De Wedergeboorte van Nederland
Part 21
[375] Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 1 Febr. 1814 (_Ged._ VII, 38);--Lord Clancarty aan Lord Castlereagh, 18 Febr. 1814 (_Ged._ VII, 61).
[376] »I have not said a syllable here of the Russian debt" (Lord Clancarty aan Lord Castlereagh, 22 Maart 1814, _Ged._ VII, 96).
[377] Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 27 Febr, 1814 (_Ged._ VII, 67).--Lord Clancarty aan Lord Castlereagh, 7 Maart 1814 (_Ged._ VII, 80).--Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 14 Maart 1814 (_Ged._ VII, 90).--Lord Clancarty aan Lord Castlereagh, 22 Maart 1814 (_Ged._ VII, 95).
Wat was er met België gebeurd, sedert de geallieerden over den Rijn waren getrokken? België was niet opgestaan. Wanneer het dit ook al gewild had, zoude België er dan de kracht toe hebben bezeten? Terwijl ons vaderland op den aantocht der geallieerden langzamerhand van Fransche legerbenden ontbloot werd, bleef België geheel in de macht des Keizers. België werd dan ook in letterlijken zin door de geallieerden veroverd. Het waren de corpsen van het leger van het noorden, onder Wintzingerode, Bülow en den regeerenden Hertog van Saxen-Weimar, die deze taak vervulden. Den 8sten Februari 1814 werd Brussel bezet. Spoedig daarop was het grootste gedeelte van België niet meer in de handen van Frankrijk. Het bestuur werd geplaatst in handen van twee Commissarissen-Generaal der geallieerden, Graaf van Lottum en Delius, terwijl onder hen een Belg, de Hertog de Beaufort, tot Gouverneur-Generaal werd aangesteld[378]. De geallieerden traden echter oorspronkelijk als bevrijders en niet als overwinnaars op. En zoo laat het zich verklaren, dat de Belgen werden uitgenoodigd, hunne wenschen betrekkelijk de toekomst van hun land bekend te maken in het hoofdkwartier. Vijf en twintig aanzienlijke Belgen waren den 12den Februari 1814 opgeroepen eene deputatie te dien einde te verkiezen. De keuze viel op den Hertog van Beaufort, den Markies d'Assche en den Markies de Chasteler; zij zouden worden bijgestaan door den Pensionaris der Staten van Brabant vóór de Revolutie, de Jonghe[379]. Zij muntten, om de taal van de Engelsche diplomatie dier dagen te gebruiken, allen uit door de zuiverheid hunner staatkundige beginselen; dat is, zij waren voorstanders van het oude regime. De heeren trokken op naar het hoofdkwartier, om de vervulling van België's wenschen te verkrijgen. Wat waren echter die wenschen? Zoodra--wat uit den aard der zaak het geval was--de vereeniging met Frankrijk wegviel, lag het voor de hand, dat, evenals ten onzent het huis van Oranje was teruggekeerd, de aandacht allereerst op het Oostenrijksche Keizershuis gevestigd werd. Niet het minst voorzeker was de terugkeer van dit huis het verlangen van de op dat oogenblik bovendrijvende richting, waartoe de deputatie behoorde[380]. Toen zij in het hoofdkwartier aankwam, was echter de zaak, waarvoor zij op reis was gegaan, reeds beslist; men kon haar mededeelen, dat Oostenrijk zelf België niet terug verlangde; men bracht haar onder het oog, dat het niet aanging, België als afzonderlijk rijk onder een Oostenrijksch prins op zich zelf te laten staan; men kon de deputatie zelve het besluit laten trekken, dat er dus niets anders overbleef dan de oplossing in een grooter geheel, en dat dit zoowel voor de zekerheid van België als voor het belang van Europa geëischt werd[381]. Ik durf niet beslissen, of men der deputatie uitdrukkelijk gezegd heeft, dat tot de vereeniging van al de Nederlandsche gewesten besloten was; toch was die heeren er op gewezen, dat het ten slotte daarop moest uitloopen. Om echter den overgang voor de Belgen te veraangenamen, begreep men, nu het oogenblik voor de optreding van den Souvereinen Vorst nog niet was aangebroken, het bestuur van België te moeten plaatsen in handen van een Gouverneur-Generaal, door den Keizer van Oostenrijk benoemd. Het bestuur over België, eerst in handen van de twee Commissarissen, van Lottum en Delius, was den 23sten Maart 1814 overgegaan op den Baron van Horst, tot Gouverneur-Generaal door de centrale commissie aangesteld[382]. Deze trad echter af den 5den