De Wedergeboorte van Nederland

Part 20

Chapter 203,708 wordsPublic domain

Zooals reeds uit den vorm blijkt is deze aanteekening geenszins uit de _notulen_ van Röell, gelijk de Bosch Kemper _Letterk. Aantt._ 470 verzekert. Zij is een der notities die Röell tusschen 1820 en 1830 opstelde ten behoeve zijner (nimmer voltooide) gedenkschriften.

[345] Vgl. _Ontstaan_ I, 150, waar Röell voor een tweede uitgave van Oldenbarnevelt vreest.

* * * * *

_Eene vergoeding?_ (hiervóór, bl. 168 noot). Nadat de commissie 5 Jan. het ambt van Raadspensionaris uit de _Schets_ geschrapt heeft, komt 26 Jan. van der Duyn, namens den Vorst, Hogendorp vragen of er in de constitutie een post is die hem aanstaat? De Vorst, zegt hij, is van meening dat G. K. »het eerste ambt in den Staat" hebben moet. 28 Jan., nog eer Hogendorp geantwoord heeft, geeft de Vorst het denkbeeld aan de hand, hem te benoemen tot vice-president van den Raad van State, met rang van Secretaris van Staat; 30 Jan. neemt Hogendorp aan. Dit ambt, zegt de Vorst, »zal aan dat van Raadpensionaris subintreeren[346]".

[346] _Br. en Ged._ V, 68, 264, 266, 275.

* * * * *

_Raad van State_ (hiervóór, bl. 169). De Hogendorp steller der gedenkschriften van 1817 en de Hogendorp voorzittende in de commissievergadering van 30 Dec. 1813 spreken elkander lijnrecht tegen. Het artikel der _Schets_ luidt: »De Souvereine Vorst pleegt alle de daden van souvereine waardigheid in den Raad van Staten". Tot toelichting verwijst G. K. in 1817 naar het Engelsche gebruik, dat hij zegt te hebben willen volgen: »in Engeland wordt het advies van den Raad door den President _aan den Koning gebracht_[347] en het besluit des Konings luidt _the King in Council_. Op dezen voet had ik in mijn ontwerp van Grondwet geschreven, dat de Souvereine Vorst zijn gezag uitoefent in den Raad".[348] Duidelijker kan hij niet te kennen geven, dat de Vorst volgens zijn oorspronkelijke opvatting doorgaans niet in den Raad aanwezig zou zijn, integendeel diens adviezen zou thuisgebracht krijgen. Doch dit wordt geschreven op een oogenblik dat G. K. van 's Vorsten aanwezigheid in den Raad ervaring heeft en eene ervaring die hem die aanwezigheid (om het plat maar geheel naar waarheid uit te drukken) naar den duivel doet wenschen[349]. Hij maakt zichzelven nu wijs dat hij die aanwezigheid nimmer als normaal beschouwd heeft, maar dit is met de waarheid in strijd. Den 30sten Dec. 1813 geeft hij, door Röell en van Maanen geïnterpelleerd, woordelijk ten antwoord, »dat wat de vrage aanbelangt, of de Vorst zig in den Raad van Staten zelve zal moeten decideeren, _het ongetwijfeld de intentie geweest is_[350] dat zulks zoude plaats hebben, zonder nochtans daardoor aan den Vorst te willen opleggen, zulks dadelijk na de gehoudene deliberatiën te doen"[351].

[347] Ik cursiveer.

[348] _Br. en Ged._ V, 98.

[349] Zie daarover de aanteekening bij hoofdstuk VIII.

[350] Ik cursiveer.

[351] _Ontstaan_ I, 100.

Een ander punt waarop G. K. zichzelven niet gelijk blijft, is dat hij zich in 1817 ernstig beklaagt, dat de Vorst de diplomatieke zaken niet in den Raad brengt[352], terwijl hij 30 Dec. 1813, »tot opheldering der remarques van Röell en van Maanen", te kennen geeft, »dat onder de bewoordingen _daden van Souvereine waardigheid_ alleenlijk bedoeld worden _daden van wetgeving_, en niet hetgeen tot de executive magt behoort."

