De Wedergeboorte van Nederland

Part 2

Chapter 23,555 wordsPublic domain

Wij keerden dus terug in het bezit van het grondgebied der Vereenigde Nederlanden. Wij zouden niet meer afhankelijk zijn van een buitenlandsche mogendheid. Nederland zoude vrij zijn. Nederland zoude zijnen rang hernemen in de rij der volkeren en de vlag der Nederlanden weder op alle zeeën gezien worden. Zoo sprak de prins, zoo sprak Joan Melchior Kemper[8]. Waar echter van vrijheid gesproken wordt, is het slechts de eene zijde der zaak, wanneer men alleen den blik vestigt op de onafhankelijkheid, op de vernietiging der vreemde overheersching. Het land kan in dien zin vrij zijn, terwijl het volk, dat in dat land woont, aan den leiband loopt. Zoude het nederlandsche volk nu een vrij volk zijn, met het oog op de binnenlandsche toestanden? Die vraag zoude moeten worden beantwoord door hen, die geroepen werden het gebouw te stichten, waarin de nederlandsche maatschappij zoude wonen. Het antwoord op die vraag zoude door de te ontwerpen staatsregeling moeten gegeven worden.

[8] Brief van den prins van Oranje van 22 Nov. 1813 van G. K. van Hogendorp (_Br. en Ged._ IV, 266). Proclamatie van J. M. Kemper en Fannius Scholten van 1 Dec. 1813 (Kemper's _Staatkundige Geschriften_ III, 71).

* * * * *

Omtrent de denkbeelden van Europa, en voornamelijk die van Engeland, ten opzichte van het herstel van den Nederlandschen staat, is het mogelijk, en wenschelijk, wat meer in bijzonderheden te treden dan Tellegen in het bovenstaande heeft gedaan. Engeland was begonnen, bij acte gepasseerd tusschen den minister Lord Grenville en den voortvluchtigen Willem V, 2 Febr. 1795, de Nederlandsche koloniën in bewaar te nemen: »S. M. Britannique," luidt dit stuk[9], »ayant fait à S. A. S. le Prince Stadhouder la proposition de donner aux commandans des forteresses, des troupes et des vaisseaux appartenans à la République des Provinces-Unies, l'ordre de se mettre sous la protection de S. M., vu les circonstances dans lesquelles la République se trouve par l'occupation de la province de Hollande par une force ennemie, S. M. s'engage de la manière la plus formelle _qu'Elle ne tiendra qu'en dépôt_ tout vaisseau, forteresse ou place quelconque, qui se mettra sous Sa protection en conséquence du dit ordre, _et qu'Elle le restituera_ à la République des Provinces-Unies, dès que S. M. et la République se trouvent en paix avec le France, et que l'indépendance de la République et sa constitution légitime garantie par S. M. en 1788 seront assurées."

[9] _Gedenkstukken_ II, 820.

Met de bedoelde orders van den Prins aan de Nederlandsche gezaghebbers, gedagteekend Kew 7 Febr. 1795[10], voorzien, vertoonden zich de Engelschen in den loop van den oorlog die met den vrede van Amiens eindigde, voor de meeste Nederlandsche koloniën en bezittingen, welke echter over het geheel zich niet onmiddellijk, ingevolge 's Prinsen bevel, onder Engelsche bescherming hebben gesteld, doch eene zwakke en bijna steeds vruchtelooze verdediging hebben gevoerd. Een aanval op Ternate alleen en een eerste op Suriname werden afgeslagen; een tweede aanval op Suriname gelukte[11]. In het geheel gingen over de Kaap, Ceilon, de nederzettingen op de kusten van Coromandel en Malabaar, in Bengalen, op Sumatra's Westkust, Malakka, Amboina, Banda, Berbice, Essequebo, Demerary, Suriname (eerst in 1799) en Curaçao (eerst in 1800). Behouden bleven dus alleen _Java, Bandjermassing, Makassar, Ternate, het kantoor op Desima en de Goudkust_.