Mei 1814, om plaats te maken voor den Baron de Vincent, Luitenant-Generaal in Oostenrijkschen dienst, door Keizer Frans reeds den 29sten Maart 1814 daarvoor aangewezen[383]. Mocht ook al Hogendorp bevreesd zijn, dat uit die benoeming in België de verkeerde gevolgtrekking kon worden gemaakt, dat Oostenrijk zich toch ten slotte weder met België zouden willen belasten, bij nader inzien moet men er eerder het tegenovergestelde uit afleiden. De Baron de Vincent gaf duidelijk te kennen, dat het niet het oude voor-revolutionair bestuur was, 't welk zijne plaats weder innam, maar dat de Keizer van Oostenrijk slechts uitvoering gaf aan een besluit, door de bondgenooten genomen, zoodat ook België zoude bestuurd blijven in den naam van de geallieerden. Er lag tevens eene vingerwijzing naar de vereeniging met Holland in de omstandigheid, dat niet alleen de bondgenooten elk een Commissaris benoemden bij den Gouverneur-Generaal, maar dat ditzelfde ook toegestaan werd aan den Souvereinen Vorst[384]. Eindelijk nog verdient het opmerking, dat de Baron de Vincent niet alleen het bestuur aanvaardde over België, maar ook over het daarmede in éénen adem genoemde land van Luik.
[378] _Journal officiel du Gouvernement de la Belgique_, 1814, I, no. 9 (15 Febr. 1814).
[379] _Journal officiel_, 1814, I, no. 45.
[380] Engelands agent in België, Johnson, aan Lord Aberdeen, 20 Febr. 1814 (_Ged._ VII, 88); Lord Aberdeen aan Lord Castlereagh, 12 Maart 1814 (ibidem); Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 13 en 14 Maart 1814 (_Ged._ VII, 90).
[381] Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 14 Maart 1814 (_Ged._ VII, 90).
[382] _Journal officiel_, 1814, I. no. 82.
[383] _Journal officiel_, 1814, I, no. 171. Een lang tijdsverloop van 29 Maart tot 5 Mei. Het was toe te schrijven aan de zucht van Baron van Horst om Gouverneur-Generaal te blijven, ten einde door requisitiën uit België te halen wat er uit te halen was. Zie Johnson aan Clancarty, 20 April 1814 (_Ged._ VII, 111); Clancarty aan Castlereagh, 25 April 1814 (_Ged._ VII, 109).
[384] _Journal officiel_, 1814, I, no. 171, 174; Castlereagh aan Clancarty, 14 Maart 1814 (_Ged._ VII, 92); Clancarty aan Castlereagh, 22 Maart 1814 (_Ged._ VII, 96).
Dit was de toestand, toen twee maanden na de inneming van Parijs, den 30sten Mei 1814, het tractaat tusschen Frankrijk en de geallieerden gesloten werd. In art. 6 van het tractaat werd bevestigd, wat tusschen Engeland en zijne bondgenooten vroeger was overeengekomen. Holland, geplaatst onder de souvereiniteit van het huis van Oranje, zoude eene aanwinst van grondgebied erlangen. Met het oog op het voorgenomen huwelijk van den Erfprins met prinses Charlotte, werd tevens bepaald, dat de Souverein van Nederland geene vreemde kroon zoude mogen dragen. Antwerpen zou, volgens art. 15, voortaan alleen _port de commerce_ zijn. Was dit alles? Was alles verder overgelaten aan de nadere regeling, te maken op het Congres, dat, volgens art. 32 van het tractaat, te Weenen zoude bijeenkomen? Geenszins. Men begreep zooveel mogelijk reeds dadelijk den omvang van het nieuwe rijk te moeten bepalen. De landen, gelegen tusschen de zee, de bij het tractaat bepaalde grenzen van Frankrijk en de Maas, zouden ten eeuwige dage met Holland vereenigd worden; alleen over hetgeen tusschen de Maas en den Rijn lag, zoude op het Congres nader worden beslist. Echter werd uitdrukkelijk gezegd, dat de grenzen op den rechter Maasoever geregeld zouden worden naar de militaire behoeften van Holland en zijne naburen, en dat de op Frankrijk heroverde landen op den linker Rijnoever zouden dienen tot vergrooting van Holland en tot compensatie voor Pruisen en andere Duitsche Staten. Men maakte echter bezwaar, dit alles op te nemen in het openbaar te maken tractaat. Daarvoor dienden de geheime artikelen (artt. 3 en 4). Ook de bepaling, dat de Schelde vrij zoude zijn, dat is: dat zij beheerscht zoude worden door het nieuwe recht der Revolutie betrekkelijk de gemeenschappelijke rivieren; ook deze bepaling vond in die geheime artikelen hare plaats. Zoo was dan de vereeniging van België en Holland opgenomen in het Europeesche recht.
