De Wedergeboorte van Nederland

Part 16

Chapter 163,551 wordsPublic domain

Dit rapport van d'Alphonse was gereed in Aug. 1812; hij gaf er toen kennis van aan Lebrun, die nog veranderingen voorsloeg: geen bisdom in Holland; aan de predikanten die thans inkomsten uit pastoralia genoten, deze verzekerd voor hun leven; de scheiding tusschen Hollandsche en Oostfriesche Lutherschen beter door te voeren, en niet te spreken van de diaconieën: »elles appartiennent au secours public, et je ne crois pas qu'il soit dans l'intention de l'Empereur de laisser à chaque culte l'entretien de ses pauvres."[273] D'Alphonse bracht van deze vier wijzigingen de twee minst gewichtige aan, al vreesde hij dat die omtrent de pastoralia geen genade zou vinden te Parijs. Het ééne bisdom behield hij, om ten minste niet alle eischen der Katholieken af te wijzen, en van de diaconieën te zwijgen scheen hem niet wel mogelijk: »Depuis longtems je pense comme V. A. que difficilement S. M. maintiendra les diaconies dans la charge de soulager leurs pauvres respectifs, et que probablement ces pauvres seront mis à la charge des administrations communales. Mais de toutes les propositions que j'aurais pu faire, c'était celle qui aurait affligé davantage et qui aurait le plus mécontenté: j'ai donc cru devoir m'en abstenir."

[273] _Ged._ VI, 965.

Eind Aug. 1812 werd dan nu het rapport naar Parijs verzonden, waar het liggen bleef zonder dat men er verder iets van vernam. De Keizer was te velde, en bovendien, zoo lang hij zich niet met den Paus had verzoend[274] was de invoering eener katholieke hiërarchie in Holland een onbegonnen werk. Wat omtrent de Protestanten was voorgesteld had mede geen haast en werd in studie gegeven aan den chef der afdeeling voor den niet-katholieken eeredienst te Parijs, Darbaud, die er vrij wat op aan te merken had en de Fransche kerkorde letterlijk wilde zien gevolgd. Onderwijl bleef alles voorshands op den ouden voet, maar met ééne, voor de betrokkenen uiterst gevoelige uitzondering.

[274] De Paus had de inlijving van den Kerkelijken Staat (17 Mei 1809) met excommunicatie beantwoord.

