De Wedergeboorte van Nederland

Part 18

Chapter 183,686 wordsPublic domain

Onder den invloed van de beraadslagingen der commissie werd dus het karakter der Staten-Generaal beter in harmonie gebracht met de monarchale beginselen. Zij waren, zooals van Maanen het in zijne Aanspraak uitdrukte, ongerechtigd om deel te nemen aan de Uitvoerende Macht. Of zooals hij het in de commissie[310] had gezegd: »de Regeering moet bij ons alleen bij den Vorst zijn, en alleen de Wetgevende Macht door hem met de Staten-Generaal gedeeld worden". De Souvereine Vorst dus vrij in de behartiging der algemeene belangen, mits zich houdende binnen de grenzen der wet. Bij de beschouwing van de macht van den Vorst komt echter de vraag op: wat verstond men in 1814 onder Wetgevende Macht? Waar lagen de grenzen tusschen de Wet aan de eene en tusschen de macht van den Souvereinen Vorst aan de andere zijde? Thorbecke[311] heeft er op gewezen, hoe de Grondwet van 1814 niet, zooals later die van 1815 (art. 105), de uitdrukkelijke bepaling inhield, dat de Wetgevende Macht door den Souvereinen Vorst en de Staten-Generaal gezamenlijk werd uitgeoefend; hoe de bepaling ook van de Schets (art. 14) er aan ontbrak, volgens welke zonder beider goedkeuring geene wet bestond. Ik meen echter, dat men hieraan niet te veel moet hechten, daar uit de voorschriften der Grondwet van 1814 in haar onderling verband toch duidelijk volgt, dat eene wet beider samenwerking vereischte. Wat echter meer van belang schijnt te zijn, is de onbepaalde uitdrukking: _daden der souvereine waardigheid_, zoowel in de Schets (art. 5) als in de Grondwet (art. 32) te vinden. Volgens Hogendorp zoude de Vorst die daden plegen in den Raad van State, het collegie, hem als adviseur ter zijde gesteld. Volgens de Grondwet zoude de Vorst kunnen volstaan met die daden bij dat collegie in overweging te hebben gebracht; hij behoefde dus niet meer in den Raad daarvoor tegenwoordig te zijn, zooals Hogendorp schijnt te hebben gewild. Wat behoorde nu tot het terrein der wet, wat tot dat van de daden der souvereine waardigheid? Zoude de gissing zoo verwerpelijk zijn, dat, overal waar de Grondwet niet uitdrukkelijk eene wet voorschreef, de souvereine vorst zoude meenen te kunnen volstaan met het onderwerp bij besluit te regelen? Eene gissing, die aan waarschijnlijkheid wint, wanneer men èn zich herinnert, dat men onder den Keizer aan de decreten-regeering was gewoon geraakt, èn bij de lezing van het Staatsblad van 1814-1815 ontwaart, hoe menig besluit is genomen daar, waar men eene wet zoude hebben verwacht.

[310] _Ontstaan_ I, 95.

[311] _Aanteekening_, I, 282.

Er is nog een punt, waarop voor het recht verstand van de macht van den Vorst de aandacht behoort te worden gevestigd. Ik bedoel de regeling der financiën: de vaststelling der begrooting van uitgaven en de vaststelling der middelen om ze te bestrijden. Waar de Vorst niet meer staat op het middeleeuwsche standpunt; waar de uitgaven niet meer uit zijne middelen behooren te worden bestreden,--daar komt hij niet meer eene bede richten tot zijne onderdanen, wanneer die middelen te kort schieten; integendeel daar zijn het de belastingen, die door het volk tot instandhouding van den Staat, tot bevordering van aller belang moeten worden opgebracht. Betaling van belasting wordt een ieders plicht. Maar op dit standpunt van den modernen staat zoude het eene ondragelijke dwingelandij zijn, bijaldien de Vorst alleen over het _quantum_ en _quale_ der belasting konde beschikken. De volksvertegenwoordiging, zoo zegt men, moet de koorden der beurs in handen houden. Was dit onder de Grondwet van 1814 het geval? De Grondwet, die, op het voorbeeld der schets, de uitgaven splitste in twee deelen: het eerste bestaande in de zekere en bepaalde uitgaven, uit den gewonen loop der zaken voortvloeiende, en voor eens en voor altijd vastgesteld; terwijl alleen voor het tweede gedeelte, voor de buitengewone en onzekere uitgaven telken jare de toestemming der vertegenwoordiging vereischt werd. Voeg hierbij nu, dat èn Schets èn Grondwet de bestaande belastingen--zoolang daarin bij de wet geene verandering gebracht werd--lieten voortbestaan; dat aldus de Souvereine Vorst beschikken kon over al de middelen van het Fransche belastingstelsel, voor zoover dit door hem zelf in het tijdvak zijner onbeperkte macht niet mocht zijn gewijzigd, dan valt het mijns inziens moeilijk te loochenen, dat de macht der Staten-Generaal in dit opzicht binnen vrij enge grenzen beperkt was.