Van de aldus in Engelands handen gevallen bezittingen waren er twee die Engeland sinds lang begeerd had en die het zoo eenigszins mogelijk voor goed wilde behouden: de Kaap en Ceilon. Sedert Engeland door de veroveringen van Clive en Warren Hastings hoofdmacht in Voor-Indië was geworden in plaats van Frankrijk, moest het ook het aanloopstation op den weg naar Indië in zijn bezit wenschen, terwijl Ceilon in vreemde handen in oorlogstijd gemakkelijk eene bedreiging voor Engelands positie in Indië worden kon. De oorlog van 1781 had bewezen dat die positie feitelijk onbevestigd bleef zoolang de Kaap en Ceilon niet in Engelsch bezit waren: alleen op die beide Nederlandsche koloniën gesteund, had Suffren zijn gevaarlijken maritiemen aanval op Britsch-Indië kunnen ondernemen.

Daar nu nòch de Kaap nòch Ceilon geheel onverdedigd aan Engeland waren overgegaan, ontstond de mogelijkheid om zonder onmiddellijke schending van het gegeven woord deze bezittingen te behouden, ook al werd het huis van Oranje in Nederland hersteld. Maar tevens ontstond de verleiding het huis van Oranje op te offeren, zoo Frankrijk in ruil voor die opoffering bereid bleek, de Kaap en Ceilon in handen van Engeland te laten.

[10] Aldaar, 831.

[11] Dit ter verbetering van de noot in _Gedenkstukken_ II, 821.

Toen de acte van 1795 werd uitgereikt, scheen de verdrijving der Franschen uit Nederland en het herstel der in 1788 door Engeland en Pruisen gegarandeerde stadhouderlijke constitutie nog geen volstrekt hopelooze zaak, doch sedert Pruisen zijn vrede met Frankrijk sloot (5 April 1795) en zelfs bij geheim verdrag van 5 Aug. 1796 voor het huis van Oranje, in ruil voor den van dit huis te verkrijgen »afstand van alle aanspraken op het stadhouderschap", eene schadeloosstelling in Duitschland (benevens ettelijke voordeelen voor zichzelve) besprak[12], werd het uitzicht anders en voelde ook Engeland zich vrij, uitsluitend rekening te houden met eigen belangen. Bij de vredesonderhandeling met Frankrijk in 1797 liet het door Lord Malmesbury de erkenning der Bataafsche Republiek aanbieden, die de door Engeland in bezit genomen koloniën terugbekomen zou, met uitzondering van de Kaap en Ceilon; Oranje zou eene schadeloosstelling ontvangen op het vasteland[13].

De onderhandelingen tusschen Engeland en Frankrijk sprongen af, en in 1798 zien wij integendeel Engeland het denkbeeld eener restauratie van het huis van Oranje in Nederland ernstig opvatten. Daar op Pruisen niet te rekenen is, richt het zich tot Rusland, en het overleg omvat niet alleen het lot van Nederland maar ook dat van België, in 1794 door de Franschen veroverd, en voor welks verlies Oostenrijk, bij den vrede van Campo Formio (17 Oct. 1797), eene vergoeding had aangenomen (Venetië). Oostenrijk wenschte België, dat het steeds als een ongeriefelijk bezit had beschouwd, in geen geval terug; ook toen het zich in 1798 tot hernieuwden oorlog tegen Frankrijk voorbereidde, had het op bevestiging en uitbreiding van zijn Italiaansch bezit, niet op herovering van België, het oog. Voor België moest dus eene andere oplossing gevonden worden. Lord Grenville leidde het overleg met Rusland in bij de volgende mededeeling: »As the Netherlands[14] cannot probably under all the circumstances which have occurred be replaced under the dominion of Austria, it will be an object to be considered what plan will be most effectual to provide for the defence of this highly important barrier against the future encroachment of France. None has here occurred which is thought equally effectual and practicable as the uniting those provinces to the Dutch Republic under the administration of a Stadholder, and with such provisions as may be best adapted to the maintenance of their respective civil and religious constitutions"[15].--In antwoord hierop liet Paul I mededeelen: »Nous envisageons comme une acquisition grande et utile pour toutes les puissances bien-intentionnées, si les ci-devant Pays-Bas autrichiens puissent être arrachés à la France et joints à la Hollande"[16].

[12] _Gedenkstukken_ II, 942; III, 684.

[13] _Gedenkstukken_ II, bll. CXII en 987.

[14] Versta: de Zuidelijke Nederlanden.