[352] _Br. en Ged._ V, 99.

Ter verklaring dezer dubbele tegenspraak moeten wij ons helaas te binnen brengen, dat G. K. de zaken altijd van uit een zeer persoonlijk standpunt beziet, en dat hij zich 30 Dec. nog voorstelde Raadpensionaris te zullen worden, en dus het zwaartepunt der regeering niet in den Raad van State zag liggen, waar hij het wel wenschte toen hij later fungeerde als des Raads vice-president.[353]

[353] Noch ik zelf bij een vorige gelegenheid (_Onze Eeuw_ 1903 I, 767 noot 1), noch Mr. Tellegen Az. op bl. 31 _Overzicht_, hebben de plaats _Br. en Ged._ V, 98 juist begrepen.

Het vijfde artikel der _Schets_, art. 20 der aan den Souvereinen Vorst voorgelegde redactie geworden[354], ontmoette bij dezen een bezwaar waarop hij het eerst verdacht gemaakt werd door een niet-lid der Commissie, Mollerus. De uitdrukking: »_de S. V. pleegt alle de daden van souvereine waardigheid in den Raad van State_," schrijft deze[355] »schijnt mij toe eenige moeilijkheid te bevatten om te definieeren welke daden van souvereine waardigheid zijn, en welke dus in den Raad van State zouden moeten worden gepleegd. B.v. het verheffen in den adelstand is eene daad van souvereiniteit: zal de Vorst die uitoefenen in den Raad van State?" Hij wil de rol van het college teruggebracht zien tot het adviseeren over zaken die de Vorst er brengen wil, waartoe _moeten_ behooren voordrachten van wet. De Vorst draagt nu in de conferentie met de leden der commissie van redactie op 25 Febr. dit artikel voor: »De S. V. pleegt alle daden van Souverein gezag na ingenomen te hebben de gedachten van den Raad van State. Hij alleen besluit, doch geeft kennis van zijn genomen besluit aan den Raad"[356]. Hij gaat dus minder ver dan Mollerus hem geraden had, maar in ieder geval is de Raad nu niet langer de plaats _waar_ de daden van souvereine waardigheid gepleegd worden. Weinig anders dan 's Vorsten artikel luidt dat der Grondwet (32): »de S. V. pleegt alle daden van souvereine waardigheid, na de zaak in overweging te hebben gebragt bij den Raad van State. Hij alleen beslist, en geeft telkens van zijn genomen besluit kennis aan den Raad".

[354] _Ontstaan_ I, 346.

[355] _Ontstaan_ II, bl. CXIII.

[356] _Ontstaan_ II, bl. CXVIII.

Ook zóó bleef het artikel een onding en moest in 1815 in de reeds in 1814 door Mollerus aangegeven richting worden gewijzigd.

* * * * *

_Op het voorbeeld der Schets_ (hiervóór, bl. 170). Dat is te zeggen, pas van de _Schets_ in derde redactie (zie hiervóór, bl. 97).

* * * * *

_Vereenigde Nederlanden_ (hiervóór bl. 171).--Art. 53 _geeft_ niet den naam, maar _noemt_ hem als den bestaanden en algemeen bekenden (zie hiervóór, bl. 71).

* * * * *

_Elout over de Rechterlijke Macht_ (hiervóór bl. 179).--Het is vooral Elout's naam, nog meer dan die van van Maanen, die hier verdient te worden genoemd. Zie zijn uitgewerkt advies ter zake: _Ontstaan_ 1, 512.

VI.

DE VEREENIGING MET BELGIË.