Voorzeker, wanneer het Nederland aan eene krachtige Regeering zoude ontbreken, dan lag de schuld niet aan de Grondwet, niet aan de macht van den monarch.

In den Regeeringsvorm, dien wij tot dusver hebben geschetst, wijst alles op eenheid in het Staatsbestuur. »Het Nederlandsche volk", zeide van Maanen[312], »is een volk, dat algemeene wetten en een Gouvernement heeft". En in lateren tijd zei Thorbecke[313]: »de Nederlandsche Staat werd op eenheid, niet van uitvoerende macht slechts, maar van vertegenwoordiging gegrond". Men keerde dus niet terug tot den Statenbond der oude Republiek, toen een losse band de gewesten vereenigde: toen er inderdaad geen algemeen bestuur bestond, dat èn het recht èn de macht had zijnen wil te handhaven; toen de Unie geen Unie, maar een chaos was. Werd dan het beginsel der Revolutie, het beginsel der Staatsregeling van 1798; de éen- en ondeelbaarheid van den Staat (art. 1) zonder voorbehoud overgenomen? Maar waar blijft men dan met den naam van: _Vereenigde Nederlanden_? Een naam, die, zooals wij gezien hebben[314], niet voorkwam in Kemper's proclamatie van 1 December 1813, waarbij de Prins tot Souvereine Vorst werd uitgeroepen, wel echter in die van 6 December 1813, waarbij de Prins het bestuur aanvaardde. Een naam, op het voorbeeld der Schets, behouden in de Grondwet (art. 53). Deed men het wellicht, om aan te toonen, dat het herboren vaderland hetzelfde was, hetwelk in den Revolutietijd te gronde was gegaan; was het om tegenover het buitenland als rechtverkrijgende der oude Republiek te kunnen optreden? Of lag er in het behoud van den naam nog iets anders, nog iets dat wees op het karakter van den Staatsvorm? Dat Hogendorp op die laatste vraag bevestigend zoude hebben geantwoord, lijdt mijns inziens geen twijfel. Al wilde ook hij den Statenbond in geenen deele weder in 't leven roepen, al wilde ook hij een Souvereinen Vorst over de Vereenigde Nederlanden, fundamenteele wetten en Staten-Generaal, die, met afzwering der provinciale belangen, het geheele Nederlandsche volk vertegenwoordigden; de provincie en haar bestuur zouden toch volgens zijne Schets een karakter hebben behouden, dat wel niet meer gelijk was aan den toestand van voorheen, maar kwalijk strookte met het beginsel van eén- en ondeelbaarheid der Revolutie. De Staten der provinciën zouden, al zij het dan ook al niet meer in den ouden luister, uit hunne asch verrijzen. Zij zouden blijven op den ouden voet. De adel en de steden zouden, zooals wij vroeger gezien hebben, blijven hunne bron. De adel zoude zijn provinciaal karakter niet verliezen. Het is waar: de souvereiniteit der Staten zoude overgaan op den Souvereinen Vorst, hunne Wetgevende Macht zoude overgaan op den Vorst en de Staten-Generaal; de diplomatie, de financiën en de defensie zouden blijven buiten hunnen kring. Maar, desniettegenstaande zoude de Souvereine Vorst, evenals door de Staten-Generaal, ook door hen worden gehuldigd; zouden zij, evenals hunne voorgangers, de keuze hebben van de afgevaardigden tot de Staten-Generaal. En bovenal zoude het binnenlandsch bestuur in hunne handen geplaatst worden. Wanneer men het derde hoofdstuk der Schets leest, dan springt het in het oog, dat ten opzichte van dit laatste onderwerp