mogten voor hunne veelzijdige belangen."[411]

[410] Heinrich von Gagern, _Leben des Generals Friedrich von Gagern_ I, 137.

[411] Falck's _Gedenkschriften_, 142.

* * * * *

_Memorie van van Hogendorp_ (hiervóór, bl. 197). Deze was meer een algemeen stuk dat gezonden werd omdat het sedert 1812 gereed lag en de steller er zooals begrijpelijk was groote waarde aan hechtte. Bijzonder actueel was zij niet, immers het overleg met de Engelsche regeering over de zaken, daarin behandeld, was door den Prins vóór zijn vertrek uit Londen reeds met Castlereagh geopend. Het werkelijke »richtsnoer" voor de voortzetting van dat overleg was niet het stuk van van Hogendorp, maar een memorandum van 26 Dec. geheel door den Vorst gesteld en aan Fagel ter overlegging aan Castlereagh toegezonden: »La réunion de la rive gauche du Rhin jusques à la Moselle, ainsi que celle des Pays-Bas, y compris Luxembourg, peut seule donner aux Provinces-Unies, considérées comme le boulevard de l'Europe contre la France, la consistance nécessaire."[412]

[412] _Ged._ VII, 19.

Nauwelijks Souverein Vorst geworden, vroeg de Prins reeds of hij door zijn zendelingen België mocht doen bewerken[413]. De Engelsche regeering ontraadde dit: in ieder geval moesten eerst de bondgenooten worden gehoord. Den 26sten December had de ministerraad plaats, waar Castlereagh's instructie voor zijne reis naar het vasteland werd vastgesteld. Men bepaalde, dat hij voor Holland zou vragen een barrière voor het minst omvattende Antwerpen, Maastricht en Gulik, met een »behoorlijke" uitbreiding van grondgebied buiten de grenzen van 1792; dat men de Kaap zou houden, maar »daarvoor" Holland 2 millioen sterling zou bieden om die barrière te versterken; dat men onderzoeken zou of Oostenrijk oogmerken had op de rest van België; dat de Souvereine Vorst vooralsnog zijn handen van België af moest houden[414]. Castlereagh nam zijn weg over den Haag, waar de Vorst hem met een herhaling van zijn vroegere aanspraken opwachtte. Er kwamen uit België, meende de Vorst, reeds gunstige stemmen; zelfs waren twee Gentenaars, de »propriétaire" Huyttens en de katoenspinner Bauwens, in den Haag geweest om zich hem aan te bieden. Hij moest vooral de koopers van geestelijk goed in hun bezit handhaven, hadden zij gezegd, de nijverheid beschermen en het midden houden tusschen de uiterste clericale factie en de verklaarde Franschgezinden[415]. Castlereagh liet den Vorst beloven dat hij zijn administratie vooralsnog tot het grondgebied der oude Republiek zou beperken, en lichtte hem in van het voornemen omtrent de Kaap, zonder nog eenige som te noemen.[416]

[413] Clancarty aan Castlereagh, 17 Dec. 1813: »whether I saw any objection to the employment of emissaries on the part of the Dutch Government, at Antwerp particularly, and in other parts of the Austrian Netherlands, for the purpose of inducing the inhabitants to declare for the Government of H. R. H. the Prince of Orange" (_Ged._ VII, 11).

[414] »Should Austria propose the settlement of the Archduke Charles in the Netherlands, the proposition to be favourably received. By connecting a considerable part of the German territory on the left bank of the Rhine with Brabant etc., an intermediary Power of considerable importance might be created, and one which supported by Austria would form a most important barrier both for Holland and Germany. The Prince of Orange to be discouraged from any attempt to extend Holland on the side of the Netherlands beyond its ancient limits, without the express consent of the Allies" (_Ged._ VII, 17). Er is dus thans nog een geweldig verschil tusschen Castlereagh en den Souvereinen Vorst: de eerste denkt zich een »intermediary Power" tusschen Holland en Frankrijk en bestemt ook den linker Rijnoever voor dezen staat; de Vorst wil èn België èn den linker Rijnoever voor zich.

[415] _Br. en Ged._ V, 52, 208; het antwoord van den Vorst aldaar, 480. Vgl. ook Fauchille, _Une chouannerie flamande_ (Paris 1905), 122 vv. Huyttens was de ondernemer der stadsverlichting te Gent.

[416] »I had the satisfaction of finding that, without specifying any sum, the nature of the arrangement intended with respect to the Cape is likely to prove very satisfactory; the idea of obtaining a barrier without funds to render it effectual to its purpose, has long been an object of anxiety" (Castlereagh aan Liverpool 8 Jan 1814; _Ged._ VII, 25).

Toen de Britsche minister bij de bondgenooten te Bazel kwam, bleek onmiddellijk dat Oostenrijk aan Venetië boven België de voorkeur gaf, en ook geen aanspraken maakte ten behoeve van aartshertog Karel. In deze omstandigheden had Castlereagh geen bezwaar geheel België tot de Maas aan Holland te hechten, maar nu Oostenrijk zich terugtrok wenschte hij voor het minst de andere groote militaire Duitsche mogendheid, Pruisen, nevens het vergroote Holland in eerste linie tegen Frankrijk te stellen. Derhalve wenschte hij Pruisen zoo ver mogelijk zuidwaarts uit te breiden op den linker Rijnoever, en aan deze macht de beide vestingen Luxemburg en Mainz toe te vertrouwen, waartegen het dan lager af op den linker Rijnoever eenig gebied aan Holland kon laten, welks nieuwe grens dan zou samenvallen met de grens van België tegen Frankrijk van 1792 van de zee tot de Maas, en voorts zou insluiten de steden Namen, Luik, Maastricht, Gulik en Keulen, om vervolgens den Rijn te volgen tot de oude grenzen der Republiek[417]. »I should not wish to say that this projet was actually _countenanced_, but it did not seem to alarm.... I was induced to throw out the idea of thus bringing forward Prussia, as I recollect it was a favorite scheme of Mr. Pitt. By this arrangement Holland would not be _enclavé_ in Prussia, but stand in joint frontier with her against France. I doubt much the policy of making Holland a power of the first order, to which she would approach if she possessed the whole of these territories (tot aan de Moezel)".[418]

[417] Het was in de onderstelling dat deze grens zou worden verkregen, dat de Vorst, tot beter afronding, Nassau zou willen ruilen tegen Berg.