Welk een ommekeer! Welk een ommekeer voor den Vorst, die, uit zijn vaderland verjaagd, had rondgezworven in den vreemde, en die thans, door de wisseling der fortuin, als 't ware met éen slag zich verheven zag tot eene positie, hooger dan ooit door zijne vaderen was ingenomen; hij, die door zijne vroegere landgenooten, thans zijne onderdanen, als een redder werd begroet, op de handen werd gedragen!

Welk een ommekeer voor den Vorst, die zich tevens hersteld zag in het bezit zijner Nassausche erflanden, hem door Napoleon ontnomen bij de oprichting van het Rijnverbond in 1806. De Vorst had voorzeker alle redenen om dankbaar te zijn. Maar de begeerlijkheid wordt niet licht verzadigd--en zoo begeerlijkheid een echt menschelijke karaktertrek is, de Vorst was in dit opzicht voorzeker een mensch. Zijne verbeelding spiegelde hem een nog uitgestrekter rijk voor, een nog grooter getal onderdanen. Een rijk zoo groot, dat voor zijn tweeden zoon de Nassausche erflanden zonder bezwaar als secundo-genituur zouden kunnen worden weggelegd. En wat hij in zijne verbeelding zag, vond steun in de werkelijkheid. De Vorst konde weten, dat reeds in vroegere jaren, bij elke flikkering van hoop op de fnuiking van de heerschzucht des Keizers, op het terugdringen van Frankrijk binnen zijne oude grenzen, de aandacht der mogendheden op België was gevestigd, de vraag was gedaan, wat het lot zoude worden van dat land, te zwak om, met Frankrijk naast zich, op zich zelf te blijven staan. De natuurlijkste oplossing zoude zijn, dat het terugkeerde tot het Oostenrijksche keizershuis, maar zoude dit niet liever vasten voet willen hebben in het aangrenzende Italië, liever dan weder te heerschen over het verwijderde België? Zoo kwam het, dat reeds vroeger, in 1798, in 1805 de vereeniging van Holland en België een onderwerp van bespreking was geweest[357]. Toen nu door den slag van Leipzig de macht van Napoleon gebroken was, moesten uit den aard der zaak dezelfde denkbeelden op den voorgrond treden. Vooral bij Engeland, dat, zoolang Antwerpen eene oorlogshaven was, en die haven in 't bezit was van Frankrijk, zich in zijne veiligheid bedreigd achtte. Mocht geene der groote Duitsche mogendheden in 't bezit van België komen, dan moest het voor een groot deel met Holland worden vereenigd, althans zoover dat Antwerpen tot ons land zoude behooren. Zoo lezen wij in het Memorandum[358], kort na den slag bij Leipzig, nog vóór de bevrijding van ons vaderland, door Engeland voor zijne bondgenooten opgesteld. En zoo is het ook niet vreemd, dat het hoofd van het huis van Oranje, met den inhoud van deze memorie bekend, dien geest bij de Engelsche regeering trachtte te versterken. Terwijl hij zich nog op Engelschen bodem bevond, was hij er op uit, bij Engelands regeering de zienswijze ingang te doen vinden, dat geheel België bij Holland moest worden gevoegd, dat het naar de zijde van den Rijn moest worden vergroot, en zich moest uitstrekken tot aan de Moezel en de oude grens tusschen Frankrijk en de Oostenrijksche Nederlanden[359]. Met de hoop op verwezenlijking dezer denkbeelden, keerde de Vorst naar zijn vaderland terug.

[357] Hiervóór, bl. 13 en 27.

[358] Hiervóór, bl. 28.

[359] Hiervóór, bl. 30.