vooral eene gedeeltelijke herleving van het oude door Hogendorp gewenscht wordt. Toen ik hierboven den adel en het platte land besprak, is het reeds gebleken, hoe de denkbeelden van Hogendorp in de Commissie geen onverdeelden bijval vonden, en hoe dat, naarmate men langer over de zaak nadacht, men steeds meer en meer begon in te zien, dat eene restauratie, zelfs in den geest van Hogendorp, niet wenschelijk, ja onmogelijk was. Waar Hogendorp eene herleving der oude Staten gewild had, daar werden ten slotte, na onderscheidene wijzigingen der redactie, de Staten eene schepping der Grondwet (art. 73), en wordt het geheel en al aan den Souvereinen Vorst overgelaten, de wijze van samenstelling dier Staten te bepalen (art. 74). De vorst moest dit wel doen, »naar aanleiding dezer Grondwet", maar deze hield daarover geene bepaling in. Al mocht dan ook na vele tegenkanting met eene kleine meerderheid aan den naam van Staten boven dien van _Regeeringen_ of _besturen_ de voorkeur zijn gegeven[315], zij keerden niet jure postliminii terug in het leven. Even als dit met de Staten-Generaal bepaald was, zoo mochten ook zij, in afwijking van art. 42 der schets, niet buitengewoon vergaderen, tenzij door den Souvereinen Vorst bijeengeroepen (art. 83). Zij waren niet vrij in de wijze, waarop zij hunne werkzaamheden zouden regelen; immers de daarvoor te maken bepalingen vereischten de goedkeuring van den Souvereinen Vorst (art. 75)[316]. Doch niettegenstaande deze gewichtige wijzigingen bleef er een groot onderscheid bestaan tusschen de Staten van de Grondwet van 1814 en de departementale besturen van den een- en ondeelbaren Staat volgens de Staatsregeling van 1798, die de besturen had verklaard tot administratieve lichamen, ondergeschikt en verantwoordelijk van het uitvoerend bewind, om niet te spreken van het stelsel van centralisatie onder Koning Lodewijk met zijn Landdrosten, onder Napoleon met prefecten gehuldigd. Hoe ging het met art. 3 der Schets, waarin was voorgeschreven, dat na den eed door den Vorst afgelegd, deze zoude worden ingehuldigd door de Staten-Generaal en Provinciaal? Van Maanen zeide: »ik weet niet, waartoe die inhuldiging van de zoogenaamde Staten provinciaal zal dienen;--zij zijn geen Staten:--het is eene noodelooze en zeer gevaarlijke ceremonie om den gevolgen wille; men zal er uit argumenteeren". Elout zag minder zwarigheid in die ceremonie, mits er duidelijk uitgedrukt werd, dat die inhuldiging toto coelo verschilde van die der Staten-Generaal. Dit had ten gevolge, dat, hoewel Hogendorp er op wees, dat men de denkbeelden der menschen niet moest choqueren, alles zoo zacht mogelijk moest uitdrukken, bijna niet doen gevoelen, dat er een onderscheid was, er toch ten slotte in de Grondwet (redactie van 28 Febr. 1814) een formulier van inhuldiging voor de Staten werd opgenomen, geheel verschillend van dat der Staten-Generaal, en waarbij de Staten verklaarden, achtervolgens de verplichtingen hun bij de Grondwet opgelegd, de bevelen, door den Souverein of van zijnentwege gegeven, te zullen gehoorzamen en alles te zullen doen, wat getrouwe onderzaten aan hunnen souverein schuldig waren en behoorden te doen. Zoo werd de vorm behouden, maar het wezen der zaak opgeofferd.

