De Wedergeboorte van Nederland

Part 19

Chapter 193,643 wordsPublic domain

Wanneer men het IVe hoofdstuk der Grondwet van 1814 over de Justitie overweegt, dan zal men moeten erkennen, dat de belofte, door Kemper gedaan, niet ijdel was gebleven, »Uwe burgerlijke vrijheid", zoo sprak hij tot »zijne landgenooten" in de door hem en Fannius Scholten gedane proclamatie van 1 December 1813, »Uwe burgerlijke vrijheid zal door wetten, door eene die vrijheid waarborgende constitutie, zekerder dan ooit gegrondvest zijn." Maar wat werd er van de politieke vrijheid onder de handen der commissie? Waren er in de Grondwet van 1814 waarborgen voor een goed en doeltreffend Staatsbestuur? Wie was verantwoordelijk voor dit bestuur? De erfelijke monarchie brengt mede de onschendbaarheid, de onverantwoordelijkheid van den persoon des Konings. Toch zoeken wij te vergeefs in de Grondwet naar de bekrachtiging dezer stelling. De bepaling van de Grondwet van 1806 (art. 20) die dit wel deed, werd niet overgenomen. Zij ontbrak trouwens ook in de Schets. Moet men daarom met Thorbecke[325] aannemen, dat de Souvereine Vorst bij Hogendorp, hoewel erfelijk, het karakter van eersten ambtenaar bleef behouden, daar het karakter der verheffing hierboven den Vorst niet werd geëigend? Ik zoude het niet durven beamen. Ik mag niet aannemen, dat Hogendorp, die in zijne herziening der Unie van Utrecht, in 1799 opgesteld[326], aan den Erfstadhouder het karakter van onschendbaarheid had willen toekennen, dit den Souvereinen Vorst zoude hebben willen onthouden. Wanneer èn in de Schets èn evenzoo in de Grondwet over de onschendbaarheid des Vorsten werd gezwegen, zoude dan de reden niet hierin gelegen zijn, dat de uitdrukkelijke vermelding van iets, dat van zelf sprak, overbodig geacht werd? Wordt die gissing niet hierdoor bevestigd, dat in de Grondwet evenmin als in de Schets eene bepaling voorkwam, waaruit 's Vorsten verantwoordelijkheid kon worden afgeleid? Want al mocht men ook al niet zoover gaan als in het Engelsche Staatsrecht, al mocht het: de Koning kan geen kwaad doen, daar ook op civiele zaken worden toegepast, wat volgens art. 9 der Schets en art. 106 der Grondwet met den Vorst hier niet het geval was; van eene verantwoordelijkheid daarentegen voor daden van bestuur is geen schijn of schaduw te vinden. Maar wie was dan verantwoordelijk, zoo de Vorst het niet was? Was, zooals wij het vinden opgemerkt[327], in de Schets het beginsel der ministerieele verantwoordelijkheid opgenomen? Het is ons uit het derde deel van Hogendorp's _Gedenkschriften_ gebleken, dat deze in 1795 de omtrekken had geteekend eener Hooge Vierschaar, en dat hij daarop in 1799 nader terugkwam[328]. Er zou, wij hebben het hierboven opgemerkt, een Hooge Raad zijn, waaraan de handhaving der Unie was toevertrouwd. Een Hooge Raad, waarvoor zoowel de leden der Staten-Generaal, als die van andere collegiën, eveneens als hunne ambtenaren zouden worden terechtgesteld, en dit op aanklacht der Staten-Generaal. Wij vinden dit denkbeeld nawerken in de Schets. Ook zij geeft aan de Staten-Generaal het recht, om èn de leden van hun collegie met den Raadpensionaris, èn de leden van den Raad van State, èn de Ministers wegens hunne ambtsverrichtingen aan te klagen bij den Hoogen Raad (art, 5, 6, 27, 37). Evenzoo staan de leden der provinciale Staten, op aanklacht van dit collegie, terecht voor het provinciale Hof (art. 42). Kan men dit nu de huldiging van het beginsel der ministerieele verantwoordelijkheid noemen? Het middel, dat bestemd is, om de onschendbaarheid van den vorst in overeenstemming te brengen met de eischen van een goed bestuur, door de verantwoordelijkheid voor de handelingen van Regeering over te brengen op zijne Ministers? Eenerzijds reikten die bepalingen verder, daar niet alleen de Ministers, maar ook andere dienaren van den Staat onder hare toepassing vielen; van de andere zijde zal men juist hieruit moeten afleiden dat Hogendorp met deze bepalingen iets anders bedoelde dan de invoering van het beginsel der ministerieele verantwoordelijkheid, zooals zich dit in Engeland had ontwikkeld: een beginsel volgens hetwelk de Ministers niet alleen aansprakelijk werden gesteld voor de inachtneming der wet, maar bovendien voor een doeltreffend bestuur, een bestuur, waardoor het algemeen belang werd behartigd. Toch valt het niet te ontkennen, dat dit recht der Staten-Generaal, om de Ministers aan te klagen, op hunne zelfstandigheid een gewichtigen invloed had kunnen uitoefenen, er toe had kunnen leiden, dat zij zich niet zouden beschouwen louter als dienaren van den Vorst, als gedekt door zijne bevelen, maar gedachtig zouden blijven aan het zwaard van Damocles, dat hun van wege de Staten-Generaal boven het hoofd hing. Maar die bepalingen vonden--zonder dat mij het waarom daarvan is gebleken--geene genade in de oogen der commissie. Het initiatief door de Schets aan de Staten-Generaal toegekend, verdween uit de Grondwet. Wat er voor in de plaats kwam, was iets geheel anders, t. w. dat de in de Schets genoemde personen, benevens nog eenige andere, niet in rechten mochten vervolgd worden, tenzij met verlof der Staten-Generaal. Het was niet alleen iets anders; het was juist het tegenovergestelde. Wat een wapen voor de Staten-Generaal had moeten zijn tegen die personen en tegen hun wanbestuur, werd nu een privilegie voor dezen. Het waren nu niet meer de Staten-Generaal, die de dienaren van den Vorst ter verantwoording konden roepen; maar het was de Souvereine Vorst, die, mits onder goedkeuring der Staten-Generaal, dit kon laten doen. Nu behoefden die dienaren niet meer bevreesd te zijn voor de Staten-Generaal; nu behoefden zij zich alleen te richten naar de wenken van den Vorst. Nu kon van Maanen in zijne Aanspraak naar waarheid zeggen, dat de Vorst de groote maatregelen, die hij ten dienste van het behoud der gemeene zaak noodzakelijk oordeelde, met spoed, kracht en nadruk kon doen uitvoeren door zijne Raden en dienaars, die van hem alleen hun gezag ontleenden[329].