De omvang van het nieuwe rijk bleef dus naar de oostzijde onbepaald. Hoever het rijk naar dien kant zoude reiken, werd eerst geregeld in het tractaat, den 31sten Mei 1815 te Weenen tusschen Nederland en de bondgenooten gesloten. Doch de nadere omschrijving van het grondgebied was niet het eenige, wat nog regeling vereischte. Onder welke voorwaarden zoude de vereeniging plaats vinden? De noordelijke en zuidelijke Nederlanden, in de 16e eeuw voor een kort tijdsbestek onder één scepter vereenigd, waren sedert ieder huns weegs gegaan. Zij mochten nog één naam dragen; was er echter anders tusschen beiden veel overeenkomst? Hier Noord-Nederland met zijn eigen taal en letterkunde, met zijn Protestantsch karakter, bovenal op den handel en scheepvaart als de hoofdbronnen zijner welvaart gericht. Ginds België, door taal en zeden aan Frankrijk verwant, Roomsch-Katholiek in zijn godsdienst, in landbouw en fabriekwezen zijn bestaan zoekende. En terwijl Noord-Nederland, onder den invloed van zijn rijk verleden, met eene zekere voornaamheid nederzag op België, dat nog geene rol op het tooneel der wereld had gespeeld, waren de herinneringen, die de handelspolitiek van het noorden, in 't bijzonder de sluiting der Schelde in België hadden achtergelaten, niet geschikt om die vereeniging met Holland, en dat nog wel onder een protestantsch Vorst, met ingenomenheid te beschouwen. En hoewel de tijd er niet naar was, om veel gewicht te hechten aan de wenschen der volken, zoo konden toch de machthebbenden de oogen niet sluiten voor de moeielijkheden, die deze vereeniging in den weg stonden, eene vereeniging, waarbij een grooter volk als aanhangsel aan een kleiner werd toegevoegd. De diplomatie brak zich er het hoofd mede. »Laat", zoo schreef Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, den 16den Mei 1814[385], »laat de Souvereine Vorst eene commissie benoemen, b.v. van drie Hollanders en drie Belgen, om een project voor de vereeniging op te maken, hetwelk aan de goedkeuring van de Souvereinen kan worden onderworpen." Dit denkbeeld lachte echter onze staatslieden niet toe. Men duide hun dit niet ten kwade. Het was vooruit te zien, niet alleen dat langs dezen weg de zaak op de lange baan zoude worden geschoven, maar bovendien, dat wat de Belgen, vooral die van de bovendrijvende richting, wenschten, onmogelijk kon worden ingewilligd. Voor zoover hierover nog twijfel mocht hebben bestaan, de Nederlandsche regeering was door haren commissaris bij den baron de Vincent voldoende op de hoogte gebracht van de stemming in België. Die commissaris was G. A. G. P. baron van der Capellen. In 1778 uit een patriotsch geslacht geboren, zoon van een slachtoffer der gebeurtenissen van 1787, had hij posten bekleed onder de Bataafsche Republiek; als Landdrost van Oost-Friesland en vervolgens als Minister van Binnenlandsche Zaken in dienst van Koning Lodewijk gestaan, ja had hij dezen Vorst na zijnen val te Gratz bezocht, om eerst na de bevrijding in ons vaderland terug te keeren. Wij zien hem dadelijk optreden als Commissaris in het departement der Zuiderzee; kort daarop, na de invoering der Grondwet van 1814, als Secretaris van Staat voor Koophandel en Koloniën. En dit alles niettegenstaande zijne antecedenten en die van zijn geslacht; niettegenstaande de Souvereine Vorst hem nooit gezien had; alleen door den invloed van Falck, die van der Capellen hoogschatte en vereerde[386]. Op dezen man, die bij de organisatie van Oost-Friesland de genegenheid der bevolking aldaar had weten te winnen, was voor deze moeilijke en kiesche zending de keus gevallen[387]. Wanneer men nu de briefwisseling door van der Capellen