[312] Aanspraak bij Metelerkamp, 114.

[313] Rede, gehouden in de Tweede Kamer der Staten-Generaal den 29 Mei 1845.

[314] Bl. 47.

[315] _Ontstaan_ I, 170 (zeven tegen vijf).

[316] _Schets art._ 39, 1e en 2e _lid_: »De Staten der provinciën en landschappen blijven op den ouden voet, in zoo verre geene verandering daarin gebragt is bij deze Grondwet. Zij behouden teffens de volkomen vrijheid om zoodanige veranderingen in hunne Constitutiën en Reglementen, als zij goedvinden, met overleg van den Souvereinen Vorst, te maken behoudens alleen deze Grondwet."

_Redactie der Commissie van 6 Jan. 1814_: »De Staten der provinciën of landschappen blijven in zoo verre geen verandering in dezelve gebragt is bij deze Grondwet of door hen zelve gemaakt zullen worden; staande het aan dezelve volkomen vrij om alle die veranderingen te maken als zij noodig zullen oordeelen met goedvinden en toestemming van den Souvereinen Vorst en behoudens deze Grondwet."

_Redactie der Commissie van 11 Januari 1814_: »Er zullen Staten van de provinciën of landschappen zijn, wier zamenstelling en werkzaamheden geregeld worden in de eerste plaats door de instellingen van deze Grondwet en in de tweede plaats door alle zoodanige verdere instellingen als de respectieve Staten noodig zullen oordeelen en door het goedvinden en de toestemming van den Souvereinen Vorst zullen worden bekrachtigd behoudens deze Grondwet.

De eerste benoeming en bijeenroeping van deze Staten zal geschieden door den Souvereinen Vorst overeenkomstig met de omstandigheden; dezelve maken hun eerste werk van het ontwerpen hunner reglementen."

_Redactie der Commissie van 7 Februari 1814_: »Er zullen Staten van de provinciën of landschappen zijn.

De zamenstelling en werkzaamheden der Staten worden in de eerste plaats geregeld door de instellingen van deze Grondwet.

De zamenstelling der Staten wordt in de tweede plaats geregeld, naar aanleiding der omstandigheden, door den Souvereinen Vorst, welke ten dien einde in eene provincie of landschap eene Commissie benoemt om hem te dienen van advies, alles behoudens deze Grondwet.

De werkzaamheden worden mede in de tweede plaats geregeld door alle zoodanige verdere instellingen als de respectieve Staten noodig zullen oordeelen, en door het goedvinden en de toestemming van den Souvereinen Vorst zullen worden bekrachtigd, alles behoudens deze Grondwet.

De Staten maken hun eerste werk van het ontwerpen dezer reglementen".

_Grondwet_, art. 73: »Er zullen zijn Staten van de provinciën of landschappen.

Art. 74. Derzelver zamenstelling wordt, naar aanleiding van deze Grondwet, geregeld door den Souvereinen Vorst, die voor elke provincie of landschap eene Commissie benoemt, om hem dienaangaande te dienen van advies.

Art. 75. De werkzaamheden der Staten worden, behoudens de voorschriften daaromtrent bij deze Grondwet vastgesteld, geregeld door zoodanige bepalingen als zij noodig oordeelen en door den Souvereinen Vorst, ingeval van goedkeuring, bekrachtigd worden. Zij maken hun eerste werk van het ontwerpen dezer reglementen."

Gelukkiger was Hogendorp met zijn voorstel, om de Staten der provinciën, evenals voorheen, te belasten met de keuze van de afgevaardigden der Staten-Generaal. Van eene oppositie, zooals van J. M. Kemper in zijn brief aan den Souvereinen Vorst daartegen uitging[317], vind ik in de beraadslagingen der commissie geen spoor. Er waren alleen enkelen, die het recht der Staten tot het opmaken eener nominatie wenschten te beperken; niemand wilde hen geheel uitsluiten van die taak[318]. Ook in de omschrijving van de taak der Staten als besturend lichaam schijnt in vele opzichten Hogendorp een groot deel van hetgeen hij wenschte te hebben bereikt. Ik zeg voor een groot deel, niet in alles. Het recht om dispensatie van wetten te geven werd aan dit collegie ontnomen en toegekend aan den Souvereinen Vorst. Maar hun werd niet alleen de beschikking over hunne huishoudelijke belangen overgelaten; zij werden, ook als agenten van het Rijksbestuur, belast met de uitvoering der wetten betrekkelijk het binnenlandsch bestuur[319]. Het punt van uitgang verschilt echter van dat van Hogendorp. Bij dezen blijven de Staten--met uitzondering van hunne wetgevende macht--dat binnenlandsch bestuur alles naar ouder gewoonte behouden. In de Grondwet daarentegen is zij het, die, evenals de Staten hare schepping zijn, ook deze taak aan hen opdraagt. Van hier ook het denkbeeld van Hogendorp, dat de Souvereine Vorst tegenover de Staten zoude staan met dezelfde rechten als vroeger de Stadhouders (art. 29). Van hier daarentegen de bepalingen der Grondwet (art. 91, 86), die den Souvereinen Vorst het onbeperkte recht gaf, de besluiten der Staten, die met de wet of het algemeen belang strijdig waren, te schorsen en buiten effect te stellen; die hun, als deel der Uitvoerende Macht, den plicht oplegde de bevelen na te komen, die de Souvereine Vorst ten opzichte van de uitvoering der wetten hun mocht geven. Hij zoude dan ook niet meer in elke provincie, naar ouder gewoonte, een Stadhouder aanstellen (Schets art. 39), maar een Commissaris onder zulk eene benaming, als hij zoude goedvinden en met zoodanige instructie, als hij ter uitvoering van het gezag, hem bij de Grondwet toegekend, zoude vermeenen te behooren (art. 76 der Grw.).