[418] Castlereagh aan Liverpool, 22 Jan. 1814 (_Ged._ VII, 33).

Den 27sten Januari vroeg Castlereagh, of de Souvereine Vorst van dit hem door Engeland toegedachte gebied, voor zoover het bewesten de Maas viel, de voorloopige administratie hebben mocht, en of zijn gezant van Spaen in de centrale commissie tot het bestuur der op Frankrijk heroverde landen kon worden toegelaten; hij stelde deze vraag »referring to the earnest desire expressed on the part of his court that Holland may receive on the side of the Low Countries at a general peace a suitable accession to its military frontier and territorial resources."[419] Oostenrijk maakte geen bezwaar;[420] Pruisen bewilligde, na eenig dralen, alleen in de toelating van van Spaen;[421] Rusland antwoordde niet. Desniettemin had Castlereagh, onmiddellijk na het ontvangen van Oostenrijks toestemmend antwoord en in de verwachting, door gesprekken met Hardenberg en Nesselrode opgewekt, dat Pruisen en Rusland spoedig volgen zouden, reeds verlof gegeven dat de Souvereine Vorst aanving, België tot de Maas »op een bedaarde manier" in zijn voordeel te bewerken.[422]

[419] Castlereagh aan Metternich, Nesselrode en Hardenberg, 27 Jan. 1814 (_Ged._ VII, 39).

[420] Metternich aan Castlereagh, 1 Febr. 1814 (_Ged._ VII, 39).

[421] Hardenberg aan Castlereagh, 12 Febr. 1814 (_Ged._ VII, 60). Pruisen heeft blijkbaar den loop der krijgsverrichtingen in België afgewacht, en gaf dit antwoord op het oogenblik dat zijne troepen te Brussel stonden en daar reeds een voorloopig bestuur hadden ingericht.

[422] »With respect to political connection, altho' no adjudication of new territory can take place till a Peace, I see no reason why the Prince of Orange should not by emissaries or other means quietly encourage the people of the Low Countries to look to him as their future Sovereign. As far as the Meuse I think he is quite safe" (Castlereagh aan Clancarty, 1 Febr. 1814; _Ged._ VII, 38).

Hij was er sinds lang mee bezig. Een zijner jonge diplomaten, Hugo van Zuylen van Nyevelt, was in het gevolg der troepen van Bülow de grens overgegaan, en trachtte overal betrekkingen aan te knoopen. Hij verspreidde blaadjes, op twee kolommen in het Hollandsch en Fransch gedrukt, waarbij het volk tot den opstand werd aangezet om zich vervolgens met het Noorden te vereenigen.[423] Een sedert eenige jaren te Brussel wonend Hollander, A. graaf van Bylandt-Palstercamp, schreef een brochure van dezelfde strekking.[424] Toen Bülow en de hertog van Saksen-Weimar den 8sten Februari Brussel binnentrokken, waren de hertog van Clarence en prins Frederik, de tweede zoon van den Souvereinen Vorst, aan hunne zijde. De stad onthaalde de bevrijders in den schouwburg; een der loges was versierd voor de generaals. Toen na een oogenblik Bülow en de hertog van Weimar vertrokken waren, verschenen de hertog van Clarence en prins Frederik; het orkest speelde »God save the King". De hertog van Clarence dook in de loge terug, en liet prins Frederik de ovatie in ontvangst nemen. Het publiek had het zoo niet bedoeld, en had er vrij wat op te zeggen.[425] Lord Clancarty, nog onder den indruk van het vroegere gebod, dat de Souvereine Vorst in België nog niets zou ondernemen, maakte zich ernstig boos. Toen hij vernam dat van Zuylen bezig was een Belgische deputatie bijeen te trommelen die den Vorst haar opwachting zou gaan maken in den Haag, eischte (en verkreeg) hij de terugroeping van dezen agent, en gaf, in tegenwoordigheid van den Vorst, aan van Zuylen's chef, van Hogendorp, harde woorden.[426]

[423] »Que sous Guillaume VI il nous soit réserve de réaliser les vastes projets du premier Guillaume. Surtout ne laissons pas à des négociations de paix, toujours incertaines, le soin de fixer notre sort" (een van van Zuylen's blaadjes, gevoegd bij Clancarty aan Castlereagh, 5 Febr. 1814, _Ged._ VII, 43).

[424] _Br. en Ged._ V, 84; overzicht van den inhoud bij Hijmans, _Hist. de la Belgique_ I, 53, 71.

[425] »Les bons Bruxellois croyaient fêter l'Angleterre, et ne pensaient nullement complimenter le jeune Prince d'Orange. Cette scène a fait une fâcheuse sensation" (brief uit Brussel aan Nesselrode, 8 Febr. 1814, door dezen overgelegd aan Castlereagh 17 Febr. _Ged._ VII, 65). Vgl. Feltz aan Metternich 11 Febr. 1814 (_Ged._ VII, 327).