Toen de Fransche staatsbegrooting voor 1811 in voorbereiding was, had de minister van eerediensten, Bigot de Préameneu, daarop de volle som uitgetrokken waarop volgens de inlichtingen der Hollandsche gedeputeerden voor tractementen aan godsdienstleeraars in Holland moest worden gerekend, te weten 2.450.000 francs, zijnde het bedrag, dat op de Hollandsche begrooting voor 1810 voorkwam, verminderd met de tractementen der leeraars in het bij tractaat van 16 Maart 1810 afgestane grondgebied. De Keizer had evenwel de gansche som van de begrooting geschrapt, zeggende dat de burgerlijke gemeenten deze uitgaven in Holland moesten dragen. Hij verzuimde echter dezen wil in een decreet uit te drukken, en nu geschiedde er ... niets. Een merkwaardig voorbeeld van de stroefheid der hooggeroemde Fransche administratie, zoodra er bij den Keizer, die toch ook mensch bleef, iets haperde; en dit kwam tegen het eind zijner regeering hoe langer zoo meer voor. Niemand die zich dan verantwoordelijk voelde of een hand verlei zoolang die niet door een bevel der hoogere autoriteit in beweging werd gezet. Het eene kwartaal na het andere verliep, zonder dat de Hollandsche predikanten een duit uit de schatkist ontvingen. Lebrun hield niet op den Keizer en den minister om voorziening te verzoeken; de Keizer antwoordde niet; de minister wel, maar enkel om te zeggen dat hij geen orders had, en Lebrun's brieven aan den Keizer voorlegde. Dan schrijft Lebrun nogmaals aan den Keizer, en dringender: »Les pasteurs réformés sont aux abois; on m'assure qu'il en est qui mendient leur pain, ils n'ont point comme les prêtres catholiques de ressources dans le zèle de leurs fidèles. Les protestans sont durs comme leur religion, et d'ailleurs les biens des églises ont été rendus à l'Etat.[275] Je supplie encore une fois V. M. de vouloir bien peser ces circonstances dans sa justice, dans sa bonté, dans sa politique" (18 April 1811). De Keizer antwoordt verbaasd; de burgerlijke gemeenten zouden immers de godsdienstleeraars betalen? »C'est ainsi que cela a été arrêté au budget" (21 April 1811). »On ne connaît point ici", antwoordt Lebrun, »l'article du budget qui prescrit cette disposition. V. M. jugera sans doute qu'elle doit être publiée" (25 April 1811). Er volgt niets. Den 2den Juli bericht eindelijk de minister Bigot, dat hij zich tot een herinnering aan den Keizer vermand heeft: »que S. M. avait bien annoncé l'intention que le traitement du clergé fût à la charge des communes, mals qui il n'y avait point eu de décret pour ordonner et régulariser cette mesure". Deze herinnering wordt door den Keizer om advies gezonden aan den Staatsraad. Den 18den October schrijft Bigot, dat de Staatsraad geadviseerd heeft dat deze uitgaven in geen geval ten laste der burgerlijke gemeenten kunnen komen; ook Lebrun had zich in denzelfden zin uitgelaten. Desniettemin beslist de Keizer bij decreet van 29 Oct. 1811 (gegeven op het Loo), dat de burgerlijke gemeenten gehouden zijn 1/15 van hun jaarlijksch inkomen in de centrale agentuur der schatkist te Amsterdam te storten tot een bijzonder fonds, waaruit de tractementen der godsdienstleeraars zullen worden voldaan; »il faut soulager", heet het in een 19 Oct. te Amsterdam gegeven keizerlijk dictaat, »il faut soulager le trésor de cette dépense qui est bien considérable"[276] Den 30sten Dec. is het decreet van 29 Oct. eindelijk in handen van d'Alphonse die het aan de prefecten zenden kan ter uitvoering; ondertusschen is het geheele jaar 1811 verloopen. Maar die uitvoering blijkt zulk een gemakkelijke zaak niet: de gemeentekassen zijn er niet op voorbereid, en 20 Juni 1811 moet d'Alphonse, op een vraag van Lebrun, antwoorden dat er nog geen uitkeering aan de predikanten mogelijk is geweest, wel te verstaan op hun tractement over 1811! Wel is er iets gestort, maar lang niet genoeg; trouwens al ware geen der gemeenten nalatig geweest (Amsterdam b.v. heeft nog niets kunnen storten omdat het in werkelijkheid de som niet voorhanden heeft), dan zou het geheele bedrag nog niet de helft van het verschuldigde uitmaken! In Dec. 1812, als Napoleon uit Rusland terugkeert, wacht Lebrun hem met het bericht op dat de predikanten thans 1/3 van hun traktement over 1811 ontvangen hebben, en nog niets over 1812. »_Si j'avais eu quelque pouvoir_," luidt de karakteristieke bijvoeging, »nous aurions trouvé des moyens dans la bonne disposition des Hollandais. Les ministres ont été sages au milieu de leur déuvement, et ils méritent les bontés V. M." Nog eens 31 Maart 1813: »Je supplie V. M. de s'occuper du traitement des ministres du culte en Hollande: la justice leur est due, et ils la méritent par leur résignation. Jusqu'ici ils n'ont véritablement donné lieu à aucune plainte, et leurs réclamations ont toujours été calmes et respectueuses. J'ai adressé à M. le ministre des cultes un projet de décret qui compléterait les traitemens de 1811 et de 1812, qui pourrait encore être adopté pour 1813 et jusqu'à V. M. puisse s'occuper de l'organisation du culte dans ces départemens".--Geen antwoord; de Keizer heeft dringender zaken aan het hoofd. Den 12den Juni 1813 vraagt de Friesche prefect Verstolk aan d'Alphonse, of de tractementen mogen worden omgeslagen over de hervormde gemeenteleden, op voorwaarde van terugbetaling zoodra het gouvernement gereed is? Antwoord: alles moet blijven bij vrijwillige bijdragen zonder inmenging van den prefect. In Juni en Juli 1813 komt eindelijk weer iets beschikbaar, maar nog minder dan verleden jaar: 600.000 francs!... Wat ruime zucht van verlichting zal er in menige pastorie geslaakt zijn, toen de Souvereine Vorst, bij besluit van 19 Jan. 1814, de betaling der tractementen uit 's lands kas, als tot 31 Dec. 1810 gebruikelijk, herstelde![277] Dat overigens de Vorst van den aanvang af niet vreemd was van het denkbeeld, de kerkelijke politiek zijner voorgangers voort te zetten, bewijst het 4de art. van dat besluit, 't welk den C.-G. van Binnenlandsche Zaken gelast »zorg te dragen dat door combinatiën en afschaffing van predikantsplaatsen, overal waar zulks zonder nadeel voor de belangen van de godsdienst kan geschieden, 's lands uitgaven verminderd worden."