Wat zoude men in Nederland van die plannen denken? Zouden zij ook moeten worden opgegeven, om Amsterdam te believen? De vereeniging, meende men, was te Amsterdam zeer impopulair, om de vrees voor de mededinging met Antwerpen[360]. Bijaldien de Vorst bezorgd is geweest dat zijn lievelingsdenkbeeld op den tegenzin zijner landgenooten zoude afstuiten, zal hij spoedig zijn gerustgesteld. Immers was niet de man, op wiens gevoelen het in die dagen vooral aankwam, het geheel eens met den Vorst? Had niet Hogendorp reeds in 1812 zich bezig gehouden met de reconstructie van Europa en alstoen in een opstel de redenen ontvouwd, waarom Holland en België met eenige geseculariseerde landen op den linker Rijnoever tot een rijk als voormuur tegen Frankrijk moesten worden vereenigd[361]? Die memorie drukte geheel en al het gevoelen uit van den Souvereinen Vorst. Zij werd den 14den December 1813 naar Londen gezonden, om als richtsnoer te dienen voor Hendrik Fagel, 's Vorsten vertrouwde, nu onzen gezant aldaar; hij moest ze als leiddraad gebruiken bij zijne besprekingen met de Engelsche regeering. Het gold hier, meende Hogendorp, niet alleen ons, maar ook Engelands belang[362], Engeland was daarvan niet moeilijk te overtuigen. De Engelsche regeering, schreef onze gezant kort daarop aan den Souvereinen Vorst[363], wenschte de vereeniging der 17 gewesten: maar de zaak was nog niet rijp genoeg, om zich er positief over te verklaren. Ja reeds vroeger had dezelfde gezant den Souvereinen Vorst berichten van dezelfde strekking over den geest der Oostenrijksche diplomatie kunnen mededeelen[364]. Alles scheen dus samen te loopen, om de vervulling zijner wenschen te verzekeren.

[360] Lord Clancarty aan Lord Castlereagh, 14 Dec. 1813 (_Ged._ VII, 9).

[361] _Br. en Ged._ V, 448.

[362] Hogendorp aan Hendrik Fagel, 14 Dec. 1813 (_G. K. van Hogendorp in 1813_, bl. 31).

[363] Hendrik Fagel aan den Souvereinen Vorst, 22 Dec. 1813.--Dit en het in de volgende noot vermelde stuk, door Tellegen aan de ms.-mémoires van Grovestins ontleend, zullen door mij in _Ged._ VII worden medegedeeld, maar zijn thans nog niet afgedrukt, zoodat ik ze niet met de bladzijde kan aanhalen.

[364] Hendrik Fagel aan den Souvereinen Vorst, 3 Dec. 1813 (bij Grovestins).

Toen de Engelsche Minister van Buitenlandsche Zaken, Lord Castlereagh, in de eerste dagen van 1814, op zijne reis naar het hoofdkwartier der geallieerden, den Haag aandeed, was de vereeniging met België dan ook een onderwerp van bespreking tusschen hem, den Souvereinen Vorst, en den Engelschen gezant bij ons hof, Lord Clancarty. Er was intusschen een plan tot rijpheid gekomen, dat de ingenomenheid der Engelsche regeering met die vereeniging nog meer had versterkt. De vermoedelijke erfgename der Britsche kroon, het eenige kind van den Prins-Regent, Prinses Charlotte, zoude in het huwelijk treden met den oudsten zoon van den Souvereinen Vorst, en door deze echtverbintenis zouden de banden tusschen Engeland en Nederland nog nauwer worden toegehaald. Engeland mocht zich vleien, dat Nederland--om eene latere uitdrukking van den Souvereinen Vorst[365] te gebruiken--de schildwacht van die mogendheid op het vasteland zoude worden. Lord Castlereagh ging dan ook uit de residentie met het vaste voornemen, om, bijaldien het mocht gelukken, Frankrijk tot zijne oude grenzen te beperken, in het hoofdkwartier al zijnen invloed te doen gelden, om al de Nederlanden tot één rijk te vereenigen; een rijk, krachtig genoeg, om als voormuur tegen Frankrijk eene belangrijke plaats in het Europeesche Statenstelsel in te nemen. Want in het hoofdkwartier der geallieerden en niet in den Haag moest die kwestie worden beslist.

