De Wedergeboorte van Nederland
Part 17
Deze redactie nu brengt iets geheel nieuws. Bij uitsterving van het mannelijk oir worden nu ook de nakomelingen van den Souvereinen Vorst in de vrouwelijke lijnen zonder eenige beperking tot den troon geroepen. Dit geschiedt echter niet ten opzichte van de nakomelingen zijner zuster, evenmin als voor het huis van Nassau-Weilburg. In die beide huizen blijft het erfrecht tot den mansstam beperkt[292].
[292] Zonder dat de reden daarvan bekend is, in art. 6 van de Grondwet het woord _mannelijke_ voor de nakomelingen van de douairière van Brunswijk-Luneburg weggevallen, terwijl in art. 7 de uitdrukking _mannelijk oir_ voor het huis van Nassau-Weilburg bleef gehandhaafd.
Uit den loop dezer zaak moet men wel afleiden, dat deze belangrijke uitbreiding van het erfrecht door den Souvereinen Vorst gewenscht werd. Hierin was ook niets vreemds gelegen. Als hoofd van een der beide Nassausche stammen was hij Duitsch Vorst en moest hij het zeer natuurlijk vinden, dat evenals dit in Nassau en elders in Duitschland het geval was, subsidiair de vrouwelijke lijnen tot het erfrecht geroepen werden. Op het Duitsche standpunt lag dan ook hierin niets aanstootelijks. Wij waren echter gedurende meer dan twee eeuwen aan eene andere zienswijze gewoon geraakt; voor ons was het wel vreemd dat in de Grondwet dit onbeperkte erfrecht aan de vrouwelijke lijnen werd gegeven. Ook thans echter vindt dit stelsel nog zijne verdedigers. Men wil daardoor het gevaar voorkomen, dat de troon ooit open zoude kunnen vallen, zonder dat er een opvolger aanwezig is. Maar ook het voordeel hierin gelegen kan te duur worden gekocht. Men zou op dien grond een erfpacht in de vrouwelijke lijn kunnen verdedigen--mits zoodanig _beperkt_, dat men niet behoeft te vreezen de kroon te zien vallen in handen van iemand, die aan ons land geheel vreemd is. Maar hierdoor wordt niet gerechtvaardigd dergelijke sprong in het duister als met het onbeperkte erfrecht in de vrouwelijke lijn gepaard gaat. Of was wellicht de veiligheidsklep voldoende, die in art. 8 der Grondwet geplaatst werd? Wanneer bijzondere omstandigheden eene verandering in de erfopvolging ging mochten noodzakelijk maken, was krachtens dit artikel de souvereine vorst bevoegd daaromtrent eene wet aan de Staten-Generaal voortedragen. Zou dus te eeniger tijd iemand aanspraak op den troon verkrijgen, dien men om deze of gene reden minder wenschelijk achtte, dan kon dat op deze wijze worden voorkomen. »Zulk eene verandering", zeide Hogendorp[293] op het met artikel 8 overeenkomende art. 24 der Grondwet van 1815, »kan vele oorzaken hebben, en daarom is er niet eene aangehaald. De beslissing is veelmeer geheel overgelaten aan den koning en de nationale vertegenwoordiging in der tijd. Maar onder deze oorzaken behoort ook, dat de kroon eens zou moeten worden overgebracht in een vreemd huis, weinig daartoe geschikt, maar verder verwijderd van de opvolging zoude zijn". Is waarlijk ons land, evenals Engeland, krachtig genoeg om althans tegenover een invloedrijk Europeesch geslacht zich dergelijke vrijheid zonder gevaar te kunnen veroorloven? Iets anders is het echter of het in naam onbeperkte erfrecht niet ten gevolge van een ander voorschrift der Grondwet toch inderdaad binnen engere grenzen zoude blijken te zijn beperkt. In 1747 was het erfrecht der dochters van Willem IV en Willem V hiervan afhankelijk gesteld, dat zij niet zouden huwen zonder toestemming der Staten. Hogendorp stelde in zijne Schets ook dergelijke vereischte voor de mannelijke nakomelingen van den Souvereinen Vorst. Alleen zij zouden zijn bekwaam ter opvolging, die gesproten waren uit een huwelijk, ingegaan met onderling goedvinden van den S. V. en de Staten-Generaal. Toen nu aan de vrouwelijke lijn het onbeperkte erfrecht werd toegekend, bleef dit vereischte bestaan, doch werd nu geschreven voor alle--dus zoowel mannelijke als vrouwelijke--nakomelingen van den souvereinen vorst. Zooals art. 2 luidt, zouden niet alleen de leden van het huis van Oranje-Nassau, maar ook de afstammelingen daarvan door vrouwen de toestemming moeten hebben erlangd, om het erfrecht in hun geslacht te behouden. Vreemd was het zeker dergelijke verplichting op te leggen aan vreemde vorsten, die misschien bij het sluiten van hun huwelijk nog zeer ver van de successie verwijderd waren. Thorbecke noemt het dan ook eene vooral bij mogelijke toepassing op de huwelijken van vreemde vorsten ongewone staatsrechtelijke bepaling[294]. Nu echter eenmaal voor de vrouwen en hare afstammelingen de deur wagenwijd was opengezet, en het dus van het toeval zoude afhangen, welk vreemd huis binnen korteren of lateren tijd over Nederland zoude geroepen worden te regeeren, kon door de inachtneming van dat artikel dit bezwaar worden getemperd. Voor de hand ligt het echter bewezen, dat het dan beter ware geweest het erfrecht in de vrouwelijke lijn òf uittesluiten òf binnen enge grenzen te beperken[295].