[275] Wel te verstaan die bedoeld in het decreet van 1808.

[276] _Ged._ VI, 209.

[277] _Ontstaan_ I, 302. De herstelling betrof niet alleen de tractementen van leeraars der Hervormde Kerk, maar ook »de toelagen welke tot 31 Dec. 1810 aan eenige leeraars van andere kerkgenootschappen zijn geaccordeerd geweest."

* * * * *

_Met ééne uitzondering_ (hiervóór, bl. 117). Tellegen bedoelt blijkbaar Heerkens. Hij vergeet evenwel, dat van Maanen remonstrant was.

* * * * *

_Haar onderhoud_ (hiervóór, bl. 118). Wel te verstaan, »in zoo verre de geestelijke en kerkelijke goederen niet toereiken".[278]

* * * * *

_De stemmen staakten_ (hiervóór, bl. 119). Allerzonderlingst is de mededeeling van G. K. aan den S. V. in zijn brief van 4 Febr. 1813[279], dat omtrent de uitdrukkelijke vermelding der gelijke toelating tot ambten en bedieningen de stemmen niet hebben gestaakt: volgens hem is die verworpen met 8 stemmen tegen 6. Het tegendeel blijkt zoowel uit de aanteekeningen van Röell als uit die van van Maanen. Trouwens waartoe zou de president de conclusie tot de aanwezigheid van van Heerdt en van der Duyn hebben uitgesteld, indien de stemmen op 2 Febr. _niet_ hadden gestaakt? Wanneer dan ook van Maanen 11 Febr. het punt noemt onder die waarover de stemmen hebben gestaakt,[280] volgt er geen protest van den voorzitter; en 1 Maart noemt deze zelf het artikel een punt »omtrent welk de stemmen gestaakt hadden".[281]

[278] _Ontstaan_ I, 55.

[279] _Ontstaan_ I, 359.

[280] _Ontstaan_ I, 428.

[281] _Ontstaan_ I, 482.

* * * * *

_Beslissing van den Souvereinen Vorst_ (hiervóór, bl. 120). Zie _Ontstaan_ I, 482 en II, bl. CXXI, doch vooral _Br. en Ged_. V, 87: de Vorst besliste voor opneming der beide bepalingen, hoewel die omtrent zijne religie hem persoonlijk niet aangenaam was[282]. De oude heer van Aylva maakte er echter eene gemoedszaak van, en zeide dat zoo deze bepaling niet opgenomen werd, een aantal notabelen alleen daarom de Grondwet zouden verwerpen. De aanstaande vereeniging met België maakte veel Protestanten voor de toekomst beducht.[283]

[282] Hij zal daarbij zeker gedacht hebben aan den indruk in België.

[283] »Wanneer wij Brabandsche provinciën tot territoir krijgen, zullen wij gereformeerden het onderspit delven" (van Lynden in de vergadering van 21 Jan. 1814; _Ontstaan_ I, 278).

* * * * *

_Het is waarschijnlijk_ (hiervóór, bl. 120). Inderdaad blijkt uit de beraadslagingen der commissie, dat het besluit van 19 Jan. 1814 van zeer grooten invloed is geweest,[284] doch er is geen het minste bewijs voor Tellegen's meening, dat de commissie van redactie art. 137 in de Grondwet zou hebben gesteld na ruggespraak met den Vorst. In de stukken tusschen den Vorst en die commissie of tusschen den Vorst en Hogendorp gewisseld wordt de zaak niet behandeld. Onder invloed van het besluit van 19 Jan. zal de commissie van redactie tot het inzicht zijn gekomen dat het niet aanging den waarborg, daarin voor de Hervormden gelegen, in de Grondwet te bevestigen, en den waarborg voor de anderen niet.

[284] _Ontstaan_ I, 296.