[15] Lord Grenville aan Sir Charles Whitworth, Britsch gezant te St.-Petersburg, 16 Nov. 1798 (_Gedenkstukken_ III, 890).

[16] Paul I aan Woronzow, Russisch gezant te Londen, 30 Dec. 1798 (_Gedenkstukken_ III, 896).

Het vraagstuk van de toekomst van Nederland en van België werd toen ook buiten de kabinetten vrij druk besproken. Het is de tijd onmiddellijk vóór het optreden van Napoleon. De overtuiging was algemeen dat de Revolutie in Frankrijk op haar laatste beenen liep en dat het tijd werd zich te verstaan omtrent de nieuwe orde, na haar nederlaag aan de Europeesche statengemeenschap te geven. Fransche publicisten uit de liberale school, lieden van de kleur der meerderheid van de eerste Constituante, uit hun eigen land verdreven door de Jacobijnen, wendden zich in hun te Hamburg verschijnend orgaan, _Le Spectateur du Nord_, met voorslagen tot het Europeesch publiek die ten doel hadden te verkrijgen dat de coalitie, in ruil voor stevige waarborgen tegen een nieuw militair overwicht van Frankrijk in Europa, de binnenlandsche zaken van dat land aan de liberalen zou overlaten en dus afzien van een volledig herstel van het ancien régime. Zij erkennen dat de zwakheid van Nederland tegenover Frankrijk een gevaar is gebleken voor de rust van Duitschland en van het geheele Noorden, en geven als middel tot verbetering de vereeniging der zeventien Nederlandsche gewesten onder het huis van Oranje aan de hand. In twee geschriften van een publicist uit dezen kring, l'abbé de Pradt (_L'Antidote au Congrès de Rastadt_, 1798, en _La Prusse et sa neutralité_, 1799) is dit denkbeeld vrij uitvoerig besproken. Ten aanzien van den vorm van het opperbestuur komt de Pradt tot de slotsom, dat deze slechts de monarchale kan zijn: »Pour compléter l'union des deux pays," schrijft hij, »pour leur donner toute la vigueur dont ils sont susceptibles, il ne suffit pas de les ajouter l'un à l'autre; il vaut mieux les réunir sous un seul et même gouvernement, qui ne peut être que le gouvernement royal dans les mains de l'auguste maison d'Orange. Qu'on se garde bien d'en faire des stathouders en Hollande, des ducs de Brabant à Bruxelles, des comtes de Flandre ailleurs, et d'affaiblir ainsi l'autorité en multipliant les titres. Il serait impossible de gouverner utilement et solidement les deux peuples, en le faisant à tant de titres et sous des dénominations diverses. Leur nouveau souverain doit être leur roi, et dans toute la plénitude de ce mot"[17].

[17] Falck's _Gedenkschriften_, bl. 350.

Wij hooren hier ten aanzien van den regeeringsvorm en den graad van innigheid der vereeniging van Holland en België eene meening verkondigen waartoe Engeland eerst veel later bekeerd is geworden. Lord Grenville stelt zich in 1799 slechts »some federal compact" tusschen beide landen voor[18], en daar de militaire operatiën der Engelsch-Russische coalitie zich vooralsnog tot Noord-Nederland zullen beperken, houden de instructiën, die hij 26 Sept. 1799 aan zijn broeder, bestemd tot gezant van Groot-Brittanje bij den herstelden Nederlandschen staat, toezendt, ook nog alleen een schema voor het redres der Noord-Nederlandsche zaken in;--een schema, nagenoeg geheel overgenomen uit een in Juli 1799 door den gewezen griffier der Staten-Generaal, Hendrik Fagel, aan de Engelsche regeering uitgebracht advies: overgang, op ruime schaal, van bevoegdheden der Staten-Provinciaal aan de Staten-Generaal; de ruggespraak moet vervallen; in de Staten-Generaal nieuwe grondslag van vertegenwoordiging (naar het bedrag der bijdragen in de gemeene lasten), meerderheidsbeginsel en wellicht hoofdelijke stemming; vervanging der admiraliteiten door één departement van marine; een Hooggerechtshof der Unie. Op een dergelijke constitutie is Engeland bereid zijn zegen te geven door teruggave, bij den algemeenen vrede, van de Koloniën.... op de Kaap, Ceilon en Cochin na[19].