[293] _Bijdragen_ VIII, blz. 228.
[294] _Aanteekening op de Grondwet_, I, blz. 61.
[295] Mr. Farncombe Sanders heeft in zijn doorwrocht stuk over _de Troonopvolging_ (Bijdragen tot het Staatsbestuur, XXVI, blz. 251 en vlg.) de meening verdedigd, dat dit voorschrift alleen zag op de huwelijken van de leden van het huis van Oranje-Nassau, niet op die van de leden van vreemde huizen, door vrouwen afstammende van Willem I. De hoofdkracht van zijn betoog zit, indien ik mij niet bedrieg, hierin, dat de gewone opvatting tot ongerijmdheden zou leiden. Geeft dit echter recht niet uitgezonderde gevallen aan de werking van een algemeen voorschrift te onttrekken?
Vreemd is het in elk geval, dat, wanneer men zich voorstelde dat alle wettige afstammelingen van den souvereinen vorst recht op den troon zouden erlangen en daarna nog aan het huis van Nassau-Weilburg dit recht toekende, men de voorzichtigheid zoo ver dreef van ook nog te bepalen, wat er zoude geschieden, wanneer geen bevoegde erfopvolging mocht bestaan. De souvereine vorst zoude dan aan de Staten-Generaal een opvolger voordragen, en zoo dit bij zijn leven verzuimd was of de Staten-Generaal de voordracht niet mochten hebben goedgekeurd, zouden de Staten-Generaal zelve tot die benoeming overgaan (art. 9-11).
Voor de duurzaamheid der monarchie was dus naar eisch gezorgd. De aard der monarchie brengt naar de algemeen aangenomen zienswijze mede, dat de Vorst boven allen uitsteekt, boven allen schittert; dat tegen hem, als het hoofd der samenleving, door allen wordt opgezien. Dit alles vereischt, dat die Vorst toegerust zij met middelen, voldoende om zijnen staat luisterrijk op te houden. Men was daarvan, toen de regeling van 's Vorsten inkomen aan de orde kwam, overtuigd. Er was bovendien eene omstandigheid, die er toe medewerkte, om den Vorst een hooger inkomen toe te kennen, dan anders met het oog op de benarde financieele omstandigheden dier dagen wellicht het geval zoude geweest zijn. Had de Revolutie, had de tiërceering der schuld door Napoleon een bres in veler financiën geschoten, het huis van Oranje was niet het minst in zijne hulpbronnen gekortwiekt. Ik bedoel de verbeurdverklaring hunner goederen binnen het grondgebied der Republiek gelegen, door de Franschen in 1795 als eene buit beschouwd en door hen afgestaan aan den Staat. Toen men eindelijk, in overleg met den Souvereinen Vorst, het inkomen der Kroon bepaalde op de voor die dagen aanzienlijke som van anderhalf millioen, was het de bedoeling, die som voor een deel te beschouwen als eene vergoeding voor het nadeel door het Vorstenhuis bij en door de omwenteling geleden.
Zoo werd dan de monarchie hier te lande gevestigd. De _nervus rerum_ zoude haar niet ontbreken, waar het de vraag was haren luister op de bevolking te doen afstralen. Het recht van den Souvereinen Vorst, om niet alleen ridderorden uit te deelen, maar ook om zijne onderdanen in den adelstand te verheffen, wat hem maakte tot de bron van alle eer, stelde hem bovendien in de gelegenheid, zich te omringen van mannen, uitblinkende boven hunne medeburgers en geschikt om de decoratie der monarchie te zijn.