* * * * *

_Doode letter_ (hiervóór, bl. 121). Dit is voor de tweede maal, dat Tellegen deze uitdrukking gebruikt.[285] Uit de niet-wederopneming van den »grondregel" van 1798: »Elk burger heeft vrijheid, God te dienen naar de overtuiging van zijn hart", in de constitutiën van later tijd, kan ik geenszins het gevolg trekken dat deze regel sinds 1801 »dood" was. Het wemelt in den aanhef der staatsregeling van 1798 van »algemeene beginselen" en »grondregels" wier invloed voortduurde, ook al werden zij in latere constitutiën niet weder opgenomen.

[285] De eerste maal hiervóór, bl. 115.

* * * * *

_Art. 139 der Grondwet_ (hiervóór, bl. 122). Tellegen vergist zich door te meenen dat het de S. V. is die de opneming van dit artikel heeft bewerkt. De vervanging van art. 62 der _Schets_ door het artikel van 2 Febr. is het werk der volle commissie[286]; het artikel van 2 Febr. is tot art. 139 der Grondwet verscherpt door de commissie van redactie, zonder dat van eenige tusschenkomst van den Vorst blijkt. Het zal de invloed van Röell zijn die dit heeft bewerkt: reeds 21 Jan. maakt deze onderscheid tusschen de mate van inzage waaraan de gesubsidieerde en de niet-gesubsidieerde genootschappen zullen zijn onderworpen[287].

[286] _Ontstaan_ I, 318-'19.

[287] _Ontstaan_ I, 270.

* * * * *

_Heerlijke rechten_ (hiervóór, bl. 131). Art. 24 der staatsregeling van 1798 had deze zonder schadevergoeding voor altijd vernietigd, doch art. 15 van die van 1801 had alle wetten die sedert 1795 aan de waarde van eigendommen of wettig verkregen bezittingen hadden gederogeerd, aan herziening onderworpen. Ieder benadeelde kon zich tot het Staatsbewind vervoegen, dat naar bevind van zaken de afschaffing of verbetering dier wetten, benevens eene billijke schadeloosstelling, aan het Wetgevend Lichaam zou voordragen. Dientengevolge regende het adressen, en diende het Staatsbewind eene (bij het Wetgevend Lichaam onafgedaan gebleven) wet in, waarbij de heerlijke rechten hersteld werden »voor zooverre zij niet met de staatsregeling of het publiek gezag in strijd waren", en voor het gemis van niet herstelde heerlijke rechten, voor zoover daaraan voor den bezitter geldelijke voordeelen verbonden waren geweest, eene schadeloosstelling werd toegekend, bestaande in eene recognitie, te voldoen door de bekleeders der posten waarvan de begeving te voren inkomsten had opgeleverd aan de ambachtsheeren. Art. 8 der staatsregeling van 1805 nam art. 15 van die van 1801 met geringe wijzigingen over, zoodat eene wettelijke regeling nogmaals in uitzicht was gesteld, welke 9 Juni 1806, in de allerlaatste dagen van Schimmelpenninck's bewind, tot stand kwam, en die door den minister van binnenlandsche zaken, van Stralen, was ontworpen. Rechten van aanstelling der leden van gemeentebesturen of rechtbanken, door eigenaren van heerlijkheden vóór 1795 uitgeoefend, bleven voor altijd vervallen; alle overige met inbegrip van het kerkelijk patronaatrecht werden hersteld, voor zoover zij althans niet hun oorsprong namen uit »het leenrecht", dat volgens art. 9 der staatsregeling bleef afgeschaft, doch onder schadevergoeding. Eene regeling die de particuliere belangen zoo zeer ontzag als met de staatshoogheid te nauwernood bestaanbaar was; voor het oogenblik wel aan de ergste onzekerheid een einde maakte, maar afstak bij de algemeene strekking der nieuwe instellingen, en in de negentiende eeuw dan ook niet bleek te kunnen worden gehandhaafd.