in Mei 1814 met onzen Minister van Buitenlandsche Zaken, van Nagell tot Ampsen gevoerd, naleest[388], dan springt het in 't oog, welke bezwaren het zoude inhebben, België te verzoenen met de vereeniging. Weg te nemen was de slechte indruk, verwekt doordat de Souverein gepoogd had, het Belgische gepeupel te zijnen gunste te stemmen, en eene beweging voor de vereeniging te doen ontstaan. Had dit hem in der tijd eene berisping van de Engelsche diplomatie berokkend, ook in België had dit eene zeer onaangename stemming teweeggebracht[389]. Maar dit was niet het voorname struikelblok, dat uit den weg geruimd moest worden. Men zoude de Belgen zeer gunstig stemmen, zeide Vincent, wanneer het niet werd de vereeniging van België met Holland, maar van Holland met België. Een verschil in woorden, naar van der Capellen meende; dat echter van gewicht was, omdat van de te kiezen uitdrukking afhing, welk van beide deelen de hoofdzaak, welke het toevoegsel zoude uitmaken. Het tractaat van Parijs besliste, door in art. 6 te spreken van aanwinst van grondgebied voor Holland, dit punt tegen den wensch der Belgen. Eveneens zoude de vraag van de opening der Schelde hare oplossing vinden in dit tractaat. Maar twee punten waren er bovenal, die de gemoederen in België verontrustten; de twee punten, die overal het meeste gewicht in de schaal leggen: het geld en de godsdienst. Terwijl Holland in de vereeniging zoude treden, beladen met een zwaren schuldenlast, was België zoo goed als daarvan bevrijd. Eene samensmelting der schulden, en dus gelijkheid van belastingen in noord en zuid, was een punt van groot bezwaar. Van nog grooter gewicht echter was het stuk van den godsdienst. Vooral op een oogenblik toen uit den aard der zaak de oude denkbeelden den boventoon voerden, denkbeelden die zelfs de goedkeuring hadden verworven van hen, die in naam der geallieerden België bestuurden. In den brief, den 7den Maart 1814 onder uitdrukkelijke goedkeuring van de commissarissen van Lottum en Delius aan de Belgische geestelijkheid gezonden, was met zooveel woorden verklaard, dat de verhouding tusschen den Staat en de Roomsch-Katholieke kerk zoude geregeld worden naar het kanonieke recht en de oude constitutioneele wetten van den lande[390]. De handhaving dezer beginselen was de wensch van allen, die onder den invloed der geestelijkheid stonden. Zoude men hierop kunnen rekenen onder een protestantsch Vorst, wien de Grondwet bovendien in art. 139 het recht had toegekend, toezicht op alle gezindten uit te oefenen? Men maakte zich hierover ongerust, en voorzeker niet ten onrechte. Indien er eenige waarheid is in het vroeger door mij gezegde, was het niet minder onmogelijk, in België de Roomsch-Katholieke kerk als Staatskerk te herstellen, dan in het noorden de Hervormde kerk. Althans zoo er van eene vereeniging tusschen beide landen sprake zoude zijn. Wat zoude bij dergelijke aanspraken het resultaat zijn van eene gemengde uit Belgen en Hollanders te benoemen commissie? Neen, laat ons gaan naar Parijs, zullen de Souvereine Vorst, zijne rechterhand Falck, en zijn beschermer Lord Clancarty tot elkander gezegd hebben; laat ons zien de geallieerden te bewegen, de voorwaarden der vereeniging zelfstandig vast te stellen buiten de Belgen om. En zoo werd even vóór de onderteekening van het tractaat van Parijs tot de reis naar die stad besloten[391]; daar werd men het voorloopig eens over de bekende acht artikelen, waaronder de vereeniging tot stand zou komen. De vereeniging zoude zijn »entière et complète"; het zoude één Staat zijn, onderworpen aan de Hollandsche grondwet, die met onderling overleg zou worden gewijzigd (art. 