Kon men nog iets meer wenschen? Ja, eene zaak ontbrak nog aan den luister der Souvereiniteit. De Vorst moest zich voorloopig tevreden stellen met als _Koninklijke Hoogheid_ te worden aangesproken. Het woord _Majesteit_ was nog niet voor hem weggelegd. Het tijdstip was nog niet aangebroken, waarop de Goden dezer aarde hem als hun evenknie zouden erkennen, het geheiligde karakter van het koningschap ook het zijne zou zijn. Doch alle hoop bestond, dat Noord en Zuid met elkander zouden worden vereenigd en de koningstitel dan een deel zou zijn van den bruidschat, dien België hem zou aanbrengen. Tot zoolang bleef hij den naam dragen van _Souvereine Vorst_, een naam, waarbij het de vraag is, of hij niet meer een bevoegdheid aanduidde, dan wel als een eigenlijke titel, in het verkeer der volkeren erkend, kon worden aangemerkt.
Tot dusver treedt ons de monarchie te gemoet als instelling, bestemd om te schitteren, bestemd om op de verbeelding der natie te werken. Wat zoude echter hare eigenlijke taak zijn? Wat zoude de Vorst doen, wat zoude zijne macht zijn, vergeleken met die van de andere organen van den Staat? Immers bij ons werd niet overgenomen het monarchale beginsel in dien zin, dat Monarch en Staat met elkander vereenzelvigd werden; dat de Vorst met Lodewijk XIV zoude kunnen zeggen: _l'Etat c'est moi_; dat--zooals ook in Engeland het geval is, de Staat zoude opgaan in den Vorst. De Grondwet toch onderscheidde den Staat der Vereenigde Nederlanden van den Souvereinen Vorst[296]; de laatste was een orgaan van het, hoewel onzichtbare, toch bestaande lichaam. Hij was echter niet dat lichaam zelf. Welke nu was zijne macht in dat Staatswezen? Wij zien allen--ook Hogendorp--eenstemmig daarin, dat de diplomatie, de defensie en de financiën in zijn hand vereenigd moesten zijn. De geschiedenis van de Republiek der Vereenigde Nederlanden had het voor elk en een iegelijk duidelijk gemaakt, welke nadeelige gevolgen verbonden waren aan het gemis van eenheid en diensvolgens van kracht bij het bestier der buitenlandsche betrekkingen, bij de beschikking over land- en zeemacht, en over de geldmiddelen. Zoo ergens centralisatie noodig was, zoo was dit hier. Zoo ergens moest hier de Souvereiniteit der gewesten overgaan in eene gemeen gemaakte macht. Maar evenmin wenschte men in het bestuur van de koloniën en de bezittingen van den Staat in andere werelddeelen terug te keeren tot het stelsel der compagnie--zonder dergelijk tusschenlichaam werd het bestuur daarover geplaatst in handen van den Vorst. En terwijl Hogendorp--zooals wij boven[297] gezien hebben--ten opzichte der justitie nog voor een deel het oude wilde herstellen, de rechtspraak niet wilde ontdoen van alle privaatrechtelijke bestanddeelen, bleef toch ten slotte met aller toestemming het beginsel gehandhaafd, om in die rechtspraak niets anders te zien dan een tak van bestuur, uitgeoefend namens den Souverein en toevertrouwd aan beambten door hem aangesteld. Zoo was de volheid der executieve macht--om Hogendorp's woorden te gebruiken[298]--toegekend aan den Souvereinen Vorst. Hieronder was zelfs begrepen het recht van oorlog en vrede, het recht om tractaten te sluiten, onverschillig welke hun inhoud mocht zijn. Maar bovendien deelde de vorst met de vertegenwoordiging des volks, met de Staten-Generaal de wetgevende macht. De leer der elkander in evenwicht houdende machten, door Montesquieu aan Europa gepredikt: de leer van de scheiding der wetgevende en uitvoerende macht, elke aan een afzonderlijk orgaan toevertrouwd, was niet meer in eere. Men begreep, dat hij, die aan het hoofd van den Staat staat, ook 't best in de gelegenheid is, de richting aan de wetgeving te geven, dat hem alleen de voldoende middelen ten dienste staan, noodig om als grondslagen voor doeltreffende wetten te dienen. Moge ook al Hogendorp, en op zijn voorbeeld de commissie, aan de vertegenwoordiging het recht om wetten voor te stellen, behoudens eenige uitzonderingen[299] niet hebben onthouden, de Grondwet toonde genoegzaam aan, dat men het initiatief in den regel verwachtte van den Souvereinen Vorst. Het formulier voor de afkondiging der wet, in de Grondwet opgenomen[300], ging van het denkbeeld uit, dat de Vorst de wetgever was, die met gemeen overleg der Staten-Generaal _goedvond_ en _verstond_, eene wet uit te vaardigen.