Tellegen vergist zich door te meenen, dat deze wet onder Lodewijk Napoleon niet heeft gegolden, al is er over hare vervanging door andere bepalingen wel in den Staatsraad gehandeld. De sectie van wetgeving van den »Conseil pour les affaires de Hollande" herinnert in haar advies van 21 Aug. 1810[288] aan het beginsel der bestaande wetgeving: alle heerlijke rechten _die in strijd kwamen met bestuursrechten van den Staat_, waren afgeschaft. De tienden (ook soms als accrochement van een ambachtsheerlijkheid voorkomende) vielen niet onder dit begrip, en waren nog onlangs bij de adaptatie van het Wetboek Napoleon voor het koninkrijk Holland gewaarborgd. In overeenstemming met den wensch der sectie bepalen twee artikelen van het groote decreet van 18 Oct. 1810, dat de tienden en andere grondrenten in Holland invorderbaar blijven overeenkomstig de bestaande wetgeving; »il sera statué ultérieurement sur la faculté de racheter les dites dîmes et rentes". Deze afkoopbaarstelling is inderdaad ingevoerd bij keizerlijk decreet van 22 Jan. 1813 (Fortuyn III, 539), doch door den Souvereinen Vorst weder te niet gedaan bij besluit van 22 Oct. 1814 (_Staatsblad_ no. 103).

[288] _Ged._ VI, 1442.

Onder de Fransche wetten, hier te lande executoir verklaard, zijn er geene, die de heerlijke rechten betreffen.

* * * * *

_Wellicht_ (hiervóór, bl. 132). Deze onderstelling vindt in de stukken geen bevestiging. Heerkens, de eenige die eene opmerking maakt waaruit is af te leiden dat hij zich niet in elke provincie eene ridderschap denkt[289], stemt vóór de insertie. Tegen de insertie stemt van Lynden, die geen landelijke stand wil behalve in Friesland.

[289] _Ontstaan_ I, 411.

* * * * *

_Besluit van 26 Maart 1814_ (hiervóór, bl. 134). Op wat grond de Bosch Kemper durft verzekeren, dat het besluit genomen schijnt »op aandrang van van Hogendorp, toen eerste minister, die het dan ook in de commissie voor de grondwet verdedigde"[290], is mij onbekend. De mededeeling is in ieder geval onjuist. Primo was Hogendorp toen geen »eerste minister", maar minister van buitenlandsche zaken; secundo is er geen letter over de zaak gewisseld tusschen hem en den Souvereinen Vorst; tertio is, blijkens de stukken zelve op het Kabinet der Koningin, trouwens ook reeds blijkens het boekje van van Akerlaken, het besluit het werk van Hendrik van Stralen, den auteur der wet van 9 Juni 1806, die thans gelijk toen minister van binnenlandsche zaken was. In de commissie kan het besluit als zoodanig natuurlijk niet verdedigd zijn, aangezien het van 26 Maart is en de commissie hare laatste vergadering hield op den 2den Maart. Bedoelt de Bosch Kemper de commissie van 1815, dan is de mededeeling evenmin juist. Ik denk dat hem art. 45 der _Schets_ voor de gedachte heeft gezweefd.

[290] _Letterk. Aant._ 464.

* * * * *

_Ook op andere punten_ (hiervóór, bl. 136).--Zie voor het vroeger overleg tusschen den Vorst en Hogendorp hiervóór, bl. 96; voor het hier door Tellegen bedoelde met de commissie van redactie zie _Ontstaan_ II, bl. CXVIII vv. en I, 438 vv.--Behalve op het punt van den godsdienst was de inmenging vooral voelbaar op het punt der militie; zie daarvoor de aanteekeningen op hoofdstuk IX. Op twee punten waar Tellegen invloed van den Vorst vermoedde, is daarvan niet gebleken (hiervóór, bl. 149 en 150).--Twee belangrijke punten komen bij het volgende hoofdstuk ter sprake: de Raad van State en de verkiezing van leden der Staten-Generaal.

V.

DE REGEERINGSVORM.