[325] _Aanteekening_, I, 107.

[326] _Br. en Ged._ III, 180.

[327] De Bosch Kemper, _Geschiedenis_, 419.

[328] _Br. en Ged._ III, 108, 178 vlg.

[329] Metelerkamp, 211.

Niettegenstaande dit alles ware het toch wellicht mogelijk, dat de Staten-Generaal invloed op de richting van het staatsbestuur zouden kunnen uitoefenen, mits zij overtuiging en kracht genoeg in zich zelven voelden, om voor het algemeen belang op te treden. De overweging der jaarlijksche buitengewone begrooting kon daarvoor een handvatsel zijn. Maar was die overtuiging, was die kracht van dit collegie te wachten? Wij herinneren ons hoe de Grondwet over de eerste vervulling der grondwettige lichamen niets bepaald had, hoe ook de notabelen dit punt met stilzwijgen voorbijgingen, en hoe daaruit de gevolgtrekking gemaakt werd, dat de Souvereine Vorst dan maar de eerste keuze moest doen, dus ook van de Staten-Generaal. Deze door hem aangewezen leden zouden zitting hebben tot 1 November 1817; eerst van dit tijdstip af begon de keuze door de provinciale Staten te werken, die telken jare een derde van het getal zouden kiezen. De definitieve voor eens vast te stellen begrooting zoude dus tot stand komen door de toestemming van Staten-Generaal, die door den Souvereinen Vorst waren benoemd.