[296] Art. 106 Gw.: De Hooge Raad oordeelt over alle actiën, waarin de Souvereine Vorst, de Leden van het Vorstelijk huis of de Staat als gedaagden worden aangesproken.
[297] Bl. 132.
[298] _Ontstaan_ I, 74.
[299] Art. 8, 9, 43, 58, 126 der Grondwet.
[300] Art. 47.
Het lichaam, waaraan niets werd toegekend dan een aandeel in de wetgevende macht, ontleende den naam en den vorm aan het machtige collegie van de Republiek der Vereenigde Nederlanden. De Staten-Generaal herleefden--alleen werden de leden van Hun Hoog Mogenden gedegradeerd tot Edelmogende Heeren. Zij herleefden als één lichaam; aan het tweekamerstelsel werd door niemand gedacht. Zij zouden even als vroeger worden gekozen door de Staten der provinciën. Maar behalve in naam, in vorm en in bron was er weinig of geene overeenkomst. Het waren niet meer de lasthebbers der souvereine gewesten, maar de zelfstandige vertegenwoordigers van het geheele Nederlandsche volk. Ja, welk een klove lag er zelfs tusschen de Staten-Generaal van de Grondwet van 1814 en het collegie, hetwelk Hogendorp zich had geschetst, toen hij na de omwenteling van 1795, ambteloos en verdrietig, zat te mijmeren over de wijze, waarop--wanneer eens de Revolutie overwonnen was--de Unie moest worden hervormd. Toen ik hierboven[301] de opdracht der Souvereiniteit aan den Prins besprak, wees ik er reeds op, dat Hogendorp in 1795 eene hervorming van het Staatsbestuur met het behoud van het Republikeinsch karakter mogelijk en wenschelijk achtte. Ook nog in 1799[302] staan in de door hem ontworpene herziene Unie van Utrecht de Staten-Generaal aan het hoofd van den Staat, aan het hoofd van de door de Staten der provincie af te stane, gemeen gemaakte macht. Aan de Staten-Generaal het recht, niet alleen om oorlog te verklaren, maar ook om tractaten te sluiten, aan deze de beslissingen der geschillen tusschen de provinciën, aan deze de regeling der financiën. En voor zoover die door de provinciën afgestane, gemeengemaakte macht door anderen zoude worden uitgeoefend, zoude dit toch geschieden op naam der Staten-Generaal. In hunnen naam zouden handelen de Erfgouverneur, Kapitein en Admiraal-Generaal der Vereenigde Nederlanden, de Raad van State, de Hooge Raad. En al kende Hogendorp de onschendbaarheid aan den Erfgouverneur toe, deze werd toch niet de Souverein. Hij zoude voorzitten èn in de Staten-Generaal èn in den Raad van State, het collegie, waaraan met den Erfgouverneur de uitvoerende of besturende macht was opgedragen. Op deze wijze zoude er voldoende gezorgd worden voor de eenheid in het algemeen bestuur; immers al mochten ook de provinciën hare souvereiniteit behouden, al mochten ook de Staten-Generaal door de Staten der provinciën gekozen worden, de leden van dit collegie zouden, aan geene lastbrieven gebonden, toch zelfstandig zijn in de uitoefening der bondgenootschappelijke macht, en voor zoover noodig zoude dit klem en kracht vinden in den Hoogen Raad, met de handhaving der Unie door de constitutie te belasten. Van eene inrichting als deze moest Hogendorp afstand doen, zoodra hij tot het monarchale beginsel bekeerd was, en de souvereiniteit der provinciën op den Vorst zoude worden overgedragen. Zal men daarom zich er over verwonderen, dat desniettegenstaande in de