1). Op het punt van den godsdienst echter werden de liberale beginselen onzer grondwet als onvatbaar voor wijziging verklaard (art. 2). Op het stuk der schuld werd eveneens de knoop doorgehakt; de eenheid zoude ook op dit punt gehuldigd worden (art. 6); eene oplossing, die onzerzijds ook verdedigd kon worden met te verwijzen naar de voordeelen, die België uit den handel en de scheepvaart op onze koloniën zoude kunnen trekken (art. 5), met te wijzen op de kosten die het stichten van nieuwe en het onderhouden der oude vestingen op de grenzen van België zouden veroorzaken (art. 7). Er was echter één voornaam punt, dat men niet durfde te beslissen: ik bedoel het aandeel van beide deelen in de vertegenwoordiging. Uitgaande van het beginsel »eener geheele en volledige vereeniging der beide landen" (art. 1) en van »de constitutioneele gelijkstelling hunner bewoners" (art. 4), had men geen onderscheid moeten maken tusschen Belgen en Hollanders, waar het gold hun recht om vertegenwoordigers te kiezen. Toch deinsden onze staatslieden er voor terug, om aan België, in bevolking talrijker[392], dus een grooter aandeel in de vertegenwoordiging toe te kennen. Men behielp zich met de uitdrukking, dat de Belgische provinciën »convenablement" zouden worden vertegenwoordigd in de Staten-Generaal (art. 3). Dit een en ander zoude de wet zijn, die aan de vereeniging door de Bondgenooten--zooals het heette--zoude worden opgelegd. Want mag men Falck gelooven, dan waren die acht artikelen het voortbrengsel zijner pen; was hij het, die ze de geallieerden deed aannemen[393]. Na dit werk volbracht te hebben, keerde de Souvereine Vorst, in hooge mate voldaan, uit Parijs terug; hij was echter, zeide Lord Clancarty[394], als een jonge bruidegom, die vurig verlangt in het bezit te komen van zijne bruid. Zoude wellicht in Londen hiertoe de toestemming worden gegeven?
[385] _Ontstaan_ II, 16.
[386] Falck aan Fabius, 17 Dec. 1813; aan D. J. van Lennep, 24 Dec. 1813 (_Brieven_, no. 96, 97).
[387] Gagern (_Antheil_ II, 99), beschrijft hem als »verständig, angenehm, kalt, ruhig".
[388] _Ontstaan_ II, 10, 12.
[389] Capellen aan van Nagel, 10 Mei 1814: »L'opinion pour la réunion aurait gagné davantage et serait devenue plus générale, si dans les commencemens on ne s'était pas servi de petits moyens et d'intrigues pour la propager d'une manière à ce que l'on m'assure au-dessous de la dignité d'un gouvernement loyal et libéral comme est celui de mon Souverain". Dit slaat op de zending van H. van Zuylen van Nyevelt naar België in het begin van 1814. Zie hierover Clancarty aan Castlereagh 8, 11, 12 Februari en 1 Maart 1814 (_Ged._ VII, 52, 56, 57, 74). Den 23sten April 1814 schrijft Johnson, Engelands commissaris in België, aan Lord Clancarty: »I presume the Dutch Government is thinking of sending some commissioner here, but I trust it will not make choice of Mr. Zuylen de Nyevelt, who will find some difficulty in getting rid of the disreputable connexions, he thought it for the interest of his Sovereign to form in this country".
[390] _Journal officiel_, 1814, I, no. 45: »Lettre adressée par le gouvernement provisoire à monsieur l'évêque de Namur et à messieurs les vicaires généraux de différens diocèses de la Belgique."--Ook gedrukt bij Terlinden, _Guillaume Ier et l'Eglise catholique_, I, 10.
[391] De Souvereine Vorst vertrok den 20sten Mei 1814 uit den Haag en keerde den 5den Juni aldaar terug.
[392] Hogendorp (_Bijdragen_ I, 10) stelde de bevolking van België op 3.200.000 zielen.
[393] Falck aan D. J. van Lennep, 16 Aug. 1814 (_Brieven_ no. 105).
[394] Clancarty aan Castlereagh, 7 Juni 1814 (_Ged._ VII, 136).