En wat van de Staten-Generaal gold, was eveneens het geval met de Staten-provinciaal. De eerste aftreding, voor een derde, van de door den Souvereinen Vorst aangewezen leden der Staten vond volgens de door hem den 26sten Augustus 1814 vastgestelde reglementen[330] eerst plaats den 1sten Mei 1817, zoodat de eerste keuze van leden der Staten-Generaal zoude geschieden door leden voor het grootste deel nog door den Vorst benoemd. En later, wanneer de tijd van zitting van al deze leden verstreken was, ook dan zoude de invloed van den Souvereinen Vorst nog nawerken in de stedelijke raden en in den adel, de bron in de meeste gewesten van twee derde der provinciale Staten. Immers de stedelijke besturen werden ook den eersten keer door den Souvereinen Vorst aangesteld voor het leven; de Ridderschap bestond uit personen, door den Vorst in den adelstand verheven of als zoodanig erkend, en dus door banden van dankbaarheid aan hem verknocht. Alleen bij den landelijken stand kon met 1 Mei 1817 van invloed des volks op de keuze der Staten sprake zijn; trouwens was het geen rechtstreeksche keuze, maar verkiezing met een trap. Eigenerfden kozen kiezers, en deze de leden der Staten. Uit dit alles volgt, dat althans in de eerste jaren van eene krachtige vertegenwoordiging geen sprake kon zijn. En zoude ook later de Regeering, gesteund door de Gouverneurs in de provinciën, niet middelen in de hand hebben, om de keuze van onwelgevallige personen tegen te gaan? Men bedenke toch, dat zij, die door Stad of Ridderschap in de Staten werden afgevaardigd, meestal wel tot die klasse der maatschappij zouden behooren, die bij voorkeur tot vervulling der ambten geroepen was. Voorwaar de verleiding moest groot zijn, om niet mede te werken tot de keuze van zelfstandige mannen; men liep toch gevaar, daardoor in ongenade te vallen en de bron van eer en van voordeel voor zich en de zijnen verstopt te zien.

[330] Reglementen op de wijze van samenstelling der Staten (_Bijv. tot het Staatsblad_, I, 566).

De bedervende invloed van dit alles zoude te sterker moeten werken bij het volslagen gemis aan openbaarheid in het bestuur. Staten-Generaal, Provinciale Staten, Gemeenteraden vergaderden achter gesloten deuren. Iets waarin geen bezwaar werd gezien, niettegenstaande die lichamen ten slotte een uitvloeisel zouden worden van keuze, en dus alle mogelijkheid om een oordeel over de verkozenen te vellen, daardoor werd afgesneden. Het beginsel van openbaarheid was niet in eere. Zelfs de vrij onschuldige bepaling van Hogendorp's Schets (art. 30), dat door den druk zoude worden publiek gemaakt het aan de Staten-Generaal te doen jaarlijksch verslag van het gebruik der geldmiddelen, werd geschrapt. De ingezetenen zouden dus van hetgeen er omging in het bestuur niets anders behoeven gewaar te worden, dan wat in wet of vorstelijk besluit, bij provinciale of gemeentelijke verordening, te hunner kennis moest worden gebracht. Aan opwekking tot deelneming in de publieke zaak, aan contrôle van het publiek op het bestuur, viel onder zulk eene inrichting niet te denken. Klinkt het ons dan bijna niet als ironie in de ooren, wanneer Hogendorp aan het slot zijner Aanmerkingen er op wijst, hoe een zin voor het vaderland, een _public spirit_ door al de klassen van ingezetenen verspreid en in alle gemoederen opgewekt zal worden[331]?

[331] _Ontstaan_ I, 64.