schets van Hogendorp sporen zijn overgebleven van die vroegere zienswijze, zijne Staten-Generaal nog niet geheel strookten met het monarchaal beginsel, zooals dat werd aangekleefd door hen, wien, als er van monarchie gesproken werd, de monarchie van Napoleon voor den geest kwam. Wanneer men de beraadslagingen der commissie leest, dan is het vooral van Maanen, die waarschuwt tegen de republikeinsche denkbeelden der schets, die zegt: »zoo iets is ongevoegelijk in eene monarchie"; die uitroept: »als dit doorgaat, is het monarchaal beginsel weg". Dientengevolge zien wij dan ook meer dan eene bepaling der schets, die hare verklaring vindt in de herinnering aan de oude Republiek, in de Grondwet niet overgenomen. De Staten-Generaal zouden ook volgens de Schets (art. 28) anders dan op het bij de Grondwet bepaalde tijdstip niet bijeenkomen, tenzij op beschrijving van den Souvereinen Vorst; waren zij echter bijeen, dan zoude, volgens Hogendorp, het goedvinden der Staten-Generaal vereischt worden, om hen weder te doen uiteengaan (art. 33). Art. 65 der Grondwet daarentegen stelde dit laatste geheel en al ter beslissing van den Souvereinen Vorst. De Staten-Generaal waren zijn raad; waren het collegie, dat hem bij de wetgeving ter zijde stond, dat niet alleen door hem in beweging gesteld werd, maar ook op zijnen wenk weder stilstond. Waar de Staten-Generaal door art. 34 der Schets geroepen werden, de tusschen provinciën ontstane geschillen in der minne bij te leggen, daar gaf art. 48 der Grondwet aan den Souvereinen Vorst de bevoegdheid, die geschillen, van welken aard ook, administratieve of rechtsgeschillen, in eerste en laatste instantie te beslechten. Er is nog eene andere bepaling der Schets (art. 29), die uit hetzelfde oogpunt de aandacht trekt. Wat is op het monarchaal standpunt natuurlijker, dan dat het hoofd van den Staat, terwijl het de begrooting van uitgaven opmaakt en aan de goedkeuring der Vergadering onderwerpt, tevens nagaat en voorstelt, uit welke middelen die uitgaven zullen worden bestreden? Neen, zeide Hogendorp, het is het best, dat het volk zich zelf belaste. En wanneer men hem op de practische bezwaren wees, die uit de overlating dezer zaak aan de Staten-Generaal moesten voortvloeien, antwoordde hij dat de minister van financiën wel altijd lid van de Staten-Generaal zoude zijn, en dus voor het opmaken eener voordracht zoude kunnen zorgen. Het gelukte hem echter niet de meerderheid te overtuigen. Want werd eerst al de redactie slechts in zooverre veranderd, dat de kwestie in 't midden werd gelaten, ten slotte bepaalde toch de Grondwet, dat eene voordracht over de middelen zoude worden ingediend, en bleef dus het initiatief van de regeling der geldmiddelen geheel in handen van den Vorst[303].
[301] Bl. 45.
[302] _Br. en Ged._ III, 175.
[303] Schets (art. 29, 2e zinsnede:) »Zij (de Staten-Generaal) wijzen vervolgens de middelen aan, waaruit die uitgaven moeten gevonden worden."
Redactie van 4 Januari 1814, 2e zinsnede: »De Staten-Generaal delibereeren vervolgens over de middelen, waaruit de uitgaven zullen genomen worden."
Redactie van 28 Febr. 1814, 2e zinsnede (Grondwet art. 70): »Zij raadplegen vervolgens over de _voorgeslagen_ middelen tot vinding van dezelve" (de uitgaven).