[18] Lord Grenville aan Thomas Grenville, 16 Juli 1799 (_Gedenkstukken_ III, 973).

[19] De instructie: _Gedenkstukken_ III, 403 aangevuld door III, 1074; het advies van Fagel: _Gedenkstukken_ III, 1006.

Toen deze instructiën gegeven werden was het de Engelsche regeering bekend, dat uit de Bataafsche Republiek zelve een andere stem was opgegaan. De meerderheid van het Uitvoerend Bewind van 1799 en de minister van buitenlandsche zaken, van der Goes, zouden zeer gaarne van de Franschen zijn verlost geweest, mits men tegelijk de hoofdresultaten der revolutie bevestigd kon zien, die voor Nederland bestonden in de opheffing der provinciale souvereiniteit, de eenheid in de volksvertegenwoordiging en in het hoog bestuur, het amalgama der schulden, de scheiding van Kerk en Staat, de emancipatie der Katholieken en der Joden, de vervanging van de uitvoerende collegiën door ministers. Liefst van al wilde men dat zoowel de Franschen als de Engelschen aftrokken, en Nederland tot den algemeenen vrede neutraal zou mogen worden verklaard; en men heeft de poging gewaagd, voor dit denkbeeld den steun te verwerven van Pruisen. Als de afgezant van het Bewind, de Vos van Steenwijk, in het kabinet van den minister Haugwitz is doorgedrongen, wordt hem alle hoop ontnomen dat Pruisen zich voor de Bataven eenige moeite geven zal, tenzij zij berusten in het herstel van het huis van Oranje. »Ik antwoordde dat hieraan niet met al te denken was, om reden van de tegenwoordige orde van zaken. Wat ik ook aanvoeren mogt, hij bleef er op staan. Na een gesprek van bijkans twee uren eindigde hij met te zeggen dat men tenminste aan den Erfprins moest....," en de Vos ontwerpt dan eene constitutie voor de Bataafsche Republiek met den Erfprins als hoofd van het uitvoerend bewind »onder een anderen titel als dien van Stadhouder;" de politieke verklaringen als grondslag van het stemrecht zal men laten vervallen, en het recht om in de grondvergadering te verschijnen aan geldbezit binden; eene constitutie der _beati possidentes_ dus, met een oranjewimpel in top[20]. De Pruisische regeering zond copie van dit stuk naar Engeland, onder mededeeling dat het te Berlijn onvoldoende was voorgekomen.

Doch inmiddels was door van der Goes ook reeds een directe boodschap aan den Erfprins gegaan, die bij de Engelsch-Russische troepen in Noord-Holland stond: »de restauratie zoude veel gemakkelijker gaan, wanneer men de hoop konde hebben, dat niet zoozeer de oude constitutie wederom zoude worden ingevoerd, maar de principes bijbehouden van eenheid der Republiek en van eene behoorlijke representatie, met de uitvoerende magt _in amplissima forma_ aan het huis van Oranje, onder welke benaming het ook zoude mogen zijn; met één woord, indien een soort van Engelsche constitutie tot grondslag konde gelegd worden"[21]. Lord Grenville kende deze boodschap, toen hij zijne instructie van 26 September schreef, maar beperkte zich niettemin tot de door Fagel opgegeven hervorming der oude Unie met handhaving van den bondgenootschappelijken regeeringsvorm[22]. »You will not fail to remark", voegt hij in een begeleidend schrijven aan zijn broeder toe, »that in the communication made through M. de Mollerus, the unity of the Republic, and the keeping up a representative body adapted to that state of things, are strongly insisted on. The reasons which have induced His Majesty to incline towards a different arrangement, and to think that a nearer adherence to the ancient form of government would be more conducive to the happiness of that country, are founded principally in an opinion that such is probably the wish of the best and soundest part of the United Provinces".

[20] _Gedenkstukken_ III, 552.

[21] Geheime boodschap door Mollerus overgebracht, 20 Sept. 1799, _Gedenkstukken_ III, 547.

[22] Art. 1 der instructie: »That the form of federative government on the basis of the Union of Utrecht should be entirely preserved" (behoudens de vermelde, in de volgende artikelen uitgewerkte, wijzigingen).