Wij nemen afscheid van den Regeeringsvorm der Vereenigde Nederlanden onder de Grondwet van 1814. Was het wel noodig, ons zoo lang bezig te houden met eene Grondwet, die niet meer dan een jaar heeft geleefd, om in 1815 door de Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden te worden vervangen? Ik meende van ja, omdat het de Grondwet van 1814 is, waarbij de grondwettige monarchie in het huis van Oranje-Nassau voor het eerst in ons vaderland is gevestigd, omdat de hoofdtrekken en hoofdbeginselen dezer Grondwet zijn overgegaan in die van 1815, al moge dan deze haar op enkele punten--zooals door de openbaarheid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal--ten goede hebben gewijzigd. Immers ook de Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden hulde voor het overige het bestuur in een geheimzinnig duister, ook zij kende aan de natie geen meerderen invloed toe; zij kenschetste zich vooral--evenals die van 1814--door het gemis van hetgeen het merg der constitutioneele monarchie uitmaakt, door het gemis der ministerieele verantwoordelijkheid en de handhaving mitsdien van het persoonlijk gouvernement. In zoover heeft de Grondwet van 1814 tot 1840, gedurende de geheele regeering van Willem I, hare werking doen gevoelen. Zoo er ooit harmonie heeft bestaan tusschen den regeeringsvorm en den Vorst, die geroepen was hem toe te passen, dan is het voorzeker hier het geval geweest. In het verslag van den toestand des lands, den 7den November 1814 door den Minister van Binnenlandsche Zaken, Röell, aan de Staten-Generaal gedaan[332], wees deze reeds op »de rustelooze zorgen, waarmede de Souvereine Vorst van het eerste oogenblik zijner regeering de belangen zijner onderdanen had behartigd en nog dagelijks bleef behartigen, zoodat bij diegenen, welke hem van nabij volgden, wel eens het gevoel van eerbied en bewondering over eene zoo zeldzame opoffering door vrees voor de gevolgen van onafgebroken inspanning werden opgewogen". Deze woorden waren geene vleierij, maar de zuivere waarheid. Zoo iemand het _métier de roi_ ernstig opvatte, zoo iemand zich afsloofde in de behartiging der publieke zaak, dan is het voorzeker Willem I geweest. De geschiedenis echter heeft met onuitwischbare trekken opgeteekend, welke de uitkomsten van dit alles geweest zijn, in welken ontredderden toestand ons vaderland bij het einde der regeering van dezen Vorst was gebracht. En hoewel het nu onbillijk zou zijn, bij de beschouwing dezer uitkomsten niet in rekening te brengen de moeilijkheden, waarmede Willem I te kampen had, in 't bijzonder de bezwaren, voortvloeiende uit de vereeniging met België, uit de gedwongen samenleving van Noord en Zuid; zoo zoude het niet minder eenzijdig zijn te willen ontkennen, dat dergelijke uitkomsten, ook zelfs bij de beste bedoelingen, een natuurlijk gevolg waren van een regeeringstelsel als dat van de Grondwet van 1815, waaronder een volk zijn lot plaatst in handen van éen persoon, die naar zijnen wil, naar zijn inzicht, buiten het weten des volks om, het land regeert. Het kan dan ook alleen uit onbekendheid met de politieke geschiedenis van ons vaderland verklaard worden, dat bij dezen en genen soms de opwelling ontstaat om met terzijdestelling van den overwegenden invloed der volksvertegenwoordiging eene vorstelijke macht terug te wenschen, zooals die onder de regeering van onzen eersten Koning heeft gewerkt. Wanneer men dit overweegt, zal men het mij eerder vergeven, dat ik bij de beschouwing van den regeeringsvorm volgens de Grondwet van 29 Maart 1814 zoolang heb stilgestaan.

[332] Stuart, _Jaarboeken van het Koningrijk der Nederlanden_, 1814, bl. 250.

* * * * *

_Hogendorp knoopte het erfrecht vast_ (hiervóór, bl. 153). Zie over deze geheele materie het proefschrift van Mr. E. J. Thomassen à Thuessink van der Hoop, _De Orde van Erfopvolging tot den Troon in Nederland_ (Amsterdam 1911). bl. 1-84.

* * * * *

_Zonder eenige beperking_ (hiervóór, bl. 155). Dit is juist van art. 5 der eindredactie, maar niet van art. 5 van 11 Januari, dat bij gemis van mannelijk oir de souvereiniteit erven laat bij de dochters of derzelver _mannelijke_ nakomelingen. Het wegvallen van het woord _mannelijke_ uit art. 6, waarover Tellegen zich in zijne noot op bl. 156 zoo verbaast, heeft denzelfden grond als het wegvallen dier woorden uit art. 5. Zie daarover van der Hoop, 77 vv. In art. 7 bleef het woord _mannelijke_ staan wegens de resolutie van 1747 waarin het voorkwam. De woorden »op gelijke wijze als voren", die in art. 5 bleven staan, maakten het ten slotte door de Grondwet aangenomen stelsel ver van helder. Eerst art. 20 der Grondwet van 1815 heeft deze zaak in het reine gebracht.

* * * * *

_Vreemd is het in elk geval_ (hiervóór, bl. 158). Men kan het geval in 1814 moeilijk aanstaande hebben geacht, maar heeft toch de wijze aangegeven waarop in het toen zeer onwaarschijnlijke geval zou moeten worden voorzien.