Wij slaan de Grondwet open, om, ingelicht door de beraadslagingen der commissie, de omtrekken van het staatsgebouw der Vereenigde Nederlanden te leeren kennen. Een onderwerp, dat bij het bespreken van den adel en de ridderschappen, bij de beschouwing van stad en land hier en daar door ons aangeroerd, eene meer opzettelijke behandeling verdient. Toen de commissie aan het werk toog, stond ééne zaak vast: de souvereiniteit gevestigd in het huis van Oranje-Nassau. Het monarchaal beginsel werd gehuldigd. De souvereiniteit zoude bij erfopvolging overgaan en de maxime van het Fransche recht: _le Roi ne meurt pas_, zoude, zei Hogendorp[291], ook hier rechtens zijn. De troon dus geen oogenblik ledig en de orde in den Staat dus niet door eenig tusschenbestuur in gevaar gebracht. Wie zoude echter geroepen zijn, den opengevallen troon te bezetten? Hogendorp--en dit kon op zijn standpunt moeilijk anders--knoopte het erfrecht vast aan de opdracht van het Erfstadhouderschap in 1747. Het waren de afstammelingen van Willem IV, die overeenkomstig die opdracht achtereenvolgens door hem tot den troon werden geroepen. Toen die opdracht geschiedde, had Willem IV nog geen zoon; slechts éene dochter. Prinses Caroline was geboren den 28sten Februari 1743; eerst den 8sten Maart 1748 aanschouwde de latere Willem V het levenslicht. Zoo kwam het dat men het erfrecht niet alleen toekende aan het mannelijk oir, de mannelijke agnaten van Willem IV, maar bij ontstentenis van dezen ook aan de dochters van zijn zoon, met haar mannelijk oir, en daarna op gelijke wijze aan zijne eigene dochters. Echter onder bijvoeging van zekere bepalingen die de nadeelen, verbonden aan den overgang van het Stadhouderschap in een vreemd huis moesten temperen. Dit ambt mocht niet te gelijk bekleed worden met de waardigheid van Keurvorst of Koning; de dochters mochten niet huwen zonder consent der Staten. In overeenstemming met de regeling van 1747 wordt dan ook in de Schets (art. 1 en 2) het erfrecht toegekend eerst aan de mannelijke nakomelingen van den Souvereinen Vorst, het eenige mannelijk oir van Willem IV; daarna aan het mannelijk oir van wijlen zijne dochter prinses Caroline, gehuwd geweest met den prins van Nassau-Weilburg. Het laatste zou ongerijmd zijn geweest, had Hogendorp niet gemeend het voorbeeld van 1747 te moeten volgen. Vreemd is het echter dat hij in zoover van die vroegere regeling afweek, dat hij met stilzwijgen voorbijging de kinderlooze douairière van Brunswijk-Luneburg, de eenige dochter van Willem V, die volgens het in 1747 bepaalde, zelfs zou hebben moeten voorgaan aan het huis van Nassau-Weilburg. Ik weet daarvoor geene andere reden te vinden dan deze, dat het bijna ondenkbaar was, dat zij den stam van den souvereinen vorst zoude overleven, en het bovendien hoogst onwaarschijnlijk was, dat zij nog mannelijk oir zoude nalaten. Het was echter een verzuim, dat door de commissie hersteld werd, en deze douairière kreeg dan ook met hare wettige nakomelingen eershalve hare plaats in de Grondwet (art. 6). Eveneens had Hogendorp nagelaten de orde der erfopvolging te regelen. De commissie vulde die leemte aan door te bepalen, dat binnen elk dier drie huizen de erfopvolging zoude geregeld worden naar het beginsel van eerstgeboorte en representatie.

[291] _Ontstaan_ I, 74.

Op een gewichtig punt van verstrekkende gevolgen week de Grondwet af van de Schets. Hogendorp had het erfrecht toegekend aan de mannelijke nakomelingen. Hij had alleen het erfrecht in de vrouwelijke lijn toegelaten voor zoover de regeling van 1747 daartoe aanleiding gaf, en was zelfs, wat de dochter van Willem V betrof, daarvan nog afgeweken. Dit was niet in strijd met 's mans innige verkleefdheid aan het huis van Oranje-Nassau. Integendeel. Dat huis zoude de hooge positie van Souverein in ons Vaderland innemen, maar dan ook geen erfrecht in de vrouwelijke lijn,--waardoor ons vaderland gevaar liep de prooi te worden van allerlei vreemde vorsten.

In de vergadering der commissie van 28 December 1813 kwam echter uitbreiding van het erfrecht der vrouwelijke lijn ter sprake. Men vond er bezwaar in de dochter van den Souvereinen Vorst, prinses Marianne, uit te sluiten. Dit punt werd met andere punten verwezen naar eene commissie, bestaande uit de leden Aylva, Elout en van Maanen, aan welke commissie werd opgedragen met overleg van den Souvereinen Vorst de twee artikelen der Schets, handelende over de troonsopvolging, in meerdere artikelen gesplitst, in behoorlijken rechtsgeleerden stijl te vervatten. In de vergadering van 11 Januari 1814 brengt nu deze commissie eene redactie dier artikelen ter tafel, welke door den Souvereinen Vorst geagreëerd was en nog in dezelfde vergadering zonder eenig debat werd aangenomen.