De uitkomst heeft bewezen dat Lord Grenville zich hierin bedroog. Het Nederlandsche volk stak geen hand uit om de Engelschen en Russen te helpen. Zeker omdat het niet durfde vanwege de Franschen, die versterking op versterking zonden en allen voortgang der gelande troepen weldra konden beletten en hen eindelijk naar hunne schepen terugdrijven; maar ook, omdat men van de overwinning der coalitie een staatkundigen teruggang vreesde, die in Nederland zeer weinig voorstanders had.

Van de patriotten behoeft dit geen nader betoog; het bleek reeds uit hunne boodschappen aan den Erfprins en naar Berlijn. Maar evenzeer blijkt het uit vele politieke stukken, in deze jaren door welmeenende plannenmakers uit de oude oranjepartij opgesteld. De grondtoon is, dat de zaak gevonden moet worden bij compromis met de gematigde patriotten. Enkelen weliswaar stellen zich een uitkomst voor, die minder ver dan het Engelsche plan van de constitutie van vóór 1795 afwijkt; de meesten echter gaan reeds veel verder, terwijl ook door velen wordt ingezien dat het huis van Oranje er weinig voordeel bij hebben zal, zoo het door vreemd wapengeweld aan de natie wordt opgedrongen, in plaats van door deze ingeroepen[23].

[23] Zie de volgende stukken: Repelaer (lid der grondwetcommissie van 1814), Mei 1795, _Gedenkstukken_ II, 831; Aylva (lid der grondwetcommissie van 1814), Juli 1795 (_Gedenkstukken_ II, 839) en voorjaar 1799 (_Ontstaan der Grondwet_ I, bl. XXXIV); Lampsins (lid der grondwetcommissie van 1814), Sept. 1795 (_Ged._ II, 860), Oct. 1795 (II, 869), Juni 1796 (II, 920); van Heeckeren van Suyderas, Juli 1797 (II, 960); Tollius, 1797 (III, 869); van Heeckeren van Enghuizen en anderen, Juli 1799 (III, 990); Pieter Ulbo Rengers, Juli 1799 (III, 997). Het verst van allen gaat M. L. d'Yvoy, die reeds in Sept. '95 het merkwaardig advies geeft dat de Prins de patriotten, die het niet eens blijken te kunnen worden over hun Nationale Conventie, de loef zal afsteken door zich bereid te verklaren uitvoerende macht te zijn in een ondeelbaren Nederlandschen staat, naast een wetgevende macht bestaande uit een adelshuis en een huis der gemeenten, het laatste direct gekozen door alle bezitters van eenig vast goed of effect op het land zonder onderscheid, in zestien kiesdistricten van onderling gelijke bevolking. De tegenpraestatie van het Nederlandsche volk zal moeten bestaan in de opdracht aan den Prins van een zeer uitgebreide uitvoerende macht, minstens gelijk aan die van den koning van Groot-Brittanje (_Ged._ II, 863; vgl. een vroeger stuk van hem, Juli 1795, aldaar 841). Het minst ver van al gaat van de Spiegel, die doet alsof er geen Revolutie geweest is en zich beperkt tot de geringe hervormingen die hij reeds twintig jaar geleden had voorgestaan (zie _Ged._ III, 1037 en 1080, en _Vreede's van de Spiegel_ IV, 456; en voor de kritiek: _Ontstaan der Grondwet_ I, bl. XXXII), doch zijn punten van ampliatie der Unie vinden dan ook bij velen zijner partijgenooten een ongunstig onthaal: zie b.v. van Heeckeren van Enghuizen aan den Erfprins, 19 Dec. 1799 (_Ged._ III, 1100): »Ik heb een stuk gelezen door van de Spiegel opgesteld; zeer zoude ik twijfelen of het voldoening zal geven. Mogelijk wel aan oude costumiers. Daar is na mijn inzien geen kracht in, en de oude langdradigheid is er in gebleven. Dikmalen hebbe ik hooren zeggen dat de Erfstadhouder zich uitgelaten heeft om niets meer te willen hebben, als hij gehad heeft. Maar hier is het mogelijk het moment om toepasselijk te maken, dat de vorst voor het volk gesteld is en niet het volk voor den vorst...".