[317] _Verhandelingen_, III, 95 (brief van 2 Februari 1814 aan den Souvereinen Vorst).

[318] _Ontstaan_ I, 123, 129.

[319] Art. 86 der Grondwet. »Dezelve Staten worden belast met de uitvoering der wetten en bevelen omtrent de bevordering van godsdienst, openbaar onderwijs en armbestuur, de aanmoediging van den landbouw, den koophandel, de fabrieken en trafieken en voorts omtrent alle andere zaken, welke aan hen ten dien einde door den Souvereinen Vorst worden toegezonden."

Wilde men het beginsel van Staatseenheid waarborgen, er diende een dergelijk ambtenaar te zijn. Maar het valt niet te ontkennen, dat die Commissarissen het middel konden worden en--bestempeld met den weidschen titel van Gouverneur--het middel geworden zijn, om langs eene achterdeur weder het stelsel van centralisatie te doen binnensluipen, zooals de traditie van de Napoleons dit medebracht. Het kwam hier op de verhouding tusschen drie machten aan: de Gouverneur, de Staten en de Gedeputeerde Staten. De eerste twee waren imperatief door de Grondwet voorgeschreven. Wat echter de derde betreft, evenals Hogendorp, zoo had ook de Grondwet in art. 93 het aan de Staten zelve overgelaten, of zij een collegie van eenige leden uit hun midden tot beleid van zaken, zoo gedurende den tijd hunner vergadering als van hunne afwezigheid, wilden kiezen. Toch was het--in aanmerking genomen, dat de Staten slechts zelden bijeen zouden komen--boven allen twijfel verheven, dat dergelijk collegie in alle provinciën zoude moeten worden ingesteld. Vooral met het oog op de uitvoering der wetten was dit noodzakelijk. Repelaer[320] ging zelfs zoover van te zeggen, dat het zijne bedoeling altijd geweest was, om de Staten meer honorifieke qualiteiten te geven, maar de uitvoering der wetten in den Representant van den Vorst en de gecommitteerde Raden of gedeputeerde Staten te verzekeren, in een collegie, dat klein moest zijn en nooit tegenstand zoude kunnen bieden. Maar Staten of gedeputeerde Staten: van nog meer belang was de vraag: op welke wijze de taak van 's Vorsten Commissaris zoude worden uitgewerkt. Er waren zooals van Imhoff, die in hem zagen, wat de prefect onder Napoleon, of de Landdrost onder Lodewijk geweest was; dit beteekende dus de voortzetting der Napoleontische centralisatie. Het was dan ook in die richting, dat de aan de Gouverneurs bij besluit van 23 Juni 1814 gegevene instructie hun niet alleen eene beslissende stem gaf bij staking der stemmen in Staten en Gedeputeerde Staten (art. 8), maar hun zelfs de bevoegdheid verleende, in spoedeischende zaken buiten de Staten of Gedeputeerde Staten om te beslissen--behoudens de later van deze collegies te vragen goedkeuring (art. 7). Eene bepaling, die uit den aard der zaak de kiem van misbruik in zich sloot. Eene kiem, die, zooals de geschiedenis heeft geleerd, welig is opgeschoten, zoodat de Gouverneurs der provinciën de voetstappen der prefecten of Landdrosten begonnen te drukken en in hen ten slotte eene soort van onderkoning met een hof in miniatuur gezien werd. Als ik dit alles overweeg, dan vraag ik mij zelven af, of het wel juist was, toen ik zeide, dat voor een groot deel datgene werd bereikt, wat door Hogendorp bedoeld was, en of niet, al zij het dan in strijd met de Grondwet, van het beginsel van zelfregeering der provinciën weinig terecht kwam. In het algemeen kan men dus zeggen dat _de Vereenigde Nederlanden_ een naam waren zonder zin, dat het beginsel van eenheid het geheele Staatswezen doortrok, en dat in zoover de herboren Staat een kind was van de Revolutie van 1795, met dit onderscheid, dat de monarchale vorm dien der Republiek had vervangen. Zoo werd in vele opzichten verijdeld, wat Hogendorp zich had voorgesteld. Toch meenen wij hem dankbaar te mogen zijn daarvoor, dat hij er in geslaagd is, in de Grondwet neêr te leggen de kiemen van zelfbeheer der deelen, kiemen, die in latere dagen, toen de natie weder tot publiek leven was ontwaakt, tot wasdom hebben kunnen komen zonder aan de eenheid van den Staat te kort te doen[321].