Maar, behalve de bepalingen, rechtstreeks met het monarchaal beginsel in strijd, waren er bovendien andere, die het vermoeden wettigen, dat Hogendorp in de Staten-Generaal nog iets meer zag, dan een lichaam, geroepen om wetsontwerpen goed te keuren en wetsvoorstellen te doen. Deze gissing kwam bij mij op onder de overweging der vraag: waarom Hogendorp, met afwijking van het bepaalde in de constitutiën van 1798, 1805 en 1806, in art. 38 der Schets het lidmaatschap der Vertegenwoordiging openstelde voor de Ministers, de Staatsraden enz., in een woord voor de hoogste dienaren van den Staat. Of was dit alleen om, zooals hij het in zijne _Aanmerkingen_[304] uitdrukte, de Staten-Generaal te zien samengesteld uit de bloem der natie: niet omdat hij van oordeel was, dat de dienaren der Besturende Macht in de Staten-Generaal ook nog eene taak te vervullen hadden? In de commissie had men er niet recht vrede mede, doch na eenige oppositie werd toch Hogendorp's beginsel gehandhaafd[305]. Eene andere bepaling wijst echter met meer zekerheid op de oude Republiek. Ik bedoel de herstelling van het ambt van Raadpensionaris, door Hogendorp gewild. Een Staatsdienaar, die door den Souvereinen Vorst uit eene door de Staten-Generaal opgemaakte nominatie voor vijf jaren zoude worden gekozen, en aan het hoofd van dit collegie zoude staan. Hij kon lid der Staten-Generaal zijn; noodig was het echter niet (art. 36-38 der Schets). Het is duidelijk, dat de Commissie geen weg wist met dit ambt. Wat zoude de Raadpensionaris doen? De leden werden niet veel wijzer door Hogendorp's woorden: »deze Raadpensionaris is hetzelfde, dat hij was in de provincie; men heeft hem van de Provinciale Staten in de Staten-Generaal overgebracht om den eerbiedwaardigen naam te behouden." Was het dan alleen om den naam te doen? Neen, want hij moest, volgens Hogendorp, dienen, om »een concert en communicatie te hebben tusschen de vergadering en den Vorst". »Hij moest ministerieele functiën uitoefenen". Maar waarin zouden zij bestaan? Elout zeide: »wat kan de president of Raadpensionaris te doen hebben? de voordragten aannemen van den Vorst, in deliberatie brengen en te concludeeren. Item omtrent de voordragten der leden. Als de conclusiën genomen zijn, is alles afgedaan. Hiertoe borneren zich de functiën van den moderator en die man behoeft geen lid van het Gouvernement te zijn, want de Vorst zal zijne wetten door Commissarissen doen voordragen of aandringen. Wanneer nu die moderator zou zijn een minister, dan obsteert, dat of wanneer zijn Ministerie lang duurt, hij gevaarlijk wordt voor den Souvereinen Vorst, of wel dat hij niets anders wordt dan de manus ministra van den Princeps, dat ook niet deugt". »Dit alles", zoo eindigde Elout, »permoveert mij tot een President. De Raadpensionaris van Holland was een ander wezen; hij en de Griffier der Hoog Mogenden waren in effecte de Staats-Ministers; dit was toen noodig, om Holland invloed te geven, nu niet meer". Hogendorp moest dan ook zien, dat zijn voorstel, waaraan hij, naar men meent[306], ook om persoonlijke redenen veel schijnt te hebben gehecht, door de meerderheid verworpen werd. Met zeven tegen vijf stemmen werd besloten, dat er niet zou zijn een ministerieel ambtenaar, de functiën van Raadpensionaris uitoefenende, maar een president met de gewone presidiale attributen (art. 66 der Grw.)[307]. En alzoo werd de staf gebroken over eene instelling, die door het nevelachtige van haar karakter, gepaard met het prestige van den oud-republikeinschen naam, eene belemmering had kunnen worden in het monarchaal Staatsbestuur, vooral dan, wanneer Hogendorp zelf met dat ambt bekleed zou zijn geworden[308]. Wanneer wij in de Gedenkschriften van Hogendorp lezen[309], dat onder de oude Republiek het bestuur in handen was van lieden, aan welke de constitutie de macht niet gaf; wanneer hij daarop wijst als een der gebreken van die bondgenootschappelijke regeering, dan komt de vraag bij ons op: of hij niet gevaar liep op dezelfde klip te stranden door niet alleen de Staten-Generaal te willen maken tot eene vergadering van de hoogste Staatsdienaren, maar vooral door een ambt in 't leven te roepen, als dat van Raadpensionaris, wiens werkkring onbepaald was, doch die na den Souvereinen Vorst de eerste positie in den lande zou innemen.
[304] _Ontstaan_ I, 63.
[305] _Ontstaan_ I, 484.
[306] De Bosch Kemper, _Staatkundige Geschiedenis van Nederland tot 1830_, bl. 414.
[307] Voor een ministerieel ambtenaar stemden: Hogendorp, van Lynden, Lampsins, Repelaer, van Imhoff. Tegen: van Zuylen, Aylva, Humalda, Heerdt, Elout, Röell, van Maanen.--_Ontstaan_ I, 154.
[308] Men herinnert zich, dat Hogendorp na de aanneming der Grondwet benoemd werd tot Vicepresident van den Raad van State, een ambt in de Schets onbekend, doch tot de instelling waarvan de Souvereine Vorst bij art. 32 der Grw. de bevoegdheid erlangde. Het was op verlangen van dezen, dat deze bepaling in de Grondwet werd gelascht (_Ontstaan_ I, 371). Was dit eene vergoeding voor het ambt van Raadpensionaris?
[309] III, 96.