* * * * *

_'s Vorsten inkomen_ (hiervóór, bl. 159). Zie hiervóór, bl. 96. »De Prins", schrijft G. K. in 1817, »was te vrede geweest met een millioen vast inkomen, dog begeerde, dat de helft van deze som uit domeinen zoude voortkomen, en dat hem deze domeinen als patrimoniaal goed werden afgestaan om desnoods tot een huwelijksgoed van kinderen te worden gebruikt".[333]. Niet billijk voor de commissie is hetgeen dan verder volgt: »Of men dit kwalijk begrepen heeft, of heeft willen misvatten, weet ik niet; maar zeker is het, dat het denkbeeld ontstond en doorging, om de domeinen toe te voegen boven het millioen". Hier is voorbijgezien, dat Hogendorp's eigen nieuwe redactie van art. 9 tot de bepaling van eene som boven het millioen aanleiding gegeven heeft. Die redactie toch[334] stelt het inkomen uit drie bestanddeelen samen: 1o. inkomen uit de terug te geven nog onvervreemde oude goederen van het huis van Oranje; 2o. vruchtgebruik der overige, aan den Staat verblijvende, domeinen; 3o. zes ton in gereed geld. Hoe men uit dit gegeven tot de bepaling eener som van anderhalf millioen gekomen is, leeren de aanteekeningen van Elout. Eerst bleek het onpractisch een gedeelte van het inkomen in vruchtgebruik der landsdomeinen te doen bestaan: zij strekten tot onderpand der domeinbons en men was verlegen daar een andere hypotheek voor aan te wijzen. Men bracht dus de zes ton op een millioen en sprak niet van het vruchtgebruik der landsdomeinen, nog wel van teruggave der onvervreemde oude goederen van het huis. Doch later bleek ook deze onuitvoerbaar te zijn: immers onder de verhypothekeerde goederen bevonden zich ook die welke van het huis van Oranje afkomstig waren. Men kon wellicht een andere hypotheek uitdenken, maar de Grondwet was niet de plaats daarvan te spreken, en sprak men er niet van, dan kon de enkele bepaling der teruggave van als hypotheek vastliggende goederen »opzien baren". Zoo is men er toe gekomen van anderhalf millioen te spreken, ter gedeeltelijke voldoening waarvan de wet den S. V., des verkiezende, in vollen eigendom zou kunnen overgeven zooveel domeinen, als een zuiver inkomen van vijf tonnen gouds of daaromtrent opbrengen[335].

[333] _Br. en Ged._ V, 87.

[334] _Ontstaan_ I, 46.

[335] _Ontstaan_ I, 518 vv.; vgl. _Overzicht_ 19 vv.

* * * * *

_Aan het tweekamerstelsel werd door niemand gedacht_ (hiervóór bl. 162). Door den S. V. aanvankelijk wèl: hiervóór, bl. 97. Ook Repelaer verklaart zich in de commissie voor het tweekamerstelsel[336], maar komt er niet op terug als de president het denkbeeld af doet met op te merken dat het »hier te lande eene volstrekte nieuwigheid" zijn zoude.

[336] _Ontstaan_ I, 124.

* * * * *

_Gekozen door de Staten der Provinciën_ (hiervóór bl. 164). 3 Jan. stelt Aylva voor, dat de electie zal berusten bij den Vorst uit een nominatie van twee, door de Staten-Provinciaal aan te bieden[337]. Hogendorp antwoordt, »dat de Vorst dit middel van gezag nu niet noodig heeft, zooals in de stadhouderlijke tijden, toen hij, om zijnen invloed te vermeerderen, zijn gezag op allerlei wijze moest zoeken uit te breiden". Aylva komt niet terug, doch de Vorst verlangt 22 Febr. de electie uit eene nominatie van drie[338]. De commissie van redactie antwoordt kortweg: »Men oordeelt, dat de keuze aan de Staten-Provinciaal dient te blijven"[339], waarop de Vorst met een uitvoeriger aanteekening terugkomt. »Het is de vraag", schrijft hij, »of eene nominatie van drieën aan den S. V. niet raadzaam zoude zijn. Nu is het niet noodig, maar in latere tijden konde bij een minder goede geest, zwarigheid en tweespalt met de Staten-Generaal ontstaan, wanneer op hare electie geen invloed (des Vorsten) kan verzekerd zijn. De kiezers benoemen de Raden in de Steden, deze de Leden Provinciaal, deze weer die der Staten-Generaal, en alle deze instantiën blijven buiten den invloed of inzage van den S. V."[340] Nu moest de zaak in de mondelinge conferentie van 25 Febr. worden afgedaan, waar Hogendorp hem het noodlottig, aan de Republiek herinnerend en tot de Republiek terugvoerend denkbeeld uit het hoofd praatte. »Ik stelde den Prins voor, dat de Stadhouders weinig of geen baat gevonden hadden bij den invloed op de aanstelling der Stedelijke Regenten, omdat deze zig daardoor niet gebonden achtten; dat zij zig vele vijanden daarmede hadden gemaakt, en dat de menschen meer vooruit dan achteruit zagen. De heer Elout ondersteunde met fijn verstand en rondborstige taal hetgeen hij mijne menschkundige aanmerkingen noemde, en de Prins berustte in de zaak"[341].