Wij noemden hier niet de verschillende stukken van Gijsbert Karel, wiens ontwikkeling een afzonderlijke bespreking vereischt welke bij een ander hoofdstuk wordt gegeven.

Niet alleen dat de landing van 1799 mislukte, maar daarna treedt in Frankrijk de krachtige regeering van Napoleon op die aan alle speculatiën op den naderenden ondergang der Revolutie een spoedig einde maakt. Europa richt zich op den nieuwen toestand in, waartoe de blijvende verwijdering van het huis van Oranje uit Nederland behoort. Bij den vrede van Lunéville (9 Febr. 1801) erkent Oostenrijk de Bataafsche Republiek en bij dien van Amiens (25 Maart 1802) Engeland, dat van de koloniale veroveringen, ten koste van Nederland gemaakt, alleen Ceilon mag behouden.

Een ander artikel van Amiens verwijst het huis van Oranje, voor het verkrijgen eener schadeloosstelling voor het stadhouderschap, naar een tusschen de Fransche Republiek en Pruisen te treffen regeling, welke 23 Mei 1802 tot stand kwam.[24] Om zich de goede gunsten van Napoleon te verwerven van wien in dezen alles afhing, had de Erfprins niet geschroomd de reis naar Parijs te ondernemen. De oude Prins liet die zaak geheel aan zijn zoon over; maar het is geheel onjuist, zooals in verscheiden boeken staat en nog dikwijls herhaald wordt, dat hij de schadeloosstelling zou hebben geweigerd. De verklaring van afstand van alle aanspraken op het stadhouderschap, van hem geeischt eer hij in het genot van het hem besprokene kon treden, heeft hij wel degelijk onderteekend[25]; maar hij heeft geweigerd de regeering in de hem afgestane landen te aanvaarden, en ze overgelaten aan zijn zoon, die zich voortaan betitelt als vorst van Oranje-Fulda. Willem V bepaalde er zich toe, de regeering te voeren in zijn Dillenburgsche erflanden, die na zijn dood, in het begin van 1806, nog voor korte maanden aan zijn zoon zijn overgegaan.

[24] Zie hiervóór, bl. 4 noot.

[25] _Ged._ IV, 708; vgl. Bosscha, _Staatsomwenteling_ II, 273.

Het huis van Oranje bevond zich in de jaren 1801-1804 in eene bijzonder scheeve positie. Het hing voor de territoriale schadeloosstelling af van de genade van den Eersten Consul; voor andere regelingen van Engeland en van de Bataafsche Republiek. De vloot van Story had zich in 1799 in naam niet aan de Engelschen, maar aan den Prins overgegeven; te Amiens had Engeland de teruggave dier vloot aan de Bataafsche Republiek geweigerd, maar zich bereid verklaard de waarde er van aan den Prins van Oranje te voldoen. Zij werd door de Engelsche admiraliteit getaxeerd op £ 220.000. De Prins weigerde standvastig die som aan te nemen in de omschrijving waaronder zij hem werd aangeboden: als prijs van schepen die nimmer aan zijn persoon, maar aan den Staat hadden behoord. Engeland wilde er gaarne iets anders op vinden: het zocht een middel om het huis van Oranje als een _en cas_ te behouden voor het mogelijk geval van hernieuwden oorlog met Frankrijk. Liet men het huis aan de genade der continentale machten geheel en al over, dan zou het, vooral wanneer de eerzuchtige, weinig Engelschgezinde Erfprins zijn vader zou zijn opgevolgd, gemakkelijk van Engeland vervreemden. Derhalve sprak men nu niet langer van de schepen die men zonder meer behield, maar stelde aan de Prinses van Oranje (die nog eenigen tijd in Engeland was gebleven na het vertrek van haar gemaal naar het vasteland) een som van £ 60.000 ter hand als tegemoetkoming in de behoeften van het Oranjehuis, en kende aan dat huis, »gedurende het believen van Zijne Majesteit", een jaargeld toe van £ 16.000[26]. De bewoordingen waren zoo gekozen om te doen gevoelen dat men den Erfprins in de hand wilde houden, die onzeker bleef omtrent de al- of niet-continuatie van het jaargeld na den dood van zijn vader.

[26] _Gedenkstukken_ IV, 737.