[320] _Ontstaan_ I, 243.

[321] Falck schrijft den 24sten September 1814 aan Röell: »De waarschuwingen van van Maanen, Kemper enz. hebben mij op het stuk der Staten dikwijls doen denken, maar nimmer is een vreeze of beduchtheid voor verlamming van het Souverein Gezag door middel hunner werking, het resultaat mijner overwegingen geweest."

Minder dankbaar moet men hem zijn voor hetgeen hij op een ander gebied dan dat der wetgevende en besturende Macht beoogde en voorstond. Ik bedoel de Rechterlijke Macht. Eerbiediging van het beginsel van eenheid werd ook in zooverre door hem gewild, dat alle de provinciën een en hetzelfde Wetboek en dezelfde manier van procedeeren zouden hebben. Op dit punt dus geene reactie. Maar, terwijl hij geen onderscheid wenschte in de burgerlijke en strafwetgeving naar de lokaliteiten, zoude dit ten opzichte van de inrichting der rechtbanken wel het geval zijn. »Bij deze inrichting"--zegt hij--»de oude eerwaardige instellingen te herstellen, en ook hierin den geest der nieuwigheden, die ons land bedorven heeft, zooveel mogelijk uit te roeien"[322]. En al mocht hij ook al hebben ingezien, dat de oprichting van een hoogste rechterlijk collegie, de Hooge Raad, voor het geheele land noodig was, daaronder zoude bijna al het oude in 't leven zijn teruggeroepen, en zelfs, zooals wij vroeger gezien hebben, de ambachtsheerlijkheden met haar privaatrechterlijk karakter. Tegen die denkbeelden stak een storm op in den boezem der Commissie. Elout, Röell, van Imhoff verhieven daartegen hunne stem. Niet het minst van Maanen, de president van het Hoog Gerechtshof. Hij noemde de oude rechtspleging monstrueus en onbestaanbaar met eene algemeene manier van procedeeren. »Wij hebben"--zeide hij--»bij ondervinding gezien, dat de zaken met een hof en weinig rechters goed gaan en dat de justitie nimmer beter is geadministreerd geworden dan thans"[323]. En hoewel men zoover niet ging als van Maanen wenschte, en aan het provincialisme te gemoet kwam, door in elke provincie een Hof en daarboven den Hoogen Raad te plaatsen, toch werd er beslist met het oude gebroken en de rechterlijke macht geheel gezuiverd van alle privaatrechterlijke denkbeelden. Er dient echter te worden bijgevoegd, dat ook zij, die in andere opzichten niet wars waren van de Napoleontische beginselen van Staatsbestuur, die ook in de rechterlijke organisatie het eenvoudige van het Fransche systeem voorstonden, van de andere zijde toch van afschrik vervuld waren over de wijze, waarop door 's Keizers willekeur, door zijne hooge politie met de burgerlijke vrijheid der ingezetenen was gespeeld. Terwijl de Grondwet zich in 't algemeen zorgvuldig onthield van het toekennen van rechten aan de ingezetenen, van iets, wat naar eene _déclaration des droits_ van de Revolutie zweemde, werd in het hoofdstuk der Grondwet over de Justitie door de commissie toch menige bepaling ingelascht, met het doel om aan de ingezetenen de burgerlijke vrijheid te verzekeren. Waarborgen tegen willekeurige inhechtenisneming, waarborgen tegen exeptioneele rechtspraak en andere van dezelfde strekking werden op voorstel van Elout in de Grondwet opgenomen[324]. Voor de onafhankelijkheid der rechterlijke macht werd door de aanstelling van de leden van den Hoogen Raad niet alleen, maar ook van de leden der provinciale Hoven voor het leven, wat trouwens door Hogendorp ook was voorgesteld, beter gezorgd, dan volgens de fransche organisatie het geval was geweest.

[322] _Ontstaan_ I, 75.

[323] _Ontstaan_ I, 253.

[324] _Ontstaan_ I, 248.