[365] S.V. aan Lord Clancarty, 11 Nov. 1814 (_Ged._ VII, 211).

Toen Lord Castlereagh, na eene reis van 8 dagen, den 18den Januari 1814 Bazel bereikte, stonden de kansen voor het welslagen van deze plannen gunstiger dan ooit te voren. Napoleon had in zijnen overmoed het gunstige oogenblik laten voorbijgaan, om door aanneming der voorwaarden, hem in de maand November uit Frankfort aangeboden, aan Frankrijk zijne zoogenaamde natuurlijke grenzen te verzekeren. De tijding van de bevrijding van Holland, uit een militair oogpunt van zoo groot gewicht voor de geallieerden, had het hare gedaan, om dezen berouw te doen gevoelen over de aanbieding dezer voor Napoleon zoo gunstige vredesvoorwaarden. De angst om het oude Frankrijk binnen te trekken, was geweken. Zooals bekend is, was dan ook in de laatste dagen van December 1813 het hoofdleger, het zoogenaamde leger van Bohemen, onder den opperbevelhebber Schwartzenberg, den Boven-Rijn overgetrokken, en was ditzelfde in de eerste dagen van Januari 1814 onder Blücher, door het zoogenaamde leger van Silezië aan den Midden-Rijn geschied. Beide legers zouden, het eerste uit het oosten, het tweede uit het noorden, in de richting van Parijs optrekken.

Het ligt buiten mijn bestek, den veldtocht te schetsen, die in de eerste maanden van 1814 in Frankrijks velden, aan Seine en Marne, met afwisselend geluk gevoerd werd, of mij te verdiepen in den vruchteloozen afloop van het congres van Châtillon (3 Febr.-15 Maart 1814), waardoor Napoleon, had hij zich met Frankrijks oude grenzen tevreden willen stellen, nog den troon had kunnen behouden. Genoeg zij het, ons hier te herinneren, hoe, niettegenstaande het veldheersgenie van Napoleon, in dien veldtocht zoo schitterend geopenbaard, niettegenstaande de weinige eensgezindheid, die er heerschte in het kamp der geallieerden, hij ten slotte voor de overmacht moest bukken, hoe eindelijk den 30sten Maart 1814 Parijs werd ingenomen, en die inneming gevolgd werd door den val des Keizers en door het wederoptreden der Bourbons.

In die dagen van strijd en onderhandelingen werd de vraag beslist, die ons hier bezig houdt. Toen Lord Castlereagh Bazel bereikte, waren de Keizer van Oostenrijk en de Koning van Pruisen met hunne ministers Metternich en Hardenberg nog aldaar, terwijl Keizer Alexander, op dat oogenblik de invloedrijkste der souvereinen, zich reeds met Nesselrode op Frankrijks grondgebied bevond, waar hij eenige dagen later door Lord Castlereagh te Langres werd aangetroffen. De Engelsche minister maakte geen geheim van de bestaande plannen. Men schijnt in Engeland gevreesd te hebben, dat het voorgenomen huwelijk aanstoot zou verwekken; doch die vrees bleek ijdel te zijn, wellicht ook ten gevolge van de verzekering, dat er maatregelen zouden worden genomen, om de vereeniging der beide kronen op één hoofd te beletten[366]. Wat de uitbreiding van Holland betreft, bij nota van 27 Januari 1814[367], aan de Ministers der drie geallieerde mogendheden door Lord Castlereagh ter hand gesteld, werd de wenschelijkheid daarvan aangewezen en tegelijk er op aangedrongen, dat de Souvereine Vorst zoude worden belast met het bestuur over België, althans over een gedeelte daarvan, en dat de heer van Spaen, die als gemachtigde van den Souvereinen Vorst in het hoofdkwartier aanwezig was, zoude worden opgenomen in de centrale commissie voor de administratie der op den vijand heroverde landen[368].