[337] _Ontstaan_ I, 123.--Staten-_Generaal_ aldaar is klaarblijkelijk een schrijffout voor Staten-_Provinciaal_.

[338] _Ontstaan_ I, 440.

[339] _Ontstaan_ I, 443.

[340] _Ontstaan_ II, bl. CXX.

[341] _Br. en Ged._ V, 98.

* * * * *

_Art. 38 der Schets stelt het lidmaatschap open voor de Ministers_, enz. (hiervóór, bl. 166). Dit is verkeerd uitgedrukt. Art. 38 zegt niet dat de ministers, enz. lid van de Staten-Generaal kunnen zijn, maar dat de leden van de Staten-Generaal tevens minister enz. kunnen zijn. Dit is geen verschil in woordschikking; een der eigenaardigheden van Hogendorp's voorstelling is er mede gemoeid. Het is geenszins zijn denkbeeld, zooals Tellegen opgeeft, »dat de dienaren der Besturende Macht in de Staten-Generaal ook nog eene taak te vervullen hadden", maar juist omgekeerd, dat die dienaren voort zullen komen uit de Staten-Generaal. Hij stelt zich zelfs voor dat leden der Staten-Generaal, als vóór 1795, op zullen treden als hoofden van missiën naar het buitenland; ook dat zij een militair commando kunnen bekleeden. Daartoe moeten de Staten-Provinciaal zorg dragen naar de Staten-Generaal af te vaardigen »de bloem der natie", lieden »uit allerlei standen, uit allerlei collegiën, uit het huis van den Souvereinen Vorst, uit de vloot en het leger", zoodat »alle mogelijke kunde en talenten" in die vergadering vereenigd zijn[342]. In zijne gedenkschriften van 1817 beklaagt hij zich nog, dat dit denkbeeld er »met eenige moeite in de commissie doorgegaan was, en eer ontkennender wijze, dan stellig uitgedrukt, met de uitzonderingen alleen te noemen[343]"; ook dat de Vorst bij de eerste benoeming van de ministers alleen hem, G. K., in de Staten-Generaal had gebracht, en van de armee alleen Sweerts de Landas; de Staten-Provinciaal zullen nu maar spoedig door hun keuzen »de egte beginselen" moeten verlevendigen[344]. Het personeel der Staten-Generaal moet bij hem in alle behoeften van den hoogsten staatsdienst kunnen voorzien. De Vorst zal in G. K.'s voorstelling niet zijne creaturen in de Staten-Generaal brengen; integendeel de Staten-Generaal zullen hem helpen aan het hooge bestuurspersoneel. Ik zeg niet dat dit systeem toen eenige kans van slagen had; de ondervinding leerde het wel anders; maar het was niettemin Hogendorp's voorstelling, en men begrijpt den man niet in zijn eigenaardigheid wanneer men dit voorbijziet.

[342] _Ontstaan_ I, 63.

[343] Art. 60 der grondwet; vgl. voor het ontstaan van dat artikel: _Overzicht_ 54.

[344] _Br. en Ged._ V, 110.

* * * * *

_Naar men meent_ (hiervóór, bl. 167). De Bosch Kemper zegt dit op gezag eener aanteekening van Röell: »Niet weinig werkte tot verwerping der voorgedragene bepaling omtrent het ambt van Raadpensionaris mede de waarschijnlijkheid van tot de bedoelde functiën een man benoemd te zien, wiens uitgebreide kennis van 's Lands belangen, warme vaderlandsliefde en beproefde trouw door alle leden naar waarde geschat werden, doch wiens regeerziek karakter, verregaande vooringenomenheid met eigene denkbeelden en stroeve omgang bij sommigen de vrees inboezemden van weldra de botsing te zullen zien ontstaan, waartoe het ontwerp de strekking scheen te hebben[345]. Dat die man de ontwerper zelf was, liet zich gereedelijk gevoelen, en het was dan ook niet te verwonderen, dat hij zoo lang mogelijk aan het geliefde denkbeeld bleef vasthouden en het eindelijk niet dan zijn ondanks varen liet."