[366] Lord Castlereagh aan den Minister van Oorlog en Koloniën Lord Bathurst, Bazel 22 Januari 1814 (_Castlereagh's Corr._ IX, 181). Dit punt was in den Haag door Hogendorp met Lord Castlereagh besproken: »My attention", schrijft deze den 8sten Januari 1814 aan Engelands eersten minister Lord Liverpool, »was called to this [the succession] by an observation of that Minister [Hogendorp] as to the expediency of making provision for the separation of the two Crowns in the Act, which would shortly be proposed for regulating the succession to the crown of Holland under the new Constitution." (_Ged._ VII, 24). Dit is de aanleiding geweest tot de vaststelling van art. 8 der Grondwet van 1814, waardoor verandering in de troonsopvolging mogelijk werd gemaakt (_Ontstaan_ I, 433; II, 418, 423).

[367] _Ged._ VII, 39.

[368] Onder voorzitterschap van Stein ingesteld den 21sten Oct. 1813.

Lord Castlereagh wenschte die zaak dadelijk in beginsel beslist te zien. Hij, die de bondgenooten, hangende het congres van Châtillon, wist te bewegen, door het tractaat den 1sten Maart 1814 te Chaumont gesloten, de handen nauwer ineen te slaan, en zich, voor het geval Frankrijk de vredesvoorwaarden weigerde, gedurende een tijdvak van twintig jaren ter handhaving van het Europeesch evenwicht te verbinden; hij maakte van diezelfde gelegenheid gebruik, om van de bondgenooten eene verklaring uit te lokken over de vereeniging van Holland met België. Oostenrijk had van den aanvang af geen bezwaar gezien in dit plan. Het bleef aan uitbreiding naar het zuiden boven het verwijderde België de voorkeur geven; het zag bovendien zelf in, dat het belang van Europa het bestaan van België als zelfstandige Staat onder een Oostenrijksch prins onmogelijk maakte. Ook Pruisen had tegen het beginsel der vereeniging geene bezwaren. Zijne bedenkingen betroffen alleen de vraag, of het nieuwe rijk zich nog verder zoude uitstrekken dan de Maas, daar Pruisen zelf waarschijnlijk het grondgebied tusschen Maas en Moezel zoude erlangen, en voor dat geval tevens aanspraak maakte op de landen tusschen den rechteroever van de Maas en den Rijn[369]. De grootste moeilijkheden kwamen echter van de zijde van Rusland. Dit rijk had indertijd door tusschenkomst van het huis Hope in Holland eene leening gesloten van ruim 88 millioen gulden, waarop nog slechts zeer weinig was afgelost. Ruslands financiën waren in een berooiden toestand[370]. Reeds in 1812, nadat de vriendschapsbetrekkingen tusschen Engeland en Rusland weder hersteld waren, had Rusland een vruchtelooze poging bij Engeland gedaan, om door dit rijk die schuld te doen overnemen[371]. De Engelsche regeering was waarlijk nooit karig geweest in het verleenen van subsidiën om zijne bondgenooten in staat te stellen oorlog te voeren: ook in het tractaat van Chaumont zoude Engeland daarvan weder de bewijzen geven; maar voor de overneming van eene bestaande schuld bestonden geene antecedenten. Toch kwam Ruslands minister Nesselrode bij deze gelegenheid er op terug en wilde aan zijne toestemming de voorwaarde verbinden, dat Engeland en Holland de schuld voor hunne rekening zouden nemen. Wat nu te doen? Het zou zijn eene vergoeding voor de opofferingen, door Rusland gedaan. Maar hadden Oostenrijk en Pruisen dan ook niet dezelfde aanspraak op dergelijke vergoeding? En wanneer ook al deze beide mogendheden er geen bezwaar in mochten zien, dat alleen Rusland geldelijke tegemoetkoming ontving, hoe dit voor het Parlement te verdedigen? Van de andere zijde wenschte Lord Castlereagh met den machtigen Keizer aller Russen op een goeden voet te blijven; vooral ook Ruslands geldelijk belang te verbinden aan de vereeniging van België met Holland. Hij voor zich zag er geen groot bezwaar in, dat althans van 2/3 der schuld Engeland en Holland de interest en jaarlijks eene zekere som voor amortisatie zouden betalen. Holland, voor hetwelk men die rijke gewesten zoude hebben veroverd, mocht 1/3 der schuld wel overnemen. Toch deinsde Lord Castlereagh voor eene uitdrukkelijke verbintenis terug; Rusland moest vertrouwen stellen in de mildheid van de Engelsche regeering[372]. En zoo werd eindelijk ook door Rusland het stuk geteekend. Want bij gelegenheid van het verdrag van Chaumont is er ook eene schriftuur opgemaakt over die vereeniging. Lord Castlereagh zelf noemt het eene conventie[373]. Wat er in stond, is niet bekend. Uit hetgeen later is voorgevallen op het Congres van Weenen, blijkt echter, dat men aan België eene grootere uitbreiding wilde geven, dan later heeft plaats gevonden, ja dat Aken en Keulen er bij zouden worden gevoegd[374]. Zoo zoude dan de wensch van den Souvereinen Vorst worden vervuld. Kon Lord Clancarty reeds in Februari 1814 op grond van berichten van Castlereagh ontvangen, den Vorst mededeelen dat hij vrij zeker op België tot aan de Maas konde rekenen[375], zoolang er echter geene uitdrukkelijke verbintenis was aangegaan, had de hoop nog kunnen worden verijdeld. Doch nu was de zaak zoo goed als zeker. En niet alleen België tot aan de Maas, maar zelfs een deel van het grondgebied aan den rechteroever der Maas zoude hem worden toegekend. Ook werd zijne vreugde niet vergald door het gevaar, dat hem wegens de Russische schuld boven het hoofd hing. De Engelsche minister begreep, dat de Souvereine Vorst daarvan vooreerst onkundig moest worden gelaten[376]. Op een ander punt echter werd de Souvereine Vorst teleurgesteld. Zijn gemachtigde werd wel toegelaten in de centrale commissie, maar het bestuur over België of een gedeelte er van werd hem nog niet toevertrouwd. De zaak was deze. Men had de tot het leger van Bernadotte, het zoogenaamde noorderleger, behoorende korpsen van Bülow en Wintzingerode, die over Holland en België de Fransche grenzen waren genaderd, in 't laatst van Februari 1814 onder het opperbevel van Blücher geplaatst, ten einde Napoleon, wiens kansen op dat oogenblik gunstig stonden, met te meer kracht te doen aantasten. Om Bernadotte hierdoor niet te ontstemmen, werd deze uitgenoodigd het oppercommando op zich te nemen van een groot leger in de Nederlanden. Het zou bestaan, behalve uit het overgebleven deel van het noorderleger, uit legercorpsen, door Engeland gevormd of gesubsidieerd, benevens uit Hollandsche corpsen[377]. Met dat aan den Kroonprins van Zweden in België toe te kennen militair gezag was, naar ik gis, bezwaarlijk te rijmen de opdracht van het bestuur aan den Souvereinen Vorst. Er moest dus op eene andere wijze voor het bestuur over België gezorgd worden. Dit noopt ons een blik te slaan op België zelf.

[369] Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, Châtillon 20 Febr. 1814 (_Ged._ VII, 61).

[370] Brief van den gezant Lord Walpole aan Lord Castlereagh, St. Petersburg, 9 Aug. 1814: »The Finances and Interior are in a dreadful state; the exchange falls every post day; yesterday it was below 11 d. the rouble" (_Castlereagh's Corr._ X, 83).

[371] Hiervóór, bl. 27.

[372] Lord Castlereagh aan Lord Liverpool, Chaumont 8 Maart 1814 (_Ged._ VII 85).

[373] _Ged._ VII, 86.

[374] Gagern's _Antheil